Pecorino en parmigiana

Dinsdag
Ik had dus eigenlijk al helemaal geen zin meer. Ik had alles al een beetje uitbestudeerd, dacht ik. En ik zou om 3:45 op moeten staan, ook al geen zin in. En dat hele end rijden naar Charleroi. What was I thinking. Maar ik zal dat hele eind overslaan, ik ben er. En nou nou nou wat zit ik hier lekker op het terrasje van het hotel op kopsteentjes tussen de gigantische olijfbomen bij de ingang van wat eens de Academia degli Arcadi was, hierachter moet een groot park liggen (Janiculum) en onderaan de straat rechts moet het centrum van Trastevere op een paar minuten lopen zijn. Ik heb honger en een tartaartje besteld. Toen ik eindelijk op het vliegveld in de trein was gestapt kreeg ik een soort van rust, even lekker om me heen kijken en een hard oordeel vellen over de toestand van wat ik om me heen zag. Wat een bende. Vervallen stations met afgebrokkelde platforms, vervallen fabrieken, vervallen huizen en werkelijk o-ver-al grafitti. Maar ook veel groen en in de verte bomen die ik niet ken, en cipressen. Ik hou helemaal niet van gedichten maar eentje ken ik er uit mijn hoofd en die ga ik je nu vertellen.

Wij rijden met de trein naar het zuiden
De peppels vallen van ons weg
De molens en de meidoornheg
Die langs de spoorbaan is gelegen

En….
Snelt glanzende de eerste rij
Cipressen aan ons oog voorbij
Gelijk een groep marathonlopers

Met de beste wil van de wereld heb ik me nooit die eerste regel van het tweede couplet kunnen herinneren ook al heb ik hem een paar keer opgezocht en ook weet ik niet meer wie de dichter was, en ik geloof dat het over de Provence ging, niet over Italië, en feitelijk rijd ik naar het oosten en niet naar het zuiden, maar toch vind ik het bij dit landschap passen en schiet het me automatisch te binnen terwijl ik hier zo in dit lokale treintje zit. Dat woord marathonloper valt ineens heel gek uit de toon en past eigenlijk helemaal niet bij de sfeer die die twee middelste regels oproepen, dat paars-oranje beeld van Zuid-Frankrijk. En het heeft eigelijk zelf het ritme van vijf cipressen die voorbij snellen. Geen idee ook waarom me dat gedicht altijd bij is gebleven, behalve dat ik het van een wonderlijk eenvoudige schoonheid vind, ook al is het eigenlijk helemaal niet mooi, maar iets met het ritme ofzo. Afijn.

Na de trein nam ik natuurlijk toch maar een taxi in plaats van de Lime fiets want het was berg òp, bleek, en daar had ik natuurlijk geen zin in, want hartstikke moe. Toen ik op de taxi stond te wachten, werd ik aangesproken door een nogal morsig uitziend stel dat me eerst van top tot teen bekeek, alsof ze daaraan konden zien of ik Engels sprak, en toen aan mij vroeg of ik wist hoe ze met de bus of de tram naar het centrum konden komen. Ik was totaal niet van plan om mijn taxi met ze te delen en ik stond me af te vragen waarom je aan een andere toerist moest vragen hoe ergens te komen, heb je dan je huiswerk niet gedaan. Ik zei: “There on the other side of this square is a bus stop with time-tables, you’ll probably find out more there.” Toen ik met de taxi weg reed, zag ik ze net uít een bus stappen, dus die time-tables hadden ze kennelijk niet gevonden.

De taxichauffeur had ik graag even willen uithoren, hij was verder vriendelijk en sprak gelukkig ook een beetje Engels maar veel kwam er helaas niet niet uit toen ik hem naar zijn nieuwe premier vroeg. ‘Ah Georgia Meloni! Good!’, zei hij, en daar bleef het verder bij.

Na wat overbodige afslagen die ik maar verder door de vingers zag draaiden we na 10 minuten een allerliefst pleintje op met grote bomen en koelte en het hotel tussen een oude stadsmuur en de ingang van dat park. Mijn kamer is fijn en modern en klein en koel met ramen die op het pleintje uitkijken. Ik heb meteen ruzie met de douche die ik niet aan krijg, hij doet gewoon niks, hoe ik er ook aan draai of op druk. Ergernis terwijl ik me aankleed en weer naar beneden loop om Jamal de Indische bellboy om hulp te vragen. De knop moet gewoon schuin omhoog, okee. Ik trek daarna een linnen broek aan en een t-shirtje en op m’n teenslippers ga ik lekker op het pleintje zitten om de reis even van me af te laten vallen en een beetje energie op te doen voor de food tour die ik straks ga doen door de wijk. Heerlijk zit ik daar, ik heb nog ruim de tijd dus ik zit gewoon lekker niks te doen, nou ja, schrijven dus met de eerste romeinse Aperol spritz. Ik kan zelfs nog een half uurtje slapen op de kamer.

Okee we moeten dus verzamelen op de Piazza Mastai, waar, volgens het Latijnse opschrift op de gevel, Pius IX in 1863 een sigarettenfabriek liet bouwen die er uit ziet als een regeringspaleis. Op de Lime fiets ben ik er natuurijk 20 minuten te vroeg dus ik kan lekker even rondlopen en de sfeer proeven. Ik zie dat de kleur hier zwart is, iedereen -van de locals dan- draagt zwarte kleren en jassen ondanks dat het 26 graden is. Allemaal supernetjes, je voelt je meteen weer een toeristische slons in je spijkerbroek met gympen, gelukkig maakt het hier niet zoveel uit tussen de toeristen die allemaal net zo gekleed zijn als ik. Op de bankjes rondom de fontijn beginnen zich wat andere toeristen te verzamelen en ik zoek de gids die hier ook zou moeten zijn met een geel vlaggetje. Dat blijkt natuurlijk na een kwartier toch natuurlijk de jongen te zijn met die gele envelop die hier al een tijdje rondloopt dus ik maak maar meteen even kennis met de anderen uit het kleine groepje dat zich om hem heen verzamelt. Twee leren, vier Amerikanen en een Australische. De 20-jarige student-gids Christiano vertelt dat hij uit Sicilië komt, dus ik heb mooi meteen gespreksstof met hem als we naar ons eerste restaurantje lopen. Hij vraagt waar in Sicilië ik ben geweest en ik zeg: “I drove all over the island but I started in Catania…” “Aaahhh Catania, thats where I’m from, what did you think?”, roept hij uit en ik antwoord naar waarheid dat ik het echt de mooiste stad op het eiland vond. Dus ik heb al meteen weer punten verdiend. Die ben ik ook weer kwijt als ik vertel dat ik ook een food tour heb gedaan in Palermo, want Palermo is natuurlijk de nemesis van Catania, en waag het niet om de arancini van Palermo te vergelijken met de arancini van Rome of Catania, en ik word ook nog even overhoord over wat het verschil dan is, wat ik weet, want die in Catania is amandelvormig met rijst en ragout, en deze is rond met rijst en mozzarella, meer een soort kaassoufflé in de vorm van een grote bitterbal.

Of we wijn lusten. Dat laat ik me geen twee keer zeggen. We slenteren lekker door de wijk Trastevere, die echt wel heel mooi en barok is, het pad kruisend met nonnen en in zwarte soutanes geklede priesters.

Het is verder al met al best gezellig ook al loop ik weer ongemakkelijk te zijn in een groepje, de Ierse mevrouw is zo lief, de halve weg lopen we te kletsen en missen de helft van het verhaal, en ook de Australische vrouw die ook alleen reist vertelt over haar omzwervingen, en met de Amerikanen gaat het over de ‘bad rep’ van Amerikanen maar dit stel is heel leuk, ze zijn net verhuisd van Ohio naar Massachusetts (zal wel, geen idee) en zij is ‘in between jobs’ en wil nooit meer op kantoor werken en hij heeft zijn baan opgezegd om carpenter te worden, terwijl hij eigenijk kok is, en jarenlang heeft gewerkt zonder 1 dag vakantie voor 11 $ per uur. We wandelen verder langs allerlei kleine verrukkelijke tratoriaatjes waar we gevoerd worden met lekkere hapjes, iets van dun gesneden varkensvlees op bruschetta-achtige brood, een soort hachee soep, en natuurlijk pecorino en parmigiana, mijn god wat zijn die lekker. Trouwens nooit het verschil geweten, nu dus wel, namelijk dat pecorino veel zouter is en van schapenmelk is gemaakt en ik nooit meer iets anders over de pasta wil. “O really”, zegt de als een rugbyspeler uitziende Amerikaan, “I didn’t know pecorino came from Italy”, en ik voel een soort slecht leedvermaak in me opkomen maar ik onderdruk de glimlach. De tour eindigt helaas in een gelateria, ik probeer nog te ontsnappen maar helaas houdt Christiano me scherp in de gaten zodat ik tegen heug en meug een ijsje eet, het is wel lekker, as they go objectief gezien, maar gelukkig is dit ook het einde, want ik ben nu echt helemaal af en kapot, dus ik ben blij dat ik iedereen gedag kan zeggen en naar m’n hotel kan lopen. Nog één wijntje doe ik daar, heerlijk achter mijn ipadje in het donker op het terras, onder de terrasverwarming terwijl het nog steeds 23 graden is, en dan slapen als een os.

If you want a rainbow, you have to put up with the rain

Ik kan mezelf maar moeilijk losrukken van mijn telefoon, ipad en vooral de fantastische gids van Georgina Masson over Rome, die ik al in mijn bezit had toen ik op de Bergsingel woonde en misschien wel in Dordrecht, sinds ik afgelopen woensdag in een opwelling een vliegticket naar Rome boekte. Die paarse stergids is 822 pagina’s dik en heeft alle verhuizingen en Marie Kondo acties overleefd, omdat hij zo prachtig is, en ik ooit en steeds maar weer het verlangen had om naar Rome te gaan, maar dat er nooit van was gekomen, en ik begrijp nu waarom. Het is te veel, Rome. Uitstellen, uitstellen. Je zou denken dat als je zo’n honger hebt naar antieke geschiedenis, dat de eerste plek is waar je naar toe zou moeten gaan, maar het tegendeel is juist waar, het is de laatste plek, niet in de zin van Rome en dan sterven (ja ik weet het is Napels en dan sterven, trouwens dat gezegde is er niet omdat Napels zo geweldig was, maar omdat ze het vuilnis niet ophaalden en het er zo smerig was dat je dood zou gaan van de stank) want ik ben nog niet van plan om te sterven, maar (ja deze zin wordt wel heel lang, maar cazzo mene) omdat als je zo’n plaats bezoekt en ook in de tussentijd, je steeds meer kennis opdoet, de tijd altijd te kort is om alles te zien dat je wilt zien, en je dus heel zorgvuldig moet kiezen wàt je wit zien, en daar heel lang over na moet denken. Ik heb maar 3 dagen in Rome, eigenlijk maar 2, belachelijk natuurlijk, maar dat noodzaakt me tegelijkertijd mooi om een thema te kiezen, en dat is gelukt. Eigenlijk twee thema’s: Augustus, en ondergronds Rome of liever, de watervoorziening en de aquaducten. Het voordeel van het kiezen van thema’s is dat je een heleboel dingen meteen links kan laten liggen, zoals het Colosseum en het Forum Romanum en Vaticaanstad (Ok, met als uitzondering de sixtijnse kapel, waar ik ook al een gids voor hebt geboekt om 8:00 uur ‘s ochtends). Het wordt dan ietsje makkelijker om een paar highlights op een dag te kiezen en dan te kijken of je dat kan lopen of dat er vervoer geregeld moet worden en waar je dan eet en naar de wc kan. Uiteindelijk kom je dan toch tot de conclusie dat je teveel hooi op je vork hebt genomen en alsnog de helft afvalt en de twee dagen in een zucht voorbij zijn.

