Maandag, dag 1, Çanakkale-Troje-Alexandria Troas

Maandag 5 juni, dag 2

Ik ben er pas een dag en er is nog niks gebeurd maar ik heb al weer verschrikkelijk veel te vertellen. Als ik alleen ben, ben ik trouwens ook voortdurend alles aan het registreren alsof ik professioneel aan het beoordelen ben en er rapport over moet uitbrengen. Wat feitelijk ook een beetje zo is, want ik moet toch iets te schrijven hebben. Ja, ik weet dat ik neurotisch ben, hoeft niemand me te vertellen, maar tegelijkertijd ook weer niet zo neurotisch dat ik in de stress schiet als iets niet lukt, want als het niet kan zoals het moet, dan moet het zoals het kan, zoals onze lieve papa zei, en zo is het ook! Er zit een hele levensles in die woorden, er is namelijk een manier waarop dingen moeten, of hóren, en we zijn ons hele leven bezig te leren hoe het hoort, of hoe dingen moeten, maar je moet ook om kunnen gaan met tegenslagen, creatief kunnen zijn en flexibel, meebewegen, omdat de dingen soms nu eenmaal anders uitpakken dan we hadden bedacht.

Wat zit ik hier trouwens heerlijk te schrijven in dit schattige hotelletje, waar van alles mis mee is. Ik zit naast de prachtige belle epoque gietijzeren deur die openstaat waarachter het verkeer over de kade raast en de boten naar de overkant vertrekken. Naast me staat een schoteltje Turks brood en börek, warm, koffie en een schaal met mijn eerste Turkse ontbijt, witte kaas, komkommer, tomaat, groene peper, groene en witte olijven, en het mannetje blijft maar dingen brengen en ik krijg ook nog ei. Ben benieuwd wat ik straks mag afrekenen, maar de kamer zelf was maar 170 TL edus ik maak me nog geen zorgen.

Ik kwam om 22:15 gisteren aan, nadat de duisternis was ingevallen, reed ik nog minstens een uur hongerig over de krakkemikkige snelweg met 2-0 systeem (RWS-ers weten wat ik bedoel) door de köfte-streek Tekirdağ. Een allerliefst mannetje gaf me een mooie kamer die heel groot was, beloofde hij, aan de voorkant. Prima, maakte me allemaal niet meer uit, ik was zo moe dat ik niet eens meer wilde eten. Ik vroeg of ik een glas wijn kon krijgen, en even later op mijn kamer kreeg ik een enorme bel rode streekwijn met een strikje erom en een groot bord met kaas. Ik kon wel huilen van dankbaarheid. Het enige dat ik verder nog wilde was douchen en op bed liggen. 

Hoe moe ik ook was, het ontging me toch niet dat er overal aan de kranen kalkaanslag zat, en op de doucheramen, en dat de handgrepen van de douche los zaten, en dat er donkerbruine aanslag in de hoekjes zat. Normaal gesproken douche ik overal met slippers, die was ik even vergeten, dus ik probeerde maar even de gedachte te verdringen aan de honderden voeten die hier vóór mij hadden gestaan waarna de vloer kennelijk niet was schoongemaakt. Ik had ook mijn twijfels of die Ikea badkamermat wel elke keer gewassen werd, dus ik legde maar een kleine handdoek op de grond. Toen ik de draaibare spiegel probeerde te verdraaien had ik die opeens in mijn handen, die was dus ook duidelijk niet schoongemaakt. Ik frummelde hem terug en bleef er maar af. En wat deej die telefoon daar eigenlijk, bij de wc? Ugghh. 

Door een van de mansgrote ramen kwam een penetrante rooklucht, alsof de benedenverdieping in brand stond, en het andere raam ving al het geluid van de kade dus ik deed beide ramen dicht. Daarmee werd het wel stervensheet, en de airco bleek het niet te doen. Ik liet het allemaal maar, ik appte nog even met het thuisfront, hoorde mijn eerste ezan, en viel toen in een diepe slaap. 

