Random living

Melekler dürümevi, Denizler kitapevi, Nederlandse ambassade, Ara cafe

Woensdag
Tot een uur of drie blijft ik in het apartement rondhangen. Ik voel me slecht omdat ik zo verschrikkelijk kort slaap. Ik besluit na mijn les die om 16:30 begint en waar ik vandaag al helemaal geen zin meer in heb, naar Cihangir te gaan en daar te blijven. Voor die tijd moet ik van mezelf naar buiten. Ik besluit wat te gaan eten bij Yanyali Fehmi restaurant. Ik denk dat ik het wel uit mijn hoofd kan vinden. Niet dus. Uiteindelijk ga ik willekeurig wat straatjes links en rechts in. Ik verwacht op een gegeven moment wel de straat met de tramrails tegen te komen, maar die komt niet. Het maakt me ook eigenlijk niet uit. Ik heb nu vooral trek ik een kop koffie, tijd om te eten heb ik eigenlijk toch niet. Het stikt hier van de cafeetjes en restaurantjes, alleen ik wil een tafel hebben om mijn ipad op te leggen, en niet zo’n dwergtafeltje waar iedereen hier aan zit op dwergstoeltjes waarvan de zitting 20cm boven de grond hangt en waar je dus een houding moet aannemen die het midden houdt tussen hurken en zitten. Ik heb geen idee waar ik ben en mijn mobiele wifi heeft het ook begeven. Als ik een cafe zie met een normale leestafel, installeer ik me daar met een latte en een tatlısı uit een jampotje. Dat vind ik eigenlijk wel weer genoeg avontuur voor vandaag. Het is niet elke dag feest.

Donderdag

Ondertussen aan de praktische kant, morgen is de laatste les van Gülfidan. Vandaag komt ze om 17:30 pas, dat betekent dat ik de hele dag heb om in Beyoglu rond te lopen.
Eigenlijk kan je niet spreken van ‘lessen’, we hebben gewoon een gesprek in het Turks met veel Engels erdoorheen. Omdat het een leuke vrouw is zijn de gesprekken gewoon ook heel leuk en soms praten we gewoon verder in het Engels. Ook Gülfidan is een van die neohippies, is me binnen een paar minuten duidelijk. Alleen vertelt ze me dat er echt een naam voor is, dat mensen ‘like us’ zich atatürkçiler noemen, aanhangers van wat Atatürk volgens hen ècht heeft bedoeld. Ze is 39, niet getrouwd, heeft geen kinderen en vertelde me als donorklinieken in Turkije legaal waren geweest, ze dan misschien wel een kind had gehad. Als donorklinieken legaal waren geweest? Steeds als ik denk dat het niet gekker kan, kan het toch echt wel gekker. Gülfidan vertelde me ook dat Erdogan vandaag in een toespraak heeft gezegd dat vrouwen die geen kinderen hebben, geen echte vrouwen zijn. Misschien moet ik mijn paspoort even aan laten passen. Ondertussen als het onderwerp is behandeld vuurt Gülfidan in het Turks vragen op me af en het is een soort Russisch roulette of ik de vraag begrijp of niet. Zoals wij ook doen, slikken de Turken ook de helft van de klinkers in. Wat heb je vandaag gedaan? Wat ga je hierna doen? Wat voor werk heb je? Wat heb allemaal bezocht? Wat vind je van Kadıköy? Ben je daar en daar geweest? Ik probeer zo lang mogelijke antwoorden te geven en af en toe vraag ik haar even een woord. Als ik fouten maak corrigeert ze me en herhaal ik het. Ik kan niet zeggen dat ik na deze week echt een zinnig gesprek kan hebben, maar ik merk dat het steeds makkelijker gaat.

Ook heb ik gisteren een auto geregeld. Tot mijn schrik was de prijs van de auto die ik had uitgezocht met 900 tl gestegen (300€) dus ik moest op zoek naar een kleinere en heb nu de kleinste klasse. Dinsdag haal ik hem om 14:00 op om naar Eskişehir te rijden. Ik heb nu al geen zin. Afgezien van deze pokkedrukte voel ik me prima in Istanbul. Als ik een beetje normaal zou slapen zou ik zelfs nog iets van de stad kunnen zien, haha. Het voelt echt een beetje als Rotterdam. Noord, zegmaar 🙂

Vrijdag

Voor iemand die zo voorbereid is ben ik anders behoorlijk besluiteloos en ik ben heel de ochtend aan het lanterfanten en bedenken wat ik zal gaan doen voordat ik om 11:30 de deur uitkom en de boot neem naar Beşiktaş. De dag zal waarschijnlijk toch weer heel anders uitpakken dus wat maakt het uit. In elk geval ga ik eerst naar RentnConnect op Taksim om mijn mobiele apparaatje om te ruilen tegen een lichtgewicht 4G apparaatje. Aangezien de ferry bij het maritiem museum stopt, besluit ik daar ook nog maar even naar binnen te gaan. Misschien heb ik iets gemist, maar ik zie alleen maar twee hallen met antieke houten schepen. Daarna loop ik achter het Dolmabahçe paleis onder de bomenrij langs (weet je nog Jan?) en het valt me op dat het overal stikt van de politie. Het voelt goed om een soort business purpose te hebben, ik ga even een zakelijke boodschap doen. Ik mag er dan misschien uitzien als een schaap op vakantie, maar ik hoor er toch een beetje bij, bij het werkende volk. Inderdaad zie je op de drukke toeristische plekken nauwelijks westerse toeristen, helemaal niet eigenlijk. Toevallig liep ik net achter twee Duitse meisjes, maar daar blijft het bij. Aan de rechterkant doemt het nieuwe Beşiktaş stadion op en ik denk even dat al die politie daar misschien iets mee te maken heeft, maar dan hoor ik dichtbij ineens de ezan en wordt het druk op straat. De ruimte voor de moskee is bezaaid met volk, het is natuurlijk vrijdag, en hier staan tussen de twintig en dertig politieauto’s omheen opgesteld en krioelt het van de politie. Voor de moskee buiten liggen kleden op de grond en zitten mensen geknield. Mannen die naar binnen willen worden gefouilleerd door vier politieagenten die de ingang blokkeren. Het tafereel doet me heel even denken aan Staphorst op zondagochtend maar deze mensen laten me wèl door. (Later bleek dat op dat moment de president in die moskee zat.) Op het Taksimplein neem ik afslag Siraselviler straat en vind ik het kantoor van RentnConnect. Ik stap zo’n jaren tachtig gebouw in met een marmeren hal met koperkleurige trapleuningen en rookglas spiegels. Het kantoor is een beetje Pied Piper, met overal strakke doosjes van RentnConnect en weer zo’n ongeschoren hipster achter een bureautje. Aan al die doosjes te zien doet hij het bestwel goed en ik hoop voor hem dat hij deze toerisme crash een beetje overleeft. Ik krijg een hypermodern 4g apparaatje en stap weer op.