In de afgelopen twee dagen heb ik al weer meer geleerd over het Romeinse rijk dan ooit daarvoor, te beginnen met het feit dat niet Julius Caesar maar Augustus de eerste self-made keizer van Rome was, nooooooooit geweten, want er wàs daarvoor helemaal geen keizer, alleen een potentaat, maar via allerlei politiek gekonkel, slim herverdelen van taken en functies, uitdelen van gunsten, reorganisaties, ‘buiten beter’-acties, interims, talentenprogramma’s, uitbreiden van takenpakketten en toekennen van nieuwe functies daaraan, tadaa, ineens is er een keizerspost beschikbaar en laten we daar nou toevallig een geschikte kandidaat voor in huis hebben. Augustus wordt omschreven als een heerser onder wie de gouden eeuw van Rome ontstond, die stabiliteit en vrede bracht in het Romeinse rijk, al is het zover ik kan beoordelen wel te danken aan zijn meer behoudende doch wel strategische inzet van militaire middelen en het doelgericht uitschakelen van zowel mede- als tegenstanders, dat het zo ver gekomen is. Maar ja, “If you want a rainbow, you have to put up with the rain”, schijnt hij te hebben gezegd. Over zijn weldaden wordt uitgewijd onder andere op de ‘Res Gestae divi Augusti’, waarvan het gek genoeg minder bekende maar meest complete nog bestaande in marmer gebikte exemplaar vandaag de dag nog te vinden in is Ankara, het bestrijkt een hele muur, aan de Sarıbağ Sokak nummer 31. Augustus is een mooi uitgangspunt. Hij kende ook Cicero, die eigenlijk een beetje lafhartig aan de kant van de moordenaars van zijn adoptievader (en oudoom) Julius Caesar had gestaan. Cicero had een droom gehad over een jongeman die het rijk zou verenigen. Toen hij op een dag met Caesar terugkeerde van een of andere heidag en bij aankomst de tiener Octavius ontmoette, zei hij: “Kijk nou, daar hebben de jongen.” Afijn allemaal intriges die ik je voor nu zal besparen. Het is gewoon fijn om een ijkpunt te hebben want als je niet onderlegd bent, wat ik niet ben, is de kaart van de Romeinse heersers een compleet doolhof. Ze heten allemaal anders dan ze eigenlijk heten en ze hebben ook allemaal dezelfde namen, het lijkt wel of er maar tien namen bestonden, Julius, Antonius, Agrippa, Marcus, Nero en nog een paar. In de hele stamboom van 4 generaties tussen Julius Caesar en Augustus zitten al 20 Julius Caesars en 15 Octaviussen (en een paar Octavia’s), en als je niet weet dat Augustus eigenlijk Octavius heette kan je wel ophouden met zoeken. Dus succes daarmee.

Anyway, omslachtig verhaal om te zeggen dat ik dus naar Rome ga, en ik soort-van-ben-voorbereid, maar het loopt vast allemaal anders.

Sea Me, see you

Typisch weer zo’n een-na-laatste dag, ja, ik wil er echt nog wat van maken, maar wàt, ik weet het niet, ik kan maar niet besluiten en ik ben natuurlijk obsceen lui en zodoende lig ik om 10:00 nog in bed. Die verrekte funiculer dan? Weinig zin in, in de hitte. En ik moet ook nog wat Turks geld opmaken want natuurlijk weer veel te veel gewisseld voor de laatste twee dagen. Nou ja, waar dat beter te doen dan bij een van die schandelijk overpriced beachclubs op een van de kleine strandjes van het schiereiland bij Fethiye (ik weet nog steeds niet of het een naam heeft, het is een klein schiereiland aan de noordkant van het grotere westelijke schiereiland). Dat geeft me ook de gelegenheid om nog even uit te stappen bij Kayaköy alleen dat doe ik natuurlijk weer niet want veels te heet. Het is in elk geval wel een supermooie tocht van een half uurtje door de bergen en een soort vallei, waar prachtige oude huizen staan verspreid tussen de oleanders en ik kan bijna wel huilen van hoe graag ik er hier een zou kopen, het uitzicht is zo mooi, het is relatief koel, en stil, en groen, en de zonsondergang gaat hier precies tussen de bergen door. Stukken van de weg zijn helemaal niet bestraat of geasfalteerd, een keer mis ik mijn afslag compleet omdat het een onooglijk onzichtbaar zijweggetje is, ik check wel twee keer of het klopt, maar het klopt.

Ik weet niet wat ik precies verwachtte, nou ja in elk geval niet deze drukte en misschien een iets kleiner, minder georganiseerd strandje ofzo, maar als gast van de Sea Me beachclub kan je in elk geval riant onder de bomen parkeren. Bij binnenkomst betaal je entree, je kan dan kiezen voor het vip-gedeelte met houten stoelen en parasols of het “gewóne” nog steeds overpricete gedeelte voor de paupers als ik, als ik het zo zie zijn ze allebei even druk, dus ik doe maar de gewone. Meteen als je onder de rieten ingangtunnel het strand oploopt word je opgewacht door een garson die verder de hele tijd zo’n beetje als een butler aan je blijft kleven. Koray heet hij, Goray, zegt hij dus ik versta het eerst niet. “Koray Avcı gibi mi?” “Yes, like the singer”, lacht hij. Ik bestel meteen een meloen-munt-aarbei sorbet, en krokante midye en een bruschetta. “I’m sorry, the system is a little slow”, zegt hij typend op zijn apparaatje. “No problem”, zeg ik, “Ben de çok yavaşım bugün” dus hij moet alweer lachen. Het is verder echt wel gezellig, mooie hout-met-rieten parasolletje, nette moderne grijze ligstoelen van staal met nylon met een steigerhouten tafeltje ertussen en een aardewerk prullenbakje. Er is zand, kan me niet voorstellen dat dat hier van nature ligt, dus knap gedaan. Er staat een heerlijke windje aan deze kant van het eiland. Wel weer allemaal ballenlijnen, waarachter een paar jachten die voor anker liggen (zou ik ook doen), maar het water is gewoonweg prachtig, eerst een strook turkoise, dan diep azuurblauw en weer kraak en kraakhelder. Ik neem meteen al een duik om lekker af te koelen. Ik heb wel een beetje spijt dat ik niet het VIP-gedeelte heb gekozen, waar me met een blik op mijn ‘tek başıma’ hoofd fijnzinnig bij werd verteld dat het adult only was, want inderdaad krijsende kinderen ohne Ende, en er komt harde muziek vanaf de jachten en de andere ‘publieke’ helft van het strand waar je ook waterfietsen en kanoos en seabobs kan huren (het is me nog steeds een raadsel waarom je hier nergens kleine zeilbootjes kan huren, lijkt me toch een gat in de markt). Tegen een uur of 18:30 hou ik het voor gezien. Gezien de ‘hesap’ mag ik voor straf vanavond niet meer uit eten, maar dat geeft niet want ik heb thuis nog vanalles dat op moet, bananen, doritos, brood, kaas en gin.

Thuis begin ik alvast met wat schoonmaak en inpakken, ik wil vanavond in elk geval koffer beneden klaarleggen met zo goed als alles erin. Ik pak er alvast wat reiskleren voor morgen uit en ik doe een wasje. Alles is hier werkelijk in een uurtje droog. Ik check alvast in, zorg dat ik weet waar m’n paspoort is, en probeer mijn paniekaanval te onderdrukken.

Om ongeveer twaalf uur ‘s nachts word ik wakker omdat mijn bed schudt. Ik wil het eerst niet geloven, ben ik wakker? Ja ik ben wakker. Is dit echt? Beweegt het of droom ik? Heel stil blijf ik liggen en tel de seconden. Het beweegt, het wiegt, alsof iemand er met een voet tegenaan duwt. Is dit een aardbeving? Bij die vraag schiet ik niet eens in paniek, alsof ik het alleen maar probeer vast te stellen. Ik ben ook helemaal niet van plan om mijn bed uit te komen, al lig ik me wel te bedenken wat de snelste weg naar buiten zou zijn, mocht het erger worden. Het balkon, of toch de trap? Dertig seconden tel ik, dan is het weg. Ik check de earthquake-app. Ik zie precies op dit moment een 2.2 aardbevinkje in de Egeïsche Zee bij Bodrum. Het is wel volkomen onwaarschijnlijk dat ik dat heb gevoeld, dat zullen ze in Bodrum niet eens hebben gevoeld, maar hoe toevallig is het dat het precies op hetzelfde moment gebeurt. Ik maak er een screenshot van. Niemand gaat me toch geloven maar whatever. Na dit bevreemdende evenement val ik weer net zo makkelijk in slaap, wat gek is want aardbevingen zijn hier mijn grootste angst.

‘s Ochtends (het huis staat nog overeind) weer verlammende besluiteloosheid. Nog meer dingetjes in koffer proppen, reistas voor morgen klaarleggen. En wat ga ik doen met deze dag. tot een uur of acht heb ik nog, tegen tienen wil ik ongeveer gaan rijden. Nee, ik vertik het om die funiculer in te stappen want toch hoogtevrees, en ik ben daar boven al geweest en het gaat vast weer allemaal veels te lang duren. Waar droom ik het meeste van als ik thuis ben? Snorkelen. Okee dan wordt het dus snorkelen. Ik besluit om daarvoor maar naar Kıdrak te gaan, dat heeft zand en een wat rotsachtigere kust en als het goed is nog minder mensen. Ik drink nog een kop koffie en eet een avocado toast op de boulevard, op het dak van Tiger, waar ik een fenomenaal uitzicht op het strand heb. Wat ben ik toch een mazzelkont, wat ben ik toch een pechvogel, wat ben ik toch op de verkeerde plek geboren, wat ben ik ineens verdrietig, niet doen, niet doen, niet sentimenteel worden nu. Maar ik heb vakantie, mag ik even sentimenteel zijn? Straks thuis moet ik weer met de kop schudden en sterk zijn en weer dealen met alle werkshit. Zolang ik nog hier ben en alleen, hoef ik me voor niemand normaal te houden en mag ik me aanstellen zoveel ik wil. Vandaag op de dag af is het exact 9 jaar geleden dat ik hier met mijn zus óók de laatste dag doorbracht. Toen wist ik nog niet wat dit land me allemaal aan zou doen, me zou gaan geven, toen wist ik nog niet dat ik 9 jaar later al zoveel van dit land zou zien en van zijn geschiedenis zou weten, en zelfs een beetje de taal zou spreken. Toen wist ik nog niet dat dit land mij als een dief in de nacht van mijn hart zou ontdoen, dat dat de toegangsprijs zou zijn, en dat het me zou verpesten met allerlei onhaalbare dromen over de toekomst waar ik dan de rest van het jaar mee opgezadeld zit.

