Zarathoestra

Dat ik me iets minder een buitenstaander voel tussen dit gemêleerde gezelschap, wil niet zeggen dat ik nu zin heb in het avondeten. Gelukkig heb ik hartstikke keelpijn, dus dat ga ik straks fijn gebruiken om er onderuit te komen. Maar we vertrekken eerst nog naar Dara, ongeveer een uur rijden van Mardin naar het zuiden. Vanuit het zuiden is het zicht op Mardin tegen de berg aan echt spectaculair. Het is midden op de dag een beetje heiig van de hitte, geel met grijs en blauw. Onderweg passeren we een paar lege legercontroleposten en met manshoge betonblokken afgezette kazernes. We zien ook veel opgetuigde legergroene Hummers rijden. Buiten de stad hangen camera’s boven de weg. Men weet wie er in gaat en wie er uit komt.

Als we met die lompe opvallende touringcar aankomen in Dara en uitstappen, rijden er net een paar schattige jongetjes op kleine fietsjes voor ons langs. Eentje komt recht op mij af en ik pak mijn camera. Een paar van mijn reisgenoten doen hetzelfde en het jongetje staat even stil alsof hij niet anders gewend is. Er komen ook een paar meisjes aan en omdat ik inmiddels een paar meter van de groep af sta, komen ze om me heen staan. “Hoş geldiniz”, zegt een meisje met een glimlachje, “Hoş bulduk”, zeg ik terug. Dan zegt ze iets wat ik niet begrijp en ik zeg in het Turks dat ik alleen Engels spreek. “What is your name?”, vraagt ze. Ze staan met z’n drieën om me heen héél goed te weten wat ze willen van toeristen en ook heel goed te weten dat ze ondanks de overduidelijke doortraptheid toch onweerstaanbaar zijn, met die fijne gezichtjes en grote bruine ogen en gekke stoffige kleren in allerlei kleuren over elkaar heen aangetrokken. Eén van hen gaat het even in de rest van de groep proberen. Ik heb met de andere twee een kleine conversatie en een van die meisjes wijst op mijn armbandjes. Ik ga natuurlijk als een sukkel direct voor de bijl en vraag “Beğeniyor musun?”, “Vind je het leuk?”. Ze knikt driftig en ik trek een armbandje van mijn pols af en geef het haar, en een tweede aan het andere meisje. Ik heb er eigenlijk al direct spijt van, wat een watje ben je dan toch, maar oké, je moet het ook een beetje in het grotere geheel der dingen zien, wij komen hier op hun terrein met onze afzichtelijke bussen een beetje de huisvrede lopen te breken op alle onganselijke uren, daar hebben zij óók niet om gevraagd. En die toeristen bulken van het geld en ze willen soms nog wel eens wat, ayran, of papieren zakdoekjes, of een liedje, of een toekomstvoorspelling, of een zelfgemaakt kransje van olijftakken. Het is gewoon kijken wat je los kan krijgen, en zo’n armbandje komt natuurlijk snel van de pols af en is wel een stukje toneelspel waard. Ik loop weer een stukje door over het terrein. Het derde meisje dat middenin de groep staat, heeft inmiddels in de gaten dat er een succesvolle onderhandeling heeft plaatsgevonden en komt terugrennen naar haar vriendinnetjes. Ik hoor de twee in opgewonden stemmetjes iets tegen haar zeggen, ik kan me zo voorstellen iets van “Ze heeft er nóg een, ga het gewoon vragen!” Als ik achterom kijk, duwen ze haar een beetje mijn kant op. O, the pressure! Nu hebben je twee vriendinnetjes wèl een armbandje en jij niet! Ze rent achter me aan, maar zegt niets, ze kijkt alleen maar, met een soort van verlegen ogen, terwijl ik loop probeert ze met staren van opzij mijn aandacht te trekken terwijl de twee vriendinnetjes achter haar aan komen om te kijken hoe het afloopt. Ik had inderdaad nog één armbandje, de mooiste had ik voor mezelf bewaard, ja, dat doe je dan weer wèl, maar tegen deze emotionele guerrilla-aanval ben ik niet opgewassen. Ik ben nieuwsgierig wat ze doet als ik stil ga staan, als ik dat doe zet ze direct haar charmeoffensief in en zegt: “What is your name?”. Ik kan mijn lach niet onderdrukken en dat is kennelijk haar cue, want nu wijst ze naar mijn arm. Okee dan, hier. We maken nog even een “selfie, selfie!” en in een stofwolkje zijn ze dan ook verdwenen.

Dara werd in de 6e eeuw BC door de Oost-Romeinen op de Mesopotamische vlakte gebouwd als militaire post, vlak aan de zijderoute (waarbij Nusaybin de belangrijkste pleisterplaats in de buurt was). Ook de eerste stad in de geschiedenis met een irrigatiekanaal en een dam trouwens. Wist je vast niet. Ondanks al dit prachtigs heb ik verder niet zoveel oog voor Dara. Het stond op mijn lijstje en het is een totale verrassing dat we hier ook zijn heen gegaan, dus ik ben erg şaşırdım, verrast en blij maar in tegenstelling tot wanneer ik hier alleen zou zijn, ben ik teveel afgeleid door andere dingen om echt iets op te slaan en te leren (en te genieten ook, eigenlijk). Waar is die groep, staat die bus er nog, waar is mijn iPhone/camera/mifi/zonnebril/pakje zakdoekjes nou weer. (Maar even: die tas-in-tas hè sis, die zorgt er vooralsnog wel voor dat ik in nòg meer vakjes moet zoeken naar mijn zooi.) Ik heb ook al niets te lezen bij me, wat misschien nog wel het ergste is.

We bewegen naar de andere kant van het dorp. Ineens nog meer kinderen. “Zal ik een liedje zingen?”, vragen ze. Nee, hoeft van mij niet. Eén meisje is in de stralen van de ondergaande zon met water aan het spelen, waar ze onverstoorbaar mee door gaat als een paar mensen haar staan te fotograferen. Stof en water vormen een schimmenspel in de zonsondergang. Zou dat meisje zich dat herinneren als ze een vrouw is? Wat doet dit met haar? Misschien schrijft ze ooit wel een boek over haar leven in deze uithoek van Turkije, “Als de bussen kwamen stuurde mijn moeder me naar buiten om mijn zogenaamde regendans op te voeren. Vooral in de zomer konden we rekenen op al die mensen die hun Instagram wilden vullen met beelden van arme kinderen die spelen in de zon, en daar dan iets voor willen geven. Er waren nooit kinderen bij en ze spraken vaak een taal die ik niet begreep, waaruit ik afleidde dat ze wel ver weg moesten wonen, want in de buurt kende ik niemand die die talen sprak.” Of zoiets.