Op weg naar Istiklal duik ik een zijstraatje in en eet ik bij Melekler dürümevi (dürüm huis Engelen) waar ik dürüm eet (dus) en şalgam suyu bestel, geen idee weer wat dat is, en deze keer is het mis, het blijkt een naar zeep smakende zoute bieten- of rode wortelsap te zijn. Vandaar dat die ober zo begon te grijnzen. Mij best, ik neem er toch maar gewoon een fantaatje bij.

Het duurt allemaal weer veels te lang en Istiklal is veels te leuk en met veel winkels die afleiden zo ben ik ondertussen dus al drie keer voorbij Mısır Apartman gelopen waar Galeri Nev zou moeten zitten, maar het gebouw is zo arrogant onuitnodigend dat ik al helemáál geen zin meer heb om naar binnen te gaan. Ik sla weer zo’n aantrekkelijk straatje in waar het zonlicht niet komt en dat te smal is voor een auto, waar allemaal kleine cafeetjes zitten en op de stoepen allemaal bergjes hipsters met elkaar zitten te kletsen en me nastaren, twijfelend of ze me nu even op weg moeten helpen terug naar de toeristenstraat, maar bij nader inzien zie ik er toch niet verdwaald genoeg uit. Ben ik wel, maar op de een of andere manier kom ik toch uit bij Ara Cafe, genoemd naar Ara Güler, Istanbul’s en misschien wel Turkije’s beroemdste fotograaf van het stads- en straatleven. Wat Orhan Pamuk met woorden doet, doet hij met foto’s, al zo’n 75 jaar lang sinds begin vorige eeuw. Kort geleden heeft hij zich de woede op de hals gehaald van een deel van zijn fans door een portret te fotograferen van Erdogan. In zijn verdediging kan worden gezegd dat hij sinds Atatürk alle presidenten van Turkije heeft gefotografeerd, zonder uitzondering. Kennelijk was zijn overweging dat deze er dan ook bij hoort.

Het café is prachtig, gezellig, stijlvol met grote zwartwitfoto’s aan de muren. Het heeft iets heerlijk jazzigs Frans, en de koffie is geweldig. Ik zit aan een tafeltje dat half op de stoep staat onder een glas met gietijzeren afdakje, en terwijl ik zit te schrijven komt er een meisje naast me staan van een jaar of zeven. Ze heeft een pakje zakdoekjes in haar hand en kijkt me met grote bruine ogen recht aan. Het is echt een aanbiddelijk piepklein meisje met een bruin glad haar en een beeldig gezichtje. Eerst begint ze in onbegrijpelijk Turks tegen met te praten. “Hayır teşekkürler”, zeg ik tegen haar, nee bedankt. “One lira”, zegt ze in het Engels tegen me. “No thank you”, zeg ik weer. Ze legt haar ragfijne handje op mijn arm en speelt met mijn horloge alsof ze mijn zusje is, even trekt dat horloge haar aandacht, want er staat een zebra op. Dan kijkt ze me weer aan en kantelt haar hoofd een beetje en zegt weer “One lira”. Het is alsof ze in die paar seconden met die paar handelingen een zusterschap heeft willen opbouwen en die nu wil verzilveren. “Zaten hayır dedim”, zeg ik tegen haar, ik heb al nee gezegd. De man naast mij is minder geduldig, trekt aan haar arm en maakt een wuifgebaar, ‘ga weg’. Dat komt me ineens heel frappant over. De mannen hier kruipen op hun knieën door de straat om de vrije katten te verzorgen, hebben standaard een paar eetlepels droge korrels in hun zak voor de verschillende katten die ze onderweg nog mochten tegenkomen, bouwen in de winter kleine huisjes voor ze van karton, afwasteiltjes en een ouwe trui, waar dan in de lente weer vijf kittens uit tevoorschijn komen, die ook allemaal weer worden verzorgd, maar dit beeldschone kleine meisje dat een pakje zakdoekjes probeert te verkopen, wordt hardhandig weggejaagd. Istanbul lijkt niet van menselijke bedelaars te houden.