Kıdrak is inderdaad heet, heel heet. Zó heet dat ik letterlijk twee tenen verbrand waar nu dikke blaren onder zitten waarvan er een open is gegaan. Beter dat dit nú gebeurt, op de dag dat ik naar huis ga, want hoe, hóe zou je over die kokende kiezeltjes en dat zinderende zand moeten lopen met brandblaren onder m’n tenen. Het water is gelukkig fan-tas-tisch, dus het maakt helemaal niet uit dat er beneden me niets te zien is op een paar onverstoorbare witte vissen na. Gewoon lekker dobberen en af en toe naar beneden duiken, oppassen dat ik niet onder de overhellende rotsen terecht kom, hier ergens moet een ingang zijn naar een grot, die aan de bovenkant kant een opening heeft, zal ik…? Maar natuurlijk veel te gevaarlijk. Ik hou het hier eigenlijk maar een uurtje uit, dit strand is niet te doen zonder parasol. Ik twijfel of ik nog ergens ga eten maar geen zin meer in.

In het huis heb ik dan ook tijd genoeg om te lanterfanten, op mijn gesteengrilde tenen een dromerig rondje langs de sinaasappelbomen en de rozen te lopen, en de afvalzakjes te verzamelen, koffers in de auto te leggen, kadootjes neer te zetten en een briefje te schrijven met Google Translate, wat ik natuurlijk nog wel even moet corrigeren, want mijn Turks is kennelijk beter dan dat van Google, zie ik met mijn zelfingenomen hoofd. Voor de vrouw van de eigenaar laat ik een tasje van Ayşe achter, met Ayşe’s instagram-naam erbij, misschien dat Ayşe er dan een nieuwe volger bij heeft. Achteraf blijkt dat de twee elkaar al kennen (je verzint het niet), en van beide krijg ik lieve bedankjes.

De eigenaar komt rijkelijk laat naar het huis om de sleutel op te halen met zijn hele familie. Vader, moeder, oom en tante hebben allemaal schoonmaakspullen in de hand waarvan ik denk, ‘die ga je niet nodig hebben’ aangezien ik de helft van het huis niet heb gebruikt en verder zo’n beetje al mijn sporen heb uitgepoetst. Het valt me nu pas op dat alle keren dat hij langs kwam steeds buiten bleef staan en niet het huis met mij inliep en zelfs buiten nog steeds 3 meter afstand bewaarde, ook nu weer, en ineens bedenk ik me dat in de islam een vrouw niet alleen mag zijn met een vreemde man, en ik ga ineens mijn gangen na of ik niet iets ongepasts heb gedaan, ook al heb ik er steeds op gelet niet in mijn bikini te lopen als hij langs kwam om de rozen water te geven. Na allerlei hartelijke woorden van hem en de familie stap ik eindelijk in het donker in de auto. Nu moet ik ‘s nachts naar Antalya rijden, aan de ene kant niet zo fantastisch, maar terwijl ik met ongeveer 70km/u door de bergen rijd over die weg die helemáál geen snelweg is, wat ik had verwacht, ben ik blij dat het donker is zodat ik niet al die afgronden zie waar ik weer langs kom. En ik ben natuurlijk weer véél te vroeg op het vliegveld, ik moet nog zeker 2 uur wachten voordat de incheckbalie ook maar open gaat, my god wat duurt dat lang, ik probeer de tijd maar een beetje te doden met Netflix op de bankjes van een fastfoodketen, waar ook allemaal piloten en stewardessen zitten, sommige slapen met hun hoofd op de tafel. Het is weer gedaan. Ik kan me niet voorstellen hoe snel de tijd is gegaan. See you Turkije, het was me weer een genoegen.

The tears of Anatolia

Geen elektriciteit. Daar kom ik achter als ik een (nieuw) pannetje melk wil opzetten en het gasfornuis niet aanspringt, dat ik de avond van te voren heb staan poetsen. “Nu heb ik hem serieus gemold”, denk ik. Wat nog steeds een beetje gek is, want je moet een gasfornuis toch kunnen poetsen zonder dat hij er meteen mee uitscheidt. Maar de koelkast blijft ook donker. En nee, de lichten doen het niet. Ik app de eigenaar. Waarschijnlijk een lokaal probleem, als het niet overgaat komt hij even kijken. Overal zijn ze hier aan de weg bezig zoals ik al zei. Dus er zal wel een kabeltje zijn geraakt ergens. Gelukkig zijn telefoon en ipad al opgeladen vannacht. Hij komt even kijken maar vooral om te zeggen dat het de schuld is van de belediye, en dat hij even zal bellen om te kijken of hij er wat aan kan doen.

Ik vertrek tegen 12:00 richting Fethiye om te gaan winkelen. In de auto is het 39 graden, en het is pas mei. Het plan, dat wil zeggen het idee waar ik me uiteindelijk toch nooit aan hou, is om de vroege middag in Fethiye te besteden en dan de late middag misschien tot zonsondergang op het strand te liggen. Tegen de tijd dat ik in Fethiye aankom vergaat me al weer meteen alle lust om te gaan winkelen, want natuurlijk veel te warm. En ik heb de laatste dagen ook een beetje zorgwekkende duizelingen in de loop van de dag, alsof ik bijna flauw ga vallen van de honger, die al tegen het eind van de ochtend begint en die ik helemaal niet ken aangezien ik er nooit last van heb dat ik niet ontbijt. Maar ja het is bij mij thuis ook geen 39 graden in mei. Meteen maar even eten dan vlakbij de Paspatur markt, ik bestel een tosti bij een koffiehuis en krijg die met allerlei toeters en bellen waar ik niet om heb gevraagd maar die ik dan toch weer allemaal op eet. Friet voor het ontbijt, bij de koffie, nou ja, kan het schelen. Er komt een groepje van vier vrouwen aan en er wordt allemaal moeilijk gedaan met het schuiven met tafeltjes dus ik zeg: “Kom maar hier zitten, ik ga wel even aan de bar zitten, ik ben toch alleen”, aangezien ik een tafeltje van vier bezet zit te houden. Nee, nee, nee, gebaren de obers. Ja, ja, ja, zeg ik en ik loop al met friet en al naar de bar. De vier vrouwen gaan al aan het tafeltje zitten als de helft van mijn spullen (ipad, zonnebril, mayonaise) er nog op liggen. Ze zeggen helemaal niks, geen dankjewel ofzo, ze kijken me niet eens aan. Niet dat dat hóeft, maar toch. Eigenlijk wel dus. Als ik met m’n cappuccino dan ga zitten, lacht de ober naar me, “Thank you, I love you”. Ik hoor de vrouwen Russisch praten, dus ik heb gelijk al weer een vooroordeel.

Tja en toen zou ik dus winkelen, maar ik weet werkelijk niet wat ik nog wil kopen, dus voor de vorm loop ik naar Ferza’s winkeltje, even kijken of ze me nog herkent, alleen ze is er niet, haar man wel die ik toen ook heb ontmoet, maar hij lijkt me niet te herkennen. “If there is a ring you like, I can have it made to your size if you like”. “Yes, you did that for me about five years ago”, zeg ik. Hij kijkt me even aan en zegt: “I may have altzheimers soon, forgive me, I don’t remember”. “We all will, probably”, zeg ik tegen hem, als een soort van misplaatst medeleven. Er komen natuurlijk duizenden toeristen hier binnen dus natuurlijk kan je je die ene dan niet herinneren. “I will have a look around if that’s ok”, wat natuurlijk ‘buyurun’ is. Al het zilver hier komt uit Turkije en de meeste sieraden zijn door Turkse ontwerpers gemaakt. Ik kan hier wel een uur doorbrengen omdat ik volstrekt niet het vermogen heb om een keuze te maken als dat on the spot moet, al ging het om pindakaas, en al hingen er maar 3 dingen. Ik vraag uiteindelijk naar de prijs van een ketting met neolithische figuren, die wordt gewogen op een schaaltje, waarmee de prijs wordt bepaald aan de hand van het gewicht van het zilver, en die valt me dan toch net iets te hoog uit (€200), ook al is hij prachtig. “These figures are from eh..”, begint hij te vertellen. “Göbeklitepe?”, vraag ik (neolithische plaats namelijk), maar neen dat is het niet, “Çorum”, zegt hij. “Ah, Hattuşaş?”, vraag ik. Dat was het óók niet precies, maar dat is natuurlijk meteen wel weer de cue voor een gesprek over reizen in Turkije, want waarom ken ik die plaatsen? Hij zegt dat hij die plaatsen graag wil gaan bezoeken als hij met pensioen gaat. Ik denk onwillekeurig, “Ga nu, wat anders is het misschien te laat”, denkend aan alle “restauraties” en ontgravingen die nu plaatsvinden, en ook aan de opmerking die hij maakte over zijn altzheimer. In het boek The Tears of Anatolia (Anadolu’nun Gözyaşları) lees ik precies wat ik al die jaren al heb gedacht, de Turken zijn ondanks alle pogingen tot restauraties nog steeds niet doordrongen van hun eigen geschiedenis en van de waarde van al deze schatten en het feit dat ze daar zelf onlosmakelijk deel van uitmaken, daaruit voortkomen. Zelfs mijn intellectuele vriendin Elif zei eens over antieke steden tegen me: “They all look the same.” De restauratiewerken lijken er alleen maar te zijn voor toeristische doeleinden, maar als je willekeurig wie op straat vraagt of ze wel eens naar Efes of Priene of desnoods in godsnaam dan maar naar Aspendos zijn geweest is het antwoord ‘O, daar wil ik ook nog wel eens een keer naar toe’. Yaşar Yılmaz beschrijft het briljant: “The fact that our intellectuals […] still lack this awareness is thought-provoking. One of the reasons is […] the understanding that our history is limited to 1071.” Dat wil zeggen, de geschiedenislessen die op school worden gegeven gaan niet verder terug dan 1071, de slag van Malazgirt, waarin de Selcuken een einde maakten aan het Byzantijnse rijk, en dat eigenlijk gezien wordt als het begin van het Turkse rijk, terwijl dat het begin helemaal niet was! De Anatolische cultuur bestond al duizenden jaren daarvoor, ook toen Hellenistische, Griekse, Romeinse, Perzische besturen er het bewind voerden. De teksten op de marmeren zuilen en kolommen mogen dan Hellenistisch of Latijn zijn, maar 95% van de bevolking was zoals overal ter wereld analfabeet, en het brood werd gebakken door Anatoliërs, het zijde, de katoen en de wol geweven door Anatoliërs, de stenen gehouwen door Anatoliërs, het goud en zilver gesmeed, het hout gekapt en bewerkt, de wijn geproduceerd, het graan verbouwd, de olijfolie geperst, elk element van het dagelijks leven kwam uit de handen van Anatoliërs. Trouwens ook vele grote denkers en wetenschappers (Diogenes, Aristoteles, Homerus, ‘s werelds eerste historicus Herodotus, enz. En niet te vergeten Sinterklaas) waren Anatoliërs. “Limiting our history to 1071 has severed our connection with the past, and rendered our society rootless, insensitive to the past, like having a shallow history.” Al die jaren dat ik hier ben, voel ik al aan dat de Turken zich niet verbonden voelen met de antieke steden als zijnde hun eigen geschiedenis. En nu lees ik hier waarom.

Ik kies een ander kettinkje en een paar oorbelletjes uit. Bij het afrekenen zegt hij, “I’ll give this money to my wife, she owns the shop”, en ik zeg dat hij haar de hartelijke groeten moet doen.