We dalen af in een meer dan 1000 jaar oude, twintig meter diepe voorraadkelder die er uit ziet als een ondergrondse kathedraal en overal waar we gaan volgen de kinderen ons. Het begint op het moment lichtelijk irritante vormen aan te nemen. Niet alleen vanwege het steeds aandringendere bedelgedrag, maar ook omdat er zo geen foto meer te maken valt zònder kinderen erop.

Ik vind het niet erg om hier weg te gaan en denk er even over na wanneer het beste moment is om tegen mijn gids te zeggen dat ik niet mee ga eten. Dat moment komt wanneer hij naast me loopt en we het hebben over de plaatsen die we hebben bezocht en die nog de moeite waard zijn. Volgende week vliegt hij voor één dag naar Libië, om een Romeinse stad te bezoeken. Ik zou me zo maar kunnen voorstellen dat ik dat ook zou doen. Als hij dan zegt dat we vanavond in zo’n fijn restaurant eten, onderbreek ik hem maar meteen, want ik heb zó’n keelpijn, ik weet niet of ik het wel trek om twee uur aan tafel te zitten. Hij probeert me nog over te halen, er is géén muziek, zoals gisteren (dat heb jij even goed aangevoeld mattie), er is vis en een héél goeie keuken, wat ik direct van hem aanneem want hij is een practising foodie heb ik begrepen, maar frankly, lieve schat, I’d rather wipe Saddam Husseins ass op dit moment. Hij zegt, “You don’t need to stay all evening, maybe just come for dessert or leave early, whatever you want.” Okee, een tikje schuldig voel ik me wel, maar niet genoeg.

Wat heerlijk om op de hotelkamer mijn kleren uit te trekken en een douche te nemen. Ik verheug me al op die latte die ik ongetwijfeld ga vinden. Ik heb geen zin in eten maar wie weet. Er overvalt me een enorm gevoel van vrijheid ineens. Ik sla nog een paracetamol achterover, ik wacht even tot iedereen waarschijnlijk aan die lange tafel zit, het is al lang donker, en loop dan naar buiten. Er moeten verschillende cafeetjes in de buurt zijn maar zo op het eerste oog zie ik ze niet. Google zegt dat ik in een paar stappen bij het Kulilk Cafe moet zijn. Ik zie inderdaad een onooglijk houten plankje met die naam hangen, dat naar een onooglijk steegje wijst, maar of ik daar nu in wil lopen, zo in m’n eentje… Ik bekijk even de foto’s op Google en het ziet er toch wel geestig bohemièn uit, dus weet je wat, het kan me toch allemaal niet meer schelen, ik lóóp die onooglijke trap op, dat donkere steegje in, het zijn tien treden voordat ik de hoek om moet en als ik daar ben krijg ik andermaal zo’n heerlijke verrassing, die alleen is weggelegd voor mensen met vertrouwen in de mensheid of doodsverachting, en ik heb geloof ik wel iets van allebei: een met lantarens verlichte zachtgele kalkstenen muur met van boven naar beneden uitgebeitelde versieringen beloont me, met een donkerbruine zware deur met ijzeren beslag, die open staat, en toegang geeft tot een klein open binnenplaatsje. Twee jonge mannen met snoeistrakke kapsels en hipstersbaardjes staan er te praten, “Kulilk burada mı?”, vraag ik, en ze wijzen naar nog zo’n uitgesleten stenen trap, en dan sta ik ineens op een dakterras, met houten tafeltjes en industriële stoeltjes en bankjes, half overdekt met grove juten kleden tegen de zon. Overal hangen gekleurde lantaarntjes aan scheepstouw, ook in de takken van de boom die half over het terras heen hangen. Ik ga vlakbij de rand zitten, er zit maar één ander stel op het terras. De kaart is een grillig houten plankje waar iemand de letters van de gerechten heeft ingebrand, kennelijk zijn ze niet van plan om binnenkort iets aan de kaart te veranderen. Wat in andere omstandigheden geen overbodige luxe zou zijn want er staan in totaal maar tien gerechten op en tien drankjes, natuurlijk allemaal zonder alcohol, maar hier, hangend boven het geelgouden Mesopotamië, onder deze glasheldere sterrenhemel, en onder een bijna overhellende steile bergmuur, is het genoeg, meer dan genoeg, is het een feest, is het vijf broden en twee vissen en glas water, en wat een intens geluksgevoel overvalt me hier, niets maar dan ook helemaal niets kan hier tegenop, alles valt op zijn plaats.

Eerst koffie, en ik bestel een latte, heeft ie niet, maar ik vraag of hij melk heeft, ja dat heeft hij wel, kan hij die warm maken? Ja hoor, geen probleem. En heb je ook koffie? Ja allicht. “Zal ik ze mengen?”, vraagt hij. Joh, wat een goed idee.

Ik leg mijn iPad op tafel en bestudeer de kaart een beetje. Een piepkleine kitten speelt bij mijn voeten. “Patates”, staat er op de een na laatste regel. En “Tavuk izgara”, gegrilde kip. Ik ga niet meer moeilijk doen, nu. Kip met friet, á la Turque de l’est. Echt, ik heb iets goed gedaan in dit leven. De koffie komt, gewoon veel te hete instantkoffie met melk, maar prima en ik bestel mijn eten. De koffie is na een paar minuten echt heerlijk, ik zit heerlijk te schrijven, ik voel me intens gelukkig, en ik bedenk me, al die tijd heb ik gezegd dat het énige dat niet leuk is aan alleen reizen het ‘s avonds alleen eten is, maar dit…! Waarom dàcht ik dat eigenlijk ook al weer?

De kip en friet komen, en echt waar, er zit een bakje ketchup en een bakje mayonaise bij, I kid you not, mayonaise! De kip is in stukjes gegrild, Turks gekruid met lekker veel pul biber, en ligt op een bedje van brood zoals iskender kebap, met tomaten en pepers en ui erbij. De jonge gast komt nog aan met een enorme schaal van dat heerlijke brood, en vraagt dan: “Would you like a glass of wine?”

(Dat was even een momentje om het momentum tot je door te laten dringen, ik snak al dagen naar een glas wijn, ook al was ik aan het minderen, wat in principe prima gaat, maar ik ben nu in Turkije, all bets are off, maar geen wijn te krijgen hier, niet in het koelkastje van het hotel, niet op het terras van het hotel zelf, het lijkt de friggin’ drooglegging wel, maar enfin.)

Ik klap mijn handen tegen elkaar en zeg “Evet! Lütfen! Gast komt met een fles zonder etiket, lokaal dus, (Süryani şarabı, bleek inderdaad) en een enorme bel van een glas, dat voor meer dan de helft vol gaat. Nu had ik in Dereiçi die lokale wijn al geproefd (die trouwens wèl een etiket had), en werd daar niet zo héél vrolijk van, beetje te zoet en te zuur tegelijk, maar déze! Nee ik wil echt niet overdrijven, ik snap dat je er op dit moment wel klaar mee bent en de pointe wel begrijpt, maar deze wijn was dus niet alleen lekker, donker, en zwoel, en walnoten, maar ook was het een mentaal kadootje, een goedmakertje van het universum, voor de geleden schade van de vorige avond. Zoiets.

