O ja, woensdag 14 juni, Kariye, Koç


Had ik al verteld hoe druk en heet het is? Maar wat ik er wel bij moet zeggen is dat er een verschil is tussen de weekenddrukte, als hier de ‘toeristen’ naar toe komen, en de doordeweekse drukte, die maar door lijkt te gaan tot diep in de avonduren en niet alleen bestaat uit mensen die aan het winkelen of consumeren zijn, maar mensen die op weg zijn naar hun werk of aan het werk zijn. Er is een eindeloze stroom mensen, constant in de weer is met steekwagentjes met 10 liter waterflessen, zakken met afval dat van de straten wordt geplukt, handkarren met tweedehands spullen (de ‘eskici‘ [eskiedjie], rommelhandelaar, ze lopen langs de straten met platte handkarren met oude schoenen, een wasmachine, een bergje sieraden, tassen, een typemachine etc etc), theeverkopers met etagères vol met tulpvormige kopjes thee voor de verkopers in de winkels, steekwagentjes met groenten, steekwagentjes met biervaten, lege steekwagentjes, alles vlot vlot begeleid door getoeter naar de deur en weer terug naar de kleine vrachtwagen die het verkeer in de smalle straten staat op te houden.

Ik probeer steeds de Nederlandse versie van de dingen te vinden, of te relateren, maar ik zie in Nederland geen steekwagentjes met 10 liter waterflessen over de stoep rijden. Toen ik in het appartement trok, zei de eigenaar tegen me: “My waterman may come to the door.” Ik dacht bij mezelf, “My waterman? Wat moet dat dan weer zijn?”. Maar klaarblijkelijk laat je hier net als koffie of ontbijt dus ook je water bezorgen, in 10 liter waterflessen, die het mannetje voor je naar boven schleppt en in de keuken neerzet. Hoe je vervolgens dat water eruit krijgt was me een raadsel, want het zijn van die flessen die doorgaans ondersteboven in een waterkoeler zitten, totdat ik ontdekte dat er kraantjes te koop zijn die je er aan de onderkant in kan drukken. Overal zijn ‘mannetjes’ voor. Om je dingen te brengen. En dingen voor je te dragen. Dat doen ze sowieso allemaal, de mannen hier. Ik stond op het vliegveld bovenaan de trap met mijn koffer, staat er ineens een stel naast me, jaar of 25, echt piepjong, vraagt de jongen aan me: “Please let me carry that for you?”, nota bene waar zijn vrouw/vriendin naast staat. Ik was nogal perplex en ik zei (vooral vanwege háár): “No no I’m fine, çok teşekkürler!”, maar aan de verbaasde, ietwat door dat onaangepaste gedrag verstoorde blikken, die onderaan de trap ook nog even achterom werden geworpen, begreep ik dat het echt niet de bedoeling is om dit af te slaan, het is echt hun eer te na om een vrouw dingen te laten dragen. Je bent een man, dat is je taak in het leven. Wat een heerlijk land.

Dus… Om een uur of twaalf zat ik pas in het voormalige Kut café, ja sorry, zo heette het toen ik vorig jaar in deze straat een appartement had, nu heet het helaas anders, alleen ik weet niet wàt. Het was een grunge-achtig ontbijtcafe, nu is het een van de miljoen hipster koffie barretjes die hier in een jaar tijd de grond uit zijn geschoten, waar je een sandwich kan eten, je kan kiezen uit wel twee, of een organische suikervrije haverwafel of een stuk glutenvrije cheesecake, maar daar vind ik het nog te vroeg voor. Het zit hier heerlijk, de gevel is open, in de open raamkozijnen zijn banken gemaakt met kussens en ik krijg een heerlijke cappuccino en een ‘organic’ zuurdesem sandwich met avocado, sla en Turkse witte schapenkaas en ik zit heerlijk bij dat open raam te schrijven en naar buiten te kijken en aangestaard te worden door de voorbij rijdende taxi’s en kleine vrachtwagentjes en ander verkeer. Daardoor is het al tegen tweeën als ik richting de iskele loop, een fijn loopje, richting het water, je voelt de koelte van het water al naar je toe waaien, dan rechtsaf de trambaan volgen en over de kade naar de veerboot lopen. Elke bestemming aan de overkant heeft een eigen gebouwtje en een eigen ingang, ik heb op de Trafi-app gezien dat ik naar Eminönü moet en daar bus 336E nemen. Ik haat de bus en word in Nederland liever niet dood in de bus gevonden, maar het moet maar even. Het gaat allemaal feilloos met mijn Istanbul kartı, waar nog 44 lire op staat van de 50 die ik aan het begin van de week erop heb laten zetten. Wat misschien komt doordat ik de Uber heb ontdekt en o jeeeeee wat is dat heerlijk. Voor 5€ in een 8 persoons taxi rechtstreeks volledig geclimatiseerd naar de andere kant van de stad worden gebracht. Niet afrekenen, niet moeilijk doen met adressen geven, je weet van te voren al wat je betaalt (bijna niks), gewoon instappen en uitstappen, that’s it. Ik bedoel, what can I say, ik Uber mezelf drie slagen in de rondte. Na elke rit kan je de chauffeur een beoordeling geven, 1 tot 5 sterren, is hij gezellig, is de temperatuur goed, rijdt hij veilig doch snel, dat soort dingen. Ik geef eigenlijk altijd een vijf. Alleen ontdekte ik dat chauffeurs hun klanten óók een cijfer kunnen geven, en dat ik een 4,6 had. Dit bracht me toch enigszins van mijn stuk: ik had iets van drie ritten gehad en mijn gemiddelde was een 4,6? Wat had ik in vredesnaam verkeerd gedaan, en bij wie? In elk geval ben ik vastbesloten om mijn rating omhoog te halen, dus volgende keer toch maar die gordel vast en zelf gezellig een praatje aanknopen met de bestuurder.

Ik bezoek vandaag het Kariye of Chora museum, een Griekse kerk uit de vijfde eeuw. Als ik uitstap bij de goede halte blijkt dat ik óók bij de antieke stadsmuur loop die ik toch al wilde bezoeken, dus die kan ik gelijk afstrepen. Ik loop door een nogal onuitnodigend wijkje, aan niets is te merken dat hier, onder weer zo’n afzichtelijk busstationsafdak, een van de mooiste oudste bouwwerken van Istanbul staat, een byzantijns-christelijke kerk, met de prachtigste mozaïeken overal in de muren en de plafonds, ze zijn echt van een bijzondere schoonheid en ook al is het al 15:30 en wil ik ook nog naar het Koç Muzesi aan de overkant van de Gouden Hoorn, ik neem er echt even de tijd voor. De kleuren zijn prachtig, het is binnen ook uitzonderlijk koel en stil en heerlijk, het bladgoud van het mozaïek schittert door de kleine ruimtes heen. Een man komt naar me toe en vraagt in het Engels: “Do you speak French?”. “Oui, un petit peut, qu’est-ce que vous voulez savoir?”, zeg ik. “O no”, zegt hij, I provide French tours for this museum, I thought you may speak French”, zegt hij. “Well, do you speak any Dutch?”, vraag ik grijnzend aan hem, maar helaas, en hij verdwijnt weer. Na deze Kafkaesque situatie vervolg ik mijn weg en word een paar minuten later weer aangesproken. Of ik een tour in het Engels wil. Kennelijk staat er ergens een legertje tourguides om de hoek te wachten in bijna alle talen om je door de 70 vierkant meter van het kerkje te begeleiden. Ik bedank hartelijk, maar ik heb hier echt maar 10 minuten de tijd, dus dat gaat niet lukken. In de hoofdruimte staan een Amerikaanse man en vrouw zich te vergapen aan alle cultuur die ze thuis moeten ontberen en, net als ik, naar de schitterende koepelplafonds te staren. De man draait zich naar me toe en zegt glimlachend: “There should be something here to lie on, don’t you think?” “Well, there is”, zeg ik, wijzend op de vloer. Zijn vrouw schiet in de lach. We knopen een kort gesprekje aan over hoe mooi het allemaal is en ik spreek en passant nog even mijn twijfel uit over de rigoreuze Turkse restauratiemethodes van antieke overblijfselen, maar ze kijken me schaapachtig aan en hebben geen idee waar ik het over heb. O, heerlijk, Amerikaanse first-timers, ik sta te springen om mijn tanden erin te zetten, maar ze worden al weggekaapt door de Engels sprekende gids die tussen de coulissen uit is gesprongen, en bovendien moet ik weg.

De Uber is er binnen 6 minuten, net genoeg om een flesje water te kopen, en ik kijk nog even om me heen voordat ik besluit om het nog even níet aan mijn lippen te zetten want Fatih en ramazan. Ik moet zeggen, ik merk helemaal niets van de ramazan, in alle wijken behalve Fatih lopen mensen openlijk op straat te eten en drinken, en Kadikoy, nou ja, daar zijn mensen überhaupt van God los.

De Uber-chauffeur kletst deze keer weer honderduit en herhaalt alles wat hij zegt twee keer, een keer normaal en een keer speciaal voor mij langzaam, omdat hij begrepen heeft dat ik een paar woorden Turks spreek en graag wil oefenen. Hij vraagt of ik al in Kadiköy ben geweest, want dat is zo gezellig en hij woont er, dus we hebben meteen een band, de Uber-chauffeur en ik. Ook is hij edelsmid geweest, en hij wil nu nog een jaartje werken, en dan verhuizen naar Marmaris of naar Bodrum. Het was een leuk gesprekje en ik word overladen met complimenten over mijn Turks, afijn, ik weet eigenlijk niet of dat wel telt als een compliment, dat hij het gewoon leuk vond dat ik een beetje Turks probeerde te spreken. Ik geef hem 5 sterren en mijn score staat nu op 4,72. Ik moet daar echt mee ophouden.

Het Koç museum is erg leuk, maar geen verrassingen daar. Ik heb maar steeds het gevoel dat ik in het huis van een enorme opschepper loop. Al die auto’s, zelfs de auto uit Harry Potter staat er, wat moet je met al die rommel. Auto’s, boten, treinen, vliegtuigen, speelgoed, poppenhuizen, het museum staat er als een verzameling van objecten van de Turkse cultuur, maar eerlijk gezegd zie ik er weinig Turks in terug.

Ik laat me naar de iskele rijden door een Uber en neem de heerlijke frisse boot terug naar Kadikoy. Ik eet Italiaans, mosselen en pasta met seafood, en een klein flesje prosecco, dat met veel misbaar aan mijn tafel wordt opengemaakt.

Morgen is de laatste avond hier. Dat vier ik alvast een klein beetje. Maar liefst ga ik hier helemaal nog niet weg.

Ik weet niet wat voor dag het is. 


Nee, toch weer om 6:00 wakker. Lig maar even te Netflixen, kleed me dan aan om een Ontbijtje en een kop koffie te gaan halen. Ik voel me nogal wrakkig en lusteloos. Ik mis mijn groentensapjes. De hele dag heb ik kleine overwinninkjes en kleine faalmomenten. Zo stopte er gisteren een auto, en een vrouw vroeg me waar hier ergens een parkeerplaats was. M’n eerste reactie was te denken ‘Hallo, zie je niet dat ik hier niet thuishoor?’ Nee dus! Hoera! En niet alleen begreep ik wat ze zei, ik kon haar ook precies vertellen waar ze heen moest (oké, het was maar 50 meter verderop aan de linkerkant, want tegenover mijn appartement, maar goed). Ik hoef bijna niet meer op de kassa te kijken als ik moet afrekenen. Sommige obers laten me even de rekening zien en dan zeg ik het even hardop om op te scheppen. Waarna er een verraste reactie volgt en er meteen een onbegrijpelijke conversatie volgt waardoor ik meteen weer voor paal sta. Maar geeft niet, ik trek even een ontwapenende geitachtige lach uit de kast en klaar. Ik herken precies hoe ik Frans leerde, op de een of andere manier weet je elk jaar meer, ookal kom je er het hele jaar niet. Het is trouwens óók een mentale toestand, die taalkennis kunnen aanboren op het moment dat je het nodig hebt. Ik kan het niet goed uitleggen, het is net alsof je in je hoofd iets open moet zetten, een blokkering moet opheffen, zodat die woorden die je geleerd hebt en die heus wel allemaal in je hoofd zitten, vrije doorgang hebben en vrijelijk in de juiste volgorde naar buiten kunnen stromen. Soms lukt het helemáál niet, dan kijkt het alsof dat deel van mijn hersenen met andere dingen bezig is, met voor paal staan bijvoorbeeld, of met het peilen van de blik van de persoon die tegenover me staat. En soms lukt het heeeeel goed, als de conversatie niet te ingewikkeld is, met taxichauffeurs bijvoorbeeld.

Gelukkig word ik hier ook een stuk minder aangestaard. Het kan me inmiddels ook iets minder schelen.

