Moe of lui

Woensdag

Ik geloof dat ik er vandaag maar even aan toe moet geven, de vermoeidheid. Ik veeg heel mijn agenda voor vandaag leeg en besluit helemaal niks meer te doen behalve misschien een beetje in de buurt rondhangen en het schrift bij te werken. Elif had gelijk, Istanbul is vermoeiend, heel erg vermoeiend. Ik kleed me pas laat aan, drink koffie, lig in bed nog te lezen en netflix te kijken, en er is sinds gisteren geen water meer uit de kraan, dus geen douche, geen wc doortrekken, dus ik ga dan toch naar buiten om iemand anders koffie voor me te laten maken. Het is al weer stervensdruk op straat en zelfs dat trek ik niet, dus ik ga naar Black House, dat in elk geval in een rustige straat naast het park ligt dat de wijk scheidt van de Zee van Marmara. En inderdaad, er zit helemaal niemand. Om daar intens van te genieten klap ik mijn iPad uit en ga drie koppen cappuccino lang zitten schrijven over gisteren. Ik bestel ook brood en een karışık menemen bestaande uit roerei met tomaat, kaas en sucuk en peterselie in een rond koperen pannetje. Özlem stuur me een berichtje dat de gemeente het water heeft afgesloten maar dat het in de loop van de ochtend weer terug moet komen. Ik denk dat ik daar wel een uur ofzo zit. Ik ga alleen maar weg omdat ik ineens denk dat het misschien een beetje raar is om daar zo lang te zitten. Op de terugweg zie ik ineens allemaal cocktailbarretjes, even onthouden. Verder doe ik niets. In huis lummel ik wat. Ik had een Japans restaurant gevonden voor vanavond, maar ineens gaat het hard regenen. Ik heb het koud. Ik heb geen zin om me aan te kleden en in de regen naar een restaurant te lopen. Het is alsof er een stuwmeer aan vermoeidheid uitkomt. Ik eet maar gewoon wat ik nog in huis heb, een banaan, een stuk brood met kaas, een yoghurtje. Voor morgen plan ik alvast een route naar het Ara Gülermuseum, ik moet helemaal met de tram naar een metrostation en dan helemaal naar Şişli. Ik lig vroeg op bed want morgen is de laatste dag en daar wil ik nog wel wat van maken.

Donderdag

Waarom. Waaròm?! Besluit ik om toch op Beyazit uit te stappen en door de grote markt heen te lopen? Waar verkopers je letterlijk laten struikelen, in de weg gaan staan en je weg blokkeren, naar je roepen, je tientallen meters achtervolgen als je het ook maar waagt om een milliseconde naar iemands ogen te kijken? Waaròm? “Do you want a jacket? Do you want a jacket? Do you want a Jacket?” Nee, je ziet toch dat ik al een jas aan heb? “Hi, how are you?” “Nice to see you, miss.” “GUTENTAG!” “Where are you from?” Wat een foute, foute beslissing was dit. Misschien wilde ik onbewust toch nog iets van deze chaos meekrijgen ofzo, het er even met geweld laten inslaan, voordat ik morgen vertrek. Om eerlijk te zijn, vind ik wel dat je ooit iets op deze markt moeten hebben gekocht (zo kreeg ik hier van mijn ex destijds een gouden kettinkje met de maan en ster) (gek, ik ben vergeten het mee te nemen), alleen al om de ervaring, maar daarna noooooooit meer. Genoeg kleine winkeltjes in achteraf steegjes waar ze ook een boterham moeten verdienen. Maar ja, ik deed het dus toch.

Ik ging vanochtend vroeg op pad, om 8:30 liep ik al richting de iskele. De beste route leek me met mijn gloepend nieuwe Istanbul kartı vanaf het bootstation op Karaköy met de tram (er is er gelukkig maar 1) naar Laleli Universite, dan lopen naar en vanaf Verziciler de superschone metro nemen richting Haciosman en uitstappen in Osmanbey, en dan nog 12 minuten lopen.

Als ik incheck met de 10-rittenkaart die ik in februari kocht, gaat er een alarm af waardoor de hele hal hoort dat “SHE DIDN’T PAY” en het poortje blijft dicht. Waarom is me een raadsel, gisteren deed hij het nog gewoon. Geen zorgen, ik heb ook nog een oude Istanbul kartı. Doet het ook niet. Maar, haha – ik heb nòg een oude Istanbul kartı, want mij krijgen ze niet. Maar die doet het óók niet! Inmiddels sta ik de hele iskele op te houden en moet ik de walk of shame terug naar de automaat doen om dan maar weer een nieuwe kaart te kopen. Ik sta al met m’n pinpas voor de machine, maar een mannetje met een badge duwt me opzij en vraagt in gebroken Engels waar ik heen moet, en hoe vaak. Vervolgens gaat hij me ophouden door alles wat er op de automaat is te lezen en uit te leggen terwijl ik allang heb gezien hoe dat ding werkt. Omdat ik de twee Istanbul kaarten in mijn hand heb, denkt hij dat ik ze wil opladen en grist ze uit mijn handen. “Ze doen het niet”, zegt hij. Joh. “Ama neden?”, vraag ik, waarom niet? Hij zet zijn schouders en wenkbrauwen omhoog en zijn onderlip naar voren en zegt iets met “iptal”, geannuleerd. Ik zeg maar gewoon dat ik een nieuwe Istanbul kartı wil, want ik bedacht me ineens dat ik die kaarten zelf per ongeluk online heb geblokkeerd. Dat regelt hij voor me, rukt ook mijn pinpas uit mijn hand, staat nog een beetje met me te discussiëren over het bedrag, man, schiet eens op. De kaart kost me 100TL (€7) inclusief opladen en daar kan ik ongeveer 20 keer mee in een boot, bus, tram of metro. Ik check eindelijk in en en zie op het schermpje “ücretsiz”. Vanwege de nationale feestdag is het openbaar vervoer vandaag gratis dus dat hele circus was eigenlijk niet nodig geweest als ik het goed begrijp.

Ik ben in Bomonti, klinkt Italiaans, ik zie ook allemaal Italiaanse winkels en gelaterias, maar ik weet niet of dat toeval is. Het heeft weer zo’n Parijse sfeer met grote art deco huizen er rijden grote rode bussen door de stad waar nationalistische muziek uit schalt en natuurlijk is het een drukte van jewelste maar dat is gelukkig voorbij als ik een zijstraatje in moet en via allerlei kleine stadsparkjes met zwarte gietijzeren hekjes en lantaarns richting de oude bierfabriek loop. Van die voormalige bierfabriek die tussen de glazen skyscrapers staat, is een groot cultureel centrum gemaakt, met een theater, galeries, en dus het Ara Güler museum. Er is nog niks open dat koffie verkoopt maar ik ben blij dat het museum al open is, en dat ik helemaal alleen ben. Ik leerde over Ara Güler toen ik in Afrodisias was, dat hij feitelijk in de jaren 70 op de kaart heeft gezet en daarmee de landelijke belangstelling voor het klassieke erfgoed nieuw leven in blies. Dus het verhaal is rond, door hèm wist ik van Afrodisias, maar hem leerde ik pas kennen toen ik dáár was. Het museum is maar klein maar ik ben er wel een uur, je kan zomaar verdwalen in één foto, er als je er dan per ongeluk wéér langs loopt, weer opnieuw. Neem elke foto van hem en de compositie is briljant (alleen daarover kan ik me al minutenlang verwonderen), en er zijn duizend dingen te zien, ik ken geen fotograaf wiens werk bijna beweegt, bijna muziek is, bijna een toneelstuk, dat je ogen zo over het papier laat dansen, en dat altijd een verhaal vertelt, een verhaal dat met de tijd steeds belangrijker wordt. Er hangen verschillende contactafdrukken waarop je ziet hoe hij de foto’s bijsnijdt, zo zie je wat een verschil het maakt, hoe een beeld verandert als je precies een deel ervan weglaat. Ik ben het meest gefascineerd door de foto’s van de schepen en de schippers op de Bosporus en de Gouden Hoorn, de vissers en de watertaxis, de mannen met verweerde gezichten, broeken met scheuren en lappen erin, bij de enkels bijeengebonden. Ik heb al eens geschreven over dat boek dat ik graag wilde hebben maar niet meenam omdat het 30 kilo woog, ik ben in gedachten al bezig met hoe ik dat deze keer wel mee ga slepen, maar er is hier gelukkig geen winkeltje zodat ik toch niet in de verleiding kom.

Het is nu wel zo’n beetje tijd voor koffie, ik vind om de hoek een Starbucks, iemand doet een poging om mijn naam op de beker te schrijven, die ik voor het gemak maar afkort tot ‘Jenny’ maar kennelijk is ook dat nog te moeilijk want er staat uiteindelijk ‘Acenil’ op, en er blijkt ijskoffie in te zitten, waaroooooooom??? waar ik dan weer stevig van baal, maar geen zin om moeilijk te doen dus voor straf moet ik het er maar mee doen. Ik ga op weg. Ik zou eigenlijk naar het ‘Quincentennial Foundation Museum of Turkish Jews’ gaan, maar de moed zinkt me in de schoenen. Ik ga naar huis. Ik ben klaar. Ik heb mijn shot Istanbul weer gehad. Alleen als ik in die tram zit stap ik dus per ongeluk uit op Beyazit.

Nadat ik me door de Hotel California die Kapalı Çarşı heet, heb heengeworsteld omdat ik eerst geen uitgang kon vinden (je zou toch denken dat als je alsmaar rechtdoor loopt, je toch uiteindelijk bij een uitgang moet komen, maar er komt geen einde aan lijkt het), heb ik nog heel even de illusie dat ik hier buiten ergens wel wat kan eten en drinken, maar de hele tourist trap staat me momenteel al weer enorm tegen, en waarom niet gewoon lekker terug naar Moda, waar ik de weg weet. En waar dat Japanse restaurant zit waar ik toch nog heen wilde.

De lucht is donker grijs, op de boot speelt een gitarist melancholische liedjes, een heel klein jongetje dat bij een passagier hoort, danst een soort halay, waardoor iedereen moet lachen. Bij het uitstappen schud ik mijn portemonnee leeg in de gitaarkoffer. Pas buiten realiseer ik me dat dit het weer was, de boottochtjes naar de overkant. Hoe lang zal het deze keer weer duren voordat ik hier weer ben? Ik heb het voorgevoel dat het een hele tijd gaat duren.

Andermaal in Kadıköy is het natuurlijk ook weer over de hoofden lopen. Langs de kade staan tribunes met schoolkinderen erop die in formatie met grote vlaggen zwaaien en hun bij de geboorte al ingestampte liedjes zingen die gaan over de heldendaden van Atatürk en hoe trots en blij ze zijn dat hij hun vader is. De ouders staan trots naar het optreden te kijken dat ze zelf ook hebben gedaan toen ze klein waren. Niemand heeft haast dus is het erachteraan sjokken naar het straatje waar het Japanse restaurant zit, dat gaat alleen pas over een uur open, maar geeft niet want er tegenover zit een koffiezaakje waar ik in loop, en verder naar achteren, verborgen voor de menigte die niet verder kijkt, is een piepklein achterplaatsje, helemaal groen, met een glazen afdak waardoor je naar de oude gebouwen kijkt die er achter liggen, en het is er stil, heel stil, alleen de barman zit er met een vriend, en nog één andere persoon, die zich net als ik achter een toetsenbord verschanst. Lekker even bijkomen, diep zuchten en uurtje schrijven. Daarmee ga ik ook door als ik naar het dakterras van het Japanse restaurant ben gedirigeerd. Een fantastisch uitzicht heb ik hier, ik kan zelfs de overkant van de Bosporus zien. Afijn ik eet wat lekkere Japanse ‘meze’ met een margharita en I’m calling it a day. Ik moet alles nog doen thuis, schoonmaken en inpakken, en morgen vroeg op dus geen gelanterfant meer nu.

Stone head, dinsdag

Intussen ben ik zowat meer tijd bezig met online komen en verbindingen te leggen tussen WordPress en facebook, mijn telefoon en mijn iPad, mijn iPad en internet, mijn iPad en mijn telefoon en het wifi-apparaatje, mijn telefoon en allerlei andere verbindingen, dan met schrijven. Maar soit.

Ik moet vandaag van mezelf naar het archeologiemuseum en naar het Pera museum. Die twee, want in het Pera museum hangt het beroemdste schilderij van Turkije, De Schildpaddentrainer (Kaplumbağa Terbiyecisi), en het archeologiemuseum, nou ja dat spreekt natuurlijk voor zich, maar ook omdat de schilder van dat beroemdste schilderij, Osman Hamdi Bey, niet alleen schilder was maar óók jurist, en óók twee keer getrouwd met een Franse vrouw, en óók archeoloog, en óók architect, en hij in die hoedanigheid óók het archeologiemuseum heeft gebouwd, en dat meteen heeft volgestampt met alles dat hij tijdens zijn opgravingen heeft opgegraven. Dus een mooie ronde tocht vandaag. Niet helemaal zo rond als ik wilde, blijkt in de loop van de dag, maar goed.

Ik vertrek redelijk op tijd van huis met alle opgeladen apparaten naar de veerboot naar de Europese kant. Ik heb meteen al honger dus spijt dat ik niet heb ontbeten maar ik was toch van plan om goed te lunchen dus ik bikkel mezelf er maar even doorheen. Het is weer ver-schrik-ke-lijk druk aan de andere kant. Ik was natuurlijk vergeten dat donderdag een nationale feestdag is (een soort van nationale kinderdag), maar je merkt het nu al. Ook zie ik twee enorme cruiseschepen liggen aan de kade van Galataport, wat een goed teken is voor de stad, en een slecht teken voor mij. Maar ik realiseer me dat pas als ik langs het Gülhane Parkı naar boven loop en richting Topkapı paleis de eerste afslag naar links neem door de eeuwenoude verweerde gele stadsmuren waarachter het archeologiemuseum ligt, en ik achteraan de rij moet aansluiten, terwijl hier nooit, werkelijk nooit een rij staat. Bovendien stroomt het pleintje binnen en buiten de hekken ineens vol met kinderen, die allemaal vóór mogen. Ik wacht. Ik ben er nu, ik onderga het maar gewoon. Het is te warm om nog iets anders te bedenken en mijn ijzeren strategie voor vandaag om te gooien, bovendien, waar ik ook heen ga, er zullen rijen staan. Ik doe maar een kaartje met een audioguide, maar de mevrouw in het loket wil ineens mijn paspoort hebben. Wat krijgen we nou? Ik vind het nogal een oneerlijke ruil, maar okee, niet over nadenken, ik lever mijn paspoort in en onderdruk allerlei angsten dat ik hem nooit meer terugzie en loop door, er moet hier ergens een tuin zijn waar je koffie kan drinken, die zal ook wel weer op de Efteling lijken nu. Maar dat valt mee, er zit bijna niemand, en ineens is het helemaal stil. Bij de koffiebalie zie ik het boek “The tears of Anatolia” liggen, over waar alle antieke schatten uit Turkije zich nu bevinden die zijn geroofd door Duitsers en Engelsen en Fransen, waar ik al naar op zoek was geweest op ebay maar daar een vermogen kost, en hier kan ik het zo meenemen voor 129 TL (€8). Het terras van het museum ligt als een balkon hoog boven het Gülhanepark, in de warmte lekker fris onder de bomen , en is achteloos omringd door delen van oude met mos bedekte Griekse kolommen en capitelen, er zitten maar een paar mensen, de meeste tafeltjes zijn nog vrij, wat heerlijk, helemaal achteraan ga ik zitten met mijn boek en mijn iPad. Pas een half uur later sta ik op. In het museum zelf is het wel verschrikkelijk druk. Maar het is ook weer heel erg mooi. Ik herken een aantal beroemde beelden uit de Janson’s (heette dat zo?). In een van de eerste zalen staat een muur met talloze marmeren hoofden uit verschillende plaatsen waarvan ik er veel herken waar ik ben geweest, Lagina, Milas, Kaunos, Efes, Magnesia, Afrodisias. Hoofden van keizers, wetenschappers, kunstenaars en onbekende mannen en vrouwen die ooit levend zijn geweest, ooit óók een stem hebben gehad, en nu alle toeristen nastaren die verder maar moeten gissen hoe het leven toen moet zijn geweest, alsof ze met hun versteende blik vanuit het verleden willen waarschuwen dat het leven nog steeds eindig is. Er staat een enorm beeld van Hadrianus over wie ik niet zoveel weet maar hij staat met zijn voet op de rug van een kind dat op de grond ligt, geen idee wat de betekenis is maar de toon is gezet zegmaar. Dat was waarschijnlijk ook de bedoeling.