Gisterenavond had ik in het donker totaal niets gezien van de omgeving, dus toen ik vanochtend in mijn ondergoed het gordijn openrukte, stond ik oog in oog met een elftal Turkse bouwvakkers die kennelijk koffietijd hadden op de open bouwput die het hele uitzicht besloeg. ‘Nou ja, ik kom hier toch nooit meer terug’, is dan de gedachte die je maar tevoorschijn trekt als je Life of Brian hebt verdrongen. De tergende hoofdpijn heb ik inmiddels onderdrukt met twee paracetamolletjes. Zometeen pak ik mn tasje en ga ik richting Bozcaada. 

17:00

Ik heb er al weer een dag op zitten en wacht nu op de tweede veerboot van vandaag, die naar Bozcaada. Ik heb vanmorgen een dagtasje gepakt zodat ik voor die ene dag op het eilandje niet mijn hele koffer hoef mee te schleppen. Bij het uitchecken vond ik het ineens raar dat ik nog zo veel briefjes van 50 lira had, en nog maar zo weinig van 50 euro. Ineens dringt het tot me door dat ik het mannetje gisteren 150€ heb gegeven ipv 150 TL. Ik probeer hem dat duidelijk te maken, maar hij wil er niet aan. Misschien helpt het als ik het in het Turks probeer. Met een papiertje erbij laat ik hem zien dat ik hem wel degelijk 150€ heb gegeven. Yarın size yüz elli avru verdim, lira değil, avro. In de deuropening verschijnt de manager en ineens herinnert hij het zich weer. Na een klein rekensommetje en een voor hem godsgruwelijk gunstige koersconversie kan ik eindelijk weg. 

Ik verlaat Gelibolu en rij verder naar het schiereiland Çanakkale alhoewel ik nog steeds niet weet hoe het echt heet, waar ik wat slagvelden wil bezoeken. Het eiland lijkt op Frankrijk, glooiend en groen en met veel akkerlandschap. Maar ook veel lelijke dorpjes, mislukte toeristische hotels, en borden, veel borden, vooral met ‘KÖFTE GÖZLEME ÇAY’, of ‘GÖZLEME KEBAP MANGAL’, of ‘ÇAY KAHVALTI YIKAMA’, of elke combinatie van die woorden. Altijd in hoofdletters. Vele, vele eettentjes schiet ik zo voorbij. Vele, vele verschoten, verroeste, verbleekte borden. Er is in Turkije niet veel nodig om een zaakje te beginnen. Een halfopen kippeschuur met wat golfplaten, paar pallets met geknoopt kleedje erover en wat kussentjes, en een verschoten bord met ‘ÇAY GÖZLEME KEBAP’. En natuurlijk een tuinslang met gaatjes tussen twee electriciteitsmasten gespannen of over de pergola. Je zet een kop thee, perst een sinaasappel uit, bakt een pannenkoek en laat ondertussen je zoon/man/neefje de auto van de gast wassen onder de pergola. 
De Dardanellen (Çanakkale Boğazı) zijn trouwens heel smal, de overkant is zo dichtbij. Veel smaller dan het IJsselmeer. Al de tijd dat ik er rijd stel ik me voor dat het hier vol ligt met oorlogsschepen. Als ik afsla begint zelfs de sfeer van het landschap te veranderen en ik voel me verdrietig. Een verschrikkelijke strijd heeft hier gewoed, soldaten hebben intens geleden onder de meest afschuwelijke omstandigheden. In de brandende hitte, met vlooien, difterie, grote tekorten aan water en voedsel en geen mogelijkheid om de stinkende lijken weg te halen. Een eindeloos lijkende slingerweg door een landschap van naaldbomen rijd ik door. De vorm van de grond lijkt hier en daar op die van Verdun: grillig, met manshoge heuveltjes, gevormd door ingestorte loopgraven en bominslagen. Verdwalen kan hier bijna niet want op een gegeven moment moet ik een weg inslaan die tek yön is, eenrichtingverkeer. 