Het is volgens de Clio nu 42 graden, ik ga snel naar huis om het elektriciteitsprobleem te checken, en dat is gelukkig verholpen. Het is al weer een uur of drie dus ik grabbel snel wat strandspullen bij elkaar om heerlijk naar beneden te rijden. Het is zaterdag, en toch is dit deel van het strand bijna leeg. Het valt me ineens ook op dat er niet meer 4 rijen met stoelen staan, maar wel 7 of 8. Niet dat het wat uitmaakt, er is toch niemand, maar de constatering dat het hier kwa ruimte meer op Bodrum begint te lijken zit me niet helemaal lekker. Maar dat mag vandaag helemaal de pret niet drukken. Dit tijdstip is fantastisch kwa afkoelen, al is het nog steeds bloedverziekend heet, dus ik lig grotendeels onder de parasol. Om de een of andere reden lopen de jongens aan wie je moet betalen me steeds voorbij terwijl ze wel met mijn buren links en rechts afrekenen, totdat ik toch dat kleine rode lintje aan mijn parasol zie hangen, het teken dat de mensen die hier voor mij lagen al hadden betaald voor dit strandbedje. Dus ik roep ze toch maar even om te zeggen dat ik niet betaald heb, ja, ik kan natuurlijk ook gewoon niks zeggen, maar dat is me toch mijn eer te na, en bovendien, eergisteren heb ik óók al niks betaald (voor dat kleine uurtje), en bovendien, ik hou al negen jaar bij wat ik voor een strandbedje moet betalen, alsof dat een soort variabele is voor hoe de economie van het land ervoor staat ofzo, op de een of andere manier vind ik dat dan weer machtig fascinerend. En nu wil ik het dus weten ook. Het interesseert je vast geen zak, maar ik ga het je natuurlijk toch vertellen. In 2013 was het 14TL (€4,70), in 2017 18TL (€3), in 2018 30TL (€3,75), en nu 80TL (€5). Gek toch. Van 14 naar 30 naar 80 lire, en van €4,7 naar €5 in negen jaar. Anyway die jongens vinden het helemaal schappelijk van mij dat ik toch nog betaal en dat is dan ook weer fijn, dat het even acknowledged wordt, niet zoals die Russische dames bij het ontbijt zegmaar.

Ik lig daar tot eer uur of zeven denk ik, dan loop ik naar het terras boven van Kumsal Pide voor een cocktail en pide, alleen ze hebben geen cocktail dus ik bestel maar verse jus d’orange (portakal suyu) en een tequila en ik maak er zelf een. Die pide daar had ik eigenlijk geeneens zin in, maar ik had weer vlekken voor mijn ogen ookal had ik geen honger, en geen zin om iets anders te zoeken.

Thuis alles in de was gegooid en nog lekker even in het donker het zwembad in, en buiten koud gedoucht en onder de grote beer en de rest van de sterrenhemel mijn haar gewassen. Nog één dag. Niet in paniek raken nu.

Bijna in de fik

Nou ik kan er op dit moment vrij kort over zijn, deze twee dagen. De inspiratie is een beetje op en zoals ik al zei leid ik een totaal oninteressant leven op dit moment dat bestaat uit strand en zwembad en cocktails. Daar kan ik geen blog mee vullen. Alles is traag, het is veels te heet om na te denken en ingewikkeld te doen. Dus als je het per se wilt weten hier onder puntsgewijs mijn bezigheden. En anders, de mazzel, doei, hasta la pasta, tot ziens, lekker deze blog afsluiten en iets zinvols gaan doen met je leven.

  • De was gedaan
  • Naar het strand gegaan!
  • Daar na een uur weer weg want veel te heet en snorkel en kussentje vergeten.
  • Bakkes verbrand
  • In zwembad gesprongen
  • Huis bijna in de fik gestoken (Dat kwam zo. Ik had een steelpannetje gekocht voor de melk voor de latte. Dat was na een paar dagen een beetje aangekoekt, dus ik denk ik gooi er wat water in met een tablet van de afwasmachine en dan laat ik dat even sudderen terwijl ik me aankleed voor het avondeten, niet vergeten hè! Afijn het is schemerig, ik douche even snel, kleed me aan, doe make-upje op, en ineens hoor ik beneden alsof de wc doorloopt, ik ga even checken, de hele badkamer beneden staat blank omdat de kraan van de bidet keihard open staat. Hoe kan dat? Ik heb daar helemaal niet aangezeten! Op dat moment ruik ik iets. Het pannetje! Ik ren naar de keuken, die en de hele huiskamer staan blauw van de rook! Het pannetje knettert, ik voel vanaf hier de hitte, het is compleet zwartgeblakerd en ongeveer een meter eromheen zitten honderden vlekken en spatjes, over de hele gloednieuwe kookplaat, de vloer, het perzische tapijt, het aanrecht en de achterwand. “O god ik heb de gloednieuwe keuken geruïneerd”, denk ik. Gelukkig valt het allemaal wel mee. En gelukkig gaat het net hard onweren en waaien als een meltemi en kan ik alle deuren tegen elkaar open zetten. De ergste vlekken poets ik alvast weg om te kijken of ze er überhaupt wel af gaan, de rest doe ik morgen wel. Maar wat ik nog steeds niet snap is waarom die kraan keihard open stond. De deur naar het terras stond open, maar die had ik zelf opengelaten, en je komt de tuin ook zomaar niet in. Ik snap het niet.)
  • Gegeten bij Çarıklı Et in Fethiye met mijn domme hoofd want was natuurlijk kneiterdruk. Maar wel lekker.
  • Het huis een dag verlengd, zodat ik me geen zorgen hoef te maken over wat ik maandag overdag doe, en dan kan ik gewoon even douchen en omkleden voordat ik ‘s nachts naar het vliegveld ga rijden en dan hoef ik ook niet na te denken over enge hotels met beestjes.

Vandaag, dus eigenlijk gisteren

  • Ontbijt met koffie op het strand, op het dak van een van die tentjes
  • Strand, heel de dag en zelfs even een kano gehuurd en met de kano naar een ànder strand
  • Nog meer strand
  • Bakkes nog meer verbrand
  • Geen zin meer in funiculer
  • Zwembad gesprongen
  • Nog meer was gedaan, die hangt nu nog buiten en ik ben niet thuis en het gaat zo regenen
  • Naar Faralya gereden voor simpele tavuk şiş met uitzicht op zonsondergang over Kelebekler vadısı, dat is weer zo’n spectaculaire rotsachtige route langs de kust met allemaal haarspeldbochten en geiten.
  • Thuisgekomen blijkt het hier helemaal niet te hebben geregend, maar mijn straat die van de berg afkomt is in een grote rivier veranderd, dus ergens op de berg heeft het wèl geregend.
  • Als ik in de tuin zit, springt steeds het licht aan omdat er iets van een marter door de tuin loopt die me de stuipen om het lijf jaagt.
  • Gasfornuis gepoetst en sporen gewist van het voorgaande drama.

Ovacık in mei

Dit dorp, echt waar…. Ik weet ik ben hier op de goede tijd in het jaar, maar wat hou ik ervan. Ook al is het toeristisch, maar je moet hier ook NIET zijn tijdens de grote vakanties. Te heet, te druk. De ober vertelde me dat je in juli en augustus als het hier 50 graden is, niet eens gewoon naar boven of naar beneden kan rijden, zo druk als het is. Ik ben in de gelukkige omstandigheid dat ik dat nog nooit heb gezien, omdat ik altijd buiten de grote vakanties op reis kan gaan. Ook ben ik blij dat het goed lijkt te gaan met het toerisme. In elk geval in deze industrie valt er weer een beetje een boterham te verdienen in dit land, en nog steeds betaal ik maar €10 voor een badlaken (ik moet dan wel weer €27 afrekenen voor twee cocktails en een sprite in het straatje dat naar het strand leidt, maar ja). Als ik ergens zou willen wonen, is het hier, in het dorp net boven het strand, tussen Ölüdeniz en Fethiye. Zoveel verschillende kleine strandjes die ik allemaal nog niet heb ontdekt, een stadje dichtbij, een paar grotere steden op redelijke afstand, en in de winter moet het hier heerlijk zijn, de bergen waar je eindeloos kan wandelen, de zee, de lokale markjes die het hele jaar doorgaan. Een klein beetje heb ik daar in 2013 al van meegekregen toen ik hier in november, voor het eerst alleen, naar toe ben gevlucht, terwijl alle strandtentjes werden afgebroken en de hotels gesloten. Het hotel waar ik verbleef was op mij na leeg, en het personeel nam me bijna op alsof ik een van hèn was, en kwam me steeds allerlei restjes eten en drank uit de keuken brengen. Op het strand dronk ik thee en bier met de obers en de paragliders die verder niets meer te doen hadden.

Maar afijn, waar was ik. Ik had de kussens van het andere tweepersoonsbed, waar mijn koffers op lagen, naar mijn bed gesleept in de roze kamer, die niet aan de straatkant ligt maar aan de wat rustigere zijkant. Man man man wat slaap ik heerlijk met vier kussens net als thuis. Ik heb al weer helemaal geen zin om eruit te komen en te bewegen, maar ik moet wel want om 12:00 moet ik weer bij Ayşe in Fethiye zijn. Dat is maar 15 minuten rijden maar er gaat een heleboel voorbereiding aan vooraf, want ik moet natuurlijk eerst uitgebreid wakker worden met koffie en een paar letters geschreven, bovendien moet ik netjes zijn aangekleed want Ayşe is nogal vroom in het geloof dus ik wil haar niet tegen de borst stuiten, dus lange wijde linnen broek en zwart shirtje met halflange mouwen en de haren netjes in een staart met vlecht. In Fethiye is het één grote bende. Ik weet niet wie er dacht dat het een goed idee is om vlak voor het hoogseizoen alle wegen te gaan renoveren, maar bij dezen bied ik diegene een stageplek aan bij mijn werkgever (die overigens hetzelfde doet, maar met het verschil dat in het hoogseizoen de drukte op de rijkswegen juist minder is tijdens de vakanties). Ik word tien keer omgeleid en ik weet al helemaal niet meer waar ik ben, bovendien zijn er natuurlijk nul parkeerplekken, dus ik zet hem uiteindelijk maar gewoon bij een tankstation neer, ik ga wel lopen, het is nog vroeg, lekker een ochtendwandelingetje is ook goed, dan kan ik ook meteen wat nieuwe straten in mijn geheugen opslaan. Er is zelfs nog tijd voor koffie en even videobellen met mijn moeder. Met Ayşe heb ik afgesproken bij ‘Villa Home tekstil & carpet’, een stoffenwinkel die net buiten de Paspatour markt staat, waarvan zij de stoffen gebruikt om haar tasjes te maken. Het is een superleuke kleine winkel, met o zulke leuke katoenen stoffen. Ayşe staat net op de stoep te bellen als ik aan kom, we zwaaien naar elkaar en de begroeting is al weer zo verschrikkelijk leuk en lief, de oprechte blijheid om elkaar weer te zien is gewoon ontroerend. Voor het gemak heeft ze ook een vriendin Guidem uitgenodigd die als tolk gaat optreden, want Ayşe’s engels is ongeveer net zo goed als mijn turks. Binnen maak ik ook kennis met de eigenaar, die ons voorziet van turkish coffee en lekker meedoet met het gesprek. Guidem komt zelf uit Istanbul, wat ons meteen weer een heel arsenaal aan gesprekstof geeft. Maar eerst moet ik van haar bekennen dat tulpen toch echt turks zijn, of niet? Natuurlijk zijn tulpen turks, zeg ik tegen haar. Ik vertel haar dat ik in 2017 bovenop de top van Bergama stond, samen met een Chinese man die vertelde dat hij ook in Nederland was geweest en dat zo mooi vond, met al die molens en tulpen enzo. Ik zei tegen hem: “But tulips are actually from Turkey”, waarop hij antwoordde: “Yes, but you sell them!”. We kletsen, drinken koffie bij de stapels tasjes die Ayşe heeft meegenomen en door 4 mensen worden er foto’s gemaakt, en ja van drie van hen zie ik ze allemaal weer terug op instagram, met allemaal lieve teksten erbij maar toch weer een beetje gênant. Ik ben niet zo van het posten van dingen. Ook al is het makkelijk te vinden, je hoeft maar mijn naam aan elkaar te googlen en je komt er vanzelf op, toch zijn maar weinig mensen die deze blog kennen en dat hou ik graag zo. Ik kan me nog steeds niet voorstellen dat er iets áán is om het te lezen namelijk. Het is meer een soort dagboek, alleen dan zwaar gecensureerd en afgevlakt cynisme en zonder alle depressieve negatieve gedachten. Eigenlijk een beetje zoals mijn huis, en mijn hele leven wat dat betreft, je bent welkom, maar niet onaangekondigd zomaar binnenvallen, geef me even een momentje om iets aan de chaos te doen.