In de zaal met de graven ga ik op zoek naar de bekendste tombe van het museum, het graf van Alexander de Grote dat niet van Alexander de Grote is, maar zo heet omdat hij erop is afgebeeld. Ik kom er niet zo snel, want er is zo veel te zien, de ene tombe nog indrukwekkender dan de andere. Allemaal vertellen ze een verhaal over degene die er in ligt, soms verhalen van heldhaftige daden in een of andere beroemde veldslag of mythisch gevecht met gevleugelde leeuwen, soms persoonlijke ambachtelijke verhalen en soms verhalen van mythologieën waarmee men zijn eigen leven vergeleek. Als je weet waar je naar kijkt, kan je de hele tombe rondom lezen. Ze zijn hoe dan ook allemaal doorspekt met klassiek drama. Zo sta ik wel een kwartier bij een tombe van een vrouw waarop is afgebeeld hoe Phaedra verliefd werd op haar stiefzoon Hippolytus, maar die moet haar niet, en als het verhaal dreigt uit te komen liegt ze tegen haar man Theseus dat Hippolytus haar probeerde te verkrachten. Theseus had nog één van drie wensen tegoed van Poseidon, en laat daarop zijn zoon door paarden uit elkaar trekken, maar helaas komt de waarheid toch uit en van ellende maakt Phaedra zichzelf van kant. Dat soort drama. Het is een beetje van dik hout maar levert werkelijk prachtige tombes op.

Als ik bij Alexander de Grote kom, realiseer ik me ook dat de Turken weliswaar best iets te klagen hebben over alle antieke schatten die door buitenlanders zijn geroofd, maar dat ze er zelf ook wat van konden. Verschillende zalen zijn gewijd aan de koningsgraven uit Sidon, Libanon. In de tijd dat Osman Hamdi Bey deze hele koningsstad leeghaalde en naar Istanbul overbracht, viel Libanon nog onder het Ottomaanse Rijk natuurlijk, maar toch. Libanon zit nu zonder al die pracht en praal. Ik bestudeer nauwkeurig de mummy van een of andere Sidonse koning die waarschuwt dat als er iemand ook maar in de buurt dreigt te komen van zijn graf, diegene en heel zijn familie zijn vervloekt tot in de eeuwigheid. Ah, dat verklaart een hoop. Er zit zelfs nog haar op, rood-bruin, en het lijkt alsof het vel om de schedel eromheen is genaaid. Grappig toch, de mens kan een tombe maken die na 2700 jaar nog niets aan schoonheid heeft ingeboet, maar aan zijn eigen vergankelijkheid valt niets te redden.

Nadat ik nog een half uur heb rondgelopen tussen overblijfselen van de tempel van Lagina, dat nog steeds zo prachtig en sereen en indrukwekkend was toen ik er in de avondzon liep een paar jaar geleden, begin ik zo’n honger te krijgen dat ik sterretjes voor mijn ogen zie. Het is al 15:00 uur. Gelukkig krijg ik zonder gedoe mijn paspoort terug en ik loop 5 minuten naar wat sinds 1963 de beste kebapci van de stad moet zijn. Het hele terras zit vol maar binnen is het koel en leeg en zo kan ik even eten en schrijven en bijkomen van mijn vermoeidheid. Ik ben nu al ketskapot, en ik moet nog naar de andere kant, naar het Peramuseum dat ergens in de buurt van Istiklal moet liggen. Ik pak weer de tram, waar het binnen ongeveer 40 graden en stampensvol is en ik moet nu kiezen wat ik wil verhelpen, de immense hitte en zuurstoftekort, of mijn vermoeidheid en de pijn in mijn rug. Ik kies voor het eerste en stap uit op Eminönü, wat betekent dat ik de hele Galatabrug over moet lopen en daarna nog berg òp naar Istiklal. In zo’n piepklein winkeltje met allerlei huishoudelijke dingen vind ik nog een rol plakband, dat komt mooi uit. Prompt loop ik op Istiklal óók nog de verkeerde kant op richting Taksim, terwijl ik de andere kant op moest, ik kan inmiddels wel huilen van vermoeidheid en rugpijn, maar ik ga. En ik ben blij dat ik het gedaan heb, om 18:00 loop ik er binnen, het is een prachtig modern museum dat je van boven naar beneden moet doorlopen, beginnende op de 5e verdieping, en per verdieping zijn er maar 2 kleine zalen met fantastische hedendaagse kunst die je geest weer helemaal open zet, en, wat belangrijker is op dit moment, op elke verdieping een frisse, moderne, touch-free, schone wc waar ik in het fonteintje het koude water een paar seconden over mijn polsen kan laten lopen.

Ik weet werkelijk niet waar ik nog de kracht vandaan haal om naar de iskele in Karaköy te lopen, wat gelukkig dan wel weer berg af is.

Het water van de Bosporus is vlak en glanst in de ondergaande zon. We deinen op de zachte golven. Het is heiig en door een lichte sluier zie je in de verte de prinseneilanden in het laatste oranje zonlicht. Het ruikt naar zee en de wind is fris op mijn gezicht. Ik snak naar stilte, en zee waar ik in kan duiken. Misschien ga ik in Fethiye wel op zoek naar een boot. O wat verlang ik naar zee. Als ik thuis kom gaat alles uit en douch ik even, geen zin meer om te eten, meteen naar bed.

Cat hair

Maandag

Na veel gedelibereer toch maar weer de taxi, elke keer spannend, word je afgezet of niet, dat wil zeggen, wáár word je afgezet, en wat betaal je ervoor. Ik moet eens ophouden met die angstaanjagende recensies op internet te lezen. Hoevaak heb ik niet taxis genomen en hoe vaak is het misgegaan, nul op de duizend keer. Het is warm vandaag en toch heb ik als enige in de stad sandalen aan wat een beetje genant aanvoelt want kennelijk loopt iedereen op sneakers. Afijn, ik heb de afgelopen dagen bijna dagelijks contact gehad met Elif, mijn gids uit 2017 en mijn spirituele zuster, om te kijken of we elkaar kunnen ontmoeten, wat bijna niet leek te gaan lukken want ze was op toernee en vertrekt vandaag met het vliegtuig naar haar apartment in Bodrum. Maar ze logeert bij een vriendin in Bostancı. Ze facetimet me ‘s morgens als ik nog als Toos Makeuploos in mijn pyjama loop, en zij lopen óók nog in hun pyjama, en ze gillen dat ik moet komen voor koffie, ze stuurt een onbegrijpelijke beschrijving van hoe ik daar moet komen met het trammetje, en dan de metro, maar het is nog te vroeg om zin te hebben om dat weer helemaal uit te zoeken, dus taxi. Ik ga douchen en trek zwarte linnen bloes en zwarte linnen broek aan, en ik merk dat ik helemaal ben opgezwollen, dik gezicht, dikke vingers, dikke enkels, de ring die ik gisteren om m’n middelvinger had, past nu met moeite om mijn ringvinger. Bostanci is een nogal afgrijselijke buitenwijk waar werkelijk niets interessants te beleven is, concludeer ik vanuit de taxi. Ik moet uitstappen bij een tankstation en dan een doodlopende straat in en dan iets met een knop en een deur die vanzelf open gaat. Ik zie natuurlijk weer helemaal geen deur en er moet een security guard aan te pas te komen die helemaal weer met me meeloopt wat helemaal niet hoeft, maar ja, die ijzeren verroeste deur blijkt tòch de deur te zijn die ik moest hebben. In appartementenblok (cellenblok wou ik bijna zeggen) D moet ik naar de 7e verdieping, dit doet me trouwens allemaal zo denken aan mijn oostblokappartement in Kazachstan, afijn, ik ben er dan eindelijk, en Elif en ik vliegen elkaar om de hals alsof we elkaar jaren niet hebben gezien, wat natuurlijk letterlijk ook zo is, maar dan ook nog alsof we familie zijn of levenslange vriendinnen, het is gewoon heel gek hoe blij we allebei zijn en ze wil me niet loslaten uit de omhelzing. Met sommige mensen, heel soms, heb je dit gevoel, gewoon ook al zijn ze nog zo anders, hoe Elif is, zo uitbundig en extrovert, ze houdt van zingen en veel mensen om zich hen, terwijl ik zo’n beetje een bastion van alleenheid ben en nog niet dood gevonden wil worden bij een concert, behalve dan klassiek waar je stil in je stoel mag blijven zitten, en zelfs het opstaan bij het eindapplaus is me eigenlijk al teveel. Samen met haar vriendin Jade zitten we in de keuken, Jade heeft een uitgebreide lunch voor me neergezet, “You have to eat it all, I instist!”, tomaten, olijven, meloen, brood, koffie en thee, iets van honing met pindakaas, walnoten, een omelet en een schaaltje vers gesneden peterselie erbij. Zelfs de kat accepteert me en komt langs mijn benen kroelen. We praten over van alles wat de laatste jaren is gebeurd, dat ze net als ik aan de kant is gezet door haar vriend, en ook dat ze vanwege de pandemie haar appartement heeft moeten onderverhuren aan Iraniërs om rond te komen, en nu een appartementje van 45m2 huurt in Bodrum, en in de winter een paar maanden bij haar moeder in Bursa verblijft omdat ze geen verwarming heeft. Ik moet absoluut later in mijn reis naar Bodrum komen en ze accepteert geen nee! Het is heerlijk om daar zo te zitten kletsen met deze twee prachtige vrouwen. Jade vindt het fantastisch dat ik alleen reis, dat doet zij ook af en toe, en zo heeft ze in Rome via Tinder wat ze ‘echt maar één keer uit nieuwsgierigheid probeerde’, twee jaar geleden haar huidige vriend Gianni opgeduikeld. De tijd gaat veel te snel voorbij. Elif rijdt met mij mee in de taxi terug naar Kadıköy. “Istanbul makes me so tired”, zegt ze. “I see the crowds now and see what they did to the Aya Sofia, it’s just terrible, I can’t imagine how I managed all these years”. Halverwege stapt ze uit om de bus naar Sabiha te nemen. We omhelzen elkaar strak, kussen elkaar op de wang en beloven in touch te blijven. Misschien ontmoeten we elkaar nog deze reis, misschien ergens halverwege in Marmaris, misschien rijd ik toch nog wel een dagje naar Bodrum.

Op weg naar huis winkel ik nog wat en haal ik een pide voor het avondeten. Bij het koffiezaakje op de hoek ga ik zitten voor koffie, ik had eigenlijk wel een cocktail gewild maar alles is zo druk overal en ik ben te moe om er naar op zoek te gaan. Ik probeer via airdrop foto’s van mijn telefoon naar mijn iPad te sturen maar het lukt niet. Het hele internetgebeuren is trouwens een drama met al die verschillende instellingen. Ik heb dus 3G van thuis, maar die heb ik uitgeschakeld omdat ik nu gebruik maak van eSim, dat is alleen data dus gewoon bellen kan ik niet. Alleen voor airdrop heb je wifi nodig, die heb ik óók nog, op een los apparaatje dat ik nog had van de vorige keer waar nog bijna een Gb op stond. Apparaatje weer aan zetten, wachten op verbinding, airdrop doet het nog steeds niet. Kan ook aan mijn toetsenbord liggen, dus bluetoothverbinding met toetsenbord weer uit, en bluetooth aan en uitzetten. Nog steeds geen airdrop mogelijk. Ik vraag de wificode van het café en verbind daarmee, maar niks. Helemaal nerveus word ik van dit gehannes. Dan maar een blog zonder foto’s.

Als ik thuiskom blijkt mijn hele zwarte outfit onder de rood-witte kattenharen te zitten, die ik er met geen mogelijkheid af krijg. Nu moet ik dus ook nog op zoek naar een rol inpaktape ofzoiets.

Veni, vici, dormivi

Niet alleen het plezier zit in de voorbereiding maar ook de stress. Laatst droomde ik dat ik in m’n eentje in een Cessna op weg was naar een beurs in Detroit, en dat ik er boven New York achter kwam dat ik geen landkaart bij me had en ook niet wist of ik wel genoeg benzine bij me had. Dat zijn van die dingen waar ik aan denk als ik een road trip voorbereid, kan ik overal wel tanken waar ik kom, kan ik wel vinden waar ik heen wil, en wat doe ik als ik strand? Dit gaat redelijk ver, zo draag ik een kinderarmbandje met het telefoonnummer van mijn zus erop, en heb ik instructies achter gelaten voor wat ze moeten doen als mijn lijk teruggebracht moet worden naar NL (en dat hoeft voor mij niet eens). Maar okee dat is misschien een beetje morbide. We zijn nog vier weken van de vertrekdatum verwijderd en tegelijk heb ik er heel veel zin in en ook weer niet, maar ik moet, zegt mijn rusteloze ziel. Er is nog zo veel te ontdekken, ook in de rest van de wereld, dus misschien is dit voorlopig echt de laatste keer. Het hoofddoel is Sagalassos, en ik probeer zoveel mogelijk fringe-activiteiten mee te pakken. Na een paar dagen Istanbul gaat er zo’n 1000km in zitten (wat kost de benzine eigenlijk in Turkije?), airbnb’s, hotels, auto, verzekeringen, bijna alles is ruim voor vertrek al geregeld, en nog heb ik stress.

Zondag, 4 weken later

Typische chaotische start na stressvolle reis want Schiphol jaagt iedereen angst aan voor de rijen van 3 uur bij security. Bleek uiteindelijk maar 1 uur te zijn, niettemin was ik natuurlijk 5 uur van te voren al vertrokken. Die bleek ik ook nodig te hebben toen ik een kop koffie zocht, ze kunnen beter waarschuwen voor de rijen die dáárvoor staan, en het feit dat een een schrijnend tekort aan koffiepunten is. “Reizigers moeten rekening houden met hinder en vertraging bij het verkrijgen van een kop koffie, wegens het tekort aan koffieuitgiftepunten.” Hoe is het mogelijk dat ik nergens een kop koffie to go kan krijgen behalve bij de Starbucks waar dus al een miljoen mensen staan te wachten. Hoe moeilijk is het om bij voorbeeld op alle gate-kruispunten een baristbarretje met zo’n hipstermeisje in een tuinbroek en een Iris Apfel-bril neer te zetten? Affijn je snapt al, ik heb het punt van koffiechagrijn al weer bereikt, dat begint lekker. Ik kwam uiteindelijk maar een half uur voor opening bij de gate aan, maar goed, ik had koffie. Ik was van plan om niemand te gaan vervelen met verhalen over de vlucht want, nou ja, we kennen allemaal dezelfde universele ergernissen, te warm, te koud, te droog, 5€ voor een bekertje water, huilende baby, geen beenruimte, ellebooggevecht, rugleuning van die vóór je, etc. Maar een klein detail wil ik er tòch graag voor je entertainment aan toe voegen, behalve dat er twéé huilende babies waren, zat de moeder van een daarvan recht achter me, en die probeerde het kind te sussen door het nogal gewelddadig op en neer te schudden, waarbij haar knieën tegen mijn rugleuning zaten en ik dus óók gewelddadig heen en weer werd geschud. En dat zo’n beetje 2,5 uur lang. Ik heb één keer achterom gekeken, maar ja, je kan niks doen, want baby, dus je staat al met 100-1 achter, elke opmerking zal worden uitgelegd als tegen de baby die onschuldig is, waardoor je automatisch een monster bent en alleen staat in je ellende. Ik dacht aan de drammende muziek van de benedenbuurman en dat juist het constante herhalen daarvan me bij tijd en wijle tot wanhoop drijft, en dat het zo fijn is om daar even twee weken van weg te zijn en dat ik hoop op een stille omgeving, en dat ik kennelijk nog éven 2,5 uur op de proef moet worden gesteld voordat ik mijn beloning krijg.