Als ik bij Lone Pine Cem. kom (wat is nou weer cem? Djem? Vraag ik mezelf af, maar dat is natuurlijk cemetary) parkeer ik de auto achteloos onder een eenzame denneboom. Er staat een bordje bij. Deze denneboom is geplant in 1990. Okee. Van een zaadje van een boom in Australie. Oh? Die geplant is van een zaadje dat een soldaat had meegenomen uit Gallipoli. Ooo, okee.

Ik loop over de begraafplaats waar schijnbaar 4000 Anzacs soldaten moeten liggen en het valt me op hoe jong ze zijn. Ik zie er veel van 18, 22. De volgende stop is de Turkse begraafplaats die van het 57ste regiment. Er staat een reusachtig, slecht gelijkend beeld van Atatürk, de aanvoerder van dit regiment. Ik hoor overal vogeltjes en vraag me af of je die in die tijd ook zou hebben gehoord. Wat ik ook zie is dat in 1915 de mensen hier nog geen achternamen hadden. Atatürk heeft pas na 1923 ingesteld dat mensen een officiële achternaam moesten hebben. Op deze begraafplaats liggen alleen oğlu’s (zoon van), Mehmet İsmailoğlu, Hüseyin Alioğlu, Hasan Salıhoğlu. Ook zie ik dat de gemiddelde leeftijd ongeveer 5 jaar ouder is dan die van de Anzacz. Waarom zou dat zijn? Vragen, vragen. Na een beetje rondgewandeld te hebben stap ik weer in de auto naar het laatste ding dat ik wil zien, het grote monument boven op de berg. Het uitzicht moet er spectaculair zijn en je kan de loopgraven bekijken. Ik draai weer de eenrichtingverkeer weg op en rij bij een vaag bordje door. Waarna ik me realiseer dat dat het was. En ik kan niet terug want … eenrichting verkeer. Als ik het alsnog wil zien moet ik 20 kilometer omrijden. Godfriet. Dat doen we dus maar even niet want ik moet nog een veerboot halen. 

Ik weet niet hoe ik het heb uitgekiend maar ik ben precies op tijd bij de feribot. Als we vertrekken zie ik in het gehuchtje naast Eceabat het klavervormige fort waar ik me de vlekken naar gezocht heb maar niet kon vinden. Okee, laat gaan Blokkie. 