Het is al een uur of twaalf voordat ik een Uber pak naar Üsküdar, waar ik eerst de joodse begraafplaats wil bezoeken en dan een beetje door het oude deel wil winkelen waar ik in 2014 ook met Jan ben geweest. Het is ruim 20 minuten rijden en ik word aan de kust afgezet, precies voor de ingang. De kustlijn is prachtig, ik ga op de kade heel even op een bankje onder een boom zitten om me te orienteren. Twee jongens springen in het heldere turkoise water van de Bosporus en klimmen over gladde stenen weer naar boven. Ik loop richting ingang begraafplaats. Blijkt alleen de ingang van de verkeerde begraafplaats, en de joodse begraafplaats is 23 minuten lopen, naar boven. Maar ik heb wel zin in een wandeling dus ik zet de pas er in. Die gaat er ook heel snel weer uít, want het is weg van het water natuurlijk veel te heet om snel naar boven te lopen. De taxi’s die voorbij rijden toeteren even, voor het geval ik ze nodig heb. Ik weet niet of ik dit kronkelende weggetje waar je steeds niet meer ziet wat er achter de volgende bocht is, zo leuk vind: rechts vooral hoge muren met camera’s en woningen erachter, en links hekwerken met prikkeldraad en wachttorens. Wat ìs dit. Achter me wordt het uitzicht over de Bosporus wel steeds mooier. Het water is knallichtblauw (niet zonder reden, blijkt een dag later, want er is een plankton explosie) en de zon schittert erop. Langzaam loop ik naar boven en het wordt steeds heter. Ik heb het eindelijk gevonden en zoek naar de ingang, die blijkt om de hoek te zijn, er is een groot hek met camera’s en een bordje waarop staat ‘bezoekuren zaterdag-donderdag 9:00-18:00 en vrijdag 9:00-13:00. Maar het hek is dicht. Ik loop iets rechtdoor naar een of andere politiepost waar twee gewapende mannen staan, ik vind het toch steeds zo’n raar idee, wat ben ik toch wapenvrij opgegroeid, en het ontgaat me ook niet dat het een beetje buiten het normale is dat ik hier als hoogblonde toerist in een islamistisch land naar de ingang van de joodse begraafplaats vraag aan twee zwaar bewapende mensen van de beveiliging van de rijkste onderneming van Turkije, ben ik inmiddels achter, de familie Koç, waarvan ik morgen het museum ga bezoeken. De mannen vinden het duidelijk ook niet grappig en worden waarschijnlijk opgeleid om boos te kijken, “Heb je wel op de bel gedrukt”, snauwt er een naar me. Nou, excuse me for living. Ik had die grote rode knop wel gezien maar hij zag er zo intimiderend noodstopperig uit dat ik er niet op durfde te drukken. Ik loop terug en druk erop, in de verte zie ik een mannetje aan komen lopen, het lijkt op een tuinman ofzo, ik weet niet wat ik verwacht had, hij maakt er niet echt haast mee. Bij het hek aangekomen vraagt hij wat ik wil. Ik zeg, ik wil graag de begraafplaats bezoeken. Zomaar bezoeken? Ik twijfel even of ik een lulverhaal zal ophangen over dat ik schrijver ben en helemaal uit Holland hier naar toe gekomen ben om deze begraafplaats te bezoeken (wat alles bij elkaar nog bijna zo is ook, ik schrijf me tenslotte helemaal een ongeluk elke dag en deze begraafplaats staat al een jaar op mijn lijstje om te bezoeken), maar ik krijg natuurlijk op dat ene moment niets anders uit mijn keel dan ‘Eeuuuhh, ja?’. Het mannetje schudt meewarig zijn hoofd, wat een naïviteit om te denken dat je hier zomaar naar binnen mag, sorry mevrouw, maar dàt gaat niet, hier zomaar rondlopen op de begraafplaats. Dit had ik nou echt totaal even niet verwacht, hekwerk en beveiliging, okee, maar mij en mijn goede bedoelingen wordt keihard de toegang geweigerd. Ik vraag nog even iets lafs als Echt niet? Maar nee, het mannetje gaat mij geen toegang te geven, ookal zie ik iets in zijn blik van twijfel, dat hij het eigenlijk ook niet goed weet, of hij die vreemde vrouw met die broek met olifanten en dat legerjasje er nou in moet laten of niet. Ik heb het vermoeden dat hij gewoon de baas wil spelen. Nou, ik hoop dat hij tevreden is dat hij de begraafplaats heeft behoed voor mijn voetstappen, geknakte stukjes onkruid en blootstelling van de heilige stenen aan mijn vernietigende ongelovige blik. Ik loop met mijn onverzadigde goede bedoelingen onder mijn arm weg maar ik ben zo verschrikkelijk teleurgesteld dat ik even oprecht heel verdrietig ben, ik voel me afgewezen en vreemd genoeg een soort onwaardig. Als ik het even later aan de Uber-chauffeur vertel, zeg hij: “Istanbul is a mix of many cultures, there all kinds of neighborhoods, jewish, islamic, greek, armenian, syrian, but they are all racist. They stay in their neighborhoods and they don’t accept anybody, everyone here is just racist people.” Daar knapte ik weer een beetje van op. “So, probably I won’t be accepted in any neighborhood”, zei ik. “It’s different”, zegt hij, “You’re blond, you’re from the west.” “Yeah, they all hate me.”, zeg ik lachend. Maar ik meen het wel.

Bij de grote moskee in Üsküdar stap ik uit. Ik herken deze straat. Jan en ik deden hier twee en een half jaar geleden een ‘food tour’, waar ik om de een of andere onvoorstelbare reden helemaal niets heb gekocht als aandenken, wat was er mis met mij? Ik weet het niet. Maar dat onrecht moet onmiddellijk worden rechtgezet. Als ik me goed weet te herinneren zit hier ergens een honingwinkeltje. Ja, het zit er nog! Het is wel veranderd, maar het is hetzelfde winkeltje. Ze hebben maar een paar soorten honing en ik koop een paar verschillende kleine potjes en betaal een vermogen. Ik slenter een paar uur rond in dit gedeelte van de stad, ik herinner het me als heel conservatief, maar ik zie bijna geen hoofddoeken. “Zitten die allemaal binnen?”, vraagt mijn moeder op de app, “Aan het aanrecht?” Er wordt heel druk gewinkeld, op pleintjes onder bomen gezeten en çay gedronken. Na een tijdje ben ik echt heel moe en Uber terug naar het apartement. Ik trek mijn kleren uit, stop ze in de was en knoop een doek om me heen. Ik hang op de bank en ben echt van plan om er nog uit te gaan om te gaan eten, maar ik stort helemaal in op de bank en weer komt het er niet van.

Maandag 12 juni, Kedi, Arnavutköy

Terwijl ik om 7:30, er lijkt elke dag een half uurtje bij te komen, da’s mooi, naar het plafond lig te staren besluit ik dat de volgorde van de dag gaat zijn, dat ik eerst ergens ga ontbijten, dan om 11:30 naar Kedi ga in de bioscoop, die trouwens Rexx heet, en heel obscure associaties bij me oproept, en dan de boot neem naar de overkant. Ik kijk even uit het raam hoe de mensen erbij lopen en ik zie allemaal jassen dus mijn groene jasje mag mee. 

Ik ben al helemaal gewend aan het apartement, al had ik een paar dingen toch anders gedaan, ik had bijvoorbeeld gordijnen opgehangen, op zijn minst vitrage, maar nee eigenlijk vitrage èn dikke lichtdichte gordijnen, maar ik heb me er maar overheen gezet en loop evengoed in mijn blote kont door het huis, Mert zal er een paar vrienden bij hebben waarschijnlijk, als ik straks vertrek. Alleen in de slaapkamer hangen gordijen, dat wil zeggen vitrage, en een gordijn dat de helft van het raam bedekt en dat zo dun is als een douchegordijn, totaal geen licht filtert en dus verder geen enkele functie heeft. De slaapkamer kijkt uit op de achterkant van drie zijden met de slaapkamers van andere appartementgebouwen, allemaal maximaal 4 of 5 verdiepingen hoog, meestal hebben ze zo’n Frans halletje als je binnenkomt, en een gietijzeren trapleuning. Verder had ik, voor de gezelligheid, toch wat lampjes neergezet, Mert. Er zijn alleen plafondlampen, de enige lampen in huis die géén plafondlampen zijn, zijn het lampje in de afzuigkap, die in de koelkast en een los leeslampje naast het bed. Beetje makkelijk om een Indiase doek om de plafondlamp te knopen en het dan een ‘arty apartment’ te noemen, Mert. Mert is van huis uit fotograaf, en het hele appartement hangt dan ook vol met het bewijs daarvan, voornamelijk onderwaterfoto’s van zijn vriendin. Ik ben niet heel erg onder de indruk, maar hij schijnt ervan te kunnen leven. Wat het huis verder nog ‘arty’ moet maken is de uitstalling van souvenirs van verre bohemien reizen: hooghartige Keniase kettingen, Nepalese vlaggetjes en Australische didgeridoos (waarom víjf, Mert, waaròm?). Ik heb helemaal niets op met dit soort souvenirs die maar een beetje zelfingenomen niks staan te doen in je interieur waar ze totaal niet in passen. Ik hou wel van dingen die je kan gebruiken, shirtjes, theedoeken, tassen, bekers. Ik zie geen gasmaskers en bouwbrillen in de badkamer hangen (zie mijn belevenissen van 5 juni 2016), maar zo’n type is het wel. Verder is hij uitermate vriendelijk en gastvrij, ik mag alles gebruiken, overal voor bellen, alleen het telefoonnummer klopt niet, maar hij reageert gelukkig wel op airbnb. 

Als ik langzaam gedoucht en aangekleed ben ga ik op zoek naar een ontbijtcafe en neem een simpele menemen (roerei met tomaat en paprika) met wat brood en twee koppen koffie. De film begint om 11:30, en ik ben niet eens alleen, op deze maandag ochtend zitten alleen een paar locals in de bios. De film die ik ga zien is Kedi, zoals ik al zei, een heerlijke docu over de katten in Istanbul, en de mensen, en de straten, en na tien minuten lopen me de tranen al weer over de wangen maar het kan me niet schelen want het is toch donker. Het is echt onvoorstelbaar hoe mensen hier met de katten omgaan, ik heb er al eerder over uitgeweid dus ik zal het nu niet doen, maar Nederlandse mannen zie ik absoluut niet zo voor de katten op straat zorgen, al moet ik zeggen dat wij ook niet zoveel straatkatten hebben, want ze worden meestal meteen opgeruimd/opgenomen in een asiel. Ruim anderhalf uur geniet ik van heerlijke beelden van Istanbul, heerlijke muziek en na de film wil ik eigenlijk het liefst een grote zak kattenkorrels in mijn zakken leegschudden en al kattenvoerend door de straten lopen. 

Na de film ga ik op een terrasje zitten en koffie drinken. Het is al twee uur maar ik ga nog naar Arnavutköy aan de andere kant, waar ik me vanaf Beşiktaş naar toe weet te Uberen. Het is weer de eerste keer dat ik in de vapur naar de overkant zit. Voor 7 lira ofzo, nog geen 2 €, krijg je de indrukwekkendste vaartocht die je maar kan bedenken, de Bosporus schittert in het zonlicht, de Aya Sophia en de blauwe moskee staan aan op de heuvels vanuit het verleden op je neer te kijken, om je heen varen tientallen vapurs en motors kriskras door elkaar heen, meeuwen vliegen erachteraan, vrachtschepen gaan traag voor en achterlangs richting de Zwarte Zee. Allemaal alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Istanbul is eigenlijk een verzameling grote dorpen die allemaal heel verschillend van aard zijn. Het hippe Kadıköy aan de Aziatische kant is totaal verschillend van het daar vlak naast gelegen superconservatieve Üsküdar. Is weer heel anders dan het drukke, toeristische maar ‘goedkope’ Eminönü. En Arnavutköy waar ik nu ben, ziet er uit als een dorpje waar de welgestelden uit Istanbul een tweede huis hadden (hebben) om uit te rusten in het weekend en in de zomer. Vroeger lag het letterlijk aan het water, nu ligt er een lelijke asfaltweg tussen de huizen en de Bosporus, maar naast mij, waar ik zit, op een oud voormalig terras of de oude kade zie je nog de rotsachtige bodem en helder zeewater dat constant in beweging is. De overkant ziet er ontzettend groen uit met de huizen van de gelukkigen der aarde verscholen tussen de bomen of aan de waterkant. Op de top van de heuvel aan de overkant staat ook de vreselijke gigantische nieuwe moskee die er vorig jaar nog niet stond en die meen ik ‘geschonken’ is door Erdoğan, hij lijkt op een wrat met geldingsdrang met die zes protserige minaretten. Maar laat ik niet lelijk doen. 

Ik eet rustig een quinoa salade met een glas witte wijn die me meteen naar het hoofd stijgt en ik moet die heuvel nog op en ik heb nog één brandende vraag: is er nou wel of geen getij op de Bosporus? 