Er is op Sabiha altijd een giga-rij bij de paspoortcontrole maar hij gaat redelijk snel en ik heb al appjes gekregen van de taxichauffeur die ik natuurlijk van te voren al had geregeld bij Welcome Pickup (ik ben kennelijk de pickup, okee, beetje dubieuze naam) met foto’s van waar hij staat en hij heeft een bordje met mijn naam en zo zit ik weer in zo’n bekende Mercedes Vito met beige nep-leren bekleding en van die kitscherige blauwe ledlampjes in het plafond waardoor je overdag toch van een sterrenhemel kan genieten. Als we Moda binnenrijden krijg ik dat ‘intense geluksgevoel’ en moet ik diep zuchten. Als we langs de iskele rijden waar ik net een paar maanden terug met Nathalie liep, krijg ik een dikke grijns op mijn gezicht, ik voel me helemaal licht, en het voelt alsof ik hier alle tijd van de wereld heb, dat het nu klaar is, wat natuurlijk geenszins het geval is.

Voor de deur van het Aral gebouw zet hij me af. De verhuurster reageert even niet op mijn appjes dat ik er ben. Een bewoner laat me binnen in het typische Frans aandoende jaren 50/60 gebouw met de marmeren trap en bruine ijzeren brievenbusjes tegen de muur. Ik sta in het halletje. “I’m waiting for you, where are you at?”, vraagt Özgü. “I’m here”, zeg ik, “inside your apartment building”. “I don’t see you”. Ik weet niet hoe ik nu moet uitleggen dat ik al binnen sta, in het Turks is het iets van içimdeyim denk ik, en de twijfel slaat toe of ik wel in het goede gebouw sta. Ja, toch echt wel. Dan gaat er gelukkig een deur open en laat Özgü me binnen. Ik ben zo blij. Het appartement is zo leuk. Özgü is zo lief, en klein, en dun en ‘Modalı’ dat ik al weer helemaal geïntimideerd ben. Als ze me de tour en de wificode heeft gegeven pak ik snel een tas om boodschappen te gaan doen. Het is knettterdruk op straat, vanwege de Fenerbahçe-wedstrijd vanavond en ik koop maar gelijk wat brood en kaas en koffie en wijn want moe en ik moet mijn straatvrees nog een beetje overwinnen en wil vanavond niet meer naar buiten.

Thuis trek ik een pyjama aan en ga een beetje schrijven. Het huis is vriendelijk tegen me. Het licht op dit uur stelt me gerust. Overal hangen aquarellen en artistiek aardewerk. Een boekenkast, met ja inderdaad ook hier een verplicht exemplaar van Le petit Prince die om een of andere reden in elk huis in Turkije te vinden is. Tegen een muur staat een werkbank met een glazen plaat en allemaal penselen.

Als ik naar de tafel loop met een glas wijn struikel ik over een rondslingerende tas en gooi wijn en glas over de kanten vitrage. Scherven overal. Wat een geluk moet ik hebben. Een vlek ter grootte van een voetbal erop. En over mijn nieuwe witte truitje. Ongeveer een uur ben ik bezig daar de vlekken uit te wassen met shampoo en te bedenken hoe ik het uit de vitrage ga krijgen, vitrage eraf halen? Ja, maar dat kan dus niet want a heeft geen haakjes, en b ik kan niet bij het plafond, stoel is niet hoog genoeg en ik denk er niet over om op de strijkplank te gaan staan, ik zie de ongelukken al gebeuren. Ik vind een soort waterkaraf die ik vul met warm water en shampoo, prop daar de onderkant van de vitrage in, schud er als een wilde mee, net zo iets als die baby in het vliegtuig, herhaal dat een keer met schoon water en rol het dan in een handdoek droog. Het lijkt erop dat het werkt. Morgen even bekijken bij daglicht. De witte fauteuil ernaast heeft als een wonder niets. Ik had al willen slapen, maar ja.

Slapen doe ik gelukkig héél erg goed. Het is stil, echt doodstil, wat een geluk. Ik slaap, slaap, slaap, alsof ik een jaar niet heb geslapen. Ik word om 8:30 wakker, wat eigenlijk 7:30 is.

Bedevaart

En dat de wekker gaat om 6:00 uur is geen probleem, want ik ben dan al een half uur wakker en kan lekker even rustig aan doen en koffie zetten. De warmte zit in mijn lichaam en ik loop al een paar dagen met een lichte buikpijn, maar na een heerlijke kop koffie, een stukje vijgenbrood en een paar plakken meloen trekt het weg. Ik ben echt een beetje warrig in mijn hoofd en moet heel goed nadenken waar alles is en wat ik ook alweer mee moet nemen. Een van de meisjes van de wandeltocht had gezegd: “Whatever you do, don’t shave!”, dus die wijze raad neem ik ter harte, en ik pak een fles water, mijn bikini en een strandhanddoek mee, en de witte katoenen safarihoed die ik gisteren in Jaffa heb gekocht. Ik meld me om 7:00 uur bij het Royal Beach hotel, waar het busje staat te wachten met Tera en Yevgeny, die ons naar Masada en de Dode Zee gaan brengen. Er is verder niet veel over te vertellen eigenlijk. We rijden naar het oosten. Het wordt steeds heter, ook al merken we daar nog niet veel van want airco in het busje. We passeren Jeruzalem, grote betonnen muren met controleposten waar niet wordt gecontroleerd. We stoppen even voor koffie bij Ahava (‘liefde’), de dodezeezoutfabriek waar ze alle denkbare verzorgingsproducten maken, voor koffie en eventueel een rondleiding en dodezeezoutproducten te kopen, beetje zo’n vreselijk verkoop-tourprincipe. Onderweg naar Masada, wat Tera trouwens uitspreekt als Mesedàh, krijgen we uitgebreide instructies over wat we wel en niet moeten doen, vooral veel water drinken, en een hoed dragen, want het is heet en het zal niet de eerste keer zijn dat iemand per helikopter afgevoerd moet worden (want er is geen weg naar Masada). Nou lijkt me dat ook geen straf, maar ik begrijp de pointe. Als de bus stopt, en ik uitstap, lijkt het alsof er een gloeiend hete rasp over mijn huid gaat. Ik geloof niet dat ik ooit deze hitte heb gevoeld. Maar eigenlijk gaat het best. Mijn lichaam gaat gelijk op de spaarstand. Rustig aan, mensen. Wat me verder opvalt is de drukte. Ik heb er gelijk al geen zin meer in. Op zóveel plekken had ik al willen stoppen onderweg om foto’s te maken, van de bedoeïenen met kamelen en jeeps en tv-schotels, van de woestijn, van de dadelplantages, en nu moet ik weer achteraan aansluiten in de rij. Ik bèn er niet van, mensen. Ik spreek even met een dame uit Noord-Ierland die naast me staat. Die ìs hier al een keer geweest en nu gaat ze nòg een keer. Ze vraagt of ik al in Jeruzalem ben geweest. Nee, zeg ik, en dat ga ik ook niet doen. Ze kijkt me een beetje vragend aan en ik zeg dat ik hier maar een paar dagen ben en Jeruzalem dan een beetje veel van het goede is. Ze is vast katholiek, dus ik ga maar geen botte dingen zeggen. Inmiddels staan we met z’n allen te dringen voor de kabelbaan. Ik kijk naar boven en vraag me af wat er straks gebeurt als ik er in sta en het ding komt in beweging. Ik heb géén goeie ervaringen met hoogtes. Na vijf minuten is ie er al. Jammer dat ik niet naar buiten kan kijken, het is vast prachtig. Als ik allerlei geluiden hoor doe ik mijn ogen weer open en kunnen we naar buiten. De schroeiende hitte slaat ons als zweepslagen over het lijf. Over een smalle loopplank moeten we naar de ingang in de rots lopen. Ik schuif zowat met mijn buik tegen de rotswand om de afgrond maar niet te hoeven zien. Maar het is wel mooi, Masada. Je komt binnen door de poort waar iedereen al die eeuwen door heen kwam, want de enige weg er naar toe was het ‘slangenpad’ van een halve meter breed. Stiekem ben ik een beetje jaloers op mijn Amerikaanse reisgenote die vertelt dat ze in ‘93 om 3:00 uur in de ochtend over dat slangenpad omhoog is komen lopen, wat stoer, dat wil ik ook wel, maar helaas. Herodes was trouwens niet van het halve werk, want hij heeft onder andere de drie of vier meest bezochte toeristische plekken in Israël gebouwd waaronder de klaagmuur (althans de bijbehorende tempel), half Cesarea, en Masada. Omdat hij zelf joods zei te zijn (de ‘echte joden’ vonden van niet, affijn allemaal haat en nijd en problemen), is er op het complex ook een synagoge gebouwd. Er zijn nog best veel originele romeinse elementen te vinden, maar alles is afgehekt en gebaand en je dient netjes in één richting achter elkaar aan te schuifelen en waag het niet een stukje terug te lopen want dan kom je in botsing met de groep die àchter je loopt en ontstaat er een hoop irritatie dan wel paniek omdat de groep niet meer compleet is, en de andere groep er één teveel heeft, affijn een hoop consternatie dus je kan maar beter doorlopen. Schaduw is er bijna niet, dus je wìl heus wel doorlopen, en in de schaarse overdekte ruimtes ontstaan de hele dag opstoppingen omdat mensen er snel heen willen lopen en er veel te lang in blijven staan.

De rondleiding was gelukkig na nog geen driekwartier schuifelen afgelopen en ik snakte naar de bus met airco. Als ik alleen was geweest was het een ander verhaal geweest, maar goed, dat weten we nu wel. Erg mooie uitzichten over de woestijn van Judea en de Dode Zee want je staat enorm hoog op een steile rots. Ook zie je nog de tweeduizend jaar oude omtrekken van de romeinse kampementen uit de tijd van de belegering waarbij 1200 Joodse mensen die zich verzetten tegen het romeinse bewind, elkaar vermoord zouden hebben, een soort collectieve suïcide met lootjes trekken.

Het punt is, met zo’n excursie kan je wel zien, en ook wel horen, maar niet voelen.

We lunchen hier ook, de lunch zit erbij en ik mag wat kiezen van het buffet, het is best lekker, maar het is alsof ik in de kantine van de Efteling zit op tweede pinksterdag. Plastic dienblaadjes, plastic bordjes, verschrikkelijk. Ik wacht vervolgens buiten onder een parasol op Tera en de rest. Een groep Amerikaanse jongens komt ook richting de parasols. “This is fake shadow, guys”, zegt de voorste. Ik maak echt geen grappen, mensen. “Yeah this is totally fake shadow”, zegt nummer twee. “Let’s go inside”. Ja, doe dat.

Yevgeny vertelt ons dat het inmiddels 44 graden is. Nou, dat valt me weer reusachtig mee. Volgende stop is Dode Zee. Nah, mensen, dáár wil ik het liefst zo min mogelijk woorden aan vuil maken. Okee, ik hèb in de Dode Zee gelegen, maar daarmee is zo’n beetje al het memorabele gezegd. En ik zeg je ook: als iemand ooit tegen je zegt dat hij in de Dode Zee heeft gezwommen dan liegt hij. Je kàn namelijk helemaal niet zwemmen in de Dode Zee. Om te beginnen word je uitgebreid gewaarschuwd voor de hitte van het zand en de zwarte modder, vanwege de donkere kleur absorbeert dat al het zonlicht, dat sowieso al regelrecht uit de hel komt. Slippers aan dus. Heb je die niet bij je? Geen probleem, die kan je daar wel kopen. Goh, toevallig. Vervolgens krijg je 1001 warnings voor de gevaren van het water, dat 44% mineralen bevat ipv de 5% van de Middellandse Zee. Drink het niet, want dan ga je dood, en krijg het niet in je ogen, want je retina gaat eraan. Hoe het nog zo goed kan zijn voor je huid is me een raadsel, maar ik begrijp nu wel waarom me werd afgeraden om te shaven. Eenmaal daar aangekomen heeft het alles weg van een bedevaartsoord, al spelen er zich helemaal geen bijbelse taferelen af volgens mij. Niettemin is het het diepste punt op aarde; 400m onder zeeniveau. Het stikt er werkelijk van de Amerikanen die verschrikkelijk veel lawaai maken. Grappig detail: ik sta me om te kleden, in de kleedkamer (zo’n ouderwetse met van die bankjes) schuifelt een oudere dame naast me, zet al kletsend met haar vriendin haar tas neer op het bankje, zegt tegen haar: “I bought só many things today I don’t even know whàt I bought”, maakt vervolgens aanstalten om weer te vertrekken en neemt doodleuk míjn tasje mee! Waar mijn camera en mijn nieuwe slippers in zitten. Ik grijp haar bij haar arm en trek mijn tasje uit haar hand. Ze gaat zich te buiten aan excuses. Jaja. “Trut”, denk ik.

Okee anyway, ik naar beneden in de gloeiende hitte en mijn bikini, moet je eerst nog een flinke trap aflopen, want het water zakt elk jaar een meter. Kom je beneden aan, is er maar een strandje van pakweg 100 meter waar je een plekje moet zoeken met of zonder zwarte modder. Ik doe maar mèt, ik ben er nu toch. Het water in lopen dat lauwwarm is, voorzichtig je voeten neerzetten, want òf glad, òf scherpe steen, en als je dan kniediep in het water staat, bukken, modder van de bodem schrapen en op je huid smeren. Ik denk er maar niet over na dat al deze modder die hier op de bodem ligt al op duizenden lichamen heeft gezeten, waarna het is afgespoeld en gewoon weer terug op de bodem is gedwarreld, als een soort ultieme recycling. Ik troost me met de gedachte dat er niets kan leven in dit water, dus alle menselijke bacteriën zullen wel dood zijn. Voorts loop je verder het water in, dat hoe dieper het is, hoe koeler het wordt, wat echt wel verrukkelijk is, maar als je denkt dat je dan even lekker een plons kan nemen, nee dus want: niet spetteren, niet onder water vanwege je ogen, ik durf niet aan mijn haar te denken dat er momenteel al uit ziet als een bleke suikerspin en ook zo aanvoelt. Okee, ik laat me langzaam achterover vallen en ik drijf nu, ik drijf in de Dode Zee. Het is wel heel grappig, ik hoef echt helemaal niks te doen. Ik dobber een beetje naar wat dieper, koeler water, ik probeer me om te draaien, maar het lukt niet. Zwemmen is echt onmogelijk, je wordt meteen weer teruggedraaid. Rechtop drijven kan weer wel, ook waar je helemaal niet kan staan blijf je omhoog drijven als een dobber aan een hengel. Onder water voelt het water glad aan, maar zodra ik uit het water kom en over mijn huid strijk, voelt het alsof ik bedekt ben met een laag zand. Ik spoel me meteen af onder de douche op het strand en vertrek, weg uit de hitte. Ik heb nog een half uur voordat we vertrekken, die ik besteed aan langzaam rondlopen in de buurt van de ventilator. Nou dat was het dan. Daaag Dode Zee. Straks even lekker onder de douche.