Maar, dus, ik neem weer zo hartelijk afscheid van Ayşe, en ik ga nu eerst wat boodschapjes doen en naar huis, even afspoelen in het zwembad, voordat ik naar de mani-pedi ga. Thuis pas, zie ik een bonnetje onder mijn ruitenwisser zitten dus er zal wel een fijne rekening aankomen straks voor het parkeren bij de Opet. Dammit.

De mani-pedi is fijn en alles is weer netjes maar o, o, o, wat duurt het weer lang, en ik ben moe, zo moe, dat ik mijn ogen bijna niet eens open kan houden in dat ongemakkelijke bankje. Toch sleur ik mezelf ‘s avonds naar het Italiaanse restaurant dat ik vanuit dat bankje had gezien aan de overkant van de straat. Niet meer over nadenken. Ik krijg een geheimzinnige prachtige cocktail alleen ik word krankjorem van de muziek die van twee kanten komt: salsa van rechts uit het restaurant, en rap van linksonder uit de bar van het zwembad. Ik wil al naar een ander tafeltje verhuizen, er zit toch bijna niemand maar het personeel raakt er helemaal van in de war, is er iets aan de hand? Is er iets niet goed? Ik zeg iets van de dubbele muziek en meteen word er aangeboden om de muziek uit te doen, en zonder dat ik daar antwoord op geef wordt dat ook meteen gedaan, alleen na tien minuten gaat het toch weer aan, dus het is zaak om dat bord verrukkelijke pasta zo snel mogelijk weg te werken en lekker naar huis te gaan. Daar nog even lekker schrijven en bellen met Sas en dan slapen.

De dag er na is al dag 3 dat ik hier ben en nog steeds heb ik geen strand gezien. Ik wìlde wel, maar het liep gewoon even anders. Ik kon namelijk niet slapen, en er daarom ‘s ochtends niet uit komen. Ik dacht, “Dit is verdorie de derde dag dus je gáát naar dat strand toe blokkie!” Alleen, ik had geen strandhanddoek en ik wilde niet een van de 46 gloepend nieuwe grote witte badlakens van het huis meenemen, dus ik moest me toch onder het winkelende publiek wat er gelukkig bijna niet was begeven, en daar had ik he-le-maal geen zin in, maar ik deed het tòch, nou ja, dan kon ik in elk geval weer een beetje Turks oefenen. Dat ging heel leuk met de verkoper van de real fake bags die ook handdoeken had, en toen ik vertelde waar ik allemaal geweest was zei hij, toch maar weer overgaand op het Engels: “I’m Turkish and I haven’t even been to Çanakkale, Mardin and Eskişehir! But my brother in law lives in Kütahya.” “O yes”, zei ik, om het er nog even extra dik bovenop te leggen, “I’ve been there too, it’s near Çavdarhısar, with the ancient city Aizonos close by.” Hij begint keihard te lachen en zegt dat ik morgen of overmorgen terug moet komen, dan maakt zijn vrouw thee voor ons want “You have a really nice conversation”. Ik maak me dan maar weer snel uit de voeten om naar beneden te gaan. Er is een heleboel veranderd. Zo rijd ik voor het eerst langs wat eerst een parkeerplaats was, en nu de nieuwe ‘funiculer’ oftewel de kabelbaan naar boven. Zéi ik het niet, dat die er zou komen? Misschien dat ik hem morgen even ga uitproberen.

Ik was al weer helemaal moe van het winkelen (twee winkels in geweest), dus beneden, eindelijk beneden, op de oude plek weer een parkeerplaatsje gezocht en toen vond ik dat ik mezelf wel mocht belonen met een cocktail, ook al was het pas 15:00, maar hallo, het is vakantie hoor. Alleen dat werden er dus twéé, en toen zei ik tegen de ober: “I forbid you to ask me if I want another one”, wat hij vervolgens natuurlijk tòch deed, maar toen nam ik maar een sprite. Al die tijd had ik zitten schrijven op dat koele overdekte terras, in het winkelstraatje dat leidt naar het strand op nog geen 200 meter, maar toen ik klaar was met de sprite was ik eigenlijk overal klaar mee, dus ik gìng helemaal niet meer naar het strand, ik dacht, “Morgen is er weer een dag, en dan nog een, en dan nog een paar, en thuis heb ik een zwembad”, dus ik betaalde die belachelijke rekening en ik maakte rechtsomkeer naar huis. Vier jaar lang heb ik verlangd naar dit strand, en nu ben ik hier al drie dagen en ik heb het nog niet gezien. Wat heerlijk dat je in je vakantie, en als je alleen bent, gewoon je plannen binnen een paar seconden kan omgooien als je daar zin in hebt.

Avond. Shit, ik ben mijn iPad vergeten dus zit als een gekkie in het restaurant op mijn iPhone te schrijven. Nou ja, moet kunnen. Deze avond loopt toch al in het honderd. Ga ik wel of niet ergens kijken naar AS Roma – Feijenoord. Ga ik wel of niet wat eten ergens. Ik heb honger. Maar het is nog te vroeg voor de wedstrijd. Als ik ga eten moet ik òf heel lang over mijn eten doen of heel laat beginnen met eten, of eerst eten en dan wéér naar huis en dan wéér terug, en lopen want cocktails. Ik weet het allemaal niet meer. En mijn hersenen zijn kennelijk ook uitgeschakeld want mijn lijf kleedt zich gewoon aan en loopt het huis uit richting supermarkt om koekjes te halen en sinaasappelsap en tonic, en scant daarna de restaurants waarvan er genoeg zijn maar gek genoeg niet allemaal met een giga tv-scherm, valt me wel weer een beetje tegen van Ovacık. Maar afijn het is maar conference league, zo belangrijk is het nou ook weer niet, maar op de een of andere manier heeft het dan toch weer zijn charme om híer te zijn en toch die wedstrijd te zien. Alleen nu ik hier zit zonder mijn iPad heb ik er eigenlijk al geen meter zin meer in en ik heb honger en wil gaan slapen. En volgens mij regent het en ligt mijn badhanddoek nog buiten. Maar goed ik ga toch maar ergens zitten met een tv scherm ook al ga ik helemaal niet kijken en ik word gelijk zogenaamd veroverd door de ober van iets van 50, althans die doet daartoe een grappige poging die meer te maken heeft met het entertainment van het restaurant dan dat het serieus is, daar weet je op een gegeven moment wel mee te dealen met die fratsen, gewoon een beetje meedoen en op een goed moment elegant afbuigen. Hij wil weer weten waarom ik Turks spreek en of mijn man Turks is, en waarom mijn man niet bij me is. “Hollands-Turks”, zeg ik, ik speel het spelletje dus maar even mee, “Omdat hij moet werken“. “Hoe heet hij?”, vraagt de ober. “Celal”, zeg ik. “Tamam, schrijf Celal maar op je telefoon dat het einde verhaal is. Dat je Kemal hebt ontmoet en Kemal zijn plaats gaat innemen”. Ik vraag me af hoe vaak hij deze grap vandaag al heeft gemaakt maar moet er toch wel keihard om lachen. “Ama senin için çok tehlikeli, seni öldürecek”, zeg ik, maar dat is gevaarlijk voor jou, hij vermoordt je. “How old is he?” “42.” “I’m not afraid. I can take him. I’ll take the risk.” “Don’t be so sure about that”, zeg ik. Als ik de supermalse lam krijg voorgeschoteld en hij me het bestek aanreikt, zegt hij: “Here is your knife. Now pretend this is Celal.” “Ooo, you have no idea what kind of trouble you are in”, zeg ik. Ik zit verder heerlijk te eten, het is weer een klein lamsfeestje, ik vraag ook nog of ze vanavond AS Roma – Feijenoord laten zien, maar dat kanaal hebben ze niet op deze tv, dus klaar nu, lekker naar huis. Het is voor mijn doen al best laat, maar ik spring toch nog even in het donker in het zwembad en schrijf nog een beetje op het terras.

Yolumdayım, on the road

Joehoe wat ben ik weer lekker vroeg wakker en helemaal blij want vandaag naar eindbestemming waar ik alle stress hopelijk kan laten varen en alleen maar aan het strand en bij het zwembad ga liggen. Bij een klein tekeltje in het dorp haal ik nog wat water en pufs en zakdoekjes want chronische loopneus, achter de toonbank staat een dame die alleraardigst naar me glimlacht en vraagt naar mijn ‘memleket’. “Hollandalıyım”, zeg ik en ze wil vanalles weten wat ik hier komt doen en waarom ik een paar woorden Turks spreek. Ik stap weer in de auto en ga de snelweg op, nee ik ga niet meer terug naar Sagalassos bij zonsopgang wat ik eigenlijk wilde doen (grappig hoe, als je het een keer hebt gezien en dat grote verlangen is gestild, je het onderwerp van dat verlangen dan in de werkelijkheid ineens heel anders gaat zien, gewóón, alsof het ineens van zijn voetstuk valt. ‘Het bezit van de zaak is het eind van het vermaak’, zei mijn vader altijd, en zo is het ook hiermee), en ook niet naar het lonkende museum van Burdur, ik ruik mijn nest en ik moet nog 3,5 uur rijden. Daar zie ik helemáál niet tegenop, in tegendeel, ik ga er lekker van genieten en onderweg ergens koffie drinken. Om de zoveel kilometer staat er in dit land langs de snelweg een levensgroot foambord met een foto van een politieagent erop met een walkietalkie in zijn hand, of een politieauto met een agent erin met een walkietalkie in zijn hand, of een combinatie van de twee. Ze lijken bestwel echt, als je aan komt rijden. Het helpt geen ene moer natuurlijk. Maar het is wel grappig. Ik stop toch even om er een foto van te maken. Ik moet nu eerst weer een heel eind borden Antalya volgen en daarna splitst de weg zich naar de Burdur-Fethiye yolu en die is weer een feest van herkenning, en zo mooi. Bergen, en velden met paarse bloemen, fruitbomen en graan.