Gülfidan komt vandaag om 18:00 dus ik heb nog een paar uur te tijd om drie galerieën en een museum te bezoeken, ik ben hoopvol dat dit gaat lukken binnen twee uur, min een uur reistijd. Ik hoef alleen maar even heel efficiënt de weg te vinden en dan heel efficient door de collecties heen te browsen door heel doelgericht mijn strategie toe te passen namelijk als ik mocht kiezen wat zou ik dan mee naar huis willen nemen? Alleen sta ik dan ineens voor de Nederlandse ambassade en terwijl ik daar een foto van sta te nemen omdat die vlag daar zo mooi vrijheid staat uit te wapperen, zie ik daar daarnaast een antiquariaat, en in de etalage liggen een paar boeken over Holland uit de 19e, en wat handgemaakte sieraden, en dan moet ik natuurlijk even naar binnen. Het heet Denizler Kitapevi, Boekhandel de Zeeën. Binnen ligt op tafel een gigantisch boek met foto’s van Ara Güler dat ik eigenlijk best wil hebben, maar het ziet eruit alsof het 20 kilo weegt dus in plaats daarvan vraag ik de mevrouw naar de sieraden in de etalage. Ze pakt ze en zet ze naast me neer om te passen. Als ik een ring wil pakken wijst ze naar mijn horloge en raakt daarbij even mijn arm aan. Dat is de tweede keer vandaag dat een vrouw mijn arm aanraakt en naar die stomme zebra kijkt. Ze lacht erbij en zegt dat het een grappig horloge is. De ringen zijn rood of groen, liefde of hoop. Ik kies een rode uit die om mijn middelvinger past, want hoop is toch een kansloze missie en verlaat de winkel.

Ik wilde eigenlijk zeggen dat ik niet van souvenirs hou, maar ik hou wel van souvenirs, ik ben er stapelgek op, vooral als ik het kan gebruiken of dragen en ze voor zoveel uitleg vatbaar zijn, in dit geval de stad, de zee, het reizen en het zwerven, dat allemaal in mijn bloed zit. Gek genoeg kom ik ook elke keer mijn vader tegen. In het geluid van de meeuwen, de drukte van aankomende vapurs, de vrachtschepen die ik hier zie varen, de geur van vis in elke haven, en in de houten notenkraker in de vorm van een haring die ik kocht in een antiekwinkel tegenover het Museum van de Onschuld.

Langs de zijkant van de nederlandse ambassade loop ik naar beneden door een straatje dat zo leeg en vervallen is dat ik er niet vrijwillig voor zou kiezen, maar ik moet richting Istanbul Modern. Halverwege besef ik me echter dat het me nooit gaat lukken om dat in het kwartier te doen dat ik nog over heb, dus ik ga toch maar op mn gemak naar de iskele.

Ik ben ruim op tijd voor mijn lerares, maar ik ben inmiddels zo moe, dat ik halverwege het gesprek afbreek. Ik lig om 21:00 op bed en lees nog wat maar val vrij snel in slaap.

Het dak van Istanbul


De vapur ruikt naar pijptabak, een geur die me bekend voorkomt en die me ook doet denken aan een gedicht van Jan Prins over (en genaamd) Rotterdam waar me de tranen van in de ogen schieten elke keer als ik het lees. Pijptabak, opa, Willemstad Curacao, Istanbul. Het waait flink en ik heb mijn hoody meegenomen. Gisteren kon ik niet slapen van de buikpijn en van de kou. Om 01:00 stond ik op om Emine’s apartement ondersteboven te keren opzoek naar pijnstillers, onderstussen de hele tijd ‘Sorry, sorry’ zeggend voor het feit dat ik door haar spullen heen ging. Ik vond iets dat Projezik heette, ik googlede het en kon alleen Turkse bijsluiters vinden. Uit de vertaling bleek dat het iets was voor reumatische pijn en menstruatiepijn. Aangezien ik de connectie tussen die twee niet helemaal begreep, nam ik ze maar niet en besloot ik de pijn maar te ondergaan vannacht. Ik greep een extra deken en probeerde te slapen. Om twee uur ging ik de tweede deken halen en toen leek het eindelijk te lukken. Helaas werd ik om 6:45 al weer wakker en schijtchaggerijnig, excusez le mot.

Het feit dat mijn lerares om 14:00 komt, stelt me voor het probleem dat ik vooraf een keuze moet maken in wat ik op een dag ga doen. Als ik naar de overkant wil moet ik dat vroeg doen om op tijd terug te kunnen zijn. Vanochtend was ik duidelijk te moe om iets te doen. Om 7:00 zet ik koffie en ga in bed liggen met Orhan Pamuk in mijn handen. Ik zie pretentieuze pseudointellectuele kunstroutes vanochtend al helemaal niet zitten maar herinner me wat buurman Özgür gisteren vertelde over de oude poort achter de Mısır Çarşı (Egyptische kruidenmarkt). Na de koffie voel ik me iets beter en dit lijkt me wel een overzichtelijk tripje.

Een half uurtje later wandel ik naar beneden richting iskelesi.
Voor het begrip: gisteren zou ik dus die pretentieuze kunstdag doen, weer naar de overkant en Istanbul Modern en een paar galeries die ik had opgezocht, want ik was voorbereid. Maar omdat de bloemetjesgordijnen flinterdun zijn, lag ik om 6:15 al weer met de ogen open in het stralende zonlicht. Ik krijg te weinig slaap. Ik bleef nog een uur liggen. Dan kan ik dat blogje van de dag ervoor wel even afmaken. Ik zet koffie en met elk uur dat verstrijkt stel ik mijn plannen een beetje bij. Omdat het kan. Ik heb rust nodig. En Turkije is in het dagelijks leven bij uitstek een ‘because we can’ land. De hele ochtend ben ik aan het lanterfanten in huis. Ik zit heerlijk koffie te drinken en bij mijn raampje te te schrijven. Ik moet er uiteindelijk toch even uit van mezelf. Ik ‘woon’ vlakbij de leukste straatjes van Moda en ik ben er nog niet eens geweest. Het is warm maar ik zie niemand op straat met een korte broek lopen, waarvan ik er zeven bij me heb terwijl maar twee lange gescheurde spijkerbroeken. Op de trap kom ik de buurman tegen. Die nodigt me spontaan uit voor een borrel. Ik ben er nog steeds niet achter in hoeverre het nou de bedoeling is dat je dit aanneemt, maar vooralsnog bedank ik.