Wild is the wind

Het beestje moet een naam hebben en ik zit in het café HaKovshim bij mij op de hoek, waar David Bowie wordt gedraaid en allemaal jaren 90 muziek die me aan mijn studietijd doet denken. Ik heb met veel handgebaren aangegeven dat ik éérst een latte macchiato wil afrekenen, omdat ik wil zien of mijn pasje het doet. “So do you want a latte or a macchiato? Or both?”, vraagt de roodharige jongen met het sikje achter de balie. O ja, even omschakelen, doe maar latte dan, dat klinkt tenminste alsof er melk in zit. Hoera, mijn pas doet het! Geldzorgen voorlopig weer even voorbij. Ik bestel een ontbijt met scrambled eggs en als het meisje een broodplankje komt brengen realiseer ik me dat dit mijn eerste ontbijt in Israel is. Het café staat op de hoek, 100 meter van het appartement en 200 meter van het strand. Er loopt een drukke weg langs en er staan taxibusjes geparkeerd. Aan de overkant is een reusachtig parkeerterrein dat nu al langzaam vol begint te stromen en straks ook vol staat met touringcars, want de Carmel market ligt hier vlak achter. Het woord Carmel heeft iets te maken met de berg Karmel bij Haifa, sinds de middeleeuwen al geplaagd door Europese pelgrims die een sober leven en gefrituurd worden in de zon nastreefden. Achter de enorme parkeerplaats hiervoor, ligt eerst een zone laagbouw met veel golfplaten en verval en loshangende elektriciteitskabels, maar daarachter verrijst het steeds moderner wordende Neve Tzedek en verschillende skyscrapers die je vanuit je vliegtuig ook al ziet. Het verkeer stokt al richting het noorden en er echoot ongeduldig getoeter door de straten.

Bij het supermarktje hiernaast doe ik wat boodschappen, hier kan ik ook geld pinnen, en ze hebben er ook wijn. “Do you have any Israeli wine?”, vraag ik. De verkoopster neemt me mee naar het wijnvak. “This one comes from the Golan, it’s very good. And this is from Hebron.” “You pick one for me”, zeg ik. Ze lacht breed, “Ahaa, then I want you to have this one!” Ik doe maar even mijn ogen dicht als ik afreken. Maar ik ben hier maar één keer, en when in Rome…

Blij met geld op zak ga ik richting Carmel markt, ik sla lukraak een straatje in naar rechts, eigenlijk zijn alle zijstraatjes hier leuk: vervallen, maar levend, met veel bloemen en eucalyptusbomen, kleine spontane cafeetjes in oude garages, met kleurige zelfgeschilderde bordjes. De Carmel market is verschrikkelijk, het ruikt hier nog net als gisteren naar bedorven groenten, het stikt van de toeristen, en meteen stap ik in de valkuil die specerijen heet, omdat ik er een foto van maak, staat de verkoper meteen naast me en voel ik me verplicht om ook maar iets te kopen, wat ook wel prima is, maar hij grijpt meteen een halve kilo kipkruiden, en als ik zeg dat ik maar ongeveer een kwart daarvan wil, haalt hij er de helft uit, en dat nog 3 keer met de hummuskruiden en de alleskruiden, en nou hangt er alsof het nog niet heet genoeg was zowat twee kilo kipkruiden aan m’n arm, en ik moet een godsvermogen betalen, dus ik kan zometeen wéér pinnen, ik ben er eventjes chagrijnig van, maar schud dan even met de kop, okee blokkie, verlies nemen, les leren en dóór. En ik moét wel geld halen want ik loop nu op de artisan Nachalat Binyamin Market, die ook echt wel heel leuk is, maar allejezus wat duur. Een beetje mooie zelfgemaakte ketting of oorbellen al gauw tegen de 350 sjekel. In geen 350 jaar. Wat ik ook niet snap is dat hier nergens een atm of exchange office te vinden is, ik moet er helemaal voor omlopen naar een paar straten verderop, waar ik zo’n schimmig pijpenlaatje aantref waar je ook allemaal dingen voor je telefoon kan kopen. Voor me staat een oud mannetje met een keppeltje te discussiëren met de kassier… in het Turks. Wat een vreemde wereld ben ik toch in beland. Na uitgebreide begroetingen in het Turks wissel ik mijn geld tegen een prima koers en loop terug naar de markt. De Carmel markt is niet groot, maar het is complete chaos. Zo’n vuilnisbelt als het gisteren was, zo chaotisch is het nu. Ik zoek nog kadootjes, maar vind eigenlijk niks leuks. Ik heb vreselijke dorst en zit even bij een zaakje waar ze een heerlijk vers sapje voor me maken van wortel en sinaasappel. Er staat een grote ventilator in de hoek en het is hier heerlijk koel. Er loopt een bleek oververhit stel met rugzak binnen, wapperend met een papiertje. “This is fake airco”, zegt het meisje met een zwaar Amerikaans accent en blijft stilstaan op de drempel. Ze draait zich half om naar haar vriendje. “This airco is not real guys”, herhaalt ze nog even voor de duidelijkheid. Nee, het is wel duidelijk dat ze hier dan niet naar binnen kunnen. Werkelijk.

Ik vertrek en loop langs de groentenmarkt waar ik nog meloen koop en een zak citroenen voor in het water, en ik kom langs een bakker, waar de heerlijkste zuid-mediterrane broodjes liggen, van die gevlochten witte broodjes met sesam, en verschillende ronde platte broodjes, driehoekige gevouwen broodjes met maanzaad en iets mysterieus er in, ik neem van alles mee. Misschien kan ik ergens nog kaas en humus vinden, dan heb ik voor vanavond iets bij die wijn.

Intussen loopt het zweet me over de rug, mensen wat een hitte, ik hou mijn hart vast voor morgen. Geen idee ook hoe laat het is, maar geen denken aan dat ik met die twee kilo kipkruiden en die meloen aan mijn arm nu naar Jaffa ga. Ik loop lekker naar huis, waar het ook warm is, maar de airco kan aan, en ik douche lekker even en trek een flapperjurkje aan. Het is nog geen vijf uur, maar die fles Golan-wijn gaat open, en man man man, wat is hij lekker, nee niet omdat hij lekker móet zijn omdat er ongeveer vijf flessen Stellenbosch in gaan, hij is echt zó lekker, dat ik overweeg om straks even langs het supermarktje te lopen en het tegen de verkoopster te zeggen. Ik pak een bord, giet er wat olijfolie op en wat zout, en breek wat van het brood af, een ervan zit vol met vijgen, en ik zit even heerlijk te rusten, en ik denk, “Ik moet niet vergeten dit goed in me op te slaan, ik moet het niet aan me voorbij laten gaan, ik ben hier!

Ik gooi mijn tas verder leeg en kleed me snel weer aan om naar Jaffa te gaan. Ik overweeg een taxi maar volgens mij ben ik sneller als ik loop. Langs de zee staat trouwens een heerlijk verkoelend windje in de rug en halverwege tref ik een Mobike aan. Ik doe eerst de oude haven aan, loop dan met de schroeiend hete zon op mijn hoofd naar boven waar ik prachtig uitzicht heb over zee en waar de wind me weer een beetje afkoelt alsof die me steeds aanmoedigt om toch weer verder te gaan. Dan door de priegelige eeuwenoude gele steegjes naar beneden, waar het koel is. Ja, het is wel mooi, maar erg toeristisch, veel ‘art galleries’ en chinese toeristen, en waag me vervolgens naar de rommelmarkt die hierachter ligt. Alleen heb ik eigenlijk nog steeds nogal trek, dus als ik een leuk hipster straatje passeer, loop ik er maar meteen in, ik doe gewoon even een hapje. En een drankje. Misschien hebben ze hier een lekkere smoothie. Alhoewel, de jongen achter de bar (óók zo’n rossige met een baardje) staat net te schudden met een cocktailbeker en giet iets in een roodomrand cocktailglas. “What are you making?”, vraag ik. “Spicy Magharita”, zegt hij, “it’s with pepper”. “Ok I’ll have one of those”, zeg ik, en ik flap mijn iPad uit op de bar, want als ik hier nog een tijdje zit, kan ik net zo goed even aan het werk. Ik krijg ook het ‘business menu’ van de jongen, dat komt goed uit. Ik bestel fried cauliflower, artichoke salad en lamb kebab. Ik krijg ze in ronde schaaltjes en de kleur spat er van af. Het ruikt heerlijk, het smaakt heerlijk, en van de helft weet ik niet wat het is. De barjongen vraagt: “I hope everything is ok. Where are you from?” “When I see this food, I come from the desert”, zeg ik tegen hem.

Na al dat heerlijks heb ik geen zin meer in de markt. Voor de vorm loop ik er nog eventjes overheen, maar ik ben een beetje marktenmoe om niet te zeggen dat die cocktail in mijn benen zit. Morgen moet ik er om 6:00 uur uit dus naar huis.

Shalom!

Waarom? Ja, ik weet het ook niet mensen. Ik doe ook maar wat. Ik wilde ergens heen wat vreemd was, en ver genoeg weg om alle andere gedachten uit mijn hoofd te laten verdringen door de verwondering, maar dicht genoeg bij om niet te hoeven overstappen met het vliegtuig. Het liefst ga ik natuurlijk naar Istanbul, de schatkist die nooit leegraakt, maar een keer het patroon doorbreken is ook wel eens goed. Ik streek met mijn vinger langs de kust van de Middellandse Zee, en al het Europese viel dan meteen af, Palermo, Malta, Dubrovnik? Allemaal nog steeds niet vreemd genoeg. Monastir? Tunis? Algiers? Hm, heel verleidelijk, prachtige romeinse steden in de buurt op rij-afstand, maar Tunesië of Algerije in mn eentje is misschien ook een beetje teveel van het goede nog. Verder naar het oosten sla ik Tripoli en Caïro ook maar over, ook al hebben ze een mysterieuze en romantische aantrekkingskracht op me. Iets verder naar rechts ligt Israël. Israël? Israël! Tel Aviv ligt aan zee toch? Aan zee! Ineens was heel de wereld in orde, en alles viel op zijn plaats. Op de radio hoorde ik iemand Tel Aviv zeggen, dat kon geen toeval zijn. En hoe lang is dat vliegen eigenlijk? Er gaat vast wel een rechtstreekse vlucht vanuit Amsterdam. Dat niet, maar wel vanaf Eindhoven, en daar zit ik dan, tussen duizenden RyanAir toeristen met omgekeerde petten, ik dacht: “Shit, ik wist niet dat Tel Aviv zó populair was”, maar er gaan natuurlijk ook mensen naar Alicante en Ibiza, blijkt als ik niet in de gewone rij moet gaan staan maar in de kòrte rij, de rij waar TEL AVIV boven staat en die langs de extra security gaat. Prompt schiet me een scene te binnen uit Life of Brian, mijn favoriete film aller tijden: “Crucifiction? Good. Line on the left, one cross each.” Die film was trouwens opgenomen in Monastir in Tunesië, wat dus óók op mijn lijstje stond. Ook al ga ik niet naar Jeruzalem, ik voorzie dat ik de komende dagen steeds weer Life of Brian voor me zie, nou ja, vrolijkheid. Intussen word ik er weer als énige uitgehaald om gefouilleerd te worden, en hoor ik allemaal Hebreeuws om me heen. Naast me gaat een meisje zitten van een jaar of twintig. Ze draagt een knielange spijkerrok, een zwart coltruitje met een grijs t-shirt eroverheen. Ze heeft een hoofddoekje achter haar oren dichtgeknoopt en ze draagt panties en platte ballerina’s met tijgerprint. Zou zij ook gefouilleerd zijn, vraag ik mezelf onwillekeurig af.

Op Ben Gurion besloot ik eerst geld op te nemen zodat ik een treinkaartje kon kopen, niet omdat ik de taxi niet kon betalen maar omdat de trein nemen natuurlijk veel leuker is, vooral als je niet kan lezen waar ze naar toe gaan, want niet alle bordjes zijn vertaald in het engels. Die lol was er dan weer wel snel af want er werd in het Engels omgeroepen dat alle treinen naar Tel Aviv van spoor twee vertrokken. Alleen het pinnen lukte niet. Op twee machines niet. Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest gehad om wat geld mee te nemen en dat kon ik gelukkig wel wisselen. Treinrit duurde maar 15 minuten, lekker koel ook, en met de Gett app op mijn telefoon bestelde ik vanaf dat station een taxi. De Uber doet het hier ook, maar op de een of andere manier krijg je dan een gewone taxi, met het gemak van de Uber zegmaar, en je betaalt de meter. Voor mij was het 48 ISL, ik ga vanaf nu gewoon sjekel zeggen want dat is leuker, hij kost ongeveer 25 eurocent, dus dat viel weer mee. Even kletsen met de taxichauffeur, die ik mijn pogingen vertelde om wat woorden Hebreeuws te leren, waarop hij vrolijk aan het overhoren sloeg, toda, toda raba, lehitraot, boker tov, en mij en passant doorzaagde over wat ik hier kwam doen, in mijn eentje. “You are here alone? From Europe? And you don’t know anyone here? That’s so strange” zegt hij. Yup. Vervolgens begint hij te foeteren op het verkeer. “This is the problem in Tel Aviv”, zegt hij als we na een bocht weer stil staan, “this traffic is crazy”. “It’s the same in all the cities”, zeg ik, mijmerend over Istanbul. Ik vraag hem ook waar hij vindt dat ik naar toe moet gaan. “You shouldn’t go here”, zegt hij. “This is the south, it’s a bad neighbourhood, as you can see it’s a mess.” Fijn om te weten dat ik een appartement heb geboekt in een achterbuurt. Eerlijk gezegd vond ik het zelf nogal meevallen. Maar volgens hem moet ik naar het noorden, naar boulevard Rothschild en het Dizengoff centre. Ja, ik weet dat dat de aangewezen winkelcentra zijn. Maar daar ben ik helemaal niet op uit. Ik wil juist dit, deze rommeligheid waar mensen gewoon aan het werk zijn, dus ik ben al weer intens gelukkig in de taxi.