Ik mocht van de verhuurder ook twee uur eerder komen en ik kan dan ook precies nog boodschappen doen bij de ‘Saintsbury’s’ om me om precies 14:00 te melden bij het huis aan de Ovacık caddesi. Yusuf en zijn vrouw Betül laten me binnen, ik moet wel mijn schoenen uitdoen bij de deur, en zo te zien zijn ze nèt klaar met de schoonmaak. En wat een huis. Schandalig gewoon. My god. Ik wist dat het groot zou zijn, maar dit is wel een beetje overdreven eigenlijk. Beneden een slaapkamer met twee bedden, boven nog een, en dan nòg twee slaapkamers met tweepersoonsbedden. Elke slaapkamer heeft een eigen badkamer met wc. Gênant zeg. Ik voel me gewoon een beetje bezwaard. In de tuin een flink zwembad met een mooie nieuwe groenstrook erom heen en prachtige rozenstruiken en een paar palmbomen. Een lounge tafel met stoelen met kussens, een schommelbank en zes grote lounge stoelen aan de rand van het zwembad. Op het terras dat een paar treden hoger aan het huis vast zit staat ook nog een eettafel met 6 stoelen. Eigenlijk was dit juist hetgeen waar ik dit huis om gekozen had, een goede plek om ‘s ochtends en ‘s avonds te kunnen schrijven, met fijne stoelen in de schaduw, dàt, en natuurlijk dat het ongeveer de helft kostte van andere vrijstaande huizen in deze wijk of een hotel, wat me dan ook meteen doet afvragen, waaròm? Wat is de adder onder het gras? Maar ik kan hem niet ontdekken, behalve misschien dat het dus áán de Ovacık caddesi ligt en er van stilte geen sprake is gedurende de dag, want dit is de drukke by-pass route evenwijdig aan de Atatürk caddesi, die vooral door het lokale verkeer wordt gebruikt dat nooit heeft gehoord van 50 binnen de bebouwde kom. Maar verder, ik loop zo het huis even langs, is er een wasmachine, een koffiezetapparaat, een kurkentrekker, een strijkijzer? Alles is er, naar de kurkentrekker moet ik even zoeken in de honderd laatjes van de keuken, maar die is er ook. De koelkast is zo groot dat er wel vier man in passen en zo te zien brand new en kraakschoon. Een ijsblokjesbakje zie ik niet maar daar gebruik ik de eierdopjes voor, want ik heb een klein flesje gin gekocht voor de gin tonic straks. Het is ook bijzonder koel binnen, met al die marmeren vloeren en trappen. Heerlijk gewoon. Als de eigenaren zijn vertrokken ga ik eerst de burgeroorlog die zich in mijn koffers afspeelt beslechten, alles eruit dat in de was moet, stapeltjes maken met shorts, jurkjes, bloesjes, bikinis. Alleen die laatste gebruik ik toch even niet want de tuin blijkt hermetisch afgesloten voor het oog van alle buren dus ik heb helemaal geen bikini nodig als ik in het zwembad spring. De enige reden waarom ik er vanavond nog uit ga is om een pide te halen om thuis op te eten. Deze weggetjes, ik weet al precies hoe ik moet rijden, waar een zaakje zit waar die pide vandaan moet komen, en een paar deuren verderop zit een mani-pedi die ik binnenloop om een afspraak te maken voor morgen, éventjes die afgebladderde nageltjes weer op orde krijgen en over mijn voeten zullen we het maar even niet hebben, want die zien er uit alsof ik met blote voeten die verrekte berg naar Sagalassos ben opgelopen. Ik weet ook dat ik morgen alweer een afspraak in Fethiye heb met Ayşe, mijn lieve vriendin van 5 jaar geleden, om nogmaals een duik te doen in haar collectie handgemaakte tasjes. Dus ik wil ook niks meer doen vandaag. Ik ga zelfs niet naar het strand. Eigenlijk wil ik helemáál geen afspraken meer hebben deze dagen, de agenda en mijn hoofd moeten leeg. Ik wil puur alleen zijn, tot mezelf komen, en schrijven, schrijven, schrijven, ordenen, confronteren, de uitgang vinden, het verleden, de toekomst, de waarheid, het antwoord, en dat is er niet, ik heb maar te accepteren wat me in de schoot wordt geworpen. En voorlopig is dat he-le-maal niet verkeerd, wat een bevoorrecht leven heb ik eigenlijk.

Sagalassos

Ik ben dus lekker vroeg op weg met de Clio. En wat is de route van Yalvaç naar Ağlasun prachtig. Je kon je zo in Zwitserland of Oostenrijk wanen. Het is een gewone weg met twee rijstroken dus weinig zorgen en ik kan uitgebreid om me heen kijken. Lange tijd rijd ik langs het meer van Eğirdir dat turkoise is met lichtblauw en zeegroen tegen een achtergrond van bergen met sneeuw. Opvallend genoeg zie ik helemaal geen schepen. Is hier geen visserij, geen pleziervaart? In Nederland ligt elk plasje vol met sloepen, zeilboten en motorjachten, helemaal niets hier. Toevallig moet ik dwars door het stadje Eğirdir heen en daar is een afslag naar het schiereiland dat ik op de heenweg al had zien liggen maar mezelf geen tijd had gegund om er te gaan kijken, maar nu sla ik wel af. Het blijkt een zeer oude geschiedenis te hebben met visserij in de Hellenistische tijd toen het Akroti heette, er staat een grote vervallen burcht op een rots bij de ingang. Verder is er niet veel van over. Het schijnt vooral te bestaan uit de vakantiehuizen van mensen uit de steden die hier de zomer willen doorbrengen. Ik snap nu ook dat er niet gezwommen wordt want de oevers zijn rots- en steenachtig, maar ik fantaseer over alle mogelijkheden die het zou kunnen hebben als je er wel zou kunnen zwemmen. Aan het eind van het schiereiland is een antiek haventje waar drie kleine vissersbootjes liggen, veel meer kan er ook niet in, en het is moeilijk voor te stellen hoe dit een welvarend visserdorp heeft kunnen zijn.

Om half een rijd ik Ağlasun binnen, een klein boerendorp eigenlijk, zonder bestrating, of misschien wel met bestrating maar die is door het zand en de modder niet zichtbaar. Alleen maar kleine cafetariaatjes en tekeltjes (‘tekel’ is zo’n klein supermarktje waarvan er dan ook op elke hoek van de straat een zit). Wel staat meteen al met grote borden Sagalassos aangegeven en die leiden naar zo’n kronkelig weggetje door de bergen waar je hopelijk geen tegenliggers hebt. Ik kom ook langs het hotel waar ik straks heen ga, dat helemaal niet zoals op de foto’s geïsoleerd in het bergachtige landschap ligt, maar gewoon pal naast het dorp. Niettemin lijkt het nog steeds op het hotel uit The Shining, ook al belooft het mij een spa-ervaring. Ik rijd verder naar boven, hoger en hoger kom ik, ik moet mijn oren een paar keer ‘klaren’. Toch bijzonder dat die belangrijke steden steeds op zulke hoge hoogtes liggen, zal wel iets te maken hebben met verdediging, en dat de tempels dan dichter bij de goden lagen en je er natuurlijk wel wat moeite voor moet doen. Boven aangekomen staan er vijf mega touringcars en een menigte mensen bij het koffiekioskje, maar die lijken net te gaan vertrekken. Het is eigenlijk bestwel fris dus ik neem een hoody mee uit de auto. Ik haal natuurlijk eerst een kop koffie op dat terras, dat uitkijkt over die diepe, diepe rotsachtige vallei waarboven zich op dit moment de stapelwolken verzamelen. De stilte, de rust, het is gewoon weer heerlijk hier. Na de koffie besluit ik maar eerst helemaal oostelijk naar boven te lopen waar zich het amfitheater bevindt. Ik heb deze site zo vaak op google bestudeerd, hoe vreemd is het om er nu te lopen, en hoe anders ziet het er uit in het echt. Wat zo vreselijk mooi is aan deze site, waarschijnlijk mede dankzij het feit dat ik er op het goede moment in de tijd, ik bedoel dan jaren, ben (misschien ietsje te laat gezien de touringcars), is dat hij live in verval is. Heeft het niet iets dankbaars, dat de beleving des te intenser maakt, als je weet dat aan wat je ziet binnenkort een einde komt? Hier zijn al verschrikkelijk veel dingen weggehaald, zoals delen van twee gigantische beelden waarvan een van Hadrianus, die in 2006 (of 2016 daar wil ik even van af zijn) zijn opgegraven en nu in het museum van Burdur te zien zijn, en ook de geweldige mozaïekvloer uit het badhuis dat al die jaren gewoon te zien is geweest, ligt er niet meer. Maar als ik boven kom in het amfitheater, dat ik trouwens via allerlei olifantenpaadjes, klimmend over grote scheefgevallen blokken dwars door de aangegeven paden kan binnendringen, kan ik zomaar de galerij die onder de bovenste rijen verborgen ligt inlopen. De galerij loopt halfrond onder de hele bovenste rij van het theater, het is er donker, en hier en daar priemt een klein straaltje zonlicht naar binnen door de kieren van de gebarsten tribune, die de grot een mysterieuze aanblik geeft. Ik kan er maar een paar meter in lopen, want de ingestorte delen van de tribune blokkeren de doorgang, en ik zou er nog best overheen kunnen klimmen en verder die duistere gang in gaan, maar soms overvalt me ineens de angst voor aardbevingen, die in de 7e eeuw ook aan deze hele stad een eind hebben gemaakt, en besluit dat dan toch maar niet te doen. Het is natuurlijk volslagen onzin, want een aardbeving gebeurt vooral wanneer je het níet verwacht, en bovendien zou het een mooie dood zijn, zo op het hoogste punt van Sagalassos. Maar anyway, het is weer bijzonder, ik weet zeker dat dit over een paar jaar niet meer kan. Verschillende blokken bewegen ook als ik erop sta, dus het is wachten op dichtmetselen. Buiten klim ik nog hoger. Helemaal bovenaan ga ik zitten op de bovenste rij. Onderaan zijn nog twee mensen, maar die komen niet naar boven. Ik kan vanaf hier de stemmen horen van de mensen die over de agora met het Antonines nymphaeum lopen, en dat benadrukt eigenlijk alleen nog maar de stilte hierboven. Ik wacht op een momentje dat de zon doorbreekt en ik nog mooiere foto’s kan maken, maar dat komt niet. Wolken trekken zich samen en verderop is de hemel zwart met lichtflitsen. Ik sta op en ga via de achterkant naar beneden zien te komen, wat nog niet makkelijk is wat er zijn geen paden hier. Op google kan je natuurlijk nooit zien hoe het precies zit met het hoogteverschil, maar het uitzicht over de rest van de stad is hier ongelofelijk.