Het is gelukkig niet zo druk en ondanks de ramazan zie ik mensen gewoon eten op de terrassen. Ik loop direct Güneşli Bahçe (zonnige tuin) straat in omdat ik weet dat het daar stikt van de groentekraampjes en restaurantjes. Ik loop naar het eind en heb ook al gespot waar ik straks even gevulde mosselen en baklava ga halen. Ik struin even bij een tweedehands boekwinkel met veel Franse boeken uit de 18e eeuw, en bij Çiya ga ik naar binnen, ik heb gelezen dat die de lekkerste kebab moet hebben, en nog onder de indruk van gisterenavond denk ik nog helemaal aan niks anders. Ik bestel de Çiya Kebab en Sumac şerbeti, geen idee wat dat is maar daarom juist. Ik krijg in dunne reepjes sesambrood gerold vlees met walnoot, met een tomaatje, pepertje en witte kaas in het midden en weer eet ik dit bord leeg alsof ik een week niet heb gegeten, zo lekker. Ik beloof dat ik niet elke keer ga vertellen wat ik eet, maar dit is pas dag drie of strict genomen in termen van maaltijden dag twee en ik ben nog onder de indruk van al dat andere eten. Tijdens het eten consulteer ik wat vriendinnen over het aannemen van uitnodigingen van Turkse buren, dat wil zeggen buurmannen, en er is een aanzienlijk verschil tussen die twee, en aangezien de meeste zeggen dat ik Turkse mannen niet moet vertrouwen, moet ik dat maar niet doen dan.

Echter ik heb bestwel zin in een biertje en het is nog zo vroeg, en voor de deur van mijn gebouw staat de jonge hipster buurman weer, dus allah, we nemen bij Dimo om de hoek even een biertje, dat wil zeggen ik een biertje en hij een Cola light vanwege ramazan.

Buurman Özgür is puntje bij paaltje nogal verlegen maar binnen 0 seconden gaat het gesprek over politiek en Galatasaray en breekt het ijs. Ook hij waarschuwt me trouwens dat ik Turkse mannen niet moet vertrouwen. Buurman blijkt een 29-jarige hipster behorende tot het geheime genootschap dat spreekt in termen van “wij” tegen “hem”. Ik heb het nu al een paar keer meegemaakt, er is hier hier een apart slag mensen dat ik inmiddels schaar onder het ‘underground resistance’ genootschap, die een bepaalde taal hanteren waaruit je kan afleiden dat ze tot dezelfde sociale groep behoren. Ze kennen elkaar niet, maar hebben het altijd over ‘wij’ (biz) waarmee ze alle mensen bedoelen die tegen tegen ‘hem’ zijn. Gezi Park speelt hierin een grote rol, elke keer komt het weer naar boven in de gesprekken. Als het Gezi wordt genoemd in het gesprek, kan je er gif op innemen dat je aan het praten met met een member of this unmentioned society. Deze mensen hebben duidelijk bepaalde kenmerken met elkaar gemeen: jong, intelligent, houden van kunst, geschiedenis, wetenschap, zijn een beetje ‘quirky’, zijn eigenlijk allemaal een beetje van de hipster society, wat ik eigenlijk allemaal nogal belachelijk en arrogant vind, sorry jonges, ik ben echt te oud voor die hipster fratsen, maar toch. Zo heeft mijn ‘landlady’ bijvoorbeeld een gasmasker en heavy duty bouwbril in de badkamer hangen, hèt symbool van deze naamloze sub-maatschappij: gasmaskers = Gezi park protests. Ze hangen er een beetje artistiekerig bij, maar ze hebben ook iets van baby, I’m ready to go. Zo van, je zal maar even snel een gasmasker nodig hebben, toch? Dan hangen ze voor het grijpen in de badkamer, boven de strijkplank of naast de boodschappentassen en het kattengrit. Wat zo ongelofelijk aansprekend is, is de beheerste overtuiging en de serene passie die deze mensen hebben voor wat er gebeurt in hun land, en hoezeer ze het ermee oneens zijn. Allemaal zijn ze overigens negatief over de toekomst, ze hebben de stellige overtuiging dat things will get worse before they get better. Ze hebben allemaal een je ne sais quoi over zich, een Bob Dylan-achtige weemoed is wel de meest in het oog springende eigenschap, maar tegelijkertijd een sterke overtuiging dat wat er nu gebeurt, niet goed is. Ze zeggen dat het merendeel van de mensen die nu op de huidige partij stemt, dit vooral doet uit angst om hun baan, hun inkomen te verliezen, of gewoon omdat ze niet beter weten. Zelf denk ik dat traditie, manipulatie van de media en intensieve framing (wat je voorheen zou bestempelen als propaganda) een grote rol spelen. Anyway, ik kan er uren over doorgaan.

Ook nu is het gesprek met Özgür doorspekt met politiek en ‘wij’-termen. (Sorry mam, het gaat toch weer over politiek.) Op het moment dat er mensen naast ons komen zitten, gaat ons stemvolume omlaag. Ik ben me er ineens van bewust dat ik moet letten op wat ik zeg, en tegelijkertijd komt het me een beetje overdreven over. Maar ik zie dat Özgür ook zo reageert, dus ik pas mijn tone of voice onmiddellijk aan. Daarentegen hebben we het ook over de wetenswaardigheden van Galatasaray en de awkward ET-baby van Wesley en Yolanthe, en reizen in het algemeen en Fethiye en de Lykia Yolu in het bijzonder. Na het bier lopen we naar Kemal Usta Waffles op het einde van Moda Caddesi voor een zondige wafel met bergen fruit en siroop en andere overdadige shit en ik vraag hem waarom hij geen alcohol drinkt met de ramazan maar evengoed wel zo’n wafel eet. Ik zie het verschil niet, qua zondigheid.