Ik ben in no time in het appartement, Nadine was er niet maar ik kon de deuren openen met codes, dus om 15:00 stond ik al binnen. Heerlijk, heerlijk, raam open, er kwam een frisse bries van zee, die ik aan het eind van de straat zie glinsteren, een echte zeebries, wat heerlijk. Kleren uit, hamamdoek om, glas water inschenken, op de bank ploffen en meteen even de wifi installeren, ja, Netflix doet het ook. Dan snel koffer open en douchen, want om vijf uur moet ik bij de klokkentoren zijn voor een rondwandeling. Redelijk opgefrist stap ik de hitte weer in. Hoe zal ik eens naar die klokkentoren gaan? Als ik aan het eind van de straat ben besluit ik een Uber te regelen. Misschien handig als ik even naar de overkant loop, waar een parkeerterrein is. Wacht even, is dat een Móbike? Ik zie daar toch echt zo’n oranje fiets staan. Verrek, het is een Mobike. Even zien of mijn Mobike-app het hier ook doet. Krijg nou wat, het slot spring zo open! Dit is tè grappig, ik ben aan het fietsen in Tel Aviv, ik heb geen idee waar ik ben, maar het maakt me ook allemaal niet uit, ik moet ongeveer die kant op, en ik vertrouw blind op mijn richtinggevoel, en dan rijd ik ineens de boulevard op en zie ik ineens de onstuimige zee, de golven rollen glinsterend over het strand. “Hallo papa, zie je mij hier fietsen?”, denk ik (waarom denk ik dat toch steeds op zulke momenten?), er zijn hier overal fietspaden, net als in Izmir, en er staat een heerlijk windje en flinke golven, en verderop zie ik de prachtige kustlijn van Jaffa, waar ik heen moet, en ik moet vreselijk lachen om mezelf, zeker wanneer ik zie dat iederéén hier op een fiets of een step staat, alleen dan een elektrische fiets of step, óveral zie je die dingen, met allemaal van die hippe Venga-boys en girls erop, eigenlijk ben ik maar een sukkel dat ik zèlf aan het fietsen ben, en dat bij deze hitte, maar wat heb ik een lol. Ik fiets in Tel Aviv. Op de Tel Afiets!

Ik ben echt ruim op tijd voor mijn afspraak en ik snak óók naar die verlossende kop koffie, maar helaas, op mijn vraag of ze een latte hebben, krijg ik het antwoord: “Large? Yes sure!”, waarop ik denk, laat maar, en dan krijg ik inderdaad zo’n Turkse koffie, maar dan twee keer zo groot, large dus, met ook een large bodem koffiedrab onderin. Kost me ook nog eens 20 sjekel, 20 sjekel! Geen Turkse prijzen dus, dat is tot zover wel duidelijk.

Om 17:00 sluit ik me aan bij een gelukkig heel klein groepje dat onder leiding van Itzak de buurten gaat verkennen. Twee Poolse meisjes, een Duits/Grieks meisje met haar moeder en een Braziliaans meisje dat in Duitsland woont. Itzak is nogal lang van stof op die sandalen van hem, maar het maakt me niet uit, ik vraag hem verder de oren van het hoofd en dat vindt hij ook allemaal prima, en ik steek er óók nog wat van op, namelijk dat in de tijd dat de (Oost-Europese, Spaanse, Amerikaanse) joden grond kochten in Palestina, het land nog Ottomaans was. En het Ottomaanse rijk was aan het vervallen, het werd makkelijker om land te kopen, en na de Turken hadden de Britten het bewind over de streek. Ik dacht altijd maar steeds aan arabieren en ‘Palestijnen’, maar ik vergat de context van het Ottomaanse rijk. Heerlijk, weer een study-target. Aan het eind van de wandeltocht ben ik ook zo’n beetje de tolk, want de Poolse meisjes spreken beter Frans dan Engels, en de moeder spreekt alleen Duits, en als ik een Hebreeuws bordje boven een deur hardop zeg (Shalom al Israel), vraagt de gids of ik óók al Hebreeuws spreek, maar nee, ik heb alleen de letters uit mijn hoofd geleerd, maar dan nòg is het vet moeilijk, en geen idee verder wat er staat, maar ik weet wel dat ik op moet passen dat ik nu niet ook nog Hebreeuws wil gaan leren.

Aan het einde van de tour die kruip-door-sluip-door langs allerlei wijkjes slingerde, is het bijna donker. De route leidde ons allengs dichter naar mijn appartement en ik weet dat hier ergens een goed restaurantje zit want natuurlijk obsessief van te voren gegoogled. Ik neem een paar keer een verkeerde afslag in het donker en kom dan op de markt terecht, die helemaal door touristen verlaten is maar waar mensen aan het opruimen en schoonmaken zijn, waar de weg in een grote vuilnisbelt is veranderd en waar het naar visafval en rotte groenten ruikt. “Toch maar niet meer doen, Jen, dit”, zeg ik tegen mezelf terwijl ik snel doorloop en de weg weer terugvindt.

Bij HaBasta wil ik eten bestellen maar moet even goed kijken hoeveel geld ik nog heb, ik had honderd euro gewisseld, maar er zit nu nog 170 sjekel in mijn portemonnee. Volgens mij is hier iets fout gegaan. Wat heb ik gekocht vandaag? Een kop koffie en een pen. Nou ja, in elk geval kan er nu net een steak tartare met rauw ei en bacon (ja echt), een gevulde zucchini en een lokaal biertje van af. Alles is heerlijk. Ik zit aan de bar. Ik ben aan het schrijven. Tel Aviv is zo vreselijk eclectisch leuk. Soms leek het op Spanje, soms echt op Havana, en op een middeleeuwse kruisvaarderstad. En nu zit ik hier, en de muziek is Argentijnse accordeonmuziek á la Adios Nonino, en als ik dan Por Una Cabeza hoor, dan zie ik mezelf ineens van een afstandje hier zitten, aan de bar in een klein restaurantje in een zijstraat van Tel Aviv, een vreemde tussen al die hipster Israeli’s, alsof het de jaren twintig is en ik per ongeluk op iemands feest terecht ben gekomen, of mijn schip naar Europa heb gemist, en het hele verhaal is al compleet, wat ben ik weer verschrikkelijk gelukkig.

Kibyra, Jenneke out

Er moest nog even een wrap-up komen anders is het ook zo bruut afgelopen. Punt is dat ik die laatste dagen eigenlijk helemaal niks meer meemaak, dus er valt weinig te schrijven. Maar hoe dichter ik bij woensdag kom, hoe meer ik het gevoel heb dat ik op zo’n zware goederentrein zit, die ergens heen gaat waar ik helemaal niet heen wil en ik kan er niet af.

Dinsdag zal een beetje pakdag zijn en ‘waar wil ik nog even heel bewust van genieten’-dag, dus zondag en maandag blijven over voor fringe-activiteiten en ontdekkingstochten. Twee dagen nog maar.

Gelukkig is het prachtig weer, helemaal geen regen, zelfs heet, dus ik lig zondag grotendeels onder de bomen op het Kidrak strand, waar het rustig is. Met mijn tatoeage gaat het prima, ik heb een paar dagen geleden het plakplastic er af getrokken, en ik smeer het afwisselend in met de ‘vegan’ creme die ik van het hipster meisje kreeg, en factor 50 zonnebrand. Ook heb ik een fles gekookt water met een beetje desinfecterende zeep erin bij me, waarmee ik hem afspoel als ik in het water ben geweest, al heb ik niet het gevoel dat dat echt nodig is, sterker nog, waarschijnlijk verpest ik er de heilzame werking van het zeewater mee, maar laat ik voor deze keer maar iemands advies opvolgen. De huid ziet er perfect uit, alsof hij nooit is aangeraakt. Ik snorkel een beetje maar er is niet veel te zien. Ik lees het fantastische Een Soort Geluk van Peter Abelsen. Ik drink een heleboel water en eet amandelen en pistachenootjes, tot ik er weer klaar mee ben en mijn rug toch wel een beetje aan het schroeien is. Ik doe niet te moeilijk met eten en stop onderweg bij bistro Belcehan, eigenlijk is het nog te vroeg om te eten maar het maakt me niet uit. Omdat ik op één Engels stel na de enige ben, word ik helaas aan de straatkant aan een tafeltje gezet en gaat de kok zich vanuit de keuken rechtstreeks met mijn bestelling bemoeien vanachter zijn uitserveerbalie vandaan. Als ik linzensoep en ‘chef’s special’ grill bestel, steekt hij lachend zijn duimen naar me op. Ik klap mijn iPad open en ga zitten schrijven, me bewust van het feit dat ik aan de doorgaande weg zit en iedereen me hier ziet. Morgen wil ik vroeg opstaan, want dan doe ik de laatste expeditie van deze vakantie, naar Kibyra in de buurt van Gölhisar, ongeveer 115 km rijden waar ik dik twee uur over zou moeten doen.

Ik sta om half acht op en pak wat spullen bij elkaar, een lange broek en een trui voor het geval dat. Water, een paar mueslikoeken. Het eerste deel van de tocht herken ik, hier reed ik een paar jaar geleden toen ik uit Denizli kwam, en ook toen ik met Jan naar de Saklıkent kloof en het ook zo prachtige ongerepte Tlos ging. Maar nu ga ik veel verder het binnenland in. Na de afslag Tlos kom ik op onbekend terrein en verder het binnenland in wordt het landschap eerst steeds landelijker en dan steeds ruiger. Kleine boerderijtjes die er een beetje vervallen uit zien wat hier normaal is, we kijken hier niet op stukje roest of afgebladderd verfje, en kleine dorpjes passeer ik, waar de weg dwars door heen loopt. Het landschap doet me erg vreemd aan, ik heb eigenlijk nog nooit zoiets gezien, het is groen en glooiend en rotsachtig tegelijk, soms lijkt het op een beeld uit Lord of the Rings. Halverwege moet ik kennelijk een bergrug over want de weg wordt steiler en begint intensief te slingeren. De uitzichten over de dalen zijn spectaculair, ik rij expres niet te snel, want alles verandert ook steeds heel snel, en ik wil overal van genieten. Ik wou dat mensen konden zien hoe mooi het hier is, dan weer hardvochtig rotsachtig afwijzend grijs, en dan weer zacht en rustig glooiend groen. Er zijn verschillende slimme pannekoekenbakkers die gebruik maken van de spectaculaire diepe kloven waar de weg langs ligt en die met wat golfplaten en tentdoek en pallets en kleurige tapijten en kussens in de berm een gezellig wegrestaurantje in elkaar hebben geflanst, en ik neem me voor daar op de terugweg lekker even te gaan zitten. Hoe verder ik kom, hoe religieuzer de mensen er uit zien en ik heb al weer spijt dat ik niet metéén een lange broek heb aangetrokken. Als ik in de buurt van Kibyra kom, staan een paar verlepte bordjes dat wel aan te geven, en dat is een goed teken, als het nieuwe bordjes waren geweest zou de stad al weer in verregaande staat van restauratieontbinding zijn. Als ik er bijna ben herken ik de weg niet terug op de kaart, alle wegen zijn hier veranderd en hier waar ik rechtsaf moet is de weg opengebroken en is men aan het werk. Ik rij nog even door en probeer een andere afslag te zoeken maar die is er niet. Ik besluit het maar te vragen aan de wegwerkers. “Yes, turn right here”, zeggen ze tegen me. Maar de weg is toch opgebroken? Maakt niet uit, je kan er wel overheen, gewoon om de afzetting heen rijden en door de gravel en de modder, verderop loopt de weg gewoon verder, toch?

Uiteraard is de weg verder verlaten, ik rij omhoog over de kronkelweg, passeer een parkeerplaats maar kijk toch of ik nog verder kan komen, en dat kan, de weg wordt steeds smaller en de bestrating houdt ook op, maar hoe hoger ik kan komen, hoe minder ik straks zelf hoef te klimmen. Naar een paar minuten is er toch weer een kleine parkeerplaats en houdt de weg echt op. Ik hoopte helemaal alleen te zijn, maar het ziet er naar uit dat er een motorclub aanwezig is, want ik zie een stuk of twintig motoren staan en als ik mijn auto parkeer zie ik ze allemaal bij de ingang zitten. Shit, had ik nou toch maar die lange broek aan gedaan. Ik stap uit, doe net of er niks aan de hand is terwijl twintig monden zwijgen en twintig paar ogen mij volgen, wat er welbeschouwd ook niet is behalve dat ik me nogal opgelaten voel, ik haal mijn spijkerbroek uit de kofferbak en ga die zittend in de auto aantrekken. Als ik naar de ingang loop blijkt het niet een motorclub te zijn maar een groep arbeiders die bezig zijn met een nieuwe ontgraving. Voor mijn ogen zie ik een gat van ongeveer vier bij drie meter en twee meter diep, waar muren worden blootgelegd en een paar mensen met lepels en kwastjes kleine dingen aan het uitgraven zijn. Ik vraag of ik een foto mag maken maar het mag niet.

Het is weer bloedverziekend heet en ik besluit eerst maar helemaal naar de hoogste top te lopen die ik kan vinden. Langs de kant van het pad liggen kapitelen en delen van pilaren en andere blokken graniet en marmer. Er is weinig aangegeven en op Google Earth wat ik gelukkig nog goed kan ontvangen, navigeer ik mezelf naar wat het hoogste punt lijkt te zijn. De paden zijn compleet overgroeid en af en toe vraag ik me af of dit wel paden zijn, waarschijnlijk niet, maar het avontuur wil ook wat. Die lange broek is dan ondanks de hitte wel fijn tegen alle doornstruiken die tegen mijn benen slaan. Ik zie geen structuren van gebouwen, maar ik voel dat ik er wel overheen loop, de grond heeft soms een kaarsrechte vorm of een hoek. Verder naar boven liggen er wel bouwstenen los, kris kras over elkaar alsof ze in geen eeuwen zijn aangeraakt. Op het hoogste punt klim ik op wat stenen die daar liggen en drink wat water. Rechts zie ik de arena liggen, verder zie ik vooral veel groen. Kibyra, oftewel Caesarea, werd in de tweede eeuw v.C. onder “zachte dwang” bij het Romeins rijk getrokken met een offer they couldn’t refuse zegmaar, iets van weet je wat, wij (Romeinen) helpen jullie wel van die verrekte Grieken af te komen, als je daarna belooft vriendjes met ons te blijven, waarna het natuurlijk wel de bedoeling was die vriendschap te blijven bewijzen. Zoiets. Maar ik heb geen geschiedenis gestudeerd helaas dus het blijft een beetje giswerk. Wat een ongelofelijk gebrek is dat toch elke keer weer.

Ik wandel achteloos een beetje rond op die top, wat niet ver kan want dichtgegroeid met struiken, en het valt me ineens op als ik naar de grond kijk dat hier wel heel veel scherven aardewerk op de grond liggen, niet zómaar aardewerk van leidingen, maar gevormd en gedecoreerd aardewerk. Ik raap wat stukjes op en laat ze aandachtig door mijn vingers gaan. Een halve ronde onderkant van een schaaltje of kom, een stukje van een oor, een tuitje, een pootje. Ik dwaal een beetje rond, naar de grond kijkend, gelokt door steeds weer nieuwe stukjes. Dan zie ik half onder een struik wat grotere stukken liggen. Ik raap er een op en zie dan werkelijk voor de eerste keer een stuk beschilderd aardewerk. Sierlijke lijnen en bloemen, in verschillende kleuren rood en bruin, misschien zijn het ooit wel andere kleuren geweest. Een ander stuk past er precies aan vast. Het is het grootste stuk “echt serieus aardewerk” dat ik ooit zelf heb gevonden. Ik leg het voorzichtig terug onder de struik.