Na de heilzame quinoa salade voel ik me heerlijk uitgerust en vol goede moed om de heuvelachtige straatjes van dit schilderachtige plaatsje in te lopen. De huizen zijn bijna allemaal van hout, sommigen zien eruit als nieuw en anderen storten bijna in elkaar. Het doet allemaal heel eilandachtig aan. Ik loop heel langzaam en maak veel foto’s. Ik vind weer een heerlijk hipster koffiecafé in de overtreffende trap, hier vervallen plafonds van beton waarvan de wapening bloot ligt, een prachtige oude tegelvloer, koperen retrolampen en de jongen achter de bar heeft zich al een tijdje niet geschoren en het haar half wit geverfd. 

Ik vind echt dat ik eigenlijk al weer genoeg gedaan heb vandaag, ik schrik me trouwens dood, het is al 18:30 en ik ga een Uber zoeken. 

Het is stervens druk op de vapur en ik merk hoe moe ik ben. Ik heb geen zin meer om te eten en loop meteen naar huis. Even facetimen met Jan en Ellen, even Netflixen nog en dan lekker slapen.

Zondag 11 juni, boekenfeest in Haydarpaşa


Gisteren werd ik op klassieke wijze wakker met een knallende hoofdpijn en ik zou het dus even rustig aan doen. Het iftar brood van de avond ervoor kon nog prima doorgaan voor ontbijt, en met een kop koffie uit een zakje Nescafe ging ik op bed liggen Netflixen. Tegen een uur of één verlaat ik het pand met een shopping target: iets van een jasje of vest waarmee ik een beetje in de crowd kan blenden met dit weer. Nou ja okee, dat is misschien op voorhand al een mission impossible, maar met een beetje regen ziet iedereen er hier uit alsof het herfst is, en ik loop dus al een week in alleen maar T-shirtjes, ziet er gewoon een beetje raar uit. Ik doe echt mijn best maar kom uiteindelijk gewoon bij de Mango uit, letterlijk het eerste legergroene jasje dat ik tegenkom, wordt het. Ik heb even om me heen gekeken wat de vrouwen hier zoal dragen en de boodschap is duidelijk dress down. Vorig jaar schreef ik al dat Moda hipster city ohne Ende is, dat lijkt zich dit jaar verder te hebben bestendigd. De vrouwen dragen allemaal hoge (en dan bedoel ik echt jaren 80 hoge) te korte zwarte broeken en spijkerbroeken, en een simpel T-shirtje erop met vooral niet te veel opsmuk maar wel graag een statement printje, alhoewel niet te opvallend, of met Bob Marley, James Dean of Che Guevara, en de mouwtjes zijn ook nog opgerold. Eenvoudige gymschoentjes deronder zonder uitzondering, en zware oogmakeup die ze helemaal niet nodig hebben want ze zijn toch al zo mooi, en deprimerende levenloze donkerroze, ketsmatte lippenstift. Aan die flauwekul gaan we dus allemaal niet meedoen, ik ben geen 20 meer, maar dat olijfgroene jasje met die afhangende schouders past prima bij het straatbeeld, dus dat gaat mee, en ook nog een vormeloos blauw-wit gestreept truitje en een te korte spijkerbroek met rafels, en klaar. Het lijkt wel of de mannen zich nu óók collectief hebben aangesloten bij de trend, en hun baard hebben laten staan, en dan begrijp je natuurlijk dat ik niet de isis-baard bedoel, maar de hipsterbaard, ongeveer bij de helft vergezeld van lang haar al dan niet in een Indiaas knotje ketsbovenop het hoofd en de andere helft van knetterstrak á la Turque geknipte kop met kuifje. Ze dragen allemaal te korte zwarte broeken en een fijngestreept tikkie strak Gaultier truitje en een John Lennon zonnebrilletje. Het doet allemaal een beetje jaren 50-70 Parijs aan. Echt, het is gewoon een beetje intimiderend. 
Volgens mij ben ik nu ook in de buurt van de stier, het bekende beeld van Isidore Bonheur uit 1864. Dit beeld werd door de Duitsers gestolen uit Frankrijk in 1870 toen de Duitsers de Lorraine van Frankrijk inpikten, en door keizer Wilhelm II geschonken aan generaal Enver Paşa in 1917. Beetje zuur als je bedenkt dat het beeld de overwinning van Napoleon op Pruisen moest uitbeelden. Na het verlies van de oorlog (de Turken hebben werkelijk een feilloos talent for picking the wrong side) zwierf het beeld een beetje rond in Istanbul, maar werd uiteindelijk door dit stadsdeel Kadiköy aangeworven en hier neergezet. Het plein waar het staat, staat bekend als het protestplein van dit stadsdeel. 

Okee, rundvee ook gezien, maar wat mijn blik trekt is een poster van de grote boekenmarkt in het Haydarpaşa station, op een kwartiertje lopen van hier. Wat moet je met Turkse boeken, zou je zeggen, maar een van mijn shopping targets is een historische atlas van Turkije, dus ik begin er maar heen te lopen. Het is wel een beetje druk op straat. Eerst denk ik dat dat komt omdat het spitsuur is bij de iskele, de haven, maar dan blijkt dat iedereen dezelfde kant op loopt als ik. Tegen de tijd dat ik bij Haydarpaşa aankom is het aansluiten geblazen. Ontzettend veel jonge mensen trouwens, studenten, scholieren en hipsters. Het doet me ontzettend goed, ik denk dat in Nederland de gemiddelde leeftijd van de bezoekers van een boekenbeurs tien jaar hoger ligt, als het niet meer is. Ongewild denk ik ook nog even aan het feit dat de omstandigheden zich prima lenen voor een bomaanslag. Jonge goddelozen en al die goddeloze boeken, de drukte is niet te overzien, je zou een prima slag kunnen slaan als het ware. En dat is nog vóórdat ik zie dat iedereen gecheckt wordt als op een vliegveld, ik moet eerst door een metaaldetector lopen, tas op de band, word dan gefouilleerd (inclusief tas), en krijg dan nog een handscanner over me heen. Komt misschien ook doordat er tientallen beroemde schrijvers aanwezig zijn die zitten te signeren, dat is natuurlijk vragen om security measures. Ik ken ze natuurlijk niet dus loop ze straal voorbij, maar er staan rijen en rijen mensen te wachten voor een handtekening in hun boek en een selfie. De boekenmarkt is uitgestald over de perrons van het voormalige treinstation Haydarpaşa, tussen de perrons staan wagons waarin je kan zitten en thee drinken. Het is gigantisch en ook al is 99,9% van de boeken in het Turks, ik pluis elke kraam na en vind het heerlijk. Ik koop een boek over de geschiedenis van Ayvalık, een notitieboek met oude foto’s en het dagboek van Anne Frank in het Turks, misschien geef ik dat wel aan Mert, de eigenaar van het apartement. Ik zie ook een exemplaar van Mein Kampf liggen, vertaald en wel (Kavgam), achteloos tussen een biografie van Atatürk en iets over Ghandi. Verschillende vertaalde Nederlandse schrijvers kom ik tegen, Mulisch, Tess Gerritsen, psycholoog Douwe Draaisma, Verloren grond van Murat Işik dat ik zo prachtig vond. Ik loop hier zeker twee uur te dwalen, nagestaard, soms vriendelijk aangesproken in de kraampjes, waar maar opvallend weinig mensen Engels blijken te spreken. Ik ben inmiddels ketskapot, ga naar huis lopen, eet het restant van het iftarbrood, en ga schrijven. Daar ga ik veel te lang mee door, ook met wijn drinken trouwens, en het is 2:00 voordat ik het licht uit doe.

Dat wreekt zich vanochtend natuurlijk genadeloos. Om 7:00 ben ik al weer wakker met weer een dijk van een hoofdpijn. Dit wordt dus echt een luie dag. Ik doe de hele dag bijna niets, alleen in mijn onderbroek door het huis schuifelen en Netflixen. Ik ben zelfs zo lui dat ik koffie bestel. Ja mensen, dit is Istanbul, hier bestel je gewoon een latte en een capuccino, en die worden gewoon thuisgebracht, door het arrogante ‘Coffee Manifesto’ van twee straten verderop, degelijk verpakt, in een hipster papieren tasje met de tekst ‘Ask stupid questions’ en met een zakje koekjes erbij. O mensen, wat een geluk. 

Het is een stralende dag, geen regen, de gisteren gekochte jas is volstrekt overbodig, het is warm maar vanaf de op 100 meter afstand stromende Bosporus komt een verkoelend windje en dat wringt zich ook door mijn openstaande ramen, samen met het geluid van de mensen en de auto’s en het antieke trammetje dat hier door de straat rijdt (er is maar 1 circulaire lijn, gelukkig). Het airbnb appartement leent zich hier uitstekend voor, beetje op bed liggen, douchen, naar de keuken lopen om iets te eten te halen en weer verder in bed Netflixen. Ik ga er even uit voor een boodschapje, en begin van de avond voor pide om mee te nemen (paket olsun). Het is hartstikke druk op straat en de iftar is nog niet eens begonnen. Ik vergeet zelfs wat voor dag het is totdat ik weer ga schrijven en de datum erboven moet zetten. Morgen wil ik naar Arnavutköy, verder noordelijk aan de overkant, wat een schattig dorpje binnen de stad moet zijn, en ik wil ook naar de bioscoop, want de documentaire Kedi, over de katten van Istanbul, is net deze week uitgekomen. Of het ervan komt weet ik niet. Vanavond in elk geval op tijd naar bed. 

Vrijdag 9 juni, Bursa, Istanbul. 


Even de algemene stemming sinds ik hier ben. Behalve het aankomen en de stress van het vliegveld, auto halen en in het donker rijden, voelt het alsof alles op zijn plaats valt. Alle Turkse impressies vallen onmiddellijk weer in hun neuropatroon in mijn hersenen. Ik ben weer een beetje thuis. Het lyrische geluksgevoel dat ik vorig jaar had heb ik nu (nog) niet. Gek hoe het ‘feest van herkenning’ en de drang tot verandering en vernieuwing steeds beide aanwezig zijn. Hoe heerlijk is het om weer nieuwe plaatsen te ontdekken, en hoe eveneens heerlijk is het om steeds meer taal te herkennen en kunnen spreken, en om sommige dingen toch weer hetzelfde te willen doen, zoals een cafeetje met lekkere koffie uitzoeken en daar dan heeeeel lang achter een kop lekkere latte te zitten schrijven, met oosterse muziek met veel violen om je heen en af en toe de ezan. 
Daarnaast ontgaat me de politiek situatie niet, of eigenlijk lieg ik dat, hij ontgaat me wèl, in de zin dat ik er hier helemaal nog niets van heb gemerkt, in de zin dat mensen lelijk tegen me doen omdat ik een Hollander ben, of van de internationale spanningen, Qatar, interne spanningen, etc. Een cynicus zou kunnen zeggen: natuurlijk merk je er niets van, je bent een toerist, je geeft hier je geld uit, stop maar lekker je hoofd in het zand terwijl 150 onschuldige journalisten zonder vorm van proces zitten opgesloten. Weet wèl dat ik me heel goed bewust ben van de situatie, de situatie met de vrijheid van meningsuiting in dit land, de situatie met de Koerden en de PKK en Syrië en de YPG, de situatie met Qatar en hoe Turkije zich hierin beweegt, de situatie met de economie en de pogingen van de Turkse overheid om de val van de koers tegen te gaan. Ik volg ook twitter nauwgezet, en constateer dat ik van sommige accounts die ik volg alleen maar zie staan: “Huppeldepup’s account has been withheld in: Turkey”. Ik kan hun tweets dus echt niet lezen, en inderdaad, als ik iets probeer op te zoeken op Wikipedia (ook de Nederlandse Wikipedia), krijg ik de melding “server onvindbaar”. De hotelsite Booking kan ik gewoon benaderen, maar ik kan in elk land hotels vinden, behalve in Turkije. Vooral de blokkering van Wikipedia vind ik zorgwekkend. Een kenmerk van dictatoriale regimes is het onthouden van kennis aan het volk. Vrije toegang tot kennis is niet gewenst voor een totalitair regime, je wilt controle hebben over wat de jongere generatie wordt geleerd en hoe zij worden gevormd, ik zie beelden voor me van nieuwe, aangepaste, politiek correcte schoolboeken, boekverbrandingen, blokkering van internet sites. Drie dingen die nu echt hier gebeuren. En ik vrees dat als dit niet snel verandert, het te laat is. Want de generatie die hiermee opgroeit, zal het ook weer verder brengen. 