Özgür weet me verder te vertellen dat er vlak achter de Egyptische Markt in Fatih een antieke houten deur is die toegang geeft tot een geheim.
En dat is waar ik vandaag heen ga. Op Google maps heeft hij me laten zien waar het is, dus het is een piece of cake om vanaf de vapur de weg te vinden naar Çakmakçılar straat. De antieke houten deur staat open en is behangen met truitjes en tshirts, zoals deze hele buurt behangen is met alles dat men wil verkopen. Özgür heeft me verteld dat ik gewoon naar binnen moet gaan, er is daar een mannetje, die moet je 1 lira betalen en dan doet hij binnen een deur voor je open. Ik loop door de houten deur een soort courtyard op. Aan de rechter kant zie ik een donkere stenen trap. Automatisch ga ik er naar toe en loop de trap op. Ik weet niet wat me beweegt, het is een donkere stenen trap waar verder niemand te zien is. Ik loop naar boven en kom in een donkere stenen galerij met een rond plafond, als de galerij van een klooster. Een paar mensen zijn aan het werk in de ruimtes aan de zijkant, verder is er niemand. Alles is zo oud, dat ik wel moet doorlopen. Ik wil zoveel mogelijk van deze verborgen schat zien voordat iemand me wegstuurt. Ik heb het gevoel dat ik gewoon moet doorgaan tot iemand me tegenhoudt. Aan het eind van de gang gebeurt dat ook, er staat ineens een mannetje voor me dat iets tegen me zegt in het Turks waar ik alleen het woord ‘kapalı’ van oppik, ‘gesloten’. ‘Kapalı mı?’, vraag ik met een teleurgestelde blik. Gelukkig zegt het mannetje meteen dat voor 5 lira hij me er wel in wil laten. Dat aanbod beantwoord ik met een dankbare knik en hij gaat me voor, die donkere gang in en ik volg hem. Na een paar bochten en trapjes komen we bij een zware houten deur van een paar honderd jaar oud, hij opent deze en laat mij binnen, duidelijk niet van plan om mee te gaan. Hij wijst de trap op, dat ik naar boven moet gaan en hij trekt aan een palletje van het slot om te laten zien hoe ik het van binnen open moet maken. Daarna doet hij de deur achter me dicht en draait die op slot. “Okeeejjjjj”, denk ik, “Dan zal ik maar naar boven gaan he?” Ik volg de uitgesleten stenen trap naar boven, het wordt steeds lichter en plotseling sta ik bovenop het dak van een eeuwenoude markt, tussen de kleine koepeldaken, met uitzicht over de wijk Fatih, de Suleymaniye moskee, de Gouden Hoorn, Galatabrug, Galatatoren, de wijk Beyoğlu. Niemand is hier, alleen ik. Ik loop voorzichtig rond op de eeuwenoude koepels en kijk om me heen, geniet van het uitzicht, luister naar de geluiden die uit de stad omhoogkomen. De oude baksteentjes komen hier en daar onder de lagen cement vandaan. Hier ligt bitumen, daar tegels, verderop zijn de gaten met cement gedicht. Het waait en ik ga een paar minuten op een van de koepels zitten. Hier geen verkoopwaar of schreeuwende verkopers, dit is de achterkant van de markt, de achterkant van Istanbuls drukke straatleven. Wat ongelofelijk dat ik dit nou weer mag meemaken.

Als ik opsta om terug te gaan staat er aan de andere zijde van de courtyard op een plat dak een mannetje naar me te zwaaien. Hij gebaart dat ik om moet lopen. Ik begrijp niet zo goed waarheen dus ik zwaai maar gedag. Als ik beneden aankom, staat hij op me te wachten, en wenkt dat ik mee moet komen, en vraag me niet waarom, maar ik doe het maar. Het mannetje is een kop kleiner dan ik en snelwandelt met korte pasjes richting een hoek van de courtyard, steeds achteromkijkend of ik nog volg. We gaan een nog donkerdere gang in, en slalommen nog meer stenen trapjes op die soms zo donker zijn dat ik niet eens kan zien waar ik mijn voeten zet. Totdat we aankomen op het platte dak vanwaar hij zojuist naar me stond te zwaaien. Inderdaad, ook hier een briljant uitzicht over deze wereldstad. Trots staat hij te zwaaien naar alles dat je vanaf hier kan zien. Aan de overkant van het dak is nog weer een kleine deur. Hij zegt ‘Ik ga nu thee halen’, dus ik neem aan dat ik ben uitgenodigd voor de thee. Er is eigenlijk niet eens sprake van dat ik dat zou afwijzen, dus ik ga maar naar binnen. Ik kom in een piepklein huiskamertje en mag op de bank gaan zitten. De tv staat uiteraard aan. Ik krijg thee en die drink ik met suiker. Het mannetje heet Murat, en ik heet voor het gemak maar even Jen. Murat praat honderduit en ik versta er maar flarden van. Ik vraag hem naar de bomaanslag gisteren, hier in de buurt. Hij wijst naar de televisie en zegt dat er net twee uur geleden nog een PKK-aanslag is geweest in Mardin. Ik vraag of hij hier een winkel heeft. Hij zegt, dit is mijn winkel. De thee is inmiddels op, en ik sta op om weg te gaan. Ik had hem niet helemaal begrepen en vraag waar zijn winkel dan is. Hij steekt zijn arm uit naar de kleine ruimte ernaast. Die blijkt vol te staan met grote pannen en wokken die tegen de muren staan opgestapeld, en op een tafel staan een gietijzeren kooktoestel en verschillende potten verf. Nu begrijp ik de verschillende gekleurde bergjes wol die in de kamer lagen: deze man verft stoffen. In theatrale gebaren laat hij zien hoe hij dat doet: water koken (hij steekt zelfs het gastoestel even voor me aan), verf erbij, wol erin, roeren. Ergens ander in de gang beneden worden dan de stoffen gemaakt. Ik maak geen foto’s, op de een of andere manier voelt dat oneerbiedig aan, maar ik heb er nu wel spijt van.