Ik wil nu zoetjesaan wel terug gaan lopen richting de arena, maar heb zeker tien minuten nodig om de weg terug te vinden door het struikgewas. Bovendien wil ik bovenaan de arena uitkomen, dus duik ik vanaf het doorgaande pad, dat werkelijk bezaaid ligt met potscherven, weer ergens halverwege de bosjes in van waaruit ik volgens Google Earth inderdaad op de bovenste rand moet uitkomen. Dat is gelukkig ook zo. Ook hier ligt boven de hoogste rijen net als in Stratonikeia een kleine tempel die over de arena uitkijkt, althans die staat er dus niet meer, maar wel delen van de vloer en her en der verspreid delen van pilaren, de rest ligt beneden. Ik loop over de verder onaanzienlijke vloer naar de eerste rij toe, stap een rij naar beneden en ga zitten. Het uitzicht is alweer verschrikkelijk mooi en weer heel anders: hier kijk je ver over een brede platte vlakte uit (“Cybriatic plains”) met daarachter een langgerekte bergrug. Ik pak mijn flesje water en besluit even de tijd te vergeten en als ik dat gedaan heb begint in de vallei van Gölhisar net de ezan, die van verschillende plekken uit de diepte opstijgt. Het is een magisch gezicht en geluid, de vlakke vallei, en de ezan bedekt door de stilte, al klopt het niet met elkaar: de Grieken en Romeinen kenden geen oproep tot gebed, Mohammed was nog niet geboren, en die schallende ezan in de verte klinkt als een overwinningslied, ooit woonden hier Lyciërs, Kabaliërs, Milyërs, Pisidiërs, Grieken en Romeinen, maar nu wonen wij er. Verder is er alleen maar stilte. Geen mensen, geen dieren, ik ben hier volstrekt alleen en alles is zo mooi. En ik zit hier weer te verschroeien in de hitte en het water is al bijna op. Minuten lang geniet ik nog en probeer dan een weg naar beneden te vinden, maar deze arena is te vervallen, grote stukken ontbreken er gewoon, en ook verschrikkelijk hoog en steil, iets van 50 rijen, ik durf het niet aan. Ook langs de zijkant weet ik me maar met moeite overeind te houden en verschillende keren glij ik onderuit op de losse grond. Beneden zie je pas goed wat een rommeltje het is en hoe de pilaren van boven naar beneden zijn komen stuiteren. Rechtsaf ga ik langs een kleiner theater, dat wel van top tot teen in de steigers staat waardoor ik geen foto’s kan maken. De prachtige mozaïekvloer ligt er om mij onbekende reden niet, er ligt grind in de bak. Binnen ziet het er allemaal erg nieuw uit. De achterkant is interessanter. Daar mag je niet komen, maar er is toch niemand en ik beloof dat ik niks stukmaak. Ik kom in een soort watercentrale, ik weet niet hoe het werkt maar er komen een heleboel rode aardewerk buizen op uit en er staan ronde stenen schijven opgestapeld op de grond, in stapeltjes van vier. Ik weet nu ook weer waar ik die gezien heb, in Arykanda lagen ze los op de grond en ik vroeg me toen al af waar ze voor waren, en nu weet ik het dus nog steeds niet, maar het heeft iets met watermanagement te maken.

Ik ben inmiddels ook moe en hongerig en wil eigenlijk naar huis, maar onverwacht passeer ik ook nog een reusachtige marmeren winkelstraat met iets van een bad/drinkbak wat ik nog nooit heb gezien en een soort badkamer aan het eind, wat waarschijnlijk gewoon een openbare latrine is, maar de buizen lopen omhoog (of omlaag? Als een stortbak?), dus ik snap het niet. Vlakbij de uitgang ligt ook nog een geweldige hippodroom die ik natuurlijk helemaal rond moet lopen en ik geloof dat ik uiteindelijk vier uur later pas weer bij mijn auto sta.

Ik ben ketskapot. Mijn tattoo jeukt als een dolle. Nee, ik stop niet meer bij zo’n gezellig palletpannenkoekenrestaurantje met uitzicht, te moe. Ik eet nog even een simpele kebap bij een klein tentje om de hoek. Morgen is de laatste dag.

***

Het is druk. Niet zozeer op het strand, waar ik lig, maar op de boulevard die vol staat met mensen met verrekijkers en op afstand bedienbare vliegtuigjes die vlak over mijn zonnebedje heen scheren. De “Airgames” zijn begonnen, een of ander festival voor mensen die graag uit vliegtuigen springen, of door paragliders worden getorpedeerd of met doodsverachting van steile bergen afspringen, of anderszins geen zin meer hebben in het leven, en ‘gewone’ paragliders. Rustig lezen of “nog even heel bewust genieten” is er niet bij maar het kan me niet zoveel schelen. Ik ben een beetje uitgeblust. Apathisch van de weerzin om hier weg te gaan. Dit is de laatste dag. Wat heb ik aan een laatste dag? Ik kan niets meer. Ik loop nog even alle blogs langs en denk aan alle dingen die ik niet heb opgeschreven. Aan de koffie met Osman op het dak van het hotel in Mardin, ik had hem uitgenodigd voor een glas wijn, we waren eerst de enigen op dat hoge magistrale geel-oranje terras en we krégen geen wijn, want dat was er niet, maar wel thee en koffie en allemaal schaaltjes met nootjes en gedroogde moerbei en langzamerhand kwamen er steeds meer mensen van onze groep bij ons zitten.

Aan de mooie piepjonge rebelse pilateslerares Berran, enigkind, die niet van haar moeder’s zijde week en mij vertelde dat ze het ook fantástisch vond om alleen naar het buitenland te reizen, en dat ze daar dan natúúrlijk een Tinderaccount had (ik niet, laat dat even duidelijk zijn, maar kennelijk ging ze daar wel van uit), en dat ze naar Canada ging emigreren, alleen wist haar moeder dat nog niet. Bij het afscheid wenste ik haar veel succes met haar Canadaplannen en haar moeder veel succes met haar dochter.

Aan het moment dat Elif me uitlegde wat een ‘meyhane’ is en de betekenis van rakı, en hoe haar vader haar na 30 dagen belde als ze te lang niet thuis was geweest en zei “Het is tijd voor rakı, meisje”, en hij overleed een jaar na mijn vader, en we begonnen allebei te huilen om onze vaders.

Aan hoe mooi alles was, aan het gevoel van hier thuis te horen, ook al is dat belachelijk, en aan hoe dankbaar ik ben dat ik de plaatsen heb bezocht die ik al jaren wilde zien. En dat ik drie dingen heb geleerd. Eén, je droom pakt niet altijd uit zoals je hebt gedroomd. Twee: als je droom is uitgekomen, heb je niets meer. En drie: als je dromen zijn verdwenen, ben je eindelijk vrij.

Helaas ben ik nog niet van mijn dromen af. En op dit moment ben ik even alleen maar verdrietig. Ik wil niet. Ik heb geen zin. Ik wil niet naar huis.

Zondvloed

Ik kom eind van de ochtend pas uit bed want lui, maar ik heb wel trek, dus op weg naar het strand kies ik een ongezellig uitziend eettentje waar mij “ev yemekleri”, home cooking wordt beloofd. Het lokantaatje zit vlak aan de rotonde van waaraf de enige weg naar het strand afslaat, links naar het strand, rechts naar Hisarönü, dat ik doorgaans dus liever mijd. Het valt bijna niet op tussen de Engels georiënteerde eettentjes die adverteren met League TV en English tea. Er staan maar 8 tafeltjes ofzo, met plastic tafelkleed en een grote Tupperware bak met gesneden brood, dus ik weet dat ik goed zit. Er zit nog één ander toeristenstel, en man en vrouw van de zaak zelf zitten ook aan tafel dus ik kom vast op een verkeerd tijdstip, maar ik wacht geduldig tot mevrouw met een nijdig gezicht aan m’n tafeltje staat. Ik bestel een mercimek çorbası, linzensoep en gözleme, de vrouw mompelt iets naar me wat ik niet versta en de man zegt, “She wants to know what you want on the pancake”. Ik probeer het haar te zeggen in het Turks, maar ze staat daar maar, als een standbeeld aan mijn tafeltje, chagrijnig naar me te kijken. Het werkt niet altijd, je best doen in een andere taal. Ik zeg het maar in het Engels tegen de man en hij zegt bijna hetzelfde als wat ik haar net heb gezegd, kennelijk heeft ze gewoon geen zin in toeristen vandaag, ik geef haar geen ongelijk. De man is klaar met zijn krantje, staat bruusk op en vouwt nijdig de krant dicht, terwijl hij hartgrondig in het Engels begint te vloeken. “Fucking Amerika! Fucking yankees! Fucking Trump!” Met een bruusk gebaar smijt hij de krant op tafel. Ik zou hem wel willen zeggen dat het niet echt goed is voor je klandizie om zo in het Engels te gaan staan vloeken terwijl hier mensen zitten te eten, maar ik laat het maar even. Er hangt hier een nare sfeer, wat ontzettend jammer is, want het eten dat de drie Turkse vrouwen in de open keuken staan te maken is goddelijk. Dit is de eerste keer dat ik mercimek çorbası (‘merdjiemek’) eet en wat is het verschrikkelijk lekker, romig, pittig, een soort maïssoep maar dan dus met linzen. De gözleme is enorm en hangt aan alle kanten over een groot bord heen, hij is in repen gesneden en ik eet een of twee repen met mijn handen, maar ik krijg lang niet alles op. Ik krijg de rest mee in papier gerold in een zakje, en ‘s avonds als ik terug ben van het strand eet ik dat als ik zit te schrijven op het terras.

De dag erna heb ik eerst een luie ochtend en ga me daarna optuigen om naar Kaunos te gaan. Als je het weerbericht overal moet geloven gaat het vanaf nu totaan mijn vertrek vier dagen lang regenen, dus strandweer is het sowieso niet. Kaunos staat ook al een paar jaar op mijn lijstje en is goed te doen met de auto vanaf Fethiye, althans dat bleek toen ik me realiseerde dat je gewoon een bootje moet nemen naar de overkant van de Dalyan rivier. Als ik in de auto stap is het bewolkt en frisjes en ik heb me voorbereid op lopen dus lange broek en sneakers. Voorbij Fethiye richting Dalaman klaart de lucht al op en als ik langs de heuvelachtige kust rijd is de lucht al helemaal opgeklaard. De route is prachtig, rotsachtig en groen met doorkijkjes naar de eilandjes in de Middellandse Zee. Ik heb Dalyan ingegeven in de routeplanner die al in de auto zit, als ik daar ben zie ik wel verder. Trouwens een super autootje weer, een automaat, wat echt is aan te bevelen in de bergen.

Als ik aankom in Dalyan besluit ik mijn auto maar gewoon ergens centraal neer te zetten en dan langs de kade te lopen en dan te kijken waar ik ergens een bootje kan charteren. Alleen, als ik daar aankom blijkt het bestwel druk, maar ik rijd langs een parkeerplaats en aan de overkant staat een ober naar een auto te wijzen, en ik begrijp dat die net weggaat, zodat ik een supermooi plekje heb langs het water. Ik loop naar de ober toe en vraag hem waar ik moet betalen. “Nono, don’t worry”, zegt hij, “I will take care of it”. En het ziet er naar uit dat ze hier wel koffie hebben, dus ik ga maar even zitten en bestel dan ook gelijk maar een Turks ontbijt. “How would you like your tomatoes?”, vraagt hij. Hoe had je je koffie gewild of je brood of je eieren is iets wat ik verwacht had maar niet hoe ik mijn tomaten wil. “I’d like them purple please”, zeg ik, en hij moet lachen maar ik weet niet of we elkaar wel begrijpen. Turks voor ei is yumurta, dus wellicht heb ik het zelf gewoon weer verkeerd verstaan. Ik krijg in elk geval een heerlijk ontbijtje. Ik vraag de ober hoe ik aan de overkant kan komen en hij zegt dat er een paar kilometer verderop een pontje is waar je met auto overgezet kan worden. Mooi, dan gaan we daar dus heen. Het is niet moeilijk te vinden want aangegeven met kleine bordjes “Feribot”. Na een minuut of tien kom ik inderdaad aan bij iets dat vaag lijkt op het pontje bij Genemuiden, maar dan versie 1.0, qua grootte en onderhoud. Ik zie een zandachtig aanloopje naar een pontje waar werkelijk maar één auto op past en dan vraag ik me af waar de schipper er nog bij moet. Ik besluit maar even te parkeren en een rondje te gaan vragen aan de mannen die daar onder een boom zitten. Die is het meteen duidelijk wat ik kom doen, maar die hebben een véél beter idee. Ik kan ook gewoon met een rondvaartbootje mee. Dan ga ik langs de koningsgraven, en het schilpaddenstrand, èn de antieke stad. Maar dat hoef ik allemaal niet, zeg ik, ik wil alleen naar de antieke stad. Dat kan natuurlijk ook. En wat kost dat? Normaal gesproken 200 lire, maar omdat ik het ben, krijg ik de naseizoensprijs van 150 lire. Maar hoe werkt dat dan, ik wil daar zeker 2 uur rondlopen, hoe kom ik dan terug? “Ik wacht daar op je”, zegt de schipper. Gaat hij daar twee uur wachten tot ik eens een keertje terug kom? Het komt me heel vreemd voor. “Maar wat als jij plotseling naar het ziekenhuis moet ofzo, hoe kom ik dan terug?” Of als je er gewoon vandoor gaat, denk ik erbij. Maar eigenlijk denk ik gelijk, och, het zal de laatste boot wel niet zijn die daar komt, mijn telefoon is opgeladen, ik heb geld bij me. Eigenlijk wil ik dit allemaal helemaal niet, ik wil gewoon naar de overkant met mijn auto. Maar ik heb vandaag totaal geen verweer tegen dit verkooppraatje, dus voor ik het weet heb ik “Okay, let’s go” gezegd, na mij de zondvloed.

Ik moet alleen even achter de schipper aanrijden op zijn brommertje, want zijn boot ligt bij zijn huis, dus beter denk ik er maar niet teveel over na dat ik kruip-door sluip-door wegjes door dat onooglijke wijkje inrijd en dan mijn auto mag parkeren schuin achter een nieuw uitziende soort stacaravan. Door de tuin die beplant is met jonge citroenboompjes volg ik de schipper naar achteren. Het is hier doodstil, op het ruisen van de wind door het riet na. Maar inderdaad ligt daar die rondvaartboot. Ook zit er een man te vissen. De schipper gaat even de sleutels halen. Ik vraag de visser of hij al iets heeft gevangen. “Ik heb geen geluk vandaag”, zegt hij. Een paar meter verderop zie ik een schildpad boven water komen. “Şansiniz değişecek”, zeg ik, “Your luck will change”. Ik geloof het zelf niet, maar hij moet in elk geval een beetje lachen.

De schipper komt intussen terug met de sleutels, en een bevroren flesje Damla waar geen water in zit, maar een rood sap, ik geloof dat hij kersen zegt, zijn moeder heeft het gemaakt. Ik ben de enige passagier. Ik ben me er ineens van bewust hoe de scepticus in mij overal bij is en mee zit te loeren. Hoe ik aan de ene kant eigenlijk mensen niet vertrouw en er bij alles dat iemand zegt een stem zegt dat het niet waar is, en ik aan de andere kant toch een diepgevoeld vertrouwen blijf houden. In een leuk artikel over alleen reizen in de Flow stond laatst dat je het eigenlijk altijd weet wanneer het echt niet goed is. En dat heb ik hier eigenlijk nog nooit gevoeld.