Ik sluit mijn ogen echt niet voor deze dingen. Ik ben ook, juist, ontzettend dankbaar dat ik hier nu mag zijn. Ik ben ook, juist, ontzettend verdrietig dat ik daarom niet naar Hasankeyf, Diyarbakır, Mardin en Midyat kan gaan deze keer. Ik kan niet uitleggen wat dat met me doet. Maar er is ook nog een ander Turkije. Wij zien alleen maar de ellende die in de krant staat, maar wat een leuke, lieve, intelligente, bohemien, avantgarde, intellectuele en creatieve mensen zijn er nog meer! Na de vijf jaar dat ik hier kom, kan ik me bijna niet voorstellen er géén deel van uit te willen maken. Wat een eetcultuur, wat een gezelligheid, wat een behulpzaamheid, wat een laisser faire, wat een je ne sais quoi, wat een bcbg, wat een betrokkenheid, wat een beschaving, wat een intelligentsia, wat een olijfolie, wat een wijn, wat een zonneschijn, wat een zee, wat een rüzgar, wat een poëtische Weltschmerz, wat een gepassioneerde levensvreugde, wat een leven! 

Okee, alles goed en wel, maar over vrijdag is niet zoveel te vertellen. Ik stond vroeg op want een lange reisdag voor de boeg. Ik zou over Bursa (ruim drie uur rijden) naar Istanbul rijden (nog twee uur rijden), de auto naar het vliegveld brengen en inleveren en me in het appartement in Kadiköy installeren. 

Na het fantastische exuberante ontbijt van hotel Erol om 8:00 uur, smeet ik alles in de auto, liet een bedankbriefje, een bak baklava en een pak van huis meegenomen stroopwafels achter en reed ik eerst nog naar de andere kant van het eiland, gewoon om het even gezien te hebben, het was maar tien minuten rijden. Ik ontdekte nog een verborgen strandje voor de volgende keer, en reed daarna ook nog even naar het centrum om wat water en eten voor onderweg te halen. Ik parkeerde in een met doeken overdekte en door oude stenen gebouwen geflankeerde binnenplaats van een authentieke olijfoliefabriek, boven de ingang van de binnenplaats stond nog het verbleekte bord ‘Sabuncugil’, een historische olijfolienaam. (Het achtervoegsel ‘gil’ is trouwens in het geheel niet Turks, maar ik weet niet wat het betekent. ‘Sabun’ is zeep, en ‘sabuncu’ zou zeepmaker moeten zijn, en zeep wordt ook van olijfolie gemaakt.) In gedachten zei ik dag tegen deze olijvenplaats, ik ben hier veel te kort geweest, en ik hoop hier nog eens terug te komen. 

Drie uur zou ik moeten rijden naar Bursa. De eerste paar uur zag ik uitgestrekte olijfgaarden, kilometers en kilometers lang. Ik zag een beetje op tegen deze reis. En ik zal er ook niet te veel woorden aan verspillen. Een grote stad als Bursa zie je al tientallen kilometers van te voren aankomen door lelijke banlieus, voorsteden, die echt lelijke Turkse vierkante uit de grond gestampte betonnen wijken. Het lijkt wel Rusland. De drukte op de weg neemt toe naar gelang het aantal rijbanen ook toeneemt. Gek genoeg neemt het aantal rijbanen naar gelang je de stad nadert weer àf, zodat heel dat godganselijke verkeer zich weer in die twee à drie rijbanen probeert te proppen, afijn stress ohne Ende. Inmiddels was de zon óók verdwenen en had plaatsgemaakt door miezerige regen en 19 graden, en ik had dus geen trui of jas of vest bij me. 

Maar ik moest zonodig Bursa zien en één of ander historische markt en één of andere han, dus ik dacht oké dan hop met de geit. Ik had al geen meter zin meer, maar allah. Niet dat ik nog een keus had, want zat inmiddels muurvast in het verkeer. 

Na anderhalf uur als een dwaas door dat verkeer heen ploeteren kwam ik zowaar op een plek die de parkeerplaats bleek te zijn die ik op Google Earth meende te zien. Sleutel weer inleveren en ik moest inmiddels zo ontzettend naar de wc dat ik eerst maar naar het stadsmuseum ben gegaan (museum = schone wc’s). Vreselijk museum trouwens; er was genoeg te zien, daar niet van, maar stel jezelf de vraag: “Wáár zijn de vrouwen???” En dan blijkt dat er ook in de overheidsmusea totaal geen aandacht is voor de vrouwen in de samenleving en dan is het wat mij betreft snel over met de pret. 

Na het museum voeg ik me in mijn doorwaaibloesje kleumend in het winkelende publiek van de historische binnenstad, het is een prachtig gezicht, laat ik dat vooropstellen, dat Middeleeuwse centrum met die overdekte markt en alles, en dat pleintje met al die winkeltjes, maar wat me toch het meestel opvalt is het religieuze contrast met Ayvalık. Waar er in Ayvalık in de verste verte geen hoofddoek te bekennen is, is hier letterlijk negen van de tien vrouwen gesluierd, waarvan ook een paar echt in een volledige zwarte niqaab. Voor me lopen een jongen een meisje met zo’n niqaab, de jongen ziet er sportief en modern uit en loopt grapjes met haar te maken, ze horen duidelijk bij elkaar. Zij lacht en leunt naar hem toe terwijl hij haar duwtjes geeft en kennelijk grapjes maakt, alsof die hele niqaab niet bestaat. Het maakt me boos, ik denk aan de ene kant, wat een belachelijk idee dat jij je zo moet laten beperken in je bewegingsvrijheid terwijl dat volgens de koran helemaal niet hoeft, en tegelijkertijd denk ik, maar zij hebben kennelijk net zo veel lol als elk ander stel, dus wat is er dan verkeerd aan? Ik moet mezelf die vraag stellen, terwijl ik tegelijkertijd vind dat die sluier echt verkeerd is, als je begrijpt wat ik bedoel. 

Ik besteed niet teveel tijd in Bursa, want ik voel me hier gewoon echt niet thuis. Op de een of andere manier gaat er van die jonge streng religieuze mensen toch een bepaald oordeel uit, meer nog dan van de oudere generatie. Die jonkies zijn vaak zo overtuigd van hun gelijk, of van hun recht op hun overtuiging, dat er toch al niet mee te praten valt, en op de een of andere manier pik ik dat op in hun blikken. Ik hoop dat ik het mis heb, maar dat is mijn gevoel, en dat zorgt er ook voor dat ik hier nu gewoon zo snel mogelijk weg wil.

De reis naar Istanbul verloopt buitengewoon voorspoedig, het is alsof de stad me naar zich toe trekt, alsof ze weet dat ik hier wil zijn en zegt ‘kom maar hier, hier kan je wel van het leven genieten’. De Uber is er binnen een minuut. De stad is zo groot, de reis naar het appartement duurt nog een uur en ik slaap een beetje in de taxi. Mert, de eigenaar van het appartement ontvangt me allerhartelijkst. Ik ben één van de laatsten die van het uitzicht kunnen genieten, opzij is de Bosporus te zien, maar naast hem worden appartementen gebouwd. “It’s construction mayhem right now in Istabul”, zegt hij. Ik zeg: “Turkey probably needs it”, waarop hij meewarig zijn hoofd schudt, hoe kàn ik dat zeggen, “Turkey needs more green!”. Het ‘probleempje in de badkamer’ is inmiddels opgelost en ik gooi mijn spullen aan de kant, neem een douche en geef me over aan Istanbul. 

Donderdag 8 juni, dag 5, Pazar, Küçükköy, Sarımsaklı strand.


Ik sta op: regen. Op mijn enige stranddag. Maakt niet uit, wie weet knapt het nog op. Na weer een copieus ontbijt ga ik richting Ayvalık voor de wekelijkse donderdagmarkt. Het schijnt dat zelfs Grieken uit Lesbos hier op donderdag inkopen komen doen omdat uit de hele streek verse groenten en fruit worden verkocht. Ik verdwaal met de auto weer in veel te kleine straatjes en zie dan een klein bordje otopark staan wat ik maar volg. Ik kan op een gegeven moment bijna niet verder. Een man staat op van een plastic stoeltje en wenkt me. Hoe is dat toch dat ik hem totaal niet versta maar ik begrijp dat ik gewoon uit moet stappen en op moet krassen en dat hij de auto dan gaat parkeren op een ‘perkeer’plaatsje van dertig vierkante meter waar al vierentwintig autos staan, het is zogezegd valet parking. In combinatie met een live spelletje ‘road block’. God zegene de greep maar weer, en ik laat mijn auto achter, raam open, sleutel erin, tas er in en alles, niet meer aan denken Jen.
Ayvalık is ver-schrik-ke-lijk leuk, mensen. Die piepkleine straatjes, die huisjes uit 1880, ik weet niet waarom, maar alles ademt 1880, en Grieken, en het schijnt dat de oude Grieken die hier hier wonen, of oude mensen moet ik eigenlijk zeggen, nog steeds Grieks spreken. Even voor de achtergrond: na de eerste wereldoorlog, of misschien er nog wel vlak voor, vond er een soort gedwongen uitwisseling plaats van Turken (Ottomanen, moslims) die buiten Turkije woonden en ‘buitenlanders’ die in Turkije woonden. Stel je even voor: je bent Grieks maar je hele familie woont al eeuwen vreedzaam in Turkije, en je wordt ineens met je hele hebben en houwen (als je geluk hebt, ook nog) het land uitgezet, omdat je Grieks bent. Je komt in Griekenland aan, maar spreekt geen woord Grieks, of in elk geval een of ander boertig dialect, en de lokale bevolking moet je niet want je spreekt de taal niet en wie ben je eigenlijk, ik ken jou helemaal niet en door jou zijn mijn vrienden/familieleden weg. Zelfde geval voor bijvoorbeeld de Turken/Ottomanen/moslims in Bosnië: O, al generaties lang woon en werk je hier en heb je een bloeiend bedrijf in de weet ik veel wat? Jammer maar je gaat verhuizen naar Turkije, het moederland (dat je helemaal niet kent) roept je terug, en zoek zelf maar uit waar je neerstrijkt. De lokale bevolking moet je niet, want je spreekt Grieks/Bosnisch, je moet helemaal overnieuw beginnen met vrouw en kind en paard (misschien), en verder helemaal niks. 

Dat is het verhaal van Ayvalık (waar de Griekse Ottomanen naar toe kwamen) en Küçükköy, waar de Bosniërs neerstreken in de lege huizen die de gedeporteerde Grieken hadden achtergelaten, en van vele wijken aan de Egeïsche kust en in Izmir en Istanbul, en niet te vergeten van Kayaköy, bij Fethiye, waar Grieken en Armeniërs woonden en dat nu leeg en uitgehold tegen de heuvel ligt te branden in de schroeiende zon, en waarover je uitgebreid kunt lezen in het prachtige ‘Vogels zonder vleugels’ van Louis de Bernière en het hartverscheurende ‘Middlesex’ van Jeffrey Eugenides. 

Vandaar dat Ayvalık, het kan aan mij liggen, bijzonder Grieks aan doet, zelfs de mensen zien er Grieks uit, ik kan het niet helpen, je ziet het gewoon, het zijn geen turken maar grieken. Anyway, tegen mij spreken ze natuurlijk wel Turks. Verder zijn er natuurlijk olijven zover het oog strekt, en het lijkt erop dat de olijfarbeiders uit Küçükköy kwamen, en het geld ermee in Ayvalık werd verdiend. 

De markt is stervensdruk, de regen is inmiddels vertrokken, en de schroeihete straatjes zijn eerst eindeloos gevuld met textiel en kleine mensen (iedereen een kop kleiner dan ik, alsof ik nog niet genoeg opviel) en ik vraag me af hoe en wanneer en aan wie ze ooit die miljoenen t-shirts en spijkerbroeken en tafelkleedjes gaan verkopen. Gek genoeg word ik hier minder aangesproken dan in Istanbul, het lijkt wel of de mensen me maar raar vinden: een toerist! Buiten het seizoen! Eer ze van de schrik zijn bekomen, ben ik al weer voorbijgelopen. Zoiets. De pazar yeri is vervolgens helemaal gevuld met local produce, en hoe rommelig het overal ook is, hier maken ze kunstwerken van hun uitstalling, alles netjes op rijtjes en in piramiden gestapeld. Ik ben dan weer slecht genoeg om te denken dat je je koopwaar dus van àchter de kraam krijgt. Maar het is een prachtig gezicht, het ruikt heerlijk fris en dat is het hier ook, de markt is overspannen met doeken en er ruist een windje doorheen. De drukte en de starende blikken ben ik echter snel beu, ik koop een zak appelen bij een mevrouw (een van de weinigen, de meeste verkopers zijn mannen) en loop richting de haven, want ontzettende trek in een kop koffie. Het is echt een beetje Russisch roulette want ook al staat er Kahve op de gevel dan wil dat zéker nog niet zeggen dat ze een cappuccino of latte onder de knie hebben. En ik heb het idee dat de Turken er ook niet echt áán willen. Ze hebben namenlijk hun eígen koffie. En kom niet aan de koffie van de Turken. Dat is de nationale trots. Cappuccino, latte, ze halen hun neus ervoor op. Melk in je koffie? Heb je een gaatje in je hoofd? Ook de jonge Turken die in de talloze als paddestoelen uit de grond schietende ‘coffee labs’ werken: melk in de koffie? Neeeeeeh. Maar ik heb geluk deze keer. De capu is heeerlijk. Ik bel gelijk even met het vliegveld Sabiha Gökçen waar ik de auto moet neerzetten morgenavond. Ze zeggen: “Het is makkelijker voor ons als je hem naar Atatürk airpot brengt.” Jah. Na wat heen en weer gedelibereer is het hopelijk duidelijk dat ik een vermogen heb betaald om hem niet naar Atatürk te hoeven brengen. Inşallah. 