Bij het weggaan gaan we ons te buiten aan beleefdheden en wijst hij me de weg terug. Het is aardedonker en ik moet met mijn iphone bijschijnen om niet op mijn bakkes te gaan. Gonzend van geluk neem ik de vapur naar huis.

Galerij boven de markt in Fatih

Follow the sun

 

Follow, follow the sun
and which way the wind blows
when this day is done

Breathe, breathe in the air
Set your intentions
Dream with care

Tomorrow is a new day for everyone
Brand new moon, brand new sun

So follow, follow the sun
the direction of the birds
the direction of love

Breathe, breathe in the air
cherish this moment
cherish this breath

Tomorrow is a new day for everyone
brand new moon, brand new sun

When you feel life coming down on you
like a heavy weight
When you feel this crazy society
adding to the strain
Take a stroll to the nearest waters edge
remember your place
Many moons have risen and fallen long, long before you came

So which way is the wind blowing
and what does your heart say?

So follow, follow the sun
and which way the wind blows
when this day is done…

 

– Xavier Rudd

​

Onschuld


Ik vond gisteren dat ik wel mocht uitslapen dus ik had de wekker om 9:30 gezet, maar ik werd om 7:15 (6:15) al wakker. Enigszins van de schrik bekomen had ik bedacht dat ik dit maar gewoon een relaxte dag moet maken zonder ‘bucketlistgerichte’ activiteiten, aangezien ik al één taak heb vandaag, en dat is de sleutel ophalen van het appartement van Uğur (spreek uit: Oe-oer) in Cihangir, Beyoğlu. Ik moet daar om 14:00 zijn. Eigenlijk had ik nu dus de wijk in willen gaan voor een ontbijtje maar de drukte van gisteren heeft me afgeschrikt, dus ik zet gewoon koffie en smeer een paar crackers met iets van Philadelphia-achtige kaas. Ik nuttig dat ontbijt afwisselend op de ene en de andere bank en aan het tafeltje bij het raam, omdat ik mijn draai nog niet kan vinden. Al die kamers ook… wel vier, ik ben het niet gewend. De hele ochtend loop ik achter mijn spullen aan, ik vergeet direct waar ik mijn telefoon, iPad, koffie, cracker, slippers heb gelaten en moet dan dus wel vier kamers checken. Het hele ochtendritueel duurt dan ook twee keer zo lang als normaal. Maar de zon schijnt, het is warm, de ramen staan open, de geluiden van Istanbul begeleiden het hele ritueel. Om 11:30 loop ik de deur uit richting iskele (bootstation).
Bij de kiosk haal ik een Istanbul kartı en met handen en voeten vraag ik of de verkoper hem ook op kan laden. Ik weet niet wat er mis is, maar van mijn Turks komt helemaal niets terecht, ik weet niet wàt er uit mijn mond komt, of misschien schijnt mijn truitje teveel door, ik weet het niet, maar niemand verstaat er een jota van. En waar ik voorheen dacht, alle Turken spreken toch Engels, nou, niet dus, op het moment dat je echt iets nodig hebt, spreekt er helemaal niemand Engels. En dan is het dus handig als je zuurgeleerde Turks er een beetje begrijpelijk uit komt, maar die moeite is dus klaarblijkelijk ook voor niks, want twee mannen kijken me aan alsof ze denken: “Dat mens probéért kennelijk iets in het Turks te zeggen, maar wat bedoelt ze in vredesnaam?” Pas als er een derde jonge gast aan te pas komt die meteen als vertaler inspringt, komt het goed. Istanbul kartı in de pocket, ik kan weer tien keer heen en weer met de vapur (spreek uit: wapoer).

Ik stap uit in Karaköy aan de noordkant van de Galatabrug en stap op de tram naar Tophane. Dat is precies aan het eind van Boğazkesen straat (“Strait cutter” straat, genaamd naar het afsnijden van de Bosporus waarmee de ottomanen Constantinopel veroverden in de 15e eeuw, maar letterlijk vertaald ook ‘neksnijder’, wat de straat waar ik nu doorheen loop net even die extra edge geeft). Het appartement van Uğur ligt in een zijstraat hiervan. Ik ben ontzettend vroeg, zodat ik lekker even door deze hippe buurt  kan struinen. Dat betekent trouwens wel dat ik deze straat helemaal uit moet lopen, of liever óp moet lopen, want ik heb inmiddels wel door dat je straten hier uitsluitend òp- of àfloopt. Bijna aan het eind ben ik toch redelijk buiten adem en ga ik zitten in een nis op de stoep, die het terras van een boho hipster koffiecafé blijkt te zijn die dan ook arrogant genoeg is dat je er dan ook echt alleen maar koffie kan krijgen. Nou ja, en water en thee. Een meisje voor me bestelt thee, en krijgt die met een instructie van drie minuten en een minizandlopertje erbij. Doe mij maar koffie dan, en water. Even vergeten dat ik geen geld bij me heb. “Geen probleem, betaal later maar,” zegt de hipster ober, terwijl hij een inderdaad goddelijke latte voor me neerzet, “verderop zit wel een pinautomaat.” Dat vertrouwen dat je moet geven in dit land, krijg je ook terug.