Ik heb daar best nog lang gezeten, aan dat houten tafeltje. Schrijven schrijven, schrijven, af en toe die kitten erbij, smachtend naar een stukje kip. Toen ik klaar was met eten, vroeg de jongen of ik nog een beetje wijn wilde, en ik had eigenlijk genoeg gehad, maar alles was zo bijzonder, ik wilde nog even blijven zitten schrijven, dus ik zei toch maar okee, en even later komt hij ook nog terug met met een schoteltje met kaasblokjes, en op dat punt, na alles wat ik net heb beschreven, en die wijn natuurlijk die zijn emotionele effect bereikte, brak ik in stukjes, en heb ik de tranen van dankbaarheid en vermoeidheid natuurlijk ook, maar even de vrije loop gelaten, het was tòch donker, en de mensen aan de andere tafel waren toch te luidruchtig met zichzelf bezig om mij op te merken. De rekening kreeg ik gepresenteerd in “Böyle Buyurdu Zerdüşt” (Aldus sprak Zarathoestra), van Friedrich Nietzsche.

Affijn om kort te gaan, ik had een heerlijke avond in m’n eentje, en bleef ook nog tot diep in de nacht schrijven op mijn hotelkamer. Met water.

Betovering | Mardin

Vrijdag

Het staat er echt, “Diyarbakır”, op m’n instapkaart. Shit gets real. Ik hoop dat ik in het goede vliegtuig zit. Ik zie Stipje nergens meer. Maar Paars stond net wel in hetzelfde busje dat ons naar het vliegtuig bracht, dus ik denk dat het goedkomt.

Voordat ik wegging heb ik het nieuwe matras nog afgehaald en naar het balkon gesleept. Daar had ik nog tijd voor want ik was om 3.15 al wakker. En om 2:15 ook, en om 22:15 en 23:30 ook, vanwege de schroeiende stank die uit het matras kwam om mijn longen te perforeren, en de sigarettenlucht die uit de keuken kwam. Eruit om de deur van de slaapkamer dicht te doen. Eruit om een rondslingerend vest tegen de kier onder de deur te leggen. Eruit om in de keuken het raam naar de luchtschacht dicht te doen waar het vandaan leek te komen. Maar dat matras, het leek wel of mijn luchtpijp in de fik stond. Vanochtend dus maar alles afgehaald en op het balkon te luchten gelegd. Kan ook zijn dat die griep me toch gaat inhalen nu.

Ik eet een groen mandarijntje en een plak van dat heerlijke Turkse brood met kaas en ik maak instantkoffie. Het zou maar 20 minuten lopen moeten zijn naar het Fenerbahçe stadion maar ik neem in deze duisternis toch maar een taxi, die trouwens meteen al voor mijn deur stopt zodra ik met mijn koffertje uit de deur stap. Chauffeur vraagt waar ik heen ga, ik zeg ‘Fenerbahçe stadion’ en dan vraagt hij volgens mij nog een keer waar ik heen ga, of waar ik daarna heen ga, of wat ik ga doen, dus na al dat aandringen zeg ik per ongeluk ‘Sabiha Gökçen’. ‘Sabiha Gökçen?’, vraagt hij. ‘Neenee, Fenerbahçe stadyumu’, zeg ik. ‘Sonra Sabiha Gökçen’e mi?’. ‘Hayır, hayır, sadece Fenerbahçe stadyumu.’ Omdat ik het zielig vind dat ik hem de rit naar Sabiha ontzeg, geef ik hem maar het dubbele van de ritprijs, 15TL, wat neerkomt op nog geen 2,50€.

Bij het stadion zie ik meteen een man uit een andere taxi stappen met een handbagekoffertje, waar ik maar direct op afstap. Als ik in het Engels aan hem vraag of hij ook met Fest Travel meegaat, lijkt hij direct een beetje in zijn schulp te kruipen terwijl hij bevestigend antwoordt en zegt dat hij de gids is. Hij doet geen enkele moeite om iets in het Engels tegen me te zeggen, ook niet als we later met 15 man in de bus zitten en hij een verhaaltje afsteekt. Gelukkig heeft iemand een lijstje in zijn hand waar ik mijn naam op zie die afgestreept wordt en zo tijger ik de hele tijd maar langs de kleine tekens die me bevestigen dat ik nog steeds goed zit. We krijgen een rood apparaatje aan een koord, en een paar batterijen, er wordt nu iets verteld over waar het ding voor is, ik hoor verschillende keren het woord vliegveld en veiligheid vallen, maar ik kan er verder geen touw aan vast knopen. Nee, uitleg in het Engels komt er niet.

Ook al is het ècht niet erg, en heb ik er rekening mee gehouden me drie dagen lang zonder verbaal of ander contact in De Groep te moeten bewegen en niets te begrijpen van wat er gezegd wordt, ik had het toch anders gedaan, als gids zijnde.

Ondanks extreme vermoeidheid slaap ik niet in het vliegtuig. Ik zit gelukkig bij het raam en kan de zonsopkomst zien boven de wolken, die langzaam verdwijnen naarmate we meer naar het zuidoosten vliegen. Dalend naar Diyarbakir zie ik ontstellend lelijke oostblokwijken met hoge flats allemaal recht naast elkaar gezet. En ik zie ook de oude ronde stad waarvan een kwart weg is.

Ik ken nog geen gezichten en namen dus ik loop na de bagage een beetje te zoeken maar vind al snel Stipje buiten staan bij de gids. Okee dit is het dan, uit je comfortzone Blokkie, doe maar eens dingen die je voor jezelf had afgezworen, zoals in een Groep reizen als een Chinese toerist, en sociaal praten met mensen, nou ja dat had ik niet echt afgezworen maar dat kan ik gewoon niet, zoals is gebleken na paar decennia oefenen, en nou die bus in verdorie! Gelukkig krijgen we van Erdal (de gids) een A4-tje met drie keer een plattegrond van de bus er op (inclusief twee deuren en de R voor ‘rehberi’, gids), en voor elke dag een andere stoel ingekleurd waar je mag gaan zitten. Dáár hoef ik gelukkig niet meer over na te denken en Forest Gump-achtige taferelen blijven zo achterwege en iedereen blijft verschoond van allerlei nachtmerrieachtige herinneringen aan schoolreisjes. Dat is fijn.

