Paarse olifant

“Waar is ie toch?” Vraag ik me honderd keer af. Een tijdje terug had ik hem nog in mijn handen, de kaart die papa me stuurde uit Tunis. Er stond een kameel op, tegen een strak blauwe lucht. Hij had er op geschreven: “Wat dacht je wat?”, maar ik begreep niet wat hij ermee bedoelde. Ging hij nou werkelijk zelf op een kameel zitten? Ik was denk ik 14 of 15, en ik weet nog dat ik gebiologeerd was door de arabische tekst op de kaart zelf en op de postzegel en het stempel. Ik ging driftig aan het vertalen. Zo had ik snel door hoe je de cijfers van 1 tot 10 in het arabisch schreef, maar daar bleef het ook bij. Arabisch bleek toch wel erg lastig. Ik ben een beetje bang dat ik die kaart toch heb weggegooid, wat ik toch wel jammer vind, nu ik zelf naar Tunis vlieg, en straks in zijn voetsporen loop. En niet alleen die van hem, maar ook die van Hannibal, en Hadrianus, en Dido, en Scipio Africanus de jongere, die Carthago uiteindelijk in 146 BC definitief in de as legde.

En als ik Assassins Creed Odyssey zit te spelen, al weken lang elk vrij moment dat ik heb, komt Kassandra terecht in een verfbedrijf, en zegt: “O maláka, that smell! Who knew dye so foul would be so expensive?” Staande tussen bergen Murex-schelpen.

Kleine waarschuwing: de volgende alinea kan je gerust overslaan want is weer een ongecontroleerde historische feitjesdiarree. Hier ga ik me de rest van reis ook schuldig aan maken, ik zeg het maar vast.

Mijn speurwerk voorafgaand aan de reis ging alle kanten op. De oorsprong lag natuurlijk in Turkije, waarvan ik al bezig was de geschiedenis uit te melken van Selcuken tot Ottomanen tot Pontus tot Galaten tot Grieken en Romeinen, maar steeds verder terug in de tijd tot aan Hettieten, een machtig mysterieus volk dat pas rond 1910 werd ontdekt, het enige volk dat het serieus wist op te nemen tegen de Egyptenaren. Ergens kom je dan ook Alexander de Grote tegen, die in Klein Azië in twee of drie veldslagen het Perzische rijk te gronde wist te richten. En toen maar gelijk doorstootte naar de rest van de Levant, en onderweg naar Egypte Tyre (Libanon) maar even meenam, dat een eiland was maar waar hij zijn tijd nam om maar gewoon een dijk aan te leggen om het in te nemen. Waarom was het zo belangrijk? Vanwege de strategische positie. Maar oorspronkelijk was Tyre óók een van de hoofdsteden van de Feniciërs. Feniciërs, wie waren dat eigenlijk. Zo gaat dat dus in mijn hoofd. Dan moet ik ineens weten waar Hannibal eigenlijk die olifanten vandaan haalde (blijkt uit zuidelijker Afrika en ook uit India!). En nu ben ik hier, in Carthago (waar Alexander de Grote nooit is geweest), waar verder niets is terug te vinden van Feniciërs, maar dat maakt niet uit. Maar wat ook bijzonders is, behalve het alfabet dat we in heel het westen aan deze mensen te danken hebben, om maar een klein dingetje te noemen, is dat de Feniciërs eigenlijk helemaal geen volk waren. Ze hadden niet een koning of keizer (het was dus ook geen koninkrijk of keizerrijk), ze deelden niet echt een religie die anders was dan de rest van de wereld en er zijn ook niet echt kenmerken bekend van de vormgeving van potjes en kruikjes en andere gebruiksvoorwerpen. Er was ook geen eigen taal. Er zijn niet eens inhoudelijke geschriften van ze bekend behalve facturen en inventarislijsten. Kortom alles wat een volk een volk maakt, was er eigenlijk niet. Het is dus nogal een wonder dat we überhaupt van deze beschaving weten, ware het niet dat ze wel werden beschreven door àndere volkeren waar we nog wèl geschriften van hebben, en bijvoorbeeld het feit dat de Grieken er toch een naam voor hadden: phoenix, verwijzend naar de kleur paars, zo’n beetje datgene waar de Feniciërs wel uniek in waren: het produceren van de kleur paars. De meest kostbare kleur voor stoffen, voor een gram kleurstof is vijftig kilo Murex-schelpen nodig, en eenieder die in een paars gewaad liep sinds duizend-weetikwat voor Christus, was iemand van aanzien.