Ik kam verder de rest van het terrein zorgvuldig uit. Ja, ik ben al moe, ja, ik heb honger, maar we gáán naar die tempel van Apollo die helemaal aan het uiteinde ligt en waar geen steen meer op elkaar staat, we gáán die hele straat aflopen en kijken of we bij dat provinciehuis naar binnen kunnen, wat niet kan, en ja, we gáán al die trappen weer naar boven naar het schijthuis en de grote agora met de fontein, en dan begint het toch wel zo ongenadig hard te regenen dat ik het niet meer kan negeren en toch maar in die fontein gaan staan schuilen, achter een nogal lelijk afgietsel van een beeld van een vrouw met kind. Daar proberen steeds meer mensen bij te komen die nota bene regenjassen aan hebben en dan nòg word ik opzij geschoven met m’n doorweekte hoody, maar ik geef geen centimeter, ik vertik het, totdat er een familie aan komt met drie piepkleine doorweekte kindjes, ik wenk ze en vertrek zodat ze mijn plaats in kunnen nemen. Grappig, dan houdt het ineens op met regenen en iedereen is dan verdwenen, en zo loop ik al weer alleen. Verschillende delen van het terrein kan je echt niet op, met name daar waar hele stukken bijna instorten en met ijzeren stempels worden gestut. Vlakbij de Hadrianusfontein staat een hele muur op omvallen. Dat bedoelde ik met ‘live in staat van verval’, namelijk zoals de geschiedenis het uiteindelijk toch heeft bedoeld. We kunnen proberen er wat cosmetische ingrepen op toe te passen (letterlijk, zo is de Hadrianusfontein aardbevingsbestendig heropgebouwd met een soort flexibele cement, een soort fillers zeg maar) maar het verval is daar en onvermijdelijk.

Sagalassos is voorbij. Op instagram word ik gevraagd om mee te helpen zoveel mogelijk publiciteit aan Sagalassos te geven. Dat vraag je dan echt aan de verkeerde. Meer publiciteit is meer bezoek, is meer verval. Overal op het terrein worden nog nieuwe archeologische expedities ondernomen. De universiteit van Leuven is daar een drijvende kracht in. Daarom zijn de bordjes met uitleg hier en daar naast in het Turks en Engels ook in het Nederlands te lezen. Voor mij is het hoofdstuk afgesloten. Er blijven nog genoeg plaatsen over die ik graag wil bezoeken, maar dit archeologische avontuur is weer voorbij.

Ik check in bij het hotel. Wat een verademing in vergelijking met gisteren. Een meneer trekt meteen mijn koffer uit mijn handen en staat er op om die naar mijn kamer te brengen. Bij de receptie noemen ze meteen mijn naam zonder dat ik die heb hoeven zeggen. De kamer is heerlijk modern en schoon, en heeft een balkon, met uitzicht op de bergen waar ik net vandaan kom. Het is fris-koel, maar zo’n heerlijke lentekoelte uit de bergen. Onder de dakrand hangen zwaluwnestjes. Ik informeer even naar de hamam, en ja natuurlijk kan ik daar gebruik van maken. Ik krijg meteen ook de tour langs alle andere dingen die hier kunnen, massage, sauna, mani-pedi, en een binnen- en buitenzwembad. Ik trek een paar baantjes in het binnenzwembad en doe daarna de hamam. Ik schijn hier ook te kunnen eten dus daar maak ik ook gebruik van. Het is een buffet, maar alles heerlijk en vers, met ik weet niet hoeveel mezes en brood. Ik slaap die nacht weer als een os.

Yalvaç, Pisidia Antiokheia

Even snel ontbijten en dan snel weg is er niet bij want ik krijg van het Char Me hotel in de tuin een riant ontbijt voorgeschoteld met twaalf schaaltjes met jam, börek, kaas, fruit, komkommertomaatolijven, brood, roerei, nou ja je snapt. Toch zal ik me even moeten haasten want ik schijn ineens necesseties nodig te hebben die ik niet bij me heb. Ik neem de stuurse dame van de receptie even apart die me directies naar de dichtstbijzijnde supermarkt geeft en even later met een begrijpend knikje ook voorziet van een klein voorraadje. De supermarkt moet dichtbij zijn dus voordat ik mijn auto ophaal loop ik er even heen, dacht ik, maar als ik na een bocht nog steeds geen supermarkt zie, geef ik het op en ga teruglopen, zag ik daar niet een Starbucks? Het is vast de laatste die ik de komende dagen zie dus laat ik er maar even van genieten. Ineens loopt er een jongen naast me, ik dacht dat hij me gewoon wilde inhalen maar hij blijft in het zelfde tempo vlak naast me lopen. “Are you tourist?” fluistert hij naar me. Ik wil het eigenlijk negeren, maar hij blijft de vraag herhalen. Het nut van de vraag ontgaat me even, ik ben blond, een kop groter dan de meeste mensen hier en ik loop met een grote knalblauwe grote rugzak. Dus ik weet even niet wat er is dat zegt dat ik géén toerist ben. “No”, zeg ik. Ik moet even denken aan een aflevering van Lauren-of hoe-heet-ze, over die vrouwen die over de datum zijn die in die grote Turkse badplaatsen op zoek gaan naar piepjonge vriendjes. Word ik nu gescout als vakantiecougar? Dat is het enige nut van de vraag dat ik kan bedenken want hij is volgens mij te jong om in een taxi te rijden. Gelukkig zijn we net bij de Starbucks dus ik kan ontsnappen. In de wijk direct buiten het oude centrum, die eigenlijk meteen bestwel fijn en herkenbaar oogt, vind ik al snel een supermarkt waar ik even water haal en volkorenkoekjes voor als ik vergeet op tijd te eten en een fles wijn, de verkoper vraagt of hij hem alvast moet openmaken want ik ben een toerist dus ik zal wel geen kurkentrekker hebben, nee, klopt, doe maar.

Dan de weg op, weg uit deze drukke badplaats, ik was in Antalya en ik heb de zee niet eens gezien, haha. Ik besluit data en batterijen te sparen en geen navigatie aan te zetten maar me gewoon ouderwets door de borden te laten leiden en te hopen dat het goedkomt. Ik moet voorlopig richting Isparta en dat staat al aangegeven en dan zal ik over een kilometer of 80 wel even stoppen om te kijken waar ik eraf moet. Ik maak voor de zekerheid wat screenshots van de route en de plaatsjes waar ik langs moeten komen. De weg is voorlopig 2-1 / 1-2 zoals de N50 zodat je per richting om de beurt kan inhalen. Dus dat is wel fijn alleen dat ontslaat je dus niet van de verplichting om als je op het 2-1 deel rijdt en er iemand achter je zit te drukken (wat ik kan begrijpen want ik rijd maar 80-90), gewoon op de vluchtstrook te gaan rijden om diegene voor te laten gaan. Evenmin hoef je aan te nemen dat je veilig kan inhalen op het 1-2 gedeelte want de inhaalstrook die je dan tot je beschikking hebt, wordt ook gewoon gebruikt door het tegemoetkomende verkeer. Maar dat moet je even weten en je gewoon aanpassen zodat iedereen weet waar hij aan toe is en dan werkt het prima. Zouden hier ook kamervragen worden gesteld over de weginrichting? Denk het niet.

Het is hier weer zo prachtig, groen en indrukwekkend rotsachtig, ik stop onderweg toch maar een keer om een foto te maken en de route te checken, en zelfs een keer om in een van de talloze restaurantjes een gözleme te eten met uitzicht op het meer en de bergen. Na een shellstation zou ik moeten afslaan naar Eğirdir en dan komt er eerst 50km piepkleine slalomweggetjes door de bergen, waar ik niet per se zin in heb nu, maar als ik er dan toch eindelijk rij, geniet ik er heel bewust van, hoe prachtig het is, en stil, groen, met heel kleine boerderijtjes, het doet een beetje aan de Provence denken. Bovendien is het lekker koel. Je rijdt hier natuurlijk maar 30-40 dus het duurt een eeuwigheid maar haast heb ik niet en als ik bij het Eğirdir-meer aan kom staat Yalvaç ook al aangegeven. En in Yalvaç staat Pisidia Antiochea ook al aangegeven, dus het gaat allemaal heel voorspoedig. Ik geloof dat ik er om een uur of 16:00 aan kom. Ik rij dan eerst door naar het romeinse aquaduct, dat op de kaart helemaal niet staat aangegeven maar wel met een klein verschoten bordje. En ja, de weg houdt hier ineens ook op, het is alleen nog maar gravel en modder, en ik moet op een gegeven moment een berg op die ik helemaal niet zie zitten, maar ik doe het tòch met m’n nieuwe Renault Clio, en het lukt, alleen het wordt steeds erger, dus ik parkeer hem maar hier en ga verder lopen. Het is hier dood- en doodstil, op een kettingzaag na die ik heel, héél in de verte hoor. Een paar jonge jongens op brommers passeren me. Het landschap is glooiend en groen en wordt begrenst door een bergrug waar op de toppen sneeuw ligt. Er staan her en der fruitbomen en cipressen en naast de korrelige weg gaat het vrij steil naar beneden en is afval gestort (dat mensen dit willen doen gaat me werkelijk alle verstand te boven, en mij hoef je niet meer te vertellen dat de Turken trots zijn op hun land, want als ik dit zie kan ik alleen maar denken ‘fake trots’). Het is zo stil dat ik af en toe even blijf staan om de stilte te horen. Je weet pas wat ‘oorverdovende stilte’ betekent als je dit hebt gehoord. Het is ongeveer 10 minuten lopen voordat ik de su kemerleri zie. Om de een of andere reden krijg ik altijd meteen een voorstelling van hoe het is aangelegd, dat wil zeggen allerlei vragen erbij, er zal toch een architect aan te pas moeten zijn gekomen, en iemand heeft bedacht dat dat ding er moest komen, en die architect bestelde, en wie was dat dan? Er zal een plan moeten zijn gekomen, materiaal besteld en mensen die daarmee gingen slepen. Wie dee da? De meeste van deze stenen zijn monolieten, dus uit één stuk. Waar komen ze vandaan? Alhoewel, het is één en al rots hier dus ver zal het niet zijn. Van een afstandje kan je in de korte stukjes aquaduct die er nog over zijn van de oorspronkelijke 10km zien dat er een bocht in zit, en je kan goed volgen waar hij naar de stad leidde. Ik vind het sowieso van een magisch vakmanschap, een 10km lange waterleiding die een daling van precies 2,6 tot 0,2% heeft om het water te transporteren. Je kan er ook makkelijk onderdoor lopen waardoor je aan de andere kant een prachtige stille groene vallei ziet waar ik vogels hoor en af en toe een geit. Met een stukje aardewerk maak ik een klein tekeningetje op een van de bogen. Het stukje aardewerk steek ik in mijn zak. Ja het is eigenlijk heiligschennis, maar ja, gekken en dwazen…

Ik rij terug naar de ingang van het terrein van de ören yeri waar ik voor €1 in mag, ze schrikken ervan, in dat gişetje, een bezoeker! Het moet niet gekker worden. Pisidia Antiochea is verder niet super mooi, er staat werkelijk geen steen meer op elkaar, en waar ze wel gepoogd hebben om een paar stenen weer op elkaar te zetten, slaat het nergens op. Stenen uit een fries op ooghoogte midden in een muur, dat soort werk. Maar er is wel een heel lange statige weg naar boven, die leidt naar de hoofdtempel bovenaan, en die is weer gebouwd in een natuurlijke holte in de stenen berg. Die holte is precies halfrond uitgebikt en er zijn kleine vierkante uitsparingen gemaakt voor een houten overkapping. Op enig moment is die muur deels bekleed geweest met marmeren platen, zie ik op een stukje dat nog in tact is. Er is trouwens veel marmer hier, naast graniet, glinsterend spierwit marmer met zowel Griekse teksten als Romeinse. Ondanks dat het verder niet erg spectaculair is, loop ik toch het hele terrein af en zo is het al tegen zessen als ik wegga. Er komt dan net een Turkse familie binnen met 3 generaties en ze knikken allemaal vriendelijk tegen me. Een tante (yenge) die achteraan loopt klampt me met een brede lach even aan, even ben ik bang dat ze iets van me wil, maar ze wil alleen even weten waar ik vandaan kom, en als ik zeg “Hollanda”, zegt ze “Aaaahhhh ich bin aus Deutschland”, we zijn daarmee natuurlijk praktisch buren en ze wil graag aan me kwijt dat ze hier op familiebezoek is voor de vakantie, en dat volgende week als de schoolvakanties beginnen haar nicht en neefje ook komen. “Prachtig”, zeg ik, “de hele familie bij elkaar.” Ze glundert ervan en wenst mij ook een fijne vakantie.