Op zoek naar de pinautomaat sta ik ineens op Istiklal straat. Uit nostalgie omdat ik hier twee jaar geleden met Jan liep, loop ik een stukje door. Voor de deur van het Galata Lyceum zijn twee banken opgesteld waar mensen op zitten met bordjes in hun handen. Op de grond ervoor worden nog meer bordjes neergelegd. Het zijn foto’s met namen en data eronder. Het zullen wel geen verjaardagen zijn. Ik loop er langzaam omheen om erachter te komen waar het over gaat zonder dat ik iemand hoef aan te spreken, maar ik kom er niet achter. Iets verderop staan een paar politieagenten te kijken. Terwijl ik de flarden woorden aan elkaar probeer te rijgen, wandel ik langzaam door en als ik weer om me heen kijk zie ik dat ik exact op de plek ben waar kort geleden een aanslag is gepleegd, waar drie toeristen omkwamen. Ik herken het aan het naambordje van een gemeentelijk politiebureau. Je ziet er niets meer van terug. Er kijkt niemand naar om. Ik krijg een heel licht unheimisch gevoel en vraag me soort van verplicht af of ik hier wel veilig ben. Ik draai me om en loop terug. Ik zie nu dat in het straatje achter de politieagenten, niet meer een paar politieagenten staan, maar inmiddels wel veertig of vijftig en er staan ook twee ME-bussen achter. Een seconde ben ik van plan een foto van ze te maken, maar besluit dat ik dat misschien maar beter even niet kan doen. Sterker nog, ik heb ineens het gevoel dat ik gewoon maar beter helemaal heel snel hier weg kan gaan. Ik loop terug naar ‘Coffee Lab’ (wil je iets hipsters starten, dan zet je er gewoon ‘Lab’ achter) en betaal de jongen, die zich ongetwijfeld al afvroeg of ik nog terugkwam. Van de demonstratie merk ik verder niets meer.

Ik eet nog even een hipster broodje in ‘Bite’ dat 45 minuten duurt om te maken, en loop dan naar het apartement van Uğur.  Bovenaan de 96 treden staat hij me breed grijnzend op te wachten. Ik krijg een glas water en een rondleiding. Hij zwaait de balkondeuren van de woonkamer open en daar ligt Galata over de heuvels gedrapeerd, met op 500 meter afstand de Galatatoren. Ook hier is het uitzicht sprookjesachtig, wat ben ik een bofferd. Uğur is de perfecte gastheer, ik mag alles gebruiken, overal voor bellen, dan komt hij meteen, en in de koelkast staan twee bakjes sütlaç, die moet ik lekker opeten met honing, ja, hij doet dat niet “because I’m working out, I have to watch my sugar intake”, maar ik ben kennelijk dik genoeg om wel suiker te eten. Ik vermoed dat hij gay is. Hij vertelt dat hij meerdere keren in Amsterdam is geweest, “ofcourse Amsterdam is the Mecca of everything!”, en dan weet ik het bijna wel zeker.

Ik vertrek vlak na hem om even boodschappen te doen bij Carrefour op Sıraselviler caddesi midden in Cihangir, en ik waan me in Parijs. Kleine straatjes, pleintjes met bomen, terrasjes. Voordat ik daar aankom neem ik wat willekeurige zijstraten en opeens sta ik voor het Museum of Innocence. Toch maar gelijk naar binnen ook al is het al eind van de middag. Dat is de beauty van alleen reizen, al die mooie dingentjes meteen kunnen doen. Ik ben ook helemaal in verrukking van het museum. Pamuk maakt een studie van het verbinden van woorden, betekenissen, herinneringen en objecten. Het museum bevat duizenden onschuldige objecten waar je anders niet naar om zou kijken maar in deze context vormen ze een verhaal, en hebben ze betekenis, en relateer je automatisch zijn objecten, en woorden, en betekenissen aan die van jezelf. Het hele museum is daardoor een kunstwerk en een ontroerende persoonlijke beleving in één.

Teruggekomen die 96 treden op zit ik nog lang op het terras te schrijven met een glas wijn. Tegen zonsondergang neem ik de ferry weer terug naar Kadıköy.

Als ik van de boot ben gestapt, loop ik toch maar even achter de meute aan richting het centrum. Mijn afkeer van mensenmassa’s zorgt ervoor dat ik de eerste de beste kebapzaak binnenloop en niet verder durf. Gelukkig betreft het hier Iskender kebapçı, sinds 1967 al in de kebap volgens het servetje, en zelfs de hele familie heet Iskenderoğlu, met die mensen moet je niet sollen, die weten wat ze doen. Alleen is dat geen Engels spreken dus met mijn kennelijk gebrekkig Turks zeg ik dat ik iets wil eten. Weer die verwarde blik, terwijl het me toch redelijk voordehandliggend lijkt wat ik hier kom doen op dit tijdstip van de dag net als de rest van de Kadıköyers. Ja ik weet het jongens, ik ben alleen, het is een beetje gek, maar een mens alleen moet toch ook eten? Als ik dan maar in het Engels vraag of ze een tafeltje voor me hebben wordt er geroepen naar degene in de bediening die wel Engels spreekt, en die wordt er dan bijgehaald. Het komt me over als nogal veel moeite, zeker als blijkt dat op het hele menu maar twee dingen staan, dus de kans op misverstanden over de bestelling is nagenoeg niet aanwezig.  Een hele portie, of 1,5 portie kebap, ik vind het allemaal prima, als ik hier maar zo snel mogelijk weg kan. Ik bestel een portie en water (geen alcohol op de kaart) en die worden binnen vijf minuten gebracht (allicht als ze toch de hele dag niks anders maken). De ober zet een bord geschaafd vlees voor me neer en schenkt voor mijn neus er uit de pan een restje heet braadvet overheen. Ik neem een hap brood en vlees en ik sta meteen op scherp: hoe kan dit? Hoe kàn dit zo lekker zijn? Ik zie er werkelijk niets bijzonders aan: tomaatje, groen paprikaatje, brood, vlees en witte kaas. Maar het is goddelijk, en ik had niet eens honger. Dat vlees is echt zo lekker. Het is amper gekruid, maar zacht, en de peper en boter maken alle vleessmaken los. Ik kan ook meteen niet meer ophouden met eten en heb spijt dat ik niet die 1,5 heb genomen. Binnen 10 minuten heb ik mijn bord leeg, eerlijk is eerlijk, ook omdat ik gewoon weg wil. Maar ik zie wel dat hier gewone mensen zitten, geen toeristen, ik hoor alleen maar Turks om me heen en ook al heb ik het gevoel dat ik er totaal niet bijhoor, het is prima, want het is ècht, en gewoon, en ik heb zojuist de kebapsummit van mijn leven bereikt, en dat is een prima verworvenheid voor vandaag.