Het armbandje van het hotel dat ik nu tot mijn grote gêne om mijn pols draag is ook paars, maar ik heb niet het minste gevoel dat dit me enig aanzien oplevert, eerder het tegenovergestelde en ik heb direct associaties met een enkelband. Ik heb een hotel uitgekozen dat in al mijn behoefte moet voorzien de komende week, zodat, mocht ik me echt nergens toe kunnen zetten, ik in elk geval niet doodga van de honger. Maar ik heb al snel door dat dit hotel ervoor gaat zorgen dat ik veel weg ben, dus dat is goed.

Alleen, het kost me op dit moment nog extreem veel moeite om ook maar mijn hotelkamer te verlaten. Ik ben zo geschrokken van het hotel en de omgeving dat ik die liever helemaal niet meer zie en van ellende lig ik lang liever in foetushouding opgekruld in bed naar mijn ipad te staren. Na aankomst en vanochtend na het ontbijt waagde ik me even buiten het hotelcomplex om een supermarktje te vinden voor wat hapjes en een fles wijn op de kamer, maar al wat ik liep door dit enorme hysterische hotelgebied, geen supermarkt, geen hapjes, geen wijn. Wel schaarsgeklede toeristen gemengd met bijna volledig bedekte arabische toeristen, een pretpark (Carthago-land, je verzint het niet), met neon lampjes verlichte koetsjes die voorzien zijn van een speaker voor de oproep tot het gebed, hier en daar een zeldzaam restaurant (want iedereen eet toch al in het hotel), frituurlucht en hard rijdende taxi’s. Al mijn nachtmerries in één stad bij elkaar. Als ik aan een Nederlands stel vraag of zij misschien een supermarkt in de buurt weten, zegt de vrouw: “Nou, wij zeiden net tegen elkaar, er zijn hier helemaal geen Nederlanders!” “Tadaa, hier ben ik”, zeg ik. Maar ze weten me ook te vertellen dat hier geen supermarkten zijn. En al helemáál geen wijn. Terug op de kamer kreeg ik helemaal de schrik om het hart toen ik zag dat er een glitterend podium werd opgebouwd op de binnenplaats. “O shit”, dacht ik, “entertainment!” En het inferno brak om 20:00 al los en hield niet meer op tot 23:00. Ik weet niet of ik meer schade aan mijn trommelvliezen heb opgelopen door de muziek of door de oordoppen die ik zo hard mogelijk aan stampte en toch niet hielpen. De hel die lawaai heet. Niet te doen gewoon.

En daar komt bij, ik wàs al moe. Zo moe dat ik diep moet graven om me maar te herinneren hoe ik dit ook al weer deed, reizen en mooie plekken zien, want ze zijn toch echt niet vanzelf naar me toe gekomen de afgelopen jaren. Ga ik een taxi nemen of een auto huren, met de bus of de louage, of een combinatie? Ga ik überhaupt wel met een gids door de medina lopen in die hitte meteen op de eerste dag? Ook heb ik werkelijk alle verkeerde kleding meegenomen, bijvoorbeeld maar 1, te dikke, spijkerbroek, en allemaal linnen bloezen, wat veel te heet is. Drie korte broeken die ik hier niet ga dragen, en maar 1 t-shirt.

Mijn drang om te vluchten uit dit hot-hel wint het gelukkig zodat ik wel in beweging móet komen, en ik bestel ‘s ochtends bij de receptie maar meteen een taxi voor vanmiddag. Met vooruitziende blik had ik meteen voor dag 1 al een gids geboekt, want ik zag het al weer gebeuren dat ik anders mijn bed niet uit zou komen. Zo word ik om 13:00 opgehaald. De chauffeur is een jonge gast die zijn talen spreekt. Automatisch begin ik in het Frans, wat ik gek genoeg de hele tijd doe terwijl het hier helemaal niet nodig is want de meeste mensen spreken prima Engels. Hij excuseert zich eerst voor zijn paars-zwarte vinger, hij heeft geprobeerd hem schoon te maken, maar het lukte niet, en nu wil hij hem het liefste afhakken. Ik was even afgeleid denk ik want de betekenis van het verhaal gaat langs me heen. “I’m glad to get out of here” zeg ik tegen hem, “This place is crazy”. “You think THIS place is crazy?”, vraagt hij. “Well yes, did you take a look? There are horse carriages with neon lighting”, zeg ik. De hele weg hoor ik hem zo’n beetje uit over het land, over wijn en olijven, toerisme en geschiedenis, en laat hij me liedjes horen van Tunesische zangers, tijdens het rijden druk op zijn telefoon scrollend naar het volgende nummer. Ondanks zijn leeftijd weet hij me ook nog bestwel veel te vertellen, zelfs over parfum. En ik kan hem ook nog even de les lezen over de Feniciërs en Carthago, en de kleur paars. Al gauw bereiken we de buitenwijken van Tunis. Overal wordt aan de weg gewerkt, wat alleen maar bijdraagt aan de chaos die hier verkeer heet. “So you wanted to see the real Tunisia huh? This is it”, zegt hij een beetje smalend, want hij denkt natuurlijk dat ìk denk, dat hier iedereen op een kameel rijdt en in een tent in de woestijn woont. “Believe me it’s the same everywhere”, zeg ik (elke taxichauffeur ter wereld die klaagt over het verkeer krijgt van mij hetzelfde antwoord). Hij zet me netjes af precies bij de moskee waar de gids me op komt halen om de medina in te gaan.