“Ik vaar toch wel even langs de koningsgraven”, zegt de schipper. “Nee toch”, denk ik, “Dit gaat weer een eeuwigheid duren”. Op dat moment besluit ik het maar te nemen zoals het komt en er maar niet van te balen. Nu ik geen eigen vervoer meer heb, kan ik m’n eigen agenda niet meer bepalen, da’s dan pech, had ik mijn ruggengraat maar moeten gebruiken en geen ja moeten zeggen. Laat ik er nu maar verder een beetje van genieten. En het is ook echt prachtig, en wat zeur ik eigenlijk, ik heb deze hele boot voor mij alleen. De koningsgraven zijn ook echt spectaculair, ook al zie je ze vanaf een afstand, de hele sfeer, met die boot in het riet, het ligt hier al meer dan 2000 jaar zo, en wat zijn we toch een armoedig zooitje mensen, als je het vergelijkt met wat mensen 2500 jaar geleden maakten. Ook praat ik met de schipper, die Ozan heet, een beetje over de boot. Het schip is 12 meter, en ik vertel hem dat mijn schip 11 meter is en dat ik óók uit de varelarij kom, “Nou”, zegt hij, “Ga maar staan dan”, en dan sta ik dus ineens zèlf achter het roer van dat ding, ik lach me dood. “Je hebt nogal vertrouwen”, zeg ik. Heel erg hard gaat het niet, de gashendel blijft een beetje hangen, maar ik heb snel gevoel voor het roer, en zo vaar ik bijna het hele eind door de rietkragen naar Kaunos, af en toe even mijn hand opstekend naar de andere passerende schippers, zijn collega’s, die verbaasd hun handen in de lucht steken, wat heb jíj nou aan boord? Het is hier net de Beulakkerwiede, weids, veel riet, maar wel met prachtig weer en een bergachtige achtergrond. Aanleggen doet Ozan liever zelf, en dat had ik inderdaad anders gedaan, en niet met een voorspring aan hogerwal met de wind van achteren, maar goed.

Kaunos blijkt veel groter dan ik had verwacht, ik heb nu al spijt dat ik maar anderhalf uur heb afgesproken met Ozan, eigenlijk wil ik die berg nog op, maar in het dorp aangekomen blijkt dat ik maar kan kiezen uit twee routes naar de top van de berg, de kortste is 2 uur en de andere is 4 uur lopen. Het is hartstikke heet. Ik begin maar te lopen. Linksaf naar de agora, rechtsaf naar het theater, ik besluit eerst maar het theater te doen. Het is niet het grootste theater, iets van 35 rijen, maar het ligt hier prachtig tegen de rots met uitzicht op de groen delta van de Dalyan. Ik zoek een ingang waar je eigenlijk niet in mag want er staat een hek voor, maar de trap erachter is nieuw, dus ik ga toch om dat hek heen, en ik voel me als een van de duizenden bezoekers van 2500 jaar geleden die naar een voorstelling komt kijken, of een politieke oratie, of een rechtszaak, of een wedstrijd van het een of ander, voorstsloffend en aanschuivend over de rijen. Ik probeer meteen helemaal naar boven te klimmen over de omgevallen en weggezakte blokken graniet en als ik daar ben mag ik gaan zitten en wat drinken van mezelf. Er is nog één ander gezin, Engels waarschijnlijk, maar die zijn snel verdwenen en dan ben ik alleen. Ik heb een magistraal uitzicht op de berg aan de ene kant en delta en zee aan de andere kant. Het is zo warm en ik drink mijn halve flesje leeg. Tegen deze tijd is er al een half uur voorbij. Ik loop het hele theater over, en eromheen, en via de achterkant naar beneden, zoek altijd naar details die me opvallen, of Griekse of Romeins inscripties die ik misschien later kan vertalen. In de vierde eeuw werd Kaunos christelijk, het kerkje met de mozaïekvloer waar ik op word getrakteerd en dat nog zo ontzettend goed bewaard is gebleven, werd gebouwd in de zesde eeuw. Ooit was hier een belangrijke haven waarvan een deel kon worden afgesloten, maar het slibde volledig dicht. Het terrein is al honderden jaren omgeven door moeras, de lucht is fris en vochtig. Al rond het jaar 0 werd dit gebied beschreven als ‘ongezonde lucht’ en de mensen als ziekelijk. Het komt me niet heel vreemd voor dat bijna de hele bevolking in de 15e eeuw is bezweken aan malaria.

Ik baal ervan dat ik maar een derde van het terrein kan zien voordat ik weer terug moet naar de boot. Ozan de schipper zit onder een boom te praten met de kaartjesverkoper, die vandaag ook niet teveel te doen heeft. Bij terugkomst ligt de boot achterstevoren met de bakboord landvast voor de boeg langs aan stuurboord aan de kade. Het lukt hem niet om hem los te trekken dus ik zeg, “You start the engine, I will untie it”. Met een klein beetje gas komt de spanning van de lijn af en lukt het prima en we pruttelen rustig terug door het riet. We passeren een andere boot die vol zit met Engelsen. Een meisje met een hippiebril en tatoeages op haar arm zwaait naar me en stuurt me een kushand. Ik lach en zwaai terug. Verder is het stil en rustig. Ozan geeft me het waterflesje met de kersensap. Het is heerlijk koud en zoet. Ik vraag hem of hij hier vandaan komt. Zijn hele familie komt hiervandaan, maar hij is de enige met een boot. Sterker nog, hij is nog nooit ergens anders geweest, alleen een keer naar Saklıkent, de kloof met de waterval. Heeft er ook totaal geen behoefte aan volgens mij. Hoe overzichtelijk is dat leven. En ons leven in het westen mag dan geografisch meer ruimte innemen, maar is het niet eigenlijk veel beperkter, staan we daardoor niet juist verder van het echte leven af? Als we terug zijn moet ik mee want thee! Die krijg ik op de veranda van zijn stacaravan, die hij zelf heeft gebouwd, ik mag wel even binnenkijken, maar daar bedank ik toch maar even voor. Ik krijg zijn nummer op mijn telefoon en moet tegen al mijn vrienden zeggen dat als ze naar Dalyan komen, ze met hem moeten varen, en dan maakt hij na afloop ook nog een barbecue bij hem in de tuin, deze liefdevol en netjes met citroen en moerbei beplante postzegel aan de Dalyan rivier. Dus bij dezen. Ozan, telefoonnummer bij mij op te vragen.

Na de thee stap ik zo snel mogelijk weer in de auto, die nog helemaal heel is, en rij ik terug naar Fethiye. Ik hoop nog even te kunnen zwemmen, maar hoe dichter ik bij mijn stadje aan de kust kom, hoe meer blijkt dat daar geen sprake van is want inmiddels is de zondvloed daar losgebroken. Ik rij naar het einde van het strand naar boven, waar je de auto halverwege de heuvel neer kan zetten en over het strand kan uitkijken, om te zien hoe het stortregent op zee. Na tien minuten wil ik terug naar beneden, maar de weg is in een rivier veranderd, door al het water dat van de berg af richting zee stroomt. Verschillende auto’s staan al langs de kant van de weg, maar ik ga hier toch echt niet staan wachten en surf met de auto naar beneden. Ik probeer in het dorp nog ergens een broodje döner te krijgen, wel vier keer stop ik ergens, maar alles is dicht, want het regent. Als ik het eindelijk heb opgegeven en naar huis rijd, houdt het op met regenen en staat er een dubbele regenboog voor mijn huis. Ik geef de kat die ik inmiddels Uğur (good luck) heb genoemd te eten en mijn eigen avondeten bestaat uit een stuk brood met kaas en een glas wijn, en eerlijk gezegd ben ik volkomen tevreden voor vandaag, om niet te zeggen volkomen versleten.

Kluts kwijt

Okee, waar was ik.

Ik ben nu in elk geval aan de kust, in Ovacık, Fethiye, en totaal de kluts kwijt. Ik weet pas wat voor dag het is als ik héél goed nadenk. Dat gaat best als ik hier rustig even zit op het terras van huis dat ik gehuurd heb, helemaal bovenaan het dorp, tegen de berg aan. De koelte stroomt van de bergwand af over het terras en het zwembad krijgt maar een paar uur per dag zon, en is dus ijskoud. In de zomer is dat waarschijnlijk heerlijk, maar nu lijkt het wel herfst. Niettemin ruikt het hier heerlijk, midden in het groen, naar dennenbos en naar de grote jasmijnstruik die een kant van de tuin omlijst.

Op weg naar het vliegveld in de Uber tref ik een alleraardigste oudere Russische chauffeur die er vrolijk op los kletst terwijl ik weer als een jankerd op de zwart met rood gecapitonneerde achterbank van de Mercedes Vito naar buiten kijk. Hij zegt dat hij waarschijnlijk een andere route neemt want het is erg druk, zo om 10:00 uur in het Istanbulse verkeer richting Sabiha. We lijken inderdaad in een file te belanden. Plotseling draait hij zich om en begint nerveus instructies aan me uit te delen, in het Turks, maar wat ik ervan versta is: “Als ze je vragen, zeg dat je hotel mij geregeld heeft, dat je een taxi gevraagd hebt aan het hotel. Uber is een probleem in Turkije. Maar mijn probleem, niet jouw probleem, okee?” Voordat ik antwoord kan geven staan we stil langs de kant van de snelweg en staan er vier politieagenten om ons heen. Chauffeur doet raampje open. Praat op gemoedelijke toon en rommelt wat in het handschoenenkastje (gek woord eigenlijk, wie bewaart daar ooit nog handschoenen). Maar de toon van beiden de politieagent en de chauffeur wordt allengs steeds nerveuzer en geagiteerder. “Je hebt mooie praatjes”, hoor ik de agent zeggen, en “Doe die deur open, doe die deur open!”. Mijn deur, welteverstaan. Ik maak me op dit moment nog helemaal geen zorgen. Ik zie het allemaal gebeuren en leef me vooral in in de chauffeur, die moet hier ploeteren om een piepklein beetje te verdienen en ook dat nog wordt hem onmogelijk gemaakt. De deur schuift open en een nors kijkende politieagent vraagt eerst om mijn paspoort en steekt dan een preek af over dat Uber een probleem is (de uitleg ontgaat me even), maar aangezien vrij snel duidelijk is dat ik een toerist ben en ik voor de gelegenheid maar even doe alsof ik geen idee heb waar hij het over heeft, stopt hij daar ook maar weer mee. Met mijn paspoort loopt hij weg naar de politieauto die verderop staat en de chauffeur moet mee. Sta ik dan, langs de snelweg. Zonder paspoort, dat vind ik dan weer een iets minder goed idee. Ik ben nog ruim op tijd voor de vlucht, en anders zou ik misschien wel gewoon gaan liften, of zou dat niet gaan? En ik heb trouwens mijn paspoort niet. Zou dat raar zijn als ik er gewoon heen liep en tegen die agenten zeg, mag ik mijn paspoort even terug want ik moet een vlucht halen? Ja, soms grinnik ik ook wel een beetje om mijn eigen naïviteit, maar zo loop ik maar even mijn opties langs, aangezien ik verder toch niks anders te doen heb dan wachten. Zal ik een foto maken? Hm, beter niet misschien. Als ik nou gewoon mijn telefoon onder m’n arm hou moet dat wel lukken misschien. Het lijkt een eeuwigheid te duren, die ik verder alleen maar registreer. In de verte zie ik de kleine gedrongen chauffeur ruzie maken met vier agenten die om hem heen staan. Uiteindelijk mag hij dan toch vertrekken. Een agent komt even mijn paspoort terugbrengen. “Hiç bir problem yok size”, zegt hij beleefd en vriendelijk, geen probleem voor mij, fijne dag nog.

De chauffeur is compleet aangedaan. Hij foetert achter het stuur. Russisch, Turks, Engels door elkaar. “Onbeleefd zijn ze, Turkse politieagenten, géén manieren”, foetert hij. “Ik hoop niet dat u nu problemen krijgt”, zeg ik. “Ceza”, zegt hij, boete. Op het vliegveld aangekomen pak ik 200 lire uit mijn portemonnee die ik piepklein opvouw en aan hem geef als hij mijn koffer uit de achterbak tilt. Het dubbele van de ritprijs, die ik natuurlijk van te voren al betaald had. Ik wil zijn reactie niet afwachten en pakt snel mijn koffer op, maar ik zie hem toch even twee keer opkijken.

Vanaf het moment dat ik in het compleet lege Dalaman voet aan de grond zette, ging alles op de automatische piloot en hoefde ik nergens meer over na te denken, wat ik dan ook niet meer deed, er hoefde niets meer geregeld te worden, niets meer georganiseerd en ik zakte dus als een plumpudding in elkaar.

Niettemin, alles voelde lekker aan, gewoon, lèkker, ik had alleen even de tijd nodig om mijn mind-set te analyseren. De vorige keer was ik een beetje teleurgesteld dat ik niet zo lyrisch was als de keer ervoor, maar nu liet ik gewoon alles begaan, ik was hier niet om wereldschokkende avonturen te beleven, ik hoef helemaal niks meer. Nou ja, behalve dan twee antieke tripjes.

Ik haal de auto op en zet koers naar Fethiye. Ik maak voor de eerste levensbehoeften van de avond en de ochtend een tussenstop bij de megasupermarkt aan het begin van de stad (zóveel supermarkten hier, je snapt niet waar ze van bestaan) en word even later bij het huis opgewacht door de enorme Mahmut, die mij onvriendelijk van top tot teen opneemt en vraagt waar de rest van mijn gezelschap is. Mahmut ziet er uit als iemand van de geheime dienst uit een slechte Turkse film of een clip van de Beastie Boys met dat arrogante hoofd met die pilotenbril en dat slechte gebit en die strenge toon. Hij vindt het duidelijk maar vreemd, maar het kan me niet schelen. Of misschien toch ook wel een beetje want om een of andere reden vind ik het nodig om te zeggen dat ik voor de Nederlandse overheid werk en hier kom voor mijn rust en om te schrijven. Mahmut neemt het allemaal in zich op zonder vriendelijk naar mij te lachen en wijst me er nog even fijnzinnig op dat als mijn familie toch nog komt opdagen, ik hem dan een kopietje van hun paspoort moet sturen. Is goed, zal ik doen Mahmut. Ik ben blij dat hij na de huistoer opgekrast is.

Ik sleep mijn spullen naar boven en ga het huis een beetje verkennen. Ook al is het schoon, ik vind het tòch vies, en maak eerst een rondje met de keukenreiniger die er gelukkig nog staat, langs alle deur-, kast- en lichtknoppen, trapleuningen en afstandsbedieningen.

Het begint inmiddels donker te worden en het is fris. ‘s Avond’s lekker op het terras zitten te schrijven zonder jogging broek die ik niet bij me heb, is er niet bij. Shopping target.

Ook realiseer ik me dat het hier wel héél erg donker en stil is. Van de twintig huizen die er op deze compound (zo noem ik het maar even) staan, zijn er op dit moment misschien maar 3 bewoond. Bovendien heeft het huis héél grote ramen, van die ramen die je dan ziet in een film waarvan je dan denkt, doe die gordijnen toch dicht man! Waarna vervolgens de hele familie wordt uitgemoord. Zulke ramen. Je begrijpt, ik voel me nog niet helemaal senang zo op deze eerste avond. Mahmut zei nog: “I will come by tomorrow to see if everything is okay and if you need anything.“ Maar nee, dat nou liever ook weer niet, Mahmut.

Ik ga een kop koffie zetten, en die neem ik mee naar boven, en ga in bed liggen Netflixen, ik weet niet meer hoe laat het is, maar vroeg, en ik slaap ontzettend diep.

De dag er na, woensdag ofzo, merk ik hoe gedesoriënteerd ik ben nu ik voorlopig nergens meer aan hoef te denken. Ik weet meteen al niet meer wat voor dag het is en ‘s ochtends als ik op het terras zit te schrijven achter een kop koffie, wat ook al niet gaat, schrik ik me dood als de tuinman ineens in de tuin staat om het zwembad schoon te maken. Allerbeleefdst natuurlijk, daar verder niet van. Maar fijn dat ik dat even weet dat die om 8:00 voor je neus staat. Maakt niet uit.