Wat is Çanakkale trouwens een verschrikkelijk leuk stadje. Leuk oud winkelcentrum, levendig. Geen hoofddoekjes, geen ramazan te bekennen. Ik krijg genoeg kans om het te bekijken want ik rij vier keer verkeerd op weg naar Troje. Dat is ongeveer 40 km hiervandaan en moet ik dan maar even meenemen. Het is weer bloedverziekend heet en ja ik loop weer, nog steeds in een lange broek want iedereen. Truva is verderop makkelijk te vinden want overal borden. Dan een enorme parkeerplaats. Zelfde ervaring als Afrodisias, een jaar gelden. Er is bijna niemand, maar je struikelt over het personeel. Als ik net binnen ben arriveert er een touringcar met Chinezen. Terwijl ze selfies maken bij het houten paard van Trojeuitdefilmjawemochtenhethouden, snel ik het wandelpad op. Ik kan je zeggen, hier is al een tijd geen stoflapje doorheen geweest. Troje is een grote bende. Ik zie geen elegante restanten, tempels, fontijnen, rioleringsbuizen, kapittels met afbeeldingen van dieren of groenten en fruit. Niettemin ben ik onder de indruk van de geschiedenis, waarvan er restanten te zien zijn uit 2500vC. Alleen dat paard… Wàt een slecht paard! Ik heb altijd begrepen dat een een soort verstoptruc was, net als in het spanjaards gat. Hoe kan je nou ooit een stad overvallen met manschappen die verstopt zitten in een paard als er twee verdiepingen met raampjes op zitten? Een paard geeft toch geen raampjes? Dan zie je toch meteen dat er mensen inzitten?!!!! Nah ja, ik zal het wel niet begrijpen.
Ik vlucht weg van de bussen, souvenirwinkeltjes en toiletten van Troje en ga nog even naar Alexandria Troas. Als je dit gebied op Google Earth bekijkt, zie je dat het helemaal is opgenomen door de aarde. Iets ten zuiden van het badhuis zie je een deuk in de grond die helemaal is overgroeid en op niveau van de mens waarschijnlijk helemaal niet te zien is. Het terrein moet enorm zijn. Als je zo’n plek bezoekt vergeet je soms dat dit een volwassen stad is geweest. Met genoeg mensen om zulke ingewikkelde gebouwen te bouwen met die loeizware elegant versierde stenen. En waarom zijn die steden er niet meer? Zijn ze langzaam leeggelopen? Of in een keer verwoest en leeggeplunderd? Hoe is het mogelijk dat zulke prachtige bouwwerken niet meer worden bewoond en half of helemaal onder de aarde zijn verdwenen? Ik kan maar een ding bedenken en dat is politiek. De politieke wensen veranderen, er wordt niet meer geïnvesteerd in mens en materiaal, een bepaald gebied heeft geen waarde meer voor de machthebber van het moment. Ik weet het niet maar ik blijf maar aan al die mensen denken, waar zijn ze dan?

In de schroeiende hitte rijd ik door het olijvenlandschap, olijfgaarden zo ver het oog reikt. De weg is slecht en overal dichtgeplakt met kleine stukjes asfalt en desondanks vol met gaten alsof hier nog een oorlog gevoerd moet worden. Na het honderdste bochtje zie ik ineens een stapel stenen boven de olijfbomen uitkomen en ik weet dat ik er ben. Er is geen plek om de auto te parkeren dus ik zet hem half in de berm, hopende dat het mij vergund is dat er niemand tegenop knalt. Aan de overkant van de weg staat een bordje dat naar het struikgewas wijst. Nymphaion staat er op dus mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Ik duik de bosjes in en vind wat platgetrapte takjes wat wel een padje moet zijn dus ik volg het, dit is helemaal naar mijn hart, geen idee waar ik uitkom en of ik überhaupt ooit die bosjes nog uitkom, heerlijk! (Een padje platgetrapt gras wilt trouwens bijna nooit zeggen door mensen platgetrapt. Meestal door geiten. En die klimmen doorgaans beter over de rotsen dan ik. Maar dat terzijde.) Voor mijn voeten vlucht een reusachtige slang weg en mijn geluk is zowat al compleet. Als ik door het struikgewas ben geklauwd, opent het terrein zich en sta ik ineens in een boomgaard. Links van mij richt zich tussen de pruimenbomen een grote toren op. Overal op de grond liggen witten stenen. De toren en alle resten van gebouwen die er naast staan, zijn helemaal overgroeid door planten, vooral van het ondoorkoombare soort, distels en andere prikdingen. En bomen. Ik heb nog nooit zo’n bouwwerk gezien dat zo door zijn omgeving is verslonden. Er is niet heel veel aan te zien verder. Ik heb ook de indruk dat veel details geroofd zijn en beland zijn in Duitse en Russische musea. Dat geldt trouwens voor heel veel van dit soort plaatsen. De Duitsers hebben grof misbruik gemaakt van de achterlopende kennis van de Turken op dit gebied en hebben sinds de jaren 90 van de 19e eeuw ontzettend veel archeologisch werk verricht, Turkije was natuurlijk een droom voor elke archeoloog, zoveel is er nog onontgraven. En meteen meenemen die handel. Als je eens in Berlijn in het kunsthistorische museum bent, ga dan maar eens naar de afdeling Griekse bouwkunst. Alles dat daar staat is geroofd uit Turkije. 