Dat is Moncef, een tengere man van een jaar of 70 die geboren is in het Andalusische deel van de medina. Moncef geeft me een hand en meteen valt me op dat hij een zwarte vinger heeft. En op het moment dat ik het vraag, weet ik ineens waarvan. “Elections”, bevestigt hij, “we have to put our finger in ink to prevent us from voting twice.” Alhoewel ik weet dat er hier weinig onduidelijkheid is over wie hier de baas is, vraag ik hem toch wat hij vindt van de uitslag, maar een echt antwoord krijg ik niet, al herken ik wel wat narrigheid, maar ik begrijp dat hij zich niet al te expliciet wil uitspreken. “It’s an election, but there is no choice”, zegt hij. Alle oppositie is ook deze keer weer of gevangen gezet, of te onbeduidend om een deuk in een pakje boter te slaan, of op andere wijze uitgeschakeld. Op de muren in de stad zijn rasters voor kieslijsten geverfd, maar er is er maar 1 beplakt. Hij vraagt of ik hier alleen ben, en het valt me op dat het me nu een keer of drie, vier gevraagd is, maar geen enkele keer ervoer ik een soort oordeel, en geen enkele keer werd er dóórgevraagd, waarom dan, wat op andere reizen altijd wel het geval was. Hier in Tunesië: geen oordeel, gewoon een constatering, en door. Heel netjes. Toch zeg ik nu tegen Moncef: “My dad worked here when I was 15 years old .” “I’m sure your dad is very proud of you now”, zegt Moncef, en ineens raakt me dat heel diep.

Inmiddels lopen we door de nauwe straatjes van de wit-met-blauw-en-gele medina. Het is er heerlijk koel. Het ruikt er òf naar kattenpis, òf naar neroli, jasmijn en andere heerlijke spa-geuren. De medina is meer dan 1000 jaar oud en voor een groot deel opgebouwd met bouwmateriaal uit de oude romeinse stad van Carthago, en dat kan je terugzien aan de hoeken van veel huizen die ondersteund worden door romeinse pilaren. Meest kenmerkend zijn de gele deuren met zwarte stippen. De stippen hebben allemaal een betekenis. Wat ik veel terug zie komen zijn davidssterren, christelijke kruizen, vissen en de stippen die Berbervrouwen op hun voorhoofd hebben, ik ben de naam vergeten. Zo’n beetje op elke hoek die een nieuw idyllisch straatje onthult, trekt Moncef mijn telefoon uit mijn handen en staat er op om een foto van me te maken, die ik achteraf natuurlijk weer allemaal verwijder. Alhoewel de straatjes piepklein zijn, gaan achter verschillende deuren ware paleizen schuil. Een van die markante geel-zwarte deuren, van de spa Dar El Jeld, mogen we in lopen. We stappen meteen een diepe frisse oranjebloesemgeur binnen die niet alleen in de wachtruimte hangt maar overal in dit paleis. De binnenplaats is stil en koel en is een frisse groene tuin met overal moderne kunst en artistiek aardewerk. Op de muren kleurige tegeltjes met geometrische motieven die me doen denken aan het Alhambra, maar ook aan Istanbul. De galerij die uitkijkt over de tuin geeft toegang tot de suites. Het hele paleis is nu een spa met hotel, en in de zomer verblijven hier sjeiks uit de emiraten, vertelt Moncef. Overal waar we komen, groet men hem vriendelijk. Kriskras lopen we door het “Turkse deel” van de medina waar vroeger de families van de Bey’s woonden, en steken dan over naar de Andalusische wijk, waar hij zelf vandaan komt. Het was me al opgevallen dat ik de term ‘Andalusisch’ vaak tegen kom. Moncef vertelt me waarom, en ook waarom je al die religies zo vertegenwoordigd ziet in de historische wijken: de Spaanse inquisitie. Deze wijken zijn grotendeels gebouwd rond de tijd dat alle niet-katholieken uit Spanje werden verdreven in de 15e eeuw. Die streken neer op veel plaatsen in Noord-Afrika. Machtig interessant allemaal weer.