Ik las ergens dat in het Yalvaç museum meer te zien moet zijn van dingen die hier zijn gevonden, dus voordat ik morgen de stad uit rij, ga ik daar nog even langs.

Het hotel is ook vlakbij en ik kan letterlijk voor de deur parkeren, het is zo’n beetje midden in het centrum van Yalvaç, een typische middelgrote stad zonder enige charme wilde ik zeggen maar het blijkt toch een alleraardigst centrumpje te hebben met een oude cami en wat winkeltjes en leuke boomrijke pleintjes met grote terrassen eronder. Ik ben ook weer meteen de lokale attractie op het moment dat ik de auto uitstap. Van binnen is het hotel een zakenhotel, er is niets aan, het bed is schoon, maar daar is meteen alles mee gezegd en ik vind de rest onuitsprekelijk vies, de vloerbedekking…… Ik begrijp vloerbedekking sowieso niet, behalve misschien op de trap zodat je niet uitglijdt, maar verder is het toch een grote magnetische verzamelplaats van microben, parasieten, huisstofmijt, huidschilfers en alles dat we aan kruimels laten vallen wat er nooit meer uitkomt. Je maakt mij niet wijs dat ze er hier met baking soda en een stoomreiniger overheen gaan elke keer als er een gast is vertrokken. Ik lees thuis trouwens “How to be a Tudor” van Ruth Goodman, waarin ook het ontstaan van vaste vloerbedekking wordt beschreven en de reden waarom het in de huizen zo moet hebben gestonken was… de vloerbedekking. Afijn. De badkamer, de douche, de randjes in de douche…. laat maar. Ik sproei eerst een kwartier met heet water over de douchebak die ik eerst heb besprenkeld met handsanitizer, voordat ik het aandurf om eronder te gaan staan.

Een Starbucks kan ik hier wel vergeten, maar uit het raam zie ik schuin tegenover het hotel iets dat op een koffiezaakje lijkt, en dat ook blijkt te zijn, en ga daar even met koffie zitten schrijven. Ik heb een zwarte linnen bloes aan en iemand is boven de kat aan het kammen en nu zit ik dus alwéér helemaal onder de kattenharen. De eenvoudige kaart wordt me ook aangeboden en ik ben inmiddels zo gemakzuchtig, ik heb geen energie meer om naar een goed restaurant te zoeken. Dat ga ik hier waarschijnlijk toch niet vinden. Alcohol is er natuurlijk niet te vinden hier in de wijde omtrek, dus na het diner (soort tosti) ik neem die fles wijn uit Antalya mee naar de hotelkamer, waar ik prompt natuurlijk de kurk afbreek. Ik geef het op. Ik merk aan mezelf dat ik de laatste loodjes van deze tour aan het afraffelen ben om straks een paar dagen niets te hoeven, in de zon, in een rustig huis, op een plek waar ik al 4 jaar niet ben geweest, wat fijn is want ik ken het al dus hoef weinig meer te ontdekken, dus de stekker kan er uit.

De volgende ochtend zit ik al om 7:30 aan het ontbijt. Achteraf geen idee waarom, want als ik naar het museum wil gaat dat waarschijnlijk toch pas om 10:00 open, als ik geluk heb op deze zondag. Inmiddels zal het in de stad wel rondgezongen zijn dat er vandaag een buitenlandse bezoeker was in de antieke stad, dus wie weet. Maar op zoek naar de openingstijden kom ik een nieuwsbericht tegen over de directeur van dit museum, die twee maanden geleden is opgepakt voor internationale zwendel in antieke artefacten, waar ik trouwens heel hard in mezelf om moet lachen. Niet dat ik nu denk dat het museum gesloten is, maar ik wil de gok al helemaal niet meer nemen, en het vooruitzicht dat ik ook nog 3 uur moet rijden naar Sagalassos, doet me dan toch meteen opspringen om te vertrekken.

Antalya zonder zee

Om 6:00 gaat de wekker en ik voel nu al dat ik er nog niet klaar voor ben, voor deze vertrekdag. De taxi ook niet, want die appt me dat hij autopech heeft en een andere taxi moet sturen. Ineens op het laatste moment allemaal dingen die in het honderd lopen, maar okee. Ik ben toch verder prima op tijd en knoop een praatje aan met de taxichauffeur die wil weten wat alles in Nederland kost, een appartement, de energierekening, benzine, auto’s, en of je in Nederland makkelijk een baan kan vinden, en wat ik aan deze vakantie uitgeef. Hij is net getrouwd en naar een nieuw appartement verhuisd dat twee keer zo duur is als zijn oude. Ik kijk naar buiten en als ik door het drukke verkeer heen naar de voorbijvliegende wijken kijk, zelfs deze buitenwijken, denk ik, “Shit, ik ben nog helemáál niet klaar met Istanbul! Ik moet gewoon meer tijd hebben, meer in het ritme komen, meer rust nemen en niet tien dingen op een dag willen doen!” Elif waarschuwde me er ook al voor. Plan niet twee dingen op een dag, want je bent helemaal kapot. Maar dat is nu te laat, ik ben al weer op weg naar de uitgang.

Op Antalya vind ik met gemak mijn auto, en ik krijg een gratis upgrade naar een automaat, die ik niet had besteld omdat ik weer te krenterig was maar wel heel graag eigelijk wilde hebben, dus dat is weer een meevaller. Het is trouwens een gloepend nieuwe Renault Clio met maar 480km op de teller dus de lat ligt weer hoog. Ik kan nu meteen naar het hotel rijden, of ik kan de andere kant op naar Aspendos, wat niet op mijn lijstje favorieten stond, maar met mijn domme hoofd denk ik “Ach, het is pas 13:30”, en ik doe het tòch, en het is natuurlijk uiteindelijk wel een uur rijden, en er komen ook net twee touringcars binnen dus ik zie het al weer aan komen. Tja, Aspendos, wat moet je ervan zeggen. Nou in elk geval dat het een van de minst charmante antieke steden is die ik heb bezocht, weliswaar met een van de grootste theaters (inderdaad iets van 50 rijen, met een galerij erop, ik klim met mijn hoogtevrees helemaal naar boven), die ook nog steeds wordt gebruikt voor concerten en dergelijke, maar verder echt kompleet is afgeragd. By the way, het is dus warm, heul warm, en als vanouds loop ik dus nog in een spijkerbroek bij 33 graden. Gelukkig kan ik mijn Jaffa-hoed uit de koffer vissen voordat ik die berg op loop naar de acropolis, maar daar aangekomen, tja, het doet me allemaal niet zoveel. Dat is deels de vermoeidheid en snakken naar een douche, maar ook dat er geen marmer, geen beeldhouwwerk, geen teksten te zien zijn. Het enige dat ik interessant vind, is waar de enorme stenen van zijn gemaakt waar de gebouwen mee zijn opgetrokken. Het lijken wel betonblokken, maar van heel grof beton met grote kiezels erin, en de vraag hoe ze in die tijd dit soort blokken hebben kunnen maken die na 2000 jaar nog overeind staan. Volgens mij gebruikten de romeinen ook een soort grof cement, maar niet in pre-gefabriceerde blokken zover ik weet. Dus ik doe het verplichte rondje waarbij ik een aantal dingen oversla en begeef me naar de uitgang. Er staat een fotograaf en een Engelse vrouw met een knalgroene papegaai op haar schouder te poseren. Ik loop snel voorbij voordat hij me kan aanspreken.

Parkeren zou moeten kunnen op 20 meter van het hotel, maar de straatjes naar het oude deel van Antalya zijn afgesloten met een slagboom, dus mopperend rij ik maar door en bij de eerste de beste otopark rij ik er in. Ja, hier kan hij een nacht blijven staan. In de kofferbak laad ik snel een paar kleren en toiletspullen in mijn handbagagekoffertje. Het hotel is gelukkig dichtbij, en ondanks doolhof loop ik er rechtstreeks naar toe. Het is een werkelijk schattig hotelletje in oude stijl, met een groene tuin met een paar loungebanken en achterin inderdaad een zwembadje. Kennelijk is het vandaag upgrade-dag want ik krijg weer een gratis upgrade, die voor mij niet had gehoeven want ik snak zo naar een douche dat dat voor mij al de minimum vereiste was. De kamer is echt schattig, stenen muren, een schilderij van Istanbul aan de muur, een moderne badkamer en zelfs een strijkplank. Binnen de kortste keren is het een puinhoop maar ik heb lekker gedoucht en een jurkje aangetrokken en kan in de tuin een glas rosé bestellen en even met mijn moeder facetimen.

Ik durf niet in dat jurkje de straat op dus ik schiet toch maar even die spijkerbroek en de zwarte linnen bloes aan, waarmee ik natuurlijk verschrikkelijk overdressed ben op deze warme avond tussen de Engelse toeristen maar het is goed. Het oude deel van Antalya is een beetje dubbel. Kijk je door de neonverlichting heen en schakel je in je hoofd de muziek uit, dan is het echt cute, een klein doolhofje van oude traditionele huizen, zoals het echt moet zijn geweest in heel Turkije voordat de bevolkingsgroei de overhand nam en alles tegen de vlakte ging om ruimte te maken voor de russisch aandoende flatgebouwen van 5-6 verdiepingen. Maar helaas kan ik er naast de keiharde muziek óók niet omheen dat de Engelsen hier alle culinaire originaliteit hebben verkracht, en ik zo’n zin had in iets lekkers Turks, en vis, maar ik zie alleen maar Irish pubs en restaurants met Engelse namen zoals The Crown en Edinburgh. Ook zit alles stampensvol met toeristen, en ik zie alleen maar terrassen die buiten op de stoep staan, en daar ga ik echt niet tussen zitten met m’n laptopje. Gelukkig zie ik door de menigte heen dat het Matcha café ook een binnenplaats heeft en geloof het of niet maar die is dus bijna helemaal leeg. Misschien omdat daar de muziek keihard staat, maar okee, ik heb even niet de luxe om kieskeurig te zijn nu, het is dit of tussen Engelse toeristen zitten. De kaart stelt ook geen ruk voor maar de Aperol spritz maakt veel goed en de rode wijn ook, en zo kan ik even lekker met mijn zus skypen.

Ik zou graag meteen willen gaan slapen maar in de tuin hiernaast is een live traditionele muzikant aan het optreden en ik heb even een flashback naar Istanbul in februari met Nathalie, zelfde verhaal dit. En mijn oordopjes had ik natuurlijk net weer niet meegenomen uit de auto. Dus met aloe-verazalf en een watje maak ik provisorische oordoppen en die werken eigenlijk bestwel goed en ik slaap prima, want helemaal kapot.