Niet zitten we in de bus, of Erdal begint te ratelen en houdt niet meer op totdat we door het spuuglelijke betonnen voorstedelijke nieuw Mardin (“Türkiye ülkemiz, Erdoğan babamız”) rijden en aan het begin van oud Mardin stoppen, omdat de bus hier niet verder mag. De hele rit schalmden op monotone wijze allerlei historische feiten door de touringcar-intercom, daar was geen woord Spaans bij, en ook geen Engels trouwens, dus ik heb er werkelijk geen biet van begrepen. Ik moest dit eerste uur echt even hergroeperen en strategie bepalen. Ik merkte al binnen een paar minuten dat ik van dit met technische, academische en bouwkundige termen doorspekte verhaal alléén maar fracties sporadisch kan begrijpen, als ik echt geconcentreerd luister, en dat is echt doodvermoeiend. Bij Engels en Nederlands kan je nog wat anders doen, beetje naar buiten kijken, boekje lezen, beetje praten, en wat er dan gezegd wordt blijft nog wel even hangen in het luistergebied in je hersenen zodat je ergens toch wel weet wat er wordt gezegd. Maar dit komt er helemaal niet door, dit blijft ergens steken in het vertaalgebied, en als het daar niet doorheen komt, komt de betekenis ook niet aan.

Afijn, we moeten er dus uit en beginnen te lopen. Ik denk, we gaan nu vast even naar het hotel, even opfrissen, en dan lekker ontbijten. Maar nee. Lopen zal je. Je wou toch een tour? Nou, hier is ie. Ik zal je verder de details besparen maar lopen, lopen, lopen, kerkje in kerkje uit, kerkje in kerkje uit, (4x) alles begeleid door ongetwijfeld echt kundig verslag over de geschiedenis vanaf de prehistorie, maar dat gaat dus helaas allemaal aan me voorbij. Godzijdank stiefelen we dan met z’n 26-en een lokanta binnen voor een echt heerlijke lokale kebap. Ik zit tegenover een beeldschone blonde Turkse die vraagt wat ik hier eigenlijk doe. Ik zeg dat ik al een paar jaar reis door Turkije omdat er zoveel te zien en te genieten is en ik het heerlijk vind. Ze zegt, “That’s so nice to hear. For years tourism was so bad”. Ik zeg: “A few years ago when I doubted if I should come back, someone said to me, ‘Maybe bad things are happening here but 50% of the people don’t want all this, and they feel left alone by the world.’ That’s the reason I still come back. And it’s just those people who are sad about their country who love their country so much.” Ze legt haar hand op haar borst en zegt: “That’s so good, thank you for saying that.”

Ik ben kapòt. Socializen gaat niet meer, en ik wil alleen maar naar m’n hotel. Waar is het? Erdal houdt het express nog even achter, die gnieperd want die snapt natuurlijk ook wel dat als hij het nu zegt, iedereen de benen neemt. Maar Erdal is rücksichtslos, na de lokanta mogen we nog even naar de wc (gat in de grond, serieus. Met een kraantje ernaast en een roze plastic plantengieter. En wat ik zo wonderlijk vind, die gaten in de grond zijn netjes helemaal keramisch vormgegeven als een wasbak, alsof dat het dan een appetijtelijkere aanblik geeft) en dan moeten we naar benéden, naar nog één kerkje, dwars door de schattige petieterige marktsteegjes van Mardin heen, maar wat dus wel betekent dat ik straks waarschijnlijk ook weer omhóóg moet.

Ik moet wel zeggen, Mardin. Mardin. Wat heerlijk, wat een heerlijke plek. Wel erg toeristisch, zo zijn van overheidswege alle winkeltjes in de hoofdstraat voorzien van hun naam in allemaal dezelfde goudkleurige schreefloze Arial. Daardoor ziet het er uit als Disneyland, maar daar moet je even doorheen kijken. Even kijken naar de rommel en de lelijke verbouwingen. Je moet nadat de Groep is vrijgelaten even ontsnappen naar een onooglijk achterafstraatje dat je eigen liever niet wilt nemen, maar als je het dan tòch doet, ineens tussen 800 jaar oude goudgele muren loopt met stoffige uitgesleten stenen trappen, en kantélen en onvoorstelbaar oude houten deuren, waar de kinderen spelen en nieuwsgierig naar je kijken en 100 jaar oude mannetjes al die trappen nog steeds op lopen. En waar het ruikt naar houtvuur en gekruid vlees en natte kalk. Het lijkt wel alsof hier een permanente geeloranje filter over de stad ligt die alleen even verbleekt als de zon en de hitte het hoogste punt hebben bereikt. Je hebt geen idee meer waar je bent, maar het maakt niet uit, als je straks ergens weer omhoog loopt komt je waarschijnlijk tòch weer op die hoofdstraat uit.

Ik laaf me aan die paar kleine straatjes voordat ik me snel naar het hotel begeef, want ik heb nog maar twee uur voordat we moeten verzamelen voor het avondeten. Die twee uur lijken wel niet te bestaan zo kort, ik val nog even in slaap maar sleep mezelf er toch weer uit.

Avondeten doen we aan een lange tafel. Ik heb me ontfermd over een oudere dame die er de hele tijd een beetje alleen uit ziet en probeer een praatje met haar aan te knopen maar haar Engels is net zo slecht als mijn Turks. Desondanks zie ik dat ze mijn aandacht waardeert (later noemt ze me haar ‘Friday’ waar ik dan wel weer om moet lachen, want volgens mij ben ik hier de vreemdeling). Als we naast elkaar gaan zitten blijkt dat iedereen om mij heen zo goed als geen Engels spreekt. Er is een traditionele hard spelende live band met oude ongeïnteresseerd kijkende mannen (viool, saz, trommel) die zagende liedjes spelen die mij allemaal hetzelfde in de oren klinken maar alle vrouwen aan tafel lijken ze te kennen en zingen ze klappend mee, wat mij om onbegrijpelijke reden maar volgens de verwachting, vervult met een diepe gêne. Nee toch. Een voor een worden er bordjes gebracht, het is heerlijk, maar ik ben te moe om ervan te genieten, en dan die muziek, die ik niet begrijp, en de mensen die ik ook niet begrijp, en trouwens ook helemaal niet kan hóren, en ineens lopen er allemaal vrouwen van andere tafels naar de vloer en beginnen te dansen, op die traditionele manier, waarvan ik denk, hoe weten ze toch wat ze daar moeten doen de hele tijd? Het is betoverend en afschrikwekkend tegelijkertijd. Er zit zoveel beroering en bezieling en cultuur in die klanken en die dans, ik kan er eigenlijk wel uren naar kijken, en tegelijkertijd maakt het nu dat ik me extreem ver van deze mensen verwijderd voel. En ik kan nog niet weg want er komt nòg een gerecht en nòg een, o for God’s sake, en nòg meer muziek en dans, en rakı, en lawaai, o, wat verschrikkelijk, ik hoor helemaal niets meer, en ik voel me verder en verder wegdrijven van de planeet en ik wil weg en dan eindelijk staat er iemand anders op in wiens kielzog ik kan meelopen. ‘Nooooooit meer’, denk ik lopend naar het hotel. En ik neem ook maar alvast een voorschot op het ontbijt waar ik om de dooie dood niet heen ga.