Ik rij door naar Küçükköy. Het is een vervallen piepklein dorpje, met een centraal pleintje rondom een boom en een moskee waar mannetjes aan tafeltjes zitten. Een houten muziektent staat klaar voor de iftar vanavond. In een oud koopmanshuis aan de rand bevindt zich nu het lokale museumpje van één ruimte, gevuld met allerlei huisraad, kleding, werkmateriaal en oorlogsmemorabilia van de Bosnische bewoners. Een paar prachtige zijden jurken uit de jaren twintig. Een Frans-Ottomaans woordenboek. Een typemachine. Een zijden mutsje. Ik ga helemaal op in de foto’s. Verder is het dorp een oase van rust ondanks dat overal aan de vervallen huisjes wordt gewerkt. Ik kom verschillende artisan hotelletjes tegen en hier en daar zijn huizen in allerlei kleuren geschilderd. Ik zeg je, de komende jaren gaan de prijzen van deze kleine romantische stenen huisjes vier keer over de kop. Nu al wordt overal in deze streek gekoketteerd met de term ‘rum evi’, Grieks huis, waarmee de karakteristieke historische stenen huizen wordt bedoeld. Hier staat het er vol mee. 

Ik vind een soort vervallen binnenplaats waar een koffiehuis van is gemaakt, en ik ga zitten aan het open raam, tegenover een geel en blauw verschoten muur. Koffie hebben ze niet, dat wil zeggen ik krijg “nescafe”. Als je dan ècht geen Turkse koffie wilt – het is eigenlijk onbestaanbaar – dan kan je bij de gratie Gods een kop “nescafe” krijgen. Die kenmerkt zich trouwens doordat hij a niet te drinken is en b veel te heet. Maar het maakt me niet uit, ik zit hier intens gelukkig te zijn in Küçükköy, in dit half opgelapte huis met balken waar de zwaluwen nesten in hebben gebouwd en in en uit vliegen. Het is hier zo stil en rustig, zo’n heerlijk contrast met de drukte van de donderdagmarkt. De eigenaresse en haar man zitten buiten, zoontje en dochtertje spelen binnen om mij heen, mij af en toe even nieuwsgierig aanstarend. Na de koffie waar ik alle tijd voor neem, slenter ik nog even door het piepkleine dorp. Aan een van de huisjes ontbreekt een deur en binnen zie ik een paar kistjes met groenten en fruit uitgestald staan. Omdat ik een foto wil maken, maar dat niet zomaar durf, omdat ik dat een beetje raar vind, van iemands serieuze nering en levensonderhoud een bezienswaardigheid maken, koop ik een paar perziken voor 2 lira (50ct) en vraag aan het mannetje of ik een foto mag maken. Hij poseert voor me in de deuropening, en vertelt me dan dat ik de perziken in het gebouwtje ertegenover, de typische islamitische ronde fontein, even kan wassen. Als ik naar mijn auto loop komt er een klein vrouwtje uit een huis. Ze loopt dezelfde kant op als ik en groet me, en vraagt vervolgens of ik Bosnisch ben. Aangezien ze blond is vermoed ik dat ze zelf van Bosnische afkomst is. Ik zeg van nee, en dan zegt ze lachende een heleboel dingen die ik niet versta, ze pakt mijn hand en knijpt in mijn wang, “Çok güzel, çök güzel!”, zegt ze, ik weet niet of ze mij bedoelt of gewoon het feit dat ik hier ben en belangstelling toon, maar hoe lief is het allemaal weer. Ik loop weer over van dankbaarheid en liefde voor de wereld. 

Final goal voor vandaag is de rest van de middag op het strand. Het weer is opgeknapt om niet te zeggen dat ik het zweet weer in de nek heb staan. De stranden zijn hier allemaal geclaimd lijkt het wel, in Bodrum was dat zo en hier zie ik ook grote delen van het strand afgezet door hotels en clubs. Ik kies beachclub Marenostrum uit (doet me denken aan het restaurant waar ik mijn 17e verjaardag vierde in Taragona, waar ‘spa’ werkte (ons pap), iedereen was uitgenodigd, een lange tafel op de kade met allemaal mensen, en vis, en ander lekker eten en ik dronk voor het eerst wijn of bier, ik weet het niet meer maar ik was voor het eerst dronken, en dat waar mijn ouders bij waren, mooiste verjaardag van mijn leven). Ik word begroet door de vrolijke eigenaar van ook het restaurant waar ik gisteren heb gegeten en ik twijfel of ik zal klikken over zijn personeel, maar doe het maar niet. Er is nog één familie met twee mannen, twee vrouwen en een klein kindje, zij zitten bij het café, en ik zit dus als enige (van het hele strand, op een paar vissers na) aan de waterkant op het zand op een bedje. Het is heerlijk, en warm en ik duik voor het eerst het water van de middellandse zee in. Ik realiseer het me heel goed, het water van de middellandse zee. Voor het eerst sinds een jaar. Maar op de een of andere manier vervult het me toch niet van de lyrische vreugde die ik vorig jaar wel beleefde, of misschien ligt het eraan dat het gewoon niet Ölüdeniz is, het water is niet zo azuurblauw en er ligt een ballenlijn die kennelijk het territorium van de club markeert. Ik haat ballenlijnen. Snappen mensen dan niet dat dit alle beleving verpest? De zee moet juist worden erváren als eindeloos, dus niet als ‘tot hier en niet verder want ballenlijn’. Niettemin blijf ik heerlijk de hele middag op het bedje liggen en voelt het zout op mijn huid aan als een weldadige spa treatment. 

Op de weg terug haal ik een doosje baklava en knoop ik een praatje aan met de bakker, die me complimenteert met mijn Turks en zegt dat ik vooral naar de Zwarte Zeekust moet gaat, want daar is het zo prachtig, Trabzon, Ordu, Rize, het moet allemaal prachtig zijn, hij komt er vandaan. Is al de tweede keer dat ik dat hoor binnen drie dagen. Aan de overkant prop ik een ‘karışık tost’ naar binnen want dat schijnt een Ayvalıkse specialiteit te zijn, een tosti volgeladen met kaas, worst, augurken, ketchup en mayo en wat dies meer zij. Het staat in schril contrast met de vorige twee avonden maar dat maakt me helemaal niet uit. Het is niettemin heerlijk. 

In het hotel probeer ik alles weer in mijn koffer te proppen. Ik was nog uitgenodigd voor een zelfgemaakte kadayıf van de moeder van Burak, de hotelmeneer, maar daar is het al te laat voor helaas. Ik val in een comateuze slaap. 

Woensdag 7 juni, dag 4, Pergamon


Het zal toch niet waar zijn dat ik om 5:30 weer met de ogen wijd open lig. Ik vertelde gisteren aan de hotelmeneer dat ik de dag ervoor om 5:00 wakker was voor de zonsopkomst, en hij zei: “Oh, you have a beautiful view on the sunrise from your room too!” Ik lachte een beetje schamper, want die ging ik waarschijnlijk wel missen. Nu ik toch wakker was kon ik net zo goed even gaan kijken. Ik sloeg mijn dekbed om me heen en ging op het balkon op een stoeltje zitten. Het was nog zo stil, geen wind, het water was vlak, een eenzaam klein visserbootje kwam in de verte de baai in tuffen, de lucht kleurde roze, oranje en geel boven de kustlijn en het stadje Ayvalık, wat een bofferd ben ik toch weer. En ik weet nu ook dat de zon op deze dag van het jaar op deze plek niet in het oosten opkomt, maar in het oostnoordoosten, om 5:54 uur op 58 graden om precies te zijn.

Gelukkig kon ik ook nog even slapen tot een uur of negen. “Just small, simple please”, had ik gezegd op de vraag wat ik voor ontbijt wilde, want ik was de enige gast, dan konden ze daar rekening mee houden. “Just some bread, tomatoes, cheese, that would be fine, don’t make a fuss”, zei ik nog. Zeventien schaaltjes staan er voor me, plus twee mandjes met vier soorten brood, een bord scrambled eggs, een schaaltje met börek en een kaasplankje. In de schaaltjes zitten onder andere drie soorten huisgemaakte jam van karadut (moerbei), vijgen en rode peper (ja, jam van rode peper), naast allerlei andere toeters en bellen ook een schaaltje kaymak met honing, een soort roomkaas, ik eet bijna het hele schaaltje leeg. Alle hoop om nog wat af te vallen gaat verloren, maar laat ook maar.

Ik ga even het ontbijt laten zakken en pak dan mijn tas voor Bergama. Het moet iets meer dan een uur rijden zijn. Bergama is waar Pergamon zich bevindt, een stad die groot werd in de derde eeuw vC. Kennelijk kreeg de stad pas belang toen er een dame neerstreek die de onwettige zoon van Alexander de Grote bij zich had, toen moest er ineens een beschermingsleger naartoe, allemaal mensen erbij, gebouwen, geld, enfin allemaal gedoe, na de grieken kwamen de romeinen, die maakten het allemaal nog mooier, er toen kwamen de Duitsers die er niet met hun fikken van af bleven, sloopten en het hele handeltje meenamen naar Duitsland waar je het nu nog kan bekijken in het Pergamon museum in Berlijn.

Van kilometers afstand zie ik het al weer liggen bovenop een een berg, of beter rots, en er bekruipt me een bepaald voorgevoel.

Maar wat is Bergama een ontzettend mooi oud stadje! Het is kruip door sluip door het Middeleeuwse oude stadscentrum, o jeetje wat prachtig, oude kleine oosterse gebouwen, allemaal winkeltjes en mensen en kilims, ik zie hier voor het eerst die echt mooie dunne kilims. Ik zal wel weer spijt krijgen dat ik er geen heb gekocht maar eerlijk gezegd staan ze niet bij m’n interieur. Ik volg de bordjes dwars door het centrum naar Pergamon. Ook hier wordt de weg alweer steeds smaller, en het ìs nog steeds héél erg warm, en ik kom maar hoger en hoger en komt hier ooit een eind aan. Het asfalt houdt op een gegeven moment ook op, en ik heb nog nooit zo’n steile afgrond gezien, ook niet in Assos, en ik kijk niet meer, niet kijken Jen, niet kijken niet kijken. Op een gegeven moment staan er in een piepklein haarspeldbocht twee hoekspiegels want het is niet meer te overzien, maar ze zijn kapot. Als ik even later boven ben haal ik opgelucht adem en kan ik de hete auto onder een boom in de schaduw zetten want niemand. Pergamon is net als Assos ‘leeg’ maar wel veel en veel groter en indrukwekkender. Zo’n groot amfitheater heb ik geloof ik nog niet eerder gezien, enorm hoog en steil, je benadert het van boven en ik durfde nog net een selfie te nemen op de bovenste tree/ring, maar ben niet helemaal naar beneden gelopen, daar was het ook veel en veels te heet voor (had ik al gezegd hoe heet het was?), wat ik ook zei tegen een Chinees die uit de groep was ontsnapt. “Bij ons is het veel heter”, zei hij. “Bij ons is het veel kouder”, zei ik tegen hem. Hij was twintig jaar geleden wel eens in Nederland geweest, prachtig land, mooie tulpen. “The tulips are actually from Turkey”, zei ik. “Yes but you sell them”, zei hij, en dat is ook weer waar. Het zweet gutste mij over mijn rug de bilnaad in maar de gids van de veertig Chinezen die de hoek om waren gekomen vond het ook wel meevallen. Ik en de veertig Chinezen waren de enige bezoekers en kennelijk was ik deel van de attractie want ze begonnen ineens foto’s van míj te maken. Ik maakte me maar uit de voeten en schuifelde snel een gangetje in waarin ineens ook een prachtige passage verborgen zat, met allemaal boogjes waardoor het zonlicht naar binnen stroomde. In de gelukkige omstandigheid dat er nog niemand was, alleen ik, maakte ik meteen 500 selfies voordat de boel ging volstromen met de Aziatische vrienden en de maagdelijke aanblik verdween.

Er was nog veel meer te zien op en rond Bergama maar ik was onderhand verzadigd en half gesmolten dus ik kocht voor de vorm nog maar even een klein souvenirtje en zette de gang erin naar huis, alleen reed ik een straatje in dat volgens de routeplanner wel kon, maar helemáál niet kon, na ca 300 meter zat ik echt muur en muurvast, en kwam er een mannetje uit een huisje aan te pas om me terug te dirigeren.