Sütlaç met honing
Museum of Innocense

Ik moet er even inkomen

Op het vliegveld zou iemand moeten staan met een kaartje met mijn naam erop, die zorgt voor mijn mobiele bereikbaarheid deze maand en ook voor mijn transport naar Bakırköy. Als ik met 5000 andere zwetende passagiers de douane ben gepasseerd, mijn 30 kilo bagage heb opgehaald en naar buiten kom, staan daar 40.000 soort van taxichauffeurs met bordjes in hun handen met namen uit alle landen, te schreeuwen dat ze mij wel naar mijn hotel willen brengen. “Which hotel? Which hotel?” Als ik dan zeg dat ik geen hotel heb, met mijn bleke krullenkop dus duidelijk toerist, ontstaat een verwarde blik waarna ik niet meer de moeite waard ben en de zoektocht gaat verder. Na vijf minuten vind ik mijn man, hij zegt niets tegen me, wenkt alleen maar “geef me je telefoon”, wat ik dan ook maar doe. Als rechtgeaarde wantrouwende Hollander moet je je hier wel een beetje aanpassen. En dat begint dus meteen op het vliegveld. Inderdaad heb ik nog geen twee minuten later mobiele wifi en zit ik in een Istanbulse kamikazetaxi en voel ik me zo vrij, zo vrij, razend door dat verkeer tussen die lelijke flatgebouwen, dat de tranen me gutsend over de wangen stromen. “Bakırköye gidiyor muyuz?” vraag ik aan de 14-jarige taxichauffeur, gaan we naar Bakırköy? Ja, daar zijn we inderdaad 10 minuten later en net op tijd voor de denizautobüsü (zeebus) van 17:45 naar Kadıköy, niet 18:00 zoals op werkelijk alle websites staat, want ik heb me voorbereid, maar 17:45. Die had ik dus anders mooi gemist en zo zie je maar dat je je te pletter kan voorbereiden, maar dat heeft hier allemaal helemaal geen nut.

Het is maar tien minuten lopen naar het apartement van Emine, ja, tien minuten maar wel berg òp met 30 kilo die aan je arm hangt en dan kan je wel een sleurtas hebben maar dat maakt dus helemaal geen reet uit. Als ik er aankom is Emine gelukkig thuis, en hoef ik alleen nog maar die 8 trappen op naar de top floor. Sinds de vlucht heb ik al niets meer gegeten of gedronken, mijn hoofd barst zowat uit elkaar, maar daar staat Emine elegant en dun en voorkomend en gastvrij in de deuropening. Ik voel me als een slagroomtaart in de zomer die te lang buiten de koelkast heeft gestaan maar ik moet nog even socializen met Emine, die me de ins en outs van het apartement vertelt en ook op haar vriend wacht (die trouwens trainer is bij een zeker niet nader te noemen lokale voetbalclub aan de overkant waar een van onze landsmannen ook speelt). En passant word ik uitgenodigd voor een zeiltocht naar ‘the islands’ want de vriend zeilt en heeft een boot. Niet gelijk alles aannemen Jen, they’re just being polite.

Emine neemt me mee naar de woonkamer en laat me het uitzicht zien, en voor me openbaart zich het meest dromerige uitzicht dat ik ooit heb gezien, beter dan ik durfde te hopen toen ik hier naar toe kwam, helemaal op maat voor mij. Tussen de flatgebouwen, over het straateinde heen, heb ik vierkant uitzicht op de Bosporus en aan de overkant Fatih, als een sieraad langs de hals van de horizon, met als edelstenen de Aya Sofia en de Blauwe Moskee.

Emine vertrekt en ik zet mijn koffer in een kamer, trek hem open en in minder 20 seconden ziet de kamer eruit alsof ik er al twee jaar woon, en Jan weet wat dat betekent. Want die broek die ik aan moet zit natuurlijk ònderin, net als mijn toiletspullen ònderin zitten, alsmede mijn schone ondergoed ook ònderin zit, waarna mijn makeup en bloes en ballerinas vervolgens ònderin zitten. Ik neem een douche en kleed me aan. Ik verdwaal steeds in dit huis. Het ruikt hier naar parfum en wasmiddel. Ik zie alle schoenen bij de deur staan en realiseer me dat ik mijn schoenen uit had moeten trekken bij binnenkomst. Als je je zoiets realiseert, voelt je je bestwel een boerin.

Gedoucht en alles ga ik naar buiten op zoek naar de Migros die hier om de hoek moet zitten. Het is iets van 19:00 uur en het is ster-vens druk op straat. Ik moet even wennen omdat werkelijk iedereen me aankijkt. Ik ben onmiskenbaar buiten het toeristenseizoen de enige kaaskop. Het maakt dat ik me niet op mijn plaats voel. Een beetje eenzaam. De Kadıköy-er voelt aan als de Parijzenaar of de New Yorker. De vrouwen moeten je al helemaal niet en de mannen kijken zo lang naar je als hun vrouw dat toelaat. Die vrouwen zijn in mijn ogen ook allemaal dun, donker en mooi en iets teveel opgemaakt. Ik voel me nu al een walvis. Gelukkig heeft de Migros wijn, nectarines, koffie en ontbijt en via Pizza Moda haast ik me snel naar mijn plekje bij het raam. Ik voel me gelukkig, en vrij, en bevoorrecht, maar moet ook nog een beetje wennen…