Slapen wil eerst niet echt lukken omdat ik zo’n keelpijn en sinuspijn heb, maar uiteindelijk lukt het toch en ik slaap prinsheerlijk door het ontbijt heen.

Om 8:50 staan we paraat voor Dereiçi en Dara. Ik mag vandaag helemaal voorin de bus, wat helemaal fijn is met het oog op het uitzicht, alleen ik hoop niet dat ik nu de hele tijd met de gids moet praten. De rit naar Dereiçi is absoluut prachtig, dit dorre ruige steenachtige landschap gaat eindeloos glooiend door, kleine dorpjes, kinderen die zwaaiend achter de bus aanrennen, mannetjes met ezels en takkenbossen, vrouwen met losse hoofddoeken onder bomen die iets verzamelen, wat doen die mensen toch allemaal hier, van die takkenbossen kan toch niet iedereen rondkomen? En toch voelt het allemaal vriendelijk en gemoedelijk aan (voor mij dan, die niet weet wat deze mensen hebben meegemaakt). In de buurt van de rivier is het groen, notenbomen en wijngaarden.

Dereiçi is een soort spookstad die toch weer is ingenomen door mensen die er uiteindelijk nog heil in zagen of gewoon niets anders hadden. Op enig moment komt Erdal buiten in de bloedverziekende hitte op een Grieks orthodoxe begraafplaats bij me staan. Hij is een jaar of 45 en grijzig, hij heeft een nogal uitdrukkingsloos gezicht, zij het met een beetje een oordelende blik en de houding van een leraar Nederlands (De Geus, Nassau), buigend en wijzend en naar één kant overhellend als hij ergens over na moet denken. “Do you actually understand what I’m saying or are you just pretending to listen?” Waar ik dan wel weer om moeten lachen. “I’m actually listening and really trying to understand what you’re saying” wat ook de waarheid is. “It’s really difficult but it’s good for my Turkish”. “Het zou wel helpen als je niet óók nog de steden bij hun onuitsprekelijke interglaciale naam noemt die ik niet ken, Erdal”, denk ik erbij. Ik ben inmiddels gestaakt met elk woord te proberen te volgen, al loop ik nog steeds wel met mijn oortje in, dat rode apparaatje, dat gewoon een klein speakertje is, zodat Erdal niet zijn stem hoeft te verheffen en de Groep een beetje kan uitwaaieren.

Aan het eind van het dorp worden we nog even uitgenodigd om de lokale wijn te komen proeven.

Tijdens de lunch zit ik naast de Ariente’s, waarvan ik vanwege de Spaanse naam verwacht dat ze wel Engels zullen spreken. De dame, Ayşe, vraagt me wat ik hier doe en als ik via de vaste routine heb uitgelegd dat Turkije voelt als een oude handschoen, begint ze te lachen. “You were here in another lifetime, it’s obvious”, zegt ze, “That’s why you feel that way”. “Actually I feel the same way”, zeg ik, “It’s just a pity that the language didn’t move to this lifetime with me.” Ayşe vertelt me dat haar Engels zo goed is omdat ze is opgegroeid in Amerika. Ik vertel haar ook dat het me was opgevallen dat ze in het orthodoxe kerkje een kruis maakte. Dat komt omdat ze van huis uit katholiek is, zegt ze, Syrisch orthodox. En haar man, Alfonso, is Turks (natuurlijk), van een Spaanse familie, en opgegroeid in Italië. Maar nu wonen ze al heel lang in Istanbul. “Wat zo fijn is aan Turkije is het eten”, zegt ze. “Er is geen betere keuken op de wereld”. Alfonso zegt de Italiaanse, waarop hij direct door zijn vrouw en mij wordt afgestraft, want ja Italiaans is lekker, maar Turks is toch echt veelzijdiger. “I think my favourite place in Turkey must be Çiya”, zeg ik, een restaurant in Moda (zie Chef’s Table S5E2). En ineens begint iedereen aan tafel zich ermee te bemoeien, ja, Çiya! Ayşe kent het niet. “Eigenlijk komen wij nooit aan de andere kant”, zegt ze, op zo’n geestige Istanbulse ik-ben-van-de-Europese-kant-toon. Maar nu begint iederéén te roepen dat ze er ècht een keertje heen moet. Ze hebben daar àlles, en het is maar een paar minuten lopen vanaf de iskele. En ineens voel ik me toch een piepklein beetje minder een buitenstaander.

Zijn we weer

“Ik heb geen zin meer.”

“…”

“Ik wil niet meer. Ik wil naar huis .” Mijn keel schuurt van de sinds gisterenavond opkomende griep.

“En nu ga je ophouden met zeuren. Je gaat gewoon. Straks ben je weer hartstikke blij.“ (Hij zei het in iets andere bewoordingen die ik hier niet kan herhalen omdat mijn moeder dit leest) (Althans dat zegt ze) (En ik hoop dat ze dat doet want daar doe ik het per slot van rekening voor, dat ze weet waar ik uithang en wat ik doe.)