Ik had niet zo heel veel gedaan maar was toch ketskapot, ging nog even douchen en daarna iets eten, deze keer bij Bay Nihat. Bleek achteraf het beste restaurant van Cunda te zijn, en ik zat inderdaad weer schandalig lekker van de mezze te eten. De ober maakte gezellig een praatje met me, ook al was ik duidelijk aan het schrijven. Ik moest weer even uitleggen waar ik vandaan kwam en waar ik heen ging en waarom. Ja, drie dagen Ayvalık, heel weinig, er is zo veel te zien. Ja, ik heb nog maar één dag, en ik wil nog naar de markt, naar Küçükköy en naar het strand. “Weet je wat”, zei hij, “morgen is mijn vrije dag, als je wilt kan ik je wel even het eiland rondrijden.” Neeeeeee, dacht ik, “Dat is erg aardig van je, maar ik heb zoveel plannen, ik denk niet dat ik daar tijd voor heb.” “Ik kan je naar Devil’s Mountain brengen (Nee, dàt klinkt vertrouwenwekkend…), ben je in twee uurtjes weer terug”, zegt hij. Treetje omhoog in de schaal moeilijk af te poeieren. “Misschien als ik tijd over heb”, zeg ik. Hij trekt zijn wenkbrauwen een beetje op..”Je wilt honderd dingen doen, en uiteindelijk doe je er maar één”, zei hij een beetje ongeduldig wordend van mijn desinteresse. “Terwijl, hier ben ik, een eerlijke betrouwbare moslim, ik neem je mee die berg op en je ziet Ayvalık, Küçükköy en Sarımsaklı in één keer.” Puntje erbij. “Weet je wat”, zeg ik, “Geef me je telefoonnummer maar, als ik morgen tijd over heb dan app ik je misschien wel. Maar ik beloof niks.”. M’n beoordeling is ook meteen omgeslagen van aardige ober naar zelfingenomen mysogyne ober, met die blik van ik, man van de wereld, zal jou, vrouw hulpeloos alleen, wel even helpen. Ik wil hier zo snel mogelijk weg. Ik moet een rekening betalen die ruim twee keer zo hoog is als gister en ik geef een gênant kleine fooi. “Have a nice day tomorrow”, zeg ik. Naar mijn auto lopend word ik nog even achterna gezeten door een jongen van een jaar of vijfentwintig die zowat mijn auto inspringt als ik de deur opendoe, maar ik doe net of ik het niet zie en geef een straal gas. Het moet niet gekker worden.

In het hotel ga ik lekker op het balkonnetje zitten schrijven. Dat is wel een beetje het nadeel. De Turken hebben niet van hun moeder geleerd dat je niet mag staren, ik voel me af en toe hogelijk opgelaten, en je bent zonder die (nep)trouwring toch een beetje aangeschoten wild. Verder krijg je dus met mannen wèl contact, met en zonder bijbedoelingen (trouwens ook alleen maar obers te vinden, geen serveersters), maar met vrouwen niet, en niet alleen omdat het merendeel je niet moet omdat je hun mannen maar afleidt, maar ook omdat de Turkse vrouwen nòg minder Engels spreken dan de mannen. En dat vind ik verschrikkelijk jammer, want ik zou zo graag eens een echt gesprek met vrouwen van hier willen hebben, omdat ik nieuwsgierig ben naar de man-vrouw cultuur en hoe vrouwen dit ervaren. Ik kan mijn oordeel er al wel over klaar hebben, maar zolang ik er geen gesprekken over heb gevoerd, wie ben ik dan om dat oordeel erover te vellen?

Dinsdag 6 juni, dag 3, Apollon Smintheion, Assos, Cunda


De bestemming is vandaag Ayvalık maar ik heb nog een ambitieuze reis voor de boeg. Ik wil naar Apollon Smintheion, naar Assos en een tussenstop maken in Edremit om geld op te halen. 

Om de een of andere achterlijke reden zet ik mijn wekker om 5:10 omdat ik zonodig eruit moet om de zonsopkomst te fotograferen. Wat bezielde me, ik weet het niet, want de zonsopkomst ziet er globaal hetzelfde uit als de zonsondergang, en dan ben je tòch al wakker, dus dat is wel zo makkelijk. Maar neen. 5:30 eruit, kleren aan en daar gaat onze amateurfotograaf die geen zin heeft om verder te rijden dan de straat uit, want als je verder rijdt zie je ook meteen niks meer van die hele zonsopkomst. Dan blijkt er vervolgens natuurlijk geen fatsoenlijke foto te maken want er staat vanalles in de weg, met name tv schotels (ja, Turkije), elektriciteitsmasten en lelijke nieuwe hotelflats en het schattig dorpje is helemaal niet te zien laat staan badend in het roze-oranje ochtendlicht. Dit is een teken om serieuze fotografie verder maar aan serieuze fotografen over te laten. Ik kruip weer in bed en slaap nog een paar uurtjes.

Ik krijg een droomontbijt van de huiskokkin met menemen, gözleme, allemaal kaas en olijven, ik kan van alles maar een beetje op maar op de tomatenjam doe ik goed mijn best. 

Om 11:00 wil ik de boot hebben dus als ik ook nog iets van het eiland wil zien moet ik opschieten. Ik besluit niet naar de vuurtoren te rijden maar naar het strand, dat is tien minuten rijden. Er is niemand, alleen een paar mannen die aan het werk zijn en die me ongegeneerd nastaren als ik de auto uitstap. Het water is blauw en doorzichtig het strand small en lang. Ik verlang verschrikkelijk naar een duik, verschrikkelijk gewoon, het is zo heet en iedereen loopt in een lange broek, en ik ga zowat hallucineren van verlangen naar zwemmen in zee. Maar ik moet weg. De boot halen. 

Smintheia valt een beetje tegen want de Turken hebben er weer met hun vingers aangezeten, maar er ligt nog genoeg rommel verspreid over de grond en half uitgegraven dat het interessant is. Ik gap een klein stukje roodachtig rond aardewerk mee waarvan ik vermoed dat het een stukje waterleiding is en dat vermoeden wordt bevestigd. Wie heeft er ooit van gehoord, deze ruïne in deze verlaten uithoek waar werkelijk nooit iemand lijkt te komen, maar mij wordt verteld dat dit de belangrijkste plaats in het land was om Apollo te aanbidden. In de bloedverzurende hitte maak ik het hele rondje af en ga dan weer in die kookpan van een auto zitten en zet koers naar Assos. 

Veel bochtige weggetjes en het gekke is dat ik een zwarte mercedes achter me zie rijden met drie mannen erin waarvan ik zou zweren dat ik die al eerder achter me heb zien rijden, maar laat ik niet paranoide worden. Ik moet toch nog tanken en dan zijn ze ook weer verdwenen. Al kilometers van te voren zie ik in de verte een heel hoge berg met een vierkante toren erop, een echt niet te missen gigantische dikke vette toren. Het ziet er erg hoog uit en het blijkt inderdaad Assos te zijn. Daar aangekomen staat er een bordje ‘Antik Liman’, antiek haven, dat ik natuurlijk moet volgen, alleen wordt de weg na een paar meter ineens wel héél erg smal en het asfalt verandert in kinderkopjes, en rechts van mij zie ik een steile afgrond, volgens mij ben ik nog nooit op zo’n hoge berg geweest, dit moet toch wel zeker 2000 meter zijn, ik zie de zee, diep, diep onder me en ik hàd het al zo warm. En terug kàn ik niet, ik moet dus helemaal naar beneden, naar de antieke liman over die bobbelige gladde steentjes verd*mme. Het weggetje komt uit op een fris klein dorpje van bijna 200 jaar oud, met supersmalle straatjes, ik twijfel steeds of ik er wel door kan maar van buitenaf wordt me verzekerd dat het echt wel kan er wordt wild naar links en rechts gebaard. Achter het rijtje oude statige bruine huizen die pal aan het haventje staan is een parkeerplaatsje waar ik de auto onder een boom kan zetten en ik vind dat ik die koffie nu wel heb verdiend. Van verschillende kanten klinkt het iyi günler, hoş geldiniz en buyrun, het woord dat graag een toverspreuk had willen zijn om mensen naar binnen te trekken. De hele kade staat vol met terrassen en er is niemand, ik ben letterlijk de enige, ik schuifel zo snel mogelijk naar een van de achterste terrassen, dichtbij de uitgang van de haven. Het is hier heerlijk fris, ik bestel iets te eten en een kop capuccino, en die blijkt buitengewoon verrukkelijk te zijn. Ik zit op dit moment echt te genieten en uit te rusten en me op te laden voor de hellerit terug naar boven. Als ik terugloop naar de auto word ik aangesproken door een vrolijk kijkende man van ergens in de vijftig met blond-grijze krullen en knalblauwe ogen. Leuk geprobeerd, die werken misschien bij de Turkse dames maar I’m not impressed mister. Ik blijk hem te moeten betalen voor het parkeren. ‘Where are you from?’, vraagt hij. Altijd een originele binnenkomer. ‘Holanda’, zeg ik, ‘and you?’ Eigenlijk als grapje vraag ik dat steeds want ik ga ervan uit dat iedereen hier uit Turkije komt. ‘Yunanistan’, zegt hij, Griekenland. ‘You chose a nice place to live’, zeg ik. ‘Where are you staying?’ vraagt hij. ‘I’m not staying’, zeg ik, ‘I’m leaving. I’m only here by accident.’ ‘Why are you leaving, you have to stay here. Where are you going?’ ‘I’m going to Ayvalik for three days.’ ‘Two’, zegt hij. ‘No three’, zeg ik. ‘No two’, zegt hij grijnzend, ‘and one day you stay here’. Ik moet er wel om lachen, ‘I’ll come back, I promis’, zeg ik lachend want ik wil hier echt een keer terugkomen, maar dan wel met mijn man, maar dat zeg ik er maar niet bij, ik schep er geen bijzonder genoegen in om hun versierplezier meteen de kop in te drukken, is ook nergens voor nodig. Ik betaal hem en ga de auto halen. Als ik langs rij stopt hij me even. Door het open raam geeft hij me een Grieks-blauwe sjaal met bloemen. ‘So you don’t forget me. See you next time’, zegt hij. Terwijl ik wegrijd, gooit hij een kom met water over de achterkant van de auto (het zal wel iets betekenen), ‘I’m waiting for you!’, roept hij me achterna. Grapjas. Die sjaal is trouwens nog handig bij die hitte op je schouders. 

Ik rij meteen door naar boven, helemaal op de top van die berg moet de ingang naar Assos zijn, naast de moskee. Ik mis de aangewezen parkeerplaats en rij gewoon het bergdorp in, waar ik nog andere auto’s heen zie gaan over de kinderkopjes. Op een gegeven moment worden de straatjes wel erg smal en steil en ik vraag het toch maar even maar ik mag gewoon doorrijden. Is dit echt de bedoeling? Ik heb nu al het idee dat ik in een museum rijd, maar het zal wel. 

Op een gegeven moment moet ik zó’n scherpe bocht nemen, en zó steil omhoog dat ik er echt niet meer in geloof, dus ik laat me maar terugzakken naar een minipleintje waar één auto staat en daar zet ik hem naast. Ik moet nog een paar straatjes omhoog lopen op deze allejezus hoge berg en dan kom ik op de antieke parkeerplaats waar een paar toyotabusjes staan geparkeerd voor de ingang. Okee. 

Echt, deze huizen zijn zó oud, er wonen nog steeds mensen, wat dóen ze hier, elke godganselijke keer die pokkeberg op. Ze bestaan overigens voor het grooste deel van toerisme, verkopen tasjes en beeldjes en houtsnijwerk en kleding uit China wat kleurrijk op straat staat uitgestald. Ik koop maar een haarband voor de liefdadigheid. ‘Handmade!’, schreeuwt de verkoopster naar me. Ja, zal wel, door Taiwanese minderjarige meisjes dan waarschijnlijk. 

Assos blijkt werkelijk enorm te zijn, het uitzicht is adembenemend, en het is hoog, zo hoog, wat déden die mensen hier in vredesnaam, al moet het wel een machtig gevoel hebben gegeven als je hier je residentie had, je kan van heinde en verre iedereen aan zien komen en van heinde en verre ziet iedereen jou. Diep beneden mij ligt een spartaanse muur en ruïnes. Bovenop de berg vormt een tempel het centrum van de bouwwerken, het doet niet onder voor de Akropolis in Athene, nou ja, een beetje wel, want zoals ik al zei hebben de Turken er weer aangezeten, maar in elk geval niet qua hoogte. Verder ben ik niet heeeeeel erg onder de indruk, alles is gemaakt van het harde donkere steen dat hier in de buurt plenty wordt gevonden. Er is geen marmer, geen ornamenten, geen tekenen van waterleidingen, geen pleinen zover ik kan zien. Het enige dat echt ontzag inboezemt is het uitzicht van deze hoogte. 