Ik wil naar het strand, lezen, zwemmen, maar onderweg kom ik langs Hisarönü, het idiote toeristische winkelgedeelte van Ölüdeniz waar de Engelse vrouwen in hun bikini over straat lopen, al valt het nu mee, en die tattoo moet nog even worden verzorgd en ik heb een campingbroek en hygiënische keukendoekjes nodig. Toch maar eerst even hier afslaan dan. Bij de tattoozaakjes waarvan er hier ook dertig naast elkaar zitten, wat eigenlijk heel vreemd is vanwege dat niet zwemmen en zonnen, kies ik de nieuwste en cleanste uit, loop naar binnen en zeg, “I just need some care, clean it, treat with cream and tape it”, waarbij ik een stuk van de flinterdunne chirurgische tape uit mijn tas haal. Ze kijken me een beetje verbouwereerd aan. Hoe kòm je hieraan? Ben je rijk ofzo? Kennelijk is dat hartstikke duur spul, maar ik heb het gewoon van Ali. De jongen zegt nog dat hij waarschijnlijk wel twee keer kan plakken als hij de tape slim knipt, maar ik zeg hem dat dat niet nodig is want ik heb nog drie meter op de rol. Hij trekt een paar handschoentjes aan en maakt het netjes schoon en de tape wordt er met veel misbaar en onnodig bepotel op gedrukt. Het kunstwerk op mijn schouder wordt nog even bewonderd en hij vraagt “Who is the artist?” maar Görkem uit Istanbul kent hij niet. Er is trouwens helemaal niets aan te zien verder, geen korstjes, de huid ziet er helemaal heel uit. Ik hoef niks te betalen voor de actie ook al dring ik aan. Note to self: als ik wegga niet vergeten wat ik over heb van die rol chirurgische plakplastic aan hen te geven.

Bij een van de talloze textiel winkeltjes met fake merkproducten (“Real fake bags!”) koop ik een real fake Kenzo joggingbroek. Ik moet ontzettend veel moeite doen om niet óók nog een Boss hoody aangesmeerd te krijgen, maar het lukt me om alleen met die joggingbroek de winkel uit te lopen.

Intussen is het hier hartstikke heet geworden en eindelijk rijd ik dan richting het strand. Als ik die vallei inrij wil ik ineens helemaal niet meer alleen zijn, wil ik aan iedereen laten zien hoe mooi het hier is, hoe groen, en hoe blauw en turkooise de zee dan ineens onderaan om de hoek komt. Ook al ìs het misschien helemaal niet mooi, want verpest door massatoerisme en dikke Engelsen en Russen. Ik zeg wel massatoerisme, maar vergeleken met de andere Turkse badplaatsen valt dat hier dus heel erg mee. Geen hoogbouw hier, hotels mogen niet meer dan 2 of 3 verdiepingen hebben, dus wat voor lelijks er ook staat, het is geen hoogbouw. Je voelt de ruimte, in de hoogte en in de breedte.

Ik loop ergens in het midden over het brede strand neem een bedje met een parasol en moet 30 lire betalen. De eerste keer met El was dat nog 12 of 14, vorig jaar 18, en toch ben ik nu minder kwijt dan vorig jaar (vanwege de koers, dus).

Affijn deze dag gaat vrij verder vrij eventless voorbij. Alsof het normaal is lig ik in dat glas- en glasheldere blauwe water, nergens is het water zo helder als hier, en het is nu ook zo heerlijk op temperatuur, ik krijg er geen genoeg van. Het strand, dat niet zo massaal lang is, is voor ongeveer de helft vol. Dit is precies waar ik zo naar verlangd heb, op de een of andere manier is het wel toeristisch hier, maar toch rustig. Het is het enige strandje in de buurt, anders moet je naar Fethiye rijden, of naar Kıdrak, waarvoor je nu het astronomische bedrag van 20 lire moet betalen (3 euro, vorig jaar nog 8 lire, 2,5 euro). Er zijn overal maar maximaal 3 rijen bedjes, met, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Bodrum, een paar passen daartussen zodat je niet op elkaars lip zit, en zonder te slalommen makkelijk tussen de stoelen door naar de zee kan lopen. Het strand is ontzettend breed, met vanaf de boulevard eerst een twintig meter brede strook zand voordat die bedjes beginnen. Die strook wordt ook gebruikt door de talloze solo-paragliders die hier van over de hele wereld komen omdat het één van meest tot de verbeelding sprekende paragliding spots is. Het is ook volstrekt niet mogelijk om hier te vertrekken zònder zo’n paraglidingvlucht te hebben gedaan. Als je hier voor het eerst komt dan denk je ‘in geen miljoen jaar’, maar als je hier dan een paar dagen bent en de talloze busjes hebt zien vertrekken, ze vanaf je zonnebedje vredig door de strakblauwe lucht hebt zien dwarrelen, en gedurende de week de tientallen mensen als veertjes op de boulevard ziet landen, dan word je toch nieuwsgierig, zal ik tòch…? Gaandeweg de week als je dan helemaal ontspannen bent van het Turkse leven, en dan helemáál als zo’n schetige verkoper je aanspreekt en precies tegen je zegt wat je wilt horen, ik zeg je, je gaat voor de bijl. Het kost trouwens een vermogen, nog niet eens het vliegen zelf, maar hun business zit hem in de foto’s die ze tijdens de vlucht ongevraagd van je maken terwijl je uit mysterieuze veiligheidsoverwegingen je eigen camera niet mag gebruiken. Na de vlucht loop je mee om de foto’s te gaan bekijken in the office, en die foto’s zijn natuurlijk spectaculair prachtig, en dan mag je nog eens 40€ aftikken voor een cd, of 50€ als je óók de filmpjes wilt, of 60€ als je óók de Samsung360 action foto’s wilt. Ik zeg je: doe, néém die foto’s, want dat geld vergeet je, maar als je die foto’s niet koopt heb je eeuwig spijt. Je kan het zien als de grootst mogelijke geldklopperij, maar dit wereldje van bohemien vagabonds heeft ook een enorme gunfactor. Als ze tegen zonsondergang met z’n allen tegen hun grote rugzakken onder een boom aan het bier zitten, zou je het niet zeggen, maar het hele seizoen werken ze zich kapot, om 8:00 uur die pokkeberg op, tot 17:00 uur of soms om 18:30 uur vijf of zes vluchten per dag, zeven dagen in de week, van mei tot november.

En het is gewoonweg fantastisch, zoals mijn lief en mijn zus ook kunnen beamen en ik hoop dat ik ooit mijn moeder ook nog een keer mee krijg.

Op dit moment hoeft het voor mij niet, ik ben dat stadium al gepasseerd en ik lig hier helemaal één te zijn met mijn omgeving, elke keer als ik me omdraai verandert het uitzicht, op mijn buik zie ik de boulevard, op mijn rug de blauwe lucht en de zee en mijn tenen.

Aan het einde van de middag pak ik mijn spullen in en eet een seafood salad met een glas prosecco.

Als ik naar huis ga begint het te regenen. Ik spring nog even in het koude zwembad, wat weldadig aanvoelt aan mijn huid en blijf even drijven in de regen. Wat een vreemde combinatie is dit, de stilte van het bos, het zwembad, de regen, dennengeur, in de verte donder van onweer terwijl de zon hier schijnt in een strakblauwe lucht.

Donderdag

Ik heb om 12 uur een afspraak met Ayşe in Fethiye. Ik ken Ayşe niet, maar ik volg haar op instagram, omdat ze allemaal geestige tasjes en etuitjes en portemonneetjes maakt, zelf, thuis op de naaimachine. Ik heb haar gevraagd waar ik haar spullen kan kopen en prompt nodigt ze me uit om naar haar toe te komen. Om 12:00 uur word ik verwacht bij ABC furniture. Ik ga op tijd, want natuurlijk die latte anders sluimerend chaggerijn. Ik rij rechtstreeks naar de boulevard en probeer te parkeren maar alle parkeerplaatsen zijn afgezet met politielint. Om de vijftig meter staat trouwens ook weer een politieagent, zie ik nu. Wat nu weer. Ik prop mijn auto toch ergens tussen en loop naar de zee-kant. Over de hele lengte van deze boulevard zitten restaurants en koffiezaakjes, niet aaneengesloten zodat je de baai van Fethiye er doorheen kan blijven zien. Er zitten een paar heel goede tussen, zoals het Çarıklı Et restaurant waar ze echt fantastisch gegrild vlees hebben, en het is hier allemaal netjes en georganiseerd, je zou bijna zeggen on-Turks. Ik heb ook direct zo’n koffiezaakje gevonden. “Ik ben op zoek naar een ècht goeie latte”, zeg ik in het Turks tegen de ober. Het is een prima ijsbreker om jezelf voor schut te zetten met je Turks, iedereen begint meteen te lachen als ik het doe. (Elif lag helemaal dubbel toen ik stukje van een bekend Turks liedje voor haar zong, dat had ze werkelijk nooit meegemaakt, “And your àccent, flawless!” lachte ze.) De ober zegt: “Ik kan toevallig een ècht goeie latte maken”. We babbelen wat basisbeleefdheden en ik krijg echt een heerlijke latte met drie chocoladelepeltjes erbij, waarschijnlijk omdat ik mijn best doe in het Turks. Het is nog vroeg, mensen gaan naar hun werk, ik ben de enige die hier zit in de frisse ochtend, met de zeelucht van opzij, ipadje erbij, ik ben perfect tevreden.

Aangezien ik Ayşe ook zal moeten betalen, ga ik na de koffie naar het kleine oude centrum van Fethiye om een bank te zoeken. Nu wordt ook duidelijk waarom er zoveel politie op de been is en de halve route is afgezet: de Tour de Turkije (Cumhurbaşkan Turu) gaat hier morgen starten in de straten. Ik heb geluk en kan net een parkeerplek veroveren naast de oude vismarkt, ik markeer hem maar even op Google, voor het geval ik toch de weg weer kwijtraak. Dit is echt zo’n verschrikkelijk leuk buurtje, met hier vlak naast de Paspatour markt met keileuke winkeltjes en restaurantjes, waar ik vorig jaar of twee jaar geleden kennismaakte met Ferza. Ik dwarrel een beetje rond, vind een bank waar ik kan wisselen voor 6,80 lire per euro. Door alle opstoppingen ben ik toch wat later dan gepland, en ik app Ayşe maar even dat ik wat later ben. Nog geen tien stappen ben ik van mijn auto verwijderd als tussen twee auto’s ineens een man staat te roepen. Voor zijn voeten zit een vrouw op haar hurken, die hij ternauwernood overeind weet te houden. “Do you need help?”, vraag ik. “Yes”, zegt hij, en ik aarzel niet om mijn armen onder haar oksels te haken en haar enigszins omhoog te trekken, uit de goot waar ze nu in zit. Ze werkt een beetje mee, maar haar hoofd knakt alweer opzij, en ik ga zitten op het stenen kozijn van een winkel en sjor haar naast me. Een vrouw komt de winkel uitgerend en pakt haar benen en tilt die omhoog. Ik leg de vrouw haar hoofd op mijn schoot. Ik meen dat ik de man “Ölme, ölme” hoor zeggen, “don’t die”. “O shit”, denk ik. “Ambulans ara”, zeg ik, maar daar is al aan gedacht. De vrouw ziet er verder verzorgd uit, moderne kleding, geen hoofddoek, modern brilletje, ik schat haar een jaar of vijftig. Ze is lijkbleek, draait met haar ogen en ademt heel licht met korte stootjes. Ik kijk naar haar benen en ze is zó mager. Ik vraag haar of ze wat suiker wil. Haast onmerkbaar schudt ze haar hoofd. Haar ogen vallen steeds dicht. “Ga alsjeblieft niet dood in mijn armen”, denk ik, en ik pak haar hand stevig vast, als om te zeggen, ik ben er, er is iemand, maak je maar geen zorgen. Een eeuwigheid duurt het voordat ik in de verte een ambulance hoor, die maar niet dichterbij lijkt te komen want de hele stad zit dicht vanwege die stomme wielerwedstrijd. “Alles komt goed”, zeg ik tegen haar, “Her şey iyi olacak”, maar eigenlijk net zozeer tegen mezelf als tegen haar.

Het lijkt wel een uur later als die ambu komt, maar die komt dan eindelijk, gek hoe snel alles dan ineens weer weg is, en het normale leven weer doorgaat. Ik stap gewoon in mijn auto, en rijd naar Ayşe toe.

In de ABC Furniture word ik allerhartelijkst ontvangen door de Ayşe die ik herken van instagram, en ook haar broer, die de manager is van ABC Furniture, en haar moeder of oudere zus of tante die de koffiezetter is van ABC Furniture, wat overigens echt een prachtige moderne meubelzaak is met kleurrijke moderne strakke banken en stoelen, waar ik zelf zo terecht zou kunnen. Ayşe heeft een ‘bescheiden’ voorkomen, een beetje vroom zo met die hoofddoek, ik heb netjes een donkere jurk aan met mouwtjes maar over mijn slippers (die mooie Afrikaanse trouwens, niet van de zwembadslippers dan weer) voel ik me ineens toch een beetje onzeker. Ze is super hartelijk, ik krijg zoenen en mag op de bank gaan zitten, het is echt heel erg leuk om haar te zien, haar broer komt erbij zitten om te vertalen, en ik krijg koffie, wat voor koffie wil je, vraagt de tante, Nescafé of Turkse? Turkse natuurlijk, tabi ki. En hoe sterk, klein beetje, medium of erg? Medium graag. Ayşe heeft een grote tas met haar handwerk meegenomen, ik herken een heleboel van de dingen van instagram en wil eigenlijk het liefst àlles meenemen. Alles is zo mooi en netjes gemaakt en ziet er nog mooier uit dan op insta, netjes gevoerd en allemaal voorzien van een mooi ritsje met een of ander hangertje eraan. Ze zijn ook allemaal groot genoeg voor een iPad. 30 of 40 lire wil ze er voor hebben, ik vind het bijna gênant. Een stuk of tien kies ik er uit, 300 lire moet ik betalen, 44€. Als ik het haar geef, legt ze het met een lach eventjes demonstratief op de grond, en haar broer zegt: “Dat is vandaag het eerste geld dat ze verdient”, maar de betekenis hiervan ontgaat me even. Dan moeten er natuurlijk allerlei selfies worden genomen en de koffie wordt gedronken en een gesprekje over vanalles en een uur later sta ik weer buiten, Ayşe loopt helemaal mee tot aan de auto.

Ik ben weer helemaal dankbaar van alle indrukken en het menselijke en hartelijke contact met deze mensen.

Ik maak een stop bij Sultan Pastanesi voor een enorme doos baklava en rij meteen door naar het strand. Ik ben zo moe dat ik prompt in slaap val. Tegen het einde van de middag wil ik eigenlijk blijven voor de zonsondergang, maar ik trek het niet meer.

Thuisgekomen blijkt dat mijn plek aan tafel bezet is door een poes, die duidelijk verlegen zit om aandacht. Als ik hem aanhaal voel ik dat hij onder de klitten zit en ik zie wat oude wondjes aan zijn poten. Ik heb direct behoefte om een beetje voor het beest te gaan zorgen. Het lijkt me sterkt dat iemand dat doet op dit uitgestorven park. Eerst krijgt hij een klein schoteltje melk van me, morgen maar even wat kattenvoer en vlooiendruppeltjes gaan halen. De hele avond als ik in mijn campingbroek op het terras een poging doe om te schrijven, wil hij op schoot maar dat hou ik maar even af.

Als ik in bed de social media nog even langs loop, zie ik tot mijn schrik dat Ayşe op werkelijk elk kanaal onze selfies heeft gedeeld.