Dit gaat zo nog even door onderweg naar het vliegveld als de reisstress echt toeslaat. Ik heb geen zin meer. Waarom doe ik dit eigenlijk ook al weer? Ja. Ja. Ja. Wat moet ik ervan zeggen. Ik kan het ook niet helpen. Ik ben denk ik gewoon een ziekelijke verzamelaar, net als mensen die bierdopjes verzamelen, of beeldjes van olifanten of poezen. Omdat het daarvan óók volstrekt niemand duidelijk is welk genot iemand eraan ontleent en waarom die verzameling maar groter en groter moet worden. De lijst aan plaatsen die ik in Turkije wil bezoeken wordt óók almaar groter en groter. Gaziantep, Trabzon, Van (“Van”, Google that…), Erzurum, roadtrip langs de Zwarte Zeekust, Capadoccia, een treinreis van Ankara naar Kars, Nemrut Daǧı, Göbekli Tepe, de Akçalı Travertenleri, Hatuşaş, talloze antieke steden waarmee het land is besproet, Kültepe, Güzelyurt, en ik ben nog lang niet klaar. Ik heb elke keer maar twee à drie weken, en daarin moet ik me ook een beetje ontspannen en opladen voor en uitrusten van het verstikkende werkgeweld van de rest van het jaar. Het luistert allemaal nogal nauw, wat er in die paar weken gebeurt. Ik kan het me ook niet voorstellen dat ik dit anders zou doen dan in m’n eentje. Ik hou me inmiddels verder weinig bezig met wat mensen daarvan denken. Waarschijnlijk hetzelfde als ik zelf vroeger deed over alleenreizigers. Een beetje meewarig misschien, met op de achtergrond de vraag of ze misschien niemand konden vinden die met ze mee wilde, en of ze ook door het leven zelf alleen reisden. Ik vertelde over mijn plannen op whatsapp tegen een Duitse vriend. “Aaahhh, du machst ein Sexuhrlaub!” zei hij, “Du böse Frau!” Toen ik uitgelachen was bedacht ik me dat mensen er zo dus óók tegenaan kunnen kijken. Okeeeeejjj. Gek genoeg is de reactie die ik van mensen krijg vaak: “Dan hoef je geen rekening te houden met andere mensen.” Héél gek vind ik dat. Alleen reizen is niet echt gewoon, en dan probeer je uit leggen dat je in je eentje twee keer zo snel beslissingen neemt, urenlang op plekken kan doorbrengen die een ander niet interesseren, snel contact maakt met mensen, je niet terugdeinst voor obscure eettentjes of juist maaltijden overslaat, dan krijgen ze zo’n meewarige blik en zeggen ze op zo’n toon van “ik begrijp het wel hoor, lijkt me héérlijk om ook eens te doen, dan hoef je geen rekening te houden met iemand anders”. En dat klinkt me nogal egoïstisch in de oren, het steekt me een beetje. Misschien zegt het meer over hen dan over mij. Mijn gedachte is eerder omgekeerd: dan hoeft er even niemand rekening te houden met míj. Met mijn buien en humeur, migraineaanvallen, met mijn grillige eet- en leefpatroon, met mijn obsessies met geschiedenis. “Nou, gezellig hoor”, hoor ik meerdere keren per dag van mijn lief, bij wijze van grap als ik ’s avonds in mijn laptop in Google Maps zit te graven. Ik denk dat er van een afstand voor een ander sowieso weinig lol met me te beleven is op reis. Zo’n week verloopt zonder enig herkenbaar patroon, van uren lang in bed blijven liggen tot op onmogelijke tijden nog naar een of ander bos rijden omdat er nog ergens een Romeinse stad onder de grond ligt. Op vaste tijden eten daar hoef je echt niet op te rekenen en verschillende maaltijden worden overgeslagen, dat kàn ook in Turkije, want als je een plek met een serieus Turks ontbijt hebt gevonden dan eet je meteen genoeg voor twee dagen. Ik ken verder ook niemand die het heerlijk vind om de hele middag op het strand te liggen met een boek. Ik ken sowieso niemand die met me mee wil. Als je ‘Turkije’ al zegt is het meestal al over met de belangstelling. En zeewater, ik kan er niet zonder. Ik hoef er niet over uit te wijden want dat heb ik in de vorige blogs al ten overvloede gedaan, maar gek genoeg heb ik nooit geweten dat dat niet voor iedereen geldt. Nog steeds vind ik het vreemd als mensen zeggen dat ze in de zomer naar Oostenrijk op vakantie gaan. Daar is toch geen zee? Wat een ultiem geluk, helder zeewater, een strandbedje, een boek, mensen die je een cocktail komen brengen of een stuk meloen. Zwemmen, lezen, zwemmen, lezen, zwemmen, lezen. Zeewater dat korrelig opdroogt op je huid en in je haar, ik ga liever helemaal niet douchen, al die goedheid op je huid!

Dus… daar ga ik weer. Deze keer hoop ik dat ik eindelijk mijn top drie Turkse bestemmingen kan bereiken na drie jaar goede voornemens. De eerste week heb ik een vaste basis in Istanbul. Op dag drie vertrek ik voor drie dagen naar Mardin, Midyat en Hasankeyf. Daarna nog een paar dagen Istanbul en dan naar de kust, waar ik ook nog ten minste twee dagtrips maak naar vervallen Romeinse rommel.

Hoeveel zin ik er ook in heb (en dat valt dus op dit moment wel mee), tegelijk ben ik ook terrified. Om te beginnen gaat die trip naar het oosten in een groep, een hele grote groep. Ik ben niet goed met groepen. Helemaal niet. Dus eigenlijk heb ik er nu al geen zin meer in. Vandaag kreeg ik de lijst met namen. Op één na allemaal Turkse namen ook nog. Dat is trouwens ook een heel gekke gewaarwording. Als je in Nederland ergens een namenlijst ziet, is toch een gedeelte niet van Nederlandse origine. Ik vraag me af wat de grootste groep immigranten voor nationaliteit heeft in Turkije. Syrisch? Zal eens aan mijn gids vragen met wie ik donderdag ga ontbijten in Balat.

Maar eigenlijk is dat het enige waar ik bang voor ben. Ik ben eigenlijk nooit voor iemand bang. Alleen voor een grote groep mensen die aardig lopen te doen. En aardbevingen. Maar verder niks.

Donderdag

Wat een ongelofelijke geluksbofferd ben ik toch weer. Even dit: Istanbul past me weer als een oude handschoen, alsof ik jaren weg ben geweest en na een heel leven op de verkeerde plaats, weer ben teruggekeerd naar de ‘old country’. Ik weet niet waarom, want ik hóór hier niet, zie ik aan de blikken op straat. Als ik naar mijn appartement ben geüberd doet mijn gastvrouw de deur al open voordat ik aanbel. Ik ben zo moe, en heb zo’n verschrikkelijke dorst, maar ik krijg gelijk een toer van het huis, dat nog veel leuker is dan op de foto’s van Airbnb ook al doen de lampjes op de slaapkamer het niet en heeft ze de drankenkast verzegeld met tiewraps. Een minimalistisch zwart stalen burootje hier, een industriële eettafel daar, het is helemaal goed. Of ik het niet erg vind dat ze over 30 minuten nog even terugkomt met een nieuw matras. Nee, dat vind ik niet erg, helemaal niet zelfs. Ik ga op zoek naar de enorme watertankfles die overal in deze huizen staat en laaf me eerst aan een paar glazen water. Als het matras is gebracht spring ik snel onder de douche en ga boodschappen doen.

Zodra ik de deur uit stap, het is inmiddels een uur of 8 en donker, overvalt me de drukte hier op straat, Moda Caddesi, de slagader van Moda, Kadiköy, massa’s mensen lopen hier, zitten op de piepkleine terrasjes die er vorig jaar nog niet waren, iedereen is zo piepjong en donker, en alsof niemand ooit alleen is, en ik loop hier weer als een vuurtoren over straat. Trying to blend in. Of liever trying to blend out. Want blending in gaat dus never nooit lukken voor mij. En als ik even later bij de groenteman bananen en druiven en groene mandarijnen wil kopen, laat mijn taalkennis me ook weer volledig in de steek, en als ik vervolgens ook in de Migros ineens overal in het Spaans antwoord op geef, wat heel gek is want ik spreek helemaal geen Spaans, is de vervreemding compleet en vlucht ik totaal ontheemd via de kebapçı buurman met een dürüm naar huis. Ik trek een pijama aan ga met m’n dürüm op de bank liggen en kijk even naar de in het Turks nagesynchroniseerde Gladiator (Gladiatör). Ik lig vrij snel op bed, de lampjes doen het niet en het nieuwe matras ruikt naar een chemische fabriek. Ik kijk nog even Netflix en slaap gelukkig erg goed.