Als ik terug rijd door de smalle straatjes en op weg ga naar Ayvalık, loop ik in gedachten alle plaatsen langs die ik in de loop van de tijd heb bezocht, sommige met Jan. De meeste indruk hebben toch Xantos en Arykanda gemaakt. Ook was ik net op tijd in Afrodisias voordat de Turken het stadsbad aan gort restaureerden, in de half weggezakte marmeren omringende banken stonden tekens en spelletjes gekrast van echte mensen die daar dagelijks zaten te praten, met hun voeten in het water. De pracht en praal van Laodikeia of Efes heb ik nooit meer ergens gezien, net als het frêle, kwetsbare Lagina in het avondlicht, of het schijthuis van Magnesia. 

De bochtige weg leidt langs de kust en dat is niet een strandkust, maar een rotsachtige stenen kust waar mensen toch hebben geprobeerd iets van strand van te maken door allerlei platformpjes in het water te leggen, steigers en loopplanken. Dat is rechts van de weg. Links van de weg stikt het van de pansyons, campingachtige plekken en andere b&b’s. Voor me zie ik ineens me mannetje op de weg staan zwaaien met zijn armen. Ik twijfel of ik een natuurlijke aandrang heb tot het helpen van mensen of gewoon een natuurlijke nieuwsgierigheid, maar ik stop in elk geval. De man spreekt geen woord maar dan ook geen woord Engels en vindt het ook heel moeilijk om langzaam Turks tegen me te praten maar uiteindelijk kom ik erachter dat hij geen benzine meer heeft en of ik hem even een sleepje kan geven naar het benzinepomp station 2 km verderop. Ik zal jullie alle overwegingen besparen, die kan je inmiddels wel raden, 2 zal wel 20 zijn, en ‘geen probleem’ is vooral geen probleem van jou als mijn gehuurde auto uit elkaar valt, maar wel van mij, maar allah, ik besluit het toch maar te doen. (Waaròm, Jen, waaròm toch altijd geen nee kunnen zeggen en al die ellende op je hals halen. Waarom?) Man gilt nog iets tegen vrouw en kind, is er iemand die engels spreekt? Nee? Dan moet het maar zoals het kan. Hij komt aan met een vislijn die kennelijk de auto moet houden en bindt die aan mijn sleepoog. Ik kan je vertellen, iemand slepen in een huurauto is ècht ruk. Als jij al vaart hebt maar je aanhanger niet, voel je echt zo’n knal met een akelige ruk aan het onderstel van de auto. Het kàn niet goed zijn. Ik hou mijn hart vast. En god, wat is het warm. Als ik een paar heuveltjes en wat getoeter later in mijn spiegel kijk, denk ik ‘Waar is die auto gebleven?’. Dit is het moment om er tussenuit te piepen, ik kom hier per slot van rekening toch nooit meer terug, maar dat kan natuurlijk niet. Ik rij terug naar de man die er een beetje verloren uit ziet en ik begin in mijn kofferbak de hulpkit van de Hyunday door te spitten en verdomd, daar zit een sleepkabel in, met van die hoefijzerschroefhaken die we aan boord ook hebben. Ik weet hoe dit werkt en zit op mijn knieën de ene vast te maken aan het sleepoog, de man probeert het handeltje nog uit mijn handen te trekken want dat is het natuurlijk zijn eer te na, maar dat laat ik niet gebeuren. Hoefijzerschroefhaken zijn míjn terrein verdomme. Poging nummer twee. We halen nèt het pompstation en PANG het ding schiet los. Bang dat ik de auto ik tweeën heb getrokken stap ik uit maar het blijkt godzijdank alleen de naad van de nylon trekband te zijn. En het ìs al zo warm. Enfin, man blij, ik blij dat ik weg mag. En dat ik toch weer iemand uit de shit heb kunnen trekken vandaag. 

Ik ben ontzettend moe en verlang naar een douche. 

Het hotel is fris en koel maar wel een beetje oud. Die heerlijke frisse duik in het zwembad kan ik vergeten want het zwembad is halfleeg. Ik ben de enige gast. Ik neem een douche en vraag om een glas wijn. Die krijg ik in een houten gazebo met kussens aan de rand van de zee met een schaaltje verse wilde aardbeien die naar verse wilde aardbeien smaken in plaats van naar appel. 

Ik eet ’s avonds veel te veel verschrikkelijk lekkere meze aan de kust in het enige plaatsje dat Cunda rijk is. Ik moet weer even wennen aan het negeren van de starende, priemende, klevende blikken. Tijdens het eten kan ik me gelukkig verschuilen achter mijn ipad. 

Ik slaap heerlijk, echt heerlijk in het knisperende witte bed. 

Maandag, dag 1, Çanakkale-Troje-Alexandria Troas

Maandag 5 juni, dag 2

Ik ben er pas een dag en er is nog niks gebeurd maar ik heb al weer verschrikkelijk veel te vertellen. Als ik alleen ben, ben ik trouwens ook voortdurend alles aan het registreren alsof ik professioneel aan het beoordelen ben en er rapport over moet uitbrengen. Wat feitelijk ook een beetje zo is, want ik moet toch iets te schrijven hebben. Ja, ik weet dat ik neurotisch ben, hoeft niemand me te vertellen, maar tegelijkertijd ook weer niet zo neurotisch dat ik in de stress schiet als iets niet lukt, want als het niet kan zoals het moet, dan moet het zoals het kan, zoals onze lieve papa zei, en zo is het ook! Er zit een hele levensles in die woorden, er is namelijk een manier waarop dingen moeten, of hóren, en we zijn ons hele leven bezig te leren hoe het hoort, of hoe dingen moeten, maar je moet ook om kunnen gaan met tegenslagen, creatief kunnen zijn en flexibel, meebewegen, omdat de dingen soms nu eenmaal anders uitpakken dan we hadden bedacht.

Wat zit ik hier trouwens heerlijk te schrijven in dit schattige hotelletje, waar van alles mis mee is. Ik zit naast de prachtige belle epoque gietijzeren deur die openstaat waarachter het verkeer over de kade raast en de boten naar de overkant vertrekken. Naast me staat een schoteltje Turks brood en börek, warm, koffie en een schaal met mijn eerste Turkse ontbijt, witte kaas, komkommer, tomaat, groene peper, groene en witte olijven, en het mannetje blijft maar dingen brengen en ik krijg ook nog ei. Ben benieuwd wat ik straks mag afrekenen, maar de kamer zelf was maar 170 TL edus ik maak me nog geen zorgen.

Ik kwam om 22:15 gisteren aan, nadat de duisternis was ingevallen, reed ik nog minstens een uur hongerig over de krakkemikkige snelweg met 2-0 systeem (RWS-ers weten wat ik bedoel) door de köfte-streek Tekirdağ. Een allerliefst mannetje gaf me een mooie kamer die heel groot was, beloofde hij, aan de voorkant. Prima, maakte me allemaal niet meer uit, ik was zo moe dat ik niet eens meer wilde eten. Ik vroeg of ik een glas wijn kon krijgen, en even later op mijn kamer kreeg ik een enorme bel rode streekwijn met een strikje erom en een groot bord met kaas. Ik kon wel huilen van dankbaarheid. Het enige dat ik verder nog wilde was douchen en op bed liggen. 

Hoe moe ik ook was, het ontging me toch niet dat er overal aan de kranen kalkaanslag zat, en op de doucheramen, en dat de handgrepen van de douche los zaten, en dat er donkerbruine aanslag in de hoekjes zat. Normaal gesproken douche ik overal met slippers, die was ik even vergeten, dus ik probeerde maar even de gedachte te verdringen aan de honderden voeten die hier vóór mij hadden gestaan waarna de vloer kennelijk niet was schoongemaakt. Ik had ook mijn twijfels of die Ikea badkamermat wel elke keer gewassen werd, dus ik legde maar een kleine handdoek op de grond. Toen ik de draaibare spiegel probeerde te verdraaien had ik die opeens in mijn handen, die was dus ook duidelijk niet schoongemaakt. Ik frummelde hem terug en bleef er maar af. En wat deej die telefoon daar eigenlijk, bij de wc? Ugghh. 

Door een van de mansgrote ramen kwam een penetrante rooklucht, alsof de benedenverdieping in brand stond, en het andere raam ving al het geluid van de kade dus ik deed beide ramen dicht. Daarmee werd het wel stervensheet, en de airco bleek het niet te doen. Ik liet het allemaal maar, ik appte nog even met het thuisfront, hoorde mijn eerste ezan, en viel toen in een diepe slaap. 

Gisterenavond had ik in het donker totaal niets gezien van de omgeving, dus toen ik vanochtend in mijn ondergoed het gordijn openrukte, stond ik oog in oog met een elftal Turkse bouwvakkers die kennelijk koffietijd hadden op de open bouwput die het hele uitzicht besloeg. ‘Nou ja, ik kom hier toch nooit meer terug’, is dan de gedachte die je maar tevoorschijn trekt als je Life of Brian hebt verdrongen. De tergende hoofdpijn heb ik inmiddels onderdrukt met twee paracetamolletjes. Zometeen pak ik mn tasje en ga ik richting Bozcaada. 

17:00

Ik heb er al weer een dag op zitten en wacht nu op de tweede veerboot van vandaag, die naar Bozcaada. Ik heb vanmorgen een dagtasje gepakt zodat ik voor die ene dag op het eilandje niet mijn hele koffer hoef mee te schleppen. Bij het uitchecken vond ik het ineens raar dat ik nog zo veel briefjes van 50 lira had, en nog maar zo weinig van 50 euro. Ineens dringt het tot me door dat ik het mannetje gisteren 150€ heb gegeven ipv 150 TL. Ik probeer hem dat duidelijk te maken, maar hij wil er niet aan. Misschien helpt het als ik het in het Turks probeer. Met een papiertje erbij laat ik hem zien dat ik hem wel degelijk 150€ heb gegeven. Yarın size yüz elli avru verdim, lira değil, avro. In de deuropening verschijnt de manager en ineens herinnert hij het zich weer. Na een klein rekensommetje en een voor hem godsgruwelijk gunstige koersconversie kan ik eindelijk weg. 

Ik verlaat Gelibolu en rij verder naar het schiereiland Çanakkale alhoewel ik nog steeds niet weet hoe het echt heet, waar ik wat slagvelden wil bezoeken. Het eiland lijkt op Frankrijk, glooiend en groen en met veel akkerlandschap. Maar ook veel lelijke dorpjes, mislukte toeristische hotels, en borden, veel borden, vooral met ‘KÖFTE GÖZLEME ÇAY’, of ‘GÖZLEME KEBAP MANGAL’, of ‘ÇAY KAHVALTI YIKAMA’, of elke combinatie van die woorden. Altijd in hoofdletters. Vele, vele eettentjes schiet ik zo voorbij. Vele, vele verschoten, verroeste, verbleekte borden. Er is in Turkije niet veel nodig om een zaakje te beginnen. Een halfopen kippeschuur met wat golfplaten, paar pallets met geknoopt kleedje erover en wat kussentjes, en een verschoten bord met ‘ÇAY GÖZLEME KEBAP’. En natuurlijk een tuinslang met gaatjes tussen twee electriciteitsmasten gespannen of over de pergola. Je zet een kop thee, perst een sinaasappel uit, bakt een pannenkoek en laat ondertussen je zoon/man/neefje de auto van de gast wassen onder de pergola. 
De Dardanellen (Çanakkale Boğazı) zijn trouwens heel smal, de overkant is zo dichtbij. Veel smaller dan het IJsselmeer. Al de tijd dat ik er rijd stel ik me voor dat het hier vol ligt met oorlogsschepen. Als ik afsla begint zelfs de sfeer van het landschap te veranderen en ik voel me verdrietig. Een verschrikkelijke strijd heeft hier gewoed, soldaten hebben intens geleden onder de meest afschuwelijke omstandigheden. In de brandende hitte, met vlooien, difterie, grote tekorten aan water en voedsel en geen mogelijkheid om de stinkende lijken weg te halen. Een eindeloos lijkende slingerweg door een landschap van naaldbomen rijd ik door. De vorm van de grond lijkt hier en daar op die van Verdun: grillig, met manshoge heuveltjes, gevormd door ingestorte loopgraven en bominslagen. Verdwalen kan hier bijna niet want op een gegeven moment moet ik een weg inslaan die tek yön is, eenrichtingverkeer. 

Als ik bij Lone Pine Cem. kom (wat is nou weer cem? Djem? Vraag ik mezelf af, maar dat is natuurlijk cemetary) parkeer ik de auto achteloos onder een eenzame denneboom. Er staat een bordje bij. Deze denneboom is geplant in 1990. Okee. Van een zaadje van een boom in Australie. Oh? Die geplant is van een zaadje dat een soldaat had meegenomen uit Gallipoli. Ooo, okee.