Ook had Moncef onthouden dat ik vooral op zoek ben naar Tunesische parfum, en inderdaad duwt hij me in een van die priegelige straatjes een koel winkeltje in, dat iets weg heeft van een middeleeuwse apotheek. De wanden zijn van plafond tot vloer ingericht met kleine flesjes in alle denkbare oriëntaalse vormen. Het ruikt er allicht heerlijk, en alsof hij wel begrijpt dat we hier eventjes zoet zullen zijn, neemt Moncef plaats op een bankje en laat mij over aan de verkoper van Maison du Jasmin. Het is wel een klein beetje ingericht op het toerisme, wat ik ze niet kwalijk neem, want op de toonbank zie ik vooral veel flesjes staan met ‘Poison’, ‘Miss Dior’, ‘Crystal Noir’ enz. Als hij vraag wat mijn favoriete parfum is, kap ik dat meteen maar af, en zeg dat ik niet geïnteresseerd ben in merken, maar juist op zoek ben naar Tunesië. De man lacht en geeft me een knikje, loopt naar achteren (goed teken) en komt terug met een houten doos met allemaal pure parfumolie. De ene nog heerlijker dan de andere. Tunesië is een van de hoofdleveranciers van jasmijn voor de parfumindustrie, dus ik kies in elk geval die, en natuurlijk oranjebloesem, ‘Nuit de Carthage’ (oh!) en witte bougainville (oohh!) die hier overal de straatjes siert. Als we de winkel verlaten merk ik dat ik best moe begin te worden. Blij dat ik de kortste rondleiding heb gekozen.

Natuurlijk eerst nog een bezoek aan de moskee, met een van een winkel geleende hoofddoek, die me ‘heel goed staat’ volgens Moncef. Van daar gaat het rap bergafwaarts, want ik was al moe, maar ik moet nog naar het dak van Tunis waar al die instagram foto’s worden gemaakt, en die pal boven een tapijtwinkel ligt waar ik óók word in geduwd, en waar Moncef óók gaat zitten. “Nee toch”, denk ik, “nu moet ik zeker weer tapijten gaan kopen.” En inderdaad de verkoper begint meteen driftig een verhaal af te steken over de vrouwen die deze tapijten maken, die allemaal uniek zijn en allemaal een verhaal vertellen. Een voor één trekt hij allemaal tapijten van de stapels die hij allemaal openvouwt en voor me op de vloer legt, totdat er een hele berg aan kleurrijke kilims tot over mijn tenen ligt. Met een verwachtingsvolle blik ratelt de verkoper maar door, “We ship them free to Europe too!” Ze zijn mooi, maar ook niet goedkoop, formaat badkamerkleedje iets van €200. Hoe gaan we dit doen. Hoe gaan we deze elephant in the room tekkelen. In geen 200 jaar ben ik van plan om een tapijt te kopen dus het is tijd om een eind te maken aan dit toneelspel. “Let me think about it, maybe I’ll come back later this week”, lijkt me de meest praktische oplossing. “Inshallah”, zegt hij.

De jongen met de taxi staat al te wachten als we terug komen op het oostblokachtige Place de la Kasba. “Jij weet zeker niet een supermarkt hier waar ze wijn verkopen?”, vraag ik hem als we ons in de spits terug begeven naar mijn decadentiekamp. “Yes yes, ofcourse, I will take you there”, zegt hij, “But please don’t tell anyone, because my boss is very religious, I will lose my job.” Ik zeg nog dat hij me niet hoeft te brengen, maar hij wil er niet van horen. Nou, hier een fles wijn kopen is op z’n zachts gezegd niet gezellig gemaakt. We draaien ergens achter een supermarkt een kaal parkeerplaatsje op bij een loods met deuren die voorzien zijn van afgebladderde tralies. Binnen een toonbank over de hele breedte waar vier mannen achter staan die je de wijn geven uit de rekken achter hen. Wil je rood of wit? En dan pakken ze er gewoon een. Ze hebben maar vier soorten maar het lijkt erop dat je daar niet eens uit mag kiezen. Maar het maakt niet uit, het is Tunesische rode wijn, ik neem voor de zekerheid maar twee flessen mee. In een zwart zakje krijg je ze mee want o mijn god stel dat iemand je met wijn over straat ziet lopen. “Because it’s a drug”, zegt de taxi-jongen. Jammer toch eigenlijk dat deze mensen deze duizenden jaren oude traditie ook kwijtraken.

Terug op de kamer neem ik eerst een douche en ga dan op het balkon zitten met een glas Vieux Magon, en man man màn! wat is ie lekker. Ik ben kapot. Het waait hard op het balkon maar het is nog steeds warm en vochtig. De muziek begint al weer pompend de avondlucht te vullen. Ik moet nog gaan eten, maar alles in me verzet zich om mijn kamer te verlaten. Eerste dag overleefd. Wat nu?

Plaats een reactie