En dat is fijn want om 10:00 uur heb ik met Elif afgesproken op Eminönü. Elif heb ik gevonden op de app Withlocals, de heerlijke briljante uitvinding van deze tijd, waarop je lokale gidsen kunt vinden die je een dag of dagdeel meenemen op tour door de buurt. Meestal de populaire buurten zoals Sultanahmet of Galata, maar ik wilde graag naar Balat, en Elif vindt het prima. Eigenlijk kon ik dat best zelf, zeker achteraf, maar Balat is een beetje vervallen, en bovendien had ik een stok achter de deur nodig om mijn bed uit te komen, dus here we go.

We spreken af bij de bootjes waar je een broodje vis kan eten (you know what I mean). Eigenlijk alles wat ik nu ga vertellen doet te kort aan deze ochtend, aan Elif, aan deze tocht door Balat. Toen we elkaar na een beetje appen vonden, begroetten we elkaar alsof we oude vriendinnen waren die elkaar al jaren niet hadden gezien en de uren daarna plakten we aan elkaar alsof het zo hoorde. Alles wat ik me voor had genomen aan haar te vragen, haar als Istanbulse vrouw, ben ik vergeten maar we bleven maar praten alsof het móest, alsof we wisten dat we geen tijd meer hadden om alles te bespreken. Want eigenlijk had ik een vrouwelijke gids gezocht omdat het hier zo moeilijk is om met vrouwen te praten. Ik had een hoop verwacht, maar niet dit.

En Fener en Balat, wàt is het leuk, oude straatjes met vervallen huizen, hout, steen, huizen half of helemaal in de oude Byzantijnse muren gebouwd, oude inmakers, bakkerijtjes, snoepwinkeltjes, naast gloednieuwe industrieel-romantisch–landelijk ingerichte koffiezaakjes in voormalige 19e eeuwse apothekerszaakjes tegenover 500 jaar oude synagoges, overdekt met lampionnetjes in de vijgenboom. Elif nam me mee naar Atölye Kafası waar we anderhalf uur aan het ontbijt zaten en praatten, praatten, praatten en ik natuurlijk moest uitleggen wat ik hier deed, ik had hier zeker een vriendje want waarom kom je anders zo vaak terug, “Yeah, I get that a lot”. Ik zei haar dat ik ook een cafeetje had gevonden voor koffie, later, en na heel Fener en Balat te hebben uitgekamd, kwamen we daar aan, de oude apotheek, en ze vond het geweldig en nu had ze weer een adresje voor haar tours. “Why am I even guiding you?” zegt ze. Vervolgens liepen we ook nog verkeerd nadat ik haar twee keer gezegd had dat we niet links, maar rechtsaf moesten (“Look, we just passed this dönershop, see? Are you gonna do your job or not?”) en vond ze dat ik ook maar tour guide moest worden.

We gingen twee uur over de tijd heen, om 16:00 stapten we in de verkeerde bus wat niet zo erg was want we waren eigenlijk nog niet klaar met praten, en was ik pas om een uur of 17:00 thuis.

Ik ben moe, en zit al die tijd al te schrijven, en moet nog pakken, want morgenochtend om 4:50 moet ik bij het Fenerbahçe stadion zijn. Wat een gekkigheid toch elke keer weer.

Einde verhaal


Dus… Er zou om 11:00 op deze laatste dag een een bootje vertrekken naar Kelebekler vadısı, Butterfly Valley, dus de keuze was nog even in de bloedverziekende hitte naar Fethiye om te winkelen, of snorkelen in Butterfly Valley. Ik moest nogal opschieten maar ik haalde het net. Hup, ik met die tekne mee. Tussen alle onvoorstelbaar pompeuze drijvende kermissen van dagtoerboten, leek dit meer op een vluchtelingenboot, er werden alsmaar meer mensen op gepropt, overigens alleen maar Turken en Russen, maar alles ging goed die veertig minuten naar de legendarische Vlindervallei. Onderweg werd gezegd dat ze na ongeveer anderhalf uur naar de şelale zouden gaan wandelen, kan ik toch even het Nederlandse woord niet vinden, waterval. De Butterfly Valley is echt een prachtige idyllische plek, traditioneel door de Turken vernacheld tot kermisattractie, maar ik ben dan wel een beetje streng. Stel je twee reusachtige rotsen voor, echt ontzagwekkend hoog en steil en van keihard marmer, met onderaan een driehoekige vallei, met aan het eind daarvan een strandje van zand en grind en stenen, en het mooiste water dat je ooit hebt gezien. Alle geluiden echoën door de groene vallei, er is alleen een onherbergzaam looppad naar toe, anderszins kan je er alleen met de boot komen, of met een paraglider. Er mag niks permanent gebouwd worden, er staan van oudsher maar twee kleine stenen gebouwtjes ofzo, maar je mag er wel kamperen, en van doeken en triplex en bamboe zijn links en rechts van het strand een paar schamele hipster eettentjes gemaakt. Tegen de noordelijke rotsen aan, een of twee verdiepingen via rotsblokken naar boven klauteren, is een ‘disco bar’, het eerste obstakel in al deze schoonheid, die keiharde muziek aan heeft die je door de hele vallei hoort galmen. Het is een werkelijk prachtig plekje, ze hebben er ‘lounge’ banken gemaakt van bamboe en pallets met kussens erop en needless to say is het uitzicht als je hier zit over de vallei en het strand en de zee weergaloos. De hele sfeer van het strand is verder onnavolgbaar bohemien/hipster/new eighties met al die kampeerders die er rondlopen met van die harembroeken en dreadlocks en kleurige doekjes om het hoofd (mannen en vrouwen eender) en John Lennon brillen. Ik moet zeggen, het is echt leuk gedaan, afgezien van die pokkeherrie. Wat echt verschrikkelijk moet zijn voor die kampeerders, is als hier tegen een uur of 12 de toerboten aankomen, de ene nog obscener uitgedost en luidruchtiger dan de andere, hele piratenschepen maken ze ervan, met keiharde muziek, glijbanen en drie masten en ra’s en kraaiennest en piratenvlag en alles, het is werkelijk van een ongekend stuitende wansmaak en ik maak me lichtelijk zorgen over de toekomst, voorzie kabelbanen en jetskiverhuur. Maar goed, ik ben van die vluchtelingenboot afgekomen en ik zie dat niemand verder wegvlucht van de massa en aan het eind de rieten parasolletjes opzoekt, ik doe dat wèl, want zelfs het zand/grind is hier inmiddels te heet om op te lopen, je voetzolen schroeien onder je vandaan. Ik moet meteen het water in, verkoeling zoeken met mijn snorkel, het is echt heerlijk, er valt niet zo heel veel te zien, alleen een paar spiesvormige vissen. Als ik echter het water al uit ben, zie ik rechts van mij een grote ronde schaduw voorbijkomen, weet ik niet hoe snel ik mijn snorkel van het zand moet graaien en al struikelend weer opzetten en het lukt me en ik zwem zomaar achter een reusachtige schildpad aan, hij is wel 60-70 centimenter breed, ik kan hem ook nog aanraken, ik strijk met mijn vingers over de harde schild die glad is van de aangroei, en even heb ik de onbeleefdheid om de schild bij de rand vast te pakken, misschien laat hij het wel toe dat ik een stukje met hem meega, maar per ongeluk raak ik ook zijn staart aan en hij fliebert er een beetje mee en gaat er dan vandoor. Ik kan het hem niet kwalijk nemen. Maar wat een geluk heb ik weer, en niemand heeft het gezien, alleen ik, een paar kleine kinderen speelde vlakbij in het water, maar ze hadden niet in de gaten. Ondertussen ben ik trouwens al weer een aardig eind uit de kust geraakt, je hebt het echt niet in de gaten hè, als je een schilpad achterna zwemt. Tussen alle halfgare transferbootjes en protserige toerboten, komt ook een enorme shiny donkerblauwe polyester dinghy met teakdek aangevaren met twee Justin Biebers erop. Rustig zetten ze de dinghy tegen de wal en beginnen wat spulletjes uit te laden. Drie groene parasols, vier bijpassende regisseursstoeltjes, opgerolde handoekjes erop, bijpassende koelboxen ertussen. Het valt me eerst nog niet zo op, totdat de dinghy terugvaart naar een jacht van gigantische proporties, dat aan het eind van de baai voor anker ligt. Het duurt niet lang voordat de dinghy terugkomt met de Biebers en vier extra personen, die in de dinghy blijven zitten totdat ze een trapje hebben neergezet om uit te kunnen stappen. Eerst wordt een man van een jaar of zeventig geholpen om uit te stappen. Die gaat in het eerste regisseursstoeltje zitten. Dan volgt een aanzienlijk jongere vrouw, en twee kinderen van een jaar of twintig. Naast elkaar zitten ze daar, precies in het midden van het strand, stoeltjes naast elkaar in de richting van de zee. Ze zwemmen niet, lezen een boek, de jongen zit op zijn telefoon te koekeloeren. Het ziet er een beetje grotesk uit, en eenzaam, wie zijn die mensen, oliemensen? Hotelmensen? En wat een leven heb je dan, schathemeltje rijk, maar constant een legertje Biebers bij je om je stoeltje voor je neer te zetten. Nooit alleen, maar altijd eenzaam, wat verschrikkelijk. Als ik naar het jacht kijk vraagt ik me af hoeveel mensen er zouden werken, vijf? Tien?