Ik loop over de begraafplaats waar schijnbaar 4000 Anzacs soldaten moeten liggen en het valt me op hoe jong ze zijn. Ik zie er veel van 18, 22. De volgende stop is de Turkse begraafplaats die van het 57ste regiment. Er staat een reusachtig, slecht gelijkend beeld van Atatürk, de aanvoerder van dit regiment. Ik hoor overal vogeltjes en vraag me af of je die in die tijd ook zou hebben gehoord. Wat ik ook zie is dat in 1915 de mensen hier nog geen achternamen hadden. Atatürk heeft pas na 1923 ingesteld dat mensen een officiële achternaam moesten hebben. Op deze begraafplaats liggen alleen oğlu’s (zoon van), Mehmet İsmailoğlu, Hüseyin Alioğlu, Hasan Salıhoğlu. Ook zie ik dat de gemiddelde leeftijd ongeveer 5 jaar ouder is dan die van de Anzacz. Waarom zou dat zijn? Vragen, vragen. Na een beetje rondgewandeld te hebben stap ik weer in de auto naar het laatste ding dat ik wil zien, het grote monument boven op de berg. Het uitzicht moet er spectaculair zijn en je kan de loopgraven bekijken. Ik draai weer de eenrichtingverkeer weg op en rij bij een vaag bordje door. Waarna ik me realiseer dat dat het was. En ik kan niet terug want … eenrichting verkeer. Als ik het alsnog wil zien moet ik 20 kilometer omrijden. Godfriet. Dat doen we dus maar even niet want ik moet nog een veerboot halen. 

Ik weet niet hoe ik het heb uitgekiend maar ik ben precies op tijd bij de feribot. Als we vertrekken zie ik in het gehuchtje naast Eceabat het klavervormige fort waar ik me de vlekken naar gezocht heb maar niet kon vinden. Okee, laat gaan Blokkie. 

Wat is Çanakkale trouwens een verschrikkelijk leuk stadje. Leuk oud winkelcentrum, levendig. Geen hoofddoekjes, geen ramazan te bekennen. Ik krijg genoeg kans om het te bekijken want ik rij vier keer verkeerd op weg naar Troje. Dat is ongeveer 40 km hiervandaan en moet ik dan maar even meenemen. Het is weer bloedverziekend heet en ja ik loop weer, nog steeds in een lange broek want iedereen. Truva is verderop makkelijk te vinden want overal borden. Dan een enorme parkeerplaats. Zelfde ervaring als Afrodisias, een jaar gelden. Er is bijna niemand, maar je struikelt over het personeel. Als ik net binnen ben arriveert er een touringcar met Chinezen. Terwijl ze selfies maken bij het houten paard van Trojeuitdefilmjawemochtenhethouden, snel ik het wandelpad op. Ik kan je zeggen, hier is al een tijd geen stoflapje doorheen geweest. Troje is een grote bende. Ik zie geen elegante restanten, tempels, fontijnen, rioleringsbuizen, kapittels met afbeeldingen van dieren of groenten en fruit. Niettemin ben ik onder de indruk van de geschiedenis, waarvan er restanten te zien zijn uit 2500vC. Alleen dat paard… Wàt een slecht paard! Ik heb altijd begrepen dat een een soort verstoptruc was, net als in het spanjaards gat. Hoe kan je nou ooit een stad overvallen met manschappen die verstopt zitten in een paard als er twee verdiepingen met raampjes op zitten? Een paard geeft toch geen raampjes? Dan zie je toch meteen dat er mensen inzitten?!!!! Nah ja, ik zal het wel niet begrijpen.
Ik vlucht weg van de bussen, souvenirwinkeltjes en toiletten van Troje en ga nog even naar Alexandria Troas. Als je dit gebied op Google Earth bekijkt, zie je dat het helemaal is opgenomen door de aarde. Iets ten zuiden van het badhuis zie je een deuk in de grond die helemaal is overgroeid en op niveau van de mens waarschijnlijk helemaal niet te zien is. Het terrein moet enorm zijn. Als je zo’n plek bezoekt vergeet je soms dat dit een volwassen stad is geweest. Met genoeg mensen om zulke ingewikkelde gebouwen te bouwen met die loeizware elegant versierde stenen. En waarom zijn die steden er niet meer? Zijn ze langzaam leeggelopen? Of in een keer verwoest en leeggeplunderd? Hoe is het mogelijk dat zulke prachtige bouwwerken niet meer worden bewoond en half of helemaal onder de aarde zijn verdwenen? Ik kan maar een ding bedenken en dat is politiek. De politieke wensen veranderen, er wordt niet meer geïnvesteerd in mens en materiaal, een bepaald gebied heeft geen waarde meer voor de machthebber van het moment. Ik weet het niet maar ik blijf maar aan al die mensen denken, waar zijn ze dan?

In de schroeiende hitte rijd ik door het olijvenlandschap, olijfgaarden zo ver het oog reikt. De weg is slecht en overal dichtgeplakt met kleine stukjes asfalt en desondanks vol met gaten alsof hier nog een oorlog gevoerd moet worden. Na het honderdste bochtje zie ik ineens een stapel stenen boven de olijfbomen uitkomen en ik weet dat ik er ben. Er is geen plek om de auto te parkeren dus ik zet hem half in de berm, hopende dat het mij vergund is dat er niemand tegenop knalt. Aan de overkant van de weg staat een bordje dat naar het struikgewas wijst. Nymphaion staat er op dus mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Ik duik de bosjes in en vind wat platgetrapte takjes wat wel een padje moet zijn dus ik volg het, dit is helemaal naar mijn hart, geen idee waar ik uitkom en of ik überhaupt ooit die bosjes nog uitkom, heerlijk! (Een padje platgetrapt gras wilt trouwens bijna nooit zeggen door mensen platgetrapt. Meestal door geiten. En die klimmen doorgaans beter over de rotsen dan ik. Maar dat terzijde.) Voor mijn voeten vlucht een reusachtige slang weg en mijn geluk is zowat al compleet. Als ik door het struikgewas ben geklauwd, opent het terrein zich en sta ik ineens in een boomgaard. Links van mij richt zich tussen de pruimenbomen een grote toren op. Overal op de grond liggen witten stenen. De toren en alle resten van gebouwen die er naast staan, zijn helemaal overgroeid door planten, vooral van het ondoorkoombare soort, distels en andere prikdingen. En bomen. Ik heb nog nooit zo’n bouwwerk gezien dat zo door zijn omgeving is verslonden. Er is niet heel veel aan te zien verder. Ik heb ook de indruk dat veel details geroofd zijn en beland zijn in Duitse en Russische musea. Dat geldt trouwens voor heel veel van dit soort plaatsen. De Duitsers hebben grof misbruik gemaakt van de achterlopende kennis van de Turken op dit gebied en hebben sinds de jaren 90 van de 19e eeuw ontzettend veel archeologisch werk verricht, Turkije was natuurlijk een droom voor elke archeoloog, zoveel is er nog onontgraven. En meteen meenemen die handel. Als je eens in Berlijn in het kunsthistorische museum bent, ga dan maar eens naar de afdeling Griekse bouwkunst. Alles dat daar staat is geroofd uit Turkije. 

Ik verlaat deze kant van de weg en ga aan de overkant kijken, ook die kant, de Herodes Attikus hamamı, is volledig overwoekerd al staat er wel een bord of ik alsjeblieft niet op de muren wil lopen want gevaarlijk. De grote stenen poort die ineens naast het smalle padje opdoemt is impressive, wel een meter of 6 hoog, dat heb ik nog niet eerder gezien. Voor het gevoel loop ik er een paar keer onderdoor, springend over de schots en scheef liggende stenen op de grond. Dat die waarschijnlijk van boven komen, komt op dat moment even niet in me op. 

Als ik de boot naar Bozcaada wil halen zal ik moeten opschieten want die vertrekt om 17:00 uur uit Geyikli. Dus ik zet er even wat gas op en ben netjes om 16:50 bij de iskele, alleen blijkt dat de boot om 18:00 pas vertrekt. Ik ben blij met de extra tijd om een kop koffie te drinken. Naast de vertrekhaven ligt een voor Turkse begrippen prachtig strand en het is zo heet en ik droom ervan om erin te springen. Zou ik nog tijd hebben om dat te doen? Eigenlijk wel, maar ik kies voor de rust.

Bozcaada is het schattigste eiland dat ik ooit heb gezien. Ibiza, maar dan beter. Veel beter, eigenijk. Het aanvaren op de haven is al een klein feestje, een oude havenkom omringd door restaurantjes, het oude fort aan de rechter kant, vissersscheepjes en netten op de kade. Het doet Grieks aan behalve Turkse rommeligheid en zet je er een voet op, dan wil je meteen alleen maar ergens gaan zitten met een glas wijn. De wind lijkt eeuwig te waaien en het ruikt naar de zee. Mijn hotelletje Ela Tenedos is dicht en ik moet iemand bellen. Binnen vijf minuten doet een tengere blonde vrouw open die moeilijk Engels spreekt maar heel vriendelijk naar me kijkt. Ik krijg een schattige kamer met uitzicht op het fort, het is klein maar lief en wit en schoon schoon schoon. Ze neemt me mee naar boven, het dakterras, waar het ontbijt wordt geserveerd en stelt me voor aan de kokkin, een breed lachend propje van wie ik meteen een kop sterke Turkse koffie krijg. 
Bozcaada is het eiland waar de schepen van de grieken zich verstopten toen ze het paard van troje hadden afgeleverd, dat je het even weet. Verder staat het bekend om de wijnbouw. Wat ze ook leuk vinden om te noemen is de groene energie die komt van maar liefst vier windmolens.

Ik neem een heerlijke douche in de schone badkamer en kleed me om. De hoteldame heeft me een restaurantje aanbevolen aan het water, het is meer een kroegje, maar het eten moet er lokaal en goed zijn. Ik ben de enige en voel me een beetje opgelaten tussen de 32 obers. Het is een beetje frisjes en een van hen legt een rood fleece dekentje over mijn schouders. Ik krijg het menu, maar dat is alleen in het Turks, dus ik heb een klein probleempje. En verdomd als het niet waar is, er wordt iemand bijgehaald die de enige is die Engels spreekt, en die dus óók geen Engels spreekt. Ik vraag wat zij me kunnen aanbevelen. Zij, want ze staan met zijn vieren aan mijn tafel. De Turken beginnen onderling te delibereren en als ik iets van sea food opvang zeg ik dat ik dat wel wil. Ik heb geen idee wat ik krijg. Een uur en een glas rakı later, als ik alles op heb weet ik het nòg niet (behalve aubergine en inktvis), maar allemachtig, wat was het lekker.

Waarom dan.

Ik weet het niet. Ik hoef niets te verzinnen, al heb ik wel steeds het gevoel dat ik iets moet verzinnen, vooral om mijn familie en vrienden te laten ophouden met vragen stellen, of zorgen maken. Ja, er gebeuren vreselijke dingen. Overal gebeuren vreselijke dingen. Moet ik daarom niet meer gaan? En die andere mensen dan, die dat ook allemaal niet willen? Kan ik opgepakt worden? Betrokken raken bij een bomaanslag? Geweldadigheden? Ja, maar het is allemaal zo onwaarschijnlijk. Ik maak me nog het meeste zorgen om een lekke band.
Er is in elk geval nu bijna geen sprake meer van dat ik niet weer ga, of er moet op het allerlaatste moment iets ergs gebeuren. Ik weet ook al bijna precies wat ik wil gaan doen en waar ik heen wil en daar is niet aan te tornen. De eerste week naar de streek Diyarbakır-Bitlis-Hasankeyf-Midyat-misschien Mardin. De tweede periode een zalige week in Istanbul. De derde week helemaal niets doen op het strand (maar natuurlijk toch wat rondrijden). De eerste week heeft me de laatste maanden de meeste hoofdbrekens bezorgd. Moet ik de problemen nu wel opzoeken? Maar tegenover elk tegenargument dat in me opkwam, stond meteen een nuchter antwoord. Wie zegt dat er problemen zijn? “Bitlis? Wat moet je nou in Bitlis? Er is niks in Bitlis”, zei een Turkse jongen tegen me. En: “Ze zijn daar niet gewend aan toeristen, en zeker niet aan alleen reizende blonde Nederlandse vrouwen. En dan ook nog tijdens de ramadan.” Maar er is dus wèl iets in Bitlis. Er wonen toch mensen? En er is Armeense architectuur en een groot kasteel op een berg, en het is vlak bij het El Aman Hani uit de 16e eeuw en op traditioneel Turkse wijze restauratief vernacheld. En ik ben geen toerist. Tenminste niet en die geïnteresseerd is in zaken waarvan anderen vinden dat toeristen die interessant moeten vinden. Ik wil me gewoon tussen de normale mensen begeven, tussen de gewoonheid van alledag, tussen de lelijkheid en de schoonheid van alledag. Boodschappen doen en koffie drinken en ’s avonds op tijd naar bed. En hoe kan ik zo vaak in Turkije zijn geweest zonder in het Koerdische gedeelte te zijn geweest? Ik moet ook wat Koerdische woorden gaan leren trouwens. Rojbaş!