Ik verlaat deze kant van de weg en ga aan de overkant kijken, ook die kant, de Herodes Attikus hamamı, is volledig overwoekerd al staat er wel een bord of ik alsjeblieft niet op de muren wil lopen want gevaarlijk. De grote stenen poort die ineens naast het smalle padje opdoemt is impressive, wel een meter of 6 hoog, dat heb ik nog niet eerder gezien. Voor het gevoel loop ik er een paar keer onderdoor, springend over de schots en scheef liggende stenen op de grond. Dat die waarschijnlijk van boven komen, komt op dat moment even niet in me op. 

Als ik de boot naar Bozcaada wil halen zal ik moeten opschieten want die vertrekt om 17:00 uur uit Geyikli. Dus ik zet er even wat gas op en ben netjes om 16:50 bij de iskele, alleen blijkt dat de boot om 18:00 pas vertrekt. Ik ben blij met de extra tijd om een kop koffie te drinken. Naast de vertrekhaven ligt een voor Turkse begrippen prachtig strand en het is zo heet en ik droom ervan om erin te springen. Zou ik nog tijd hebben om dat te doen? Eigenlijk wel, maar ik kies voor de rust.

Bozcaada is het schattigste eiland dat ik ooit heb gezien. Ibiza, maar dan beter. Veel beter, eigenijk. Het aanvaren op de haven is al een klein feestje, een oude havenkom omringd door restaurantjes, het oude fort aan de rechter kant, vissersscheepjes en netten op de kade. Het doet Grieks aan behalve Turkse rommeligheid en zet je er een voet op, dan wil je meteen alleen maar ergens gaan zitten met een glas wijn. De wind lijkt eeuwig te waaien en het ruikt naar de zee. Mijn hotelletje Ela Tenedos is dicht en ik moet iemand bellen. Binnen vijf minuten doet een tengere blonde vrouw open die moeilijk Engels spreekt maar heel vriendelijk naar me kijkt. Ik krijg een schattige kamer met uitzicht op het fort, het is klein maar lief en wit en schoon schoon schoon. Ze neemt me mee naar boven, het dakterras, waar het ontbijt wordt geserveerd en stelt me voor aan de kokkin, een breed lachend propje van wie ik meteen een kop sterke Turkse koffie krijg. 
Bozcaada is het eiland waar de schepen van de grieken zich verstopten toen ze het paard van troje hadden afgeleverd, dat je het even weet. Verder staat het bekend om de wijnbouw. Wat ze ook leuk vinden om te noemen is de groene energie die komt van maar liefst vier windmolens.

Ik neem een heerlijke douche in de schone badkamer en kleed me om. De hoteldame heeft me een restaurantje aanbevolen aan het water, het is meer een kroegje, maar het eten moet er lokaal en goed zijn. Ik ben de enige en voel me een beetje opgelaten tussen de 32 obers. Het is een beetje frisjes en een van hen legt een rood fleece dekentje over mijn schouders. Ik krijg het menu, maar dat is alleen in het Turks, dus ik heb een klein probleempje. En verdomd als het niet waar is, er wordt iemand bijgehaald die de enige is die Engels spreekt, en die dus óók geen Engels spreekt. Ik vraag wat zij me kunnen aanbevelen. Zij, want ze staan met zijn vieren aan mijn tafel. De Turken beginnen onderling te delibereren en als ik iets van sea food opvang zeg ik dat ik dat wel wil. Ik heb geen idee wat ik krijg. Een uur en een glas rakı later, als ik alles op heb weet ik het nòg niet (behalve aubergine en inktvis), maar allemachtig, wat was het lekker.

Een gedachte over “Maandag, dag 1, Çanakkale-Troje-Alexandria Troas

  1. saskia's avatar saskia 7 juni 2017 / 17:20

    Weet je wat zo heerlijk is? Als ik je verslag lees, dan ben ik er ook…

Plaats een reactie