In de hippieachtige strandhut eet ik een broodje balık ekmek (broodje vis) en loop dan achter het groepje vluchtelingen aan om de şelale te zien. Waar ik natuurlijk na twee stappen al weer spijt van heb want bloedverziekend heet, je loopt dwars door het wilde struikgewas van die vlindervallei waar alle hitte zich benéden verzamelt en er geen zuchtje wind doorheen komt, bovendien loop ik net als iedereen op slippers, niet echt het geschikt schoeisel voor een onverhard pad met stof en grind, en dan kiezels, en dan steentjes, en dan stenen, en dan f**ing rotsen. Naast me torenen de rotswanden van de vallei eindeloos hemelwaarts overhellend boven me uit, steeds dichterbijkomend als een fuik, en wáár ben ik aan begonnen. De schilderachtige bordjes ‘stilte want de vlinders slapen’, maken plaats voor ‘pas op, er kunnen stenen vallen’, op je hoofd, bedoelen ze, ik weet niet wat die bordjes voor zin hebben, je ziet die stenen niet aankomen, want ze komen van boven, en krijg je er een op je hoofd, dan ben je dood. Eén licht aardbevinkje en ik ben er geweest, één rotsblokje dat verschuift, en ik heb een heel groot probleem. Inmiddels klautert iedereen vrolijk verder alsof het een lieve lust is, door het struikgewas heen, over de gladde marmeren rotsen, en inmiddels wordt het iets koeler en hoor ik water ruisen. Tot nu toe waren alle watervallen die normaal gesproken van de bergen zouden moeten ruisen niet meer dan een paar druppels, want al weken geen regen, bedenk ik me ineens, dus het zal me benieuwen, maar ik loop maar gewoon door. Het wordt hier wel wat frisser en dat alleen al maakt dat ik toch nog wel even door wil lopen. Van een pad is al minuten lang geen enkele sprake meer, over elke stap moet worden nagedacht. De jongens voor mij geven me af en toe aanwijzingen, use hands, put foot here. Right. Inmiddels gaan we maar hoger en hoger, waar eindigt dit in vredesnaam. We passeren verschillende bordjes ‘Tehlikeli, dangerous’, jahaaaa, nu wéét ik het wel. Ook zo’n lekker Turkse voorziening, we zetten er een bordje neer maar verder zoek je het zelf maar uit. Wat eigenlijk in de basis ook het beste is, je moet de dingen niet overreguleren, we ontleren helemaal om onze eigen verantwoordelijkheid te nemen. Een kleine snelstromende beek krult een paar keer voor mijn voeten langs, het water is heerlijk koel aan mijn voeten, maar maakt mijn slippers spekglad. Eindelijk, na uren klimmen (feitelijk een minuut of tien) komen we aan op een plek waar we echt niet verder kunnen omdat de doorgang geblokkeerd wordt door een rotsblok zo groot als een vrachtwagen en waar een stralende waterval van ongeveer een meter breed van hoog boven over de groene rotsen klatert, en in een badje terecht komt. Niemand staat er onder, ik kan er rustig heen en even mijn hoofd en handen eronder steken en druppend achterom kijkend zie ik de groene rotsachtige vallei waar geen pad te bekennen is. Alsof ik in de jungle de weg ben kwijtgeraakt. Wat welbeschouwd eigenlijk ook een beetje zo is.

De terugweg is zo mogelijk nog belachelijker dan de heenweg. Over sommige rotsen kan ik me over het gladde stoffige marmer voorzichtig naar beneden laten glijden met mijn witte short. Dan weer moet ik achterstevoren mijn voeten in een piepklein uitsteekseltje zetten en mezelf aan een boom vasthouden. Ik durf niet naar beneden te kijken, wat is dit voor gekkigheid toch elke keer weer. De Russen lopen me straal voorbij, van de Turken krijg ik af en toe een lief handje. Ik mag weer even uitleggen wat ik hier in mijn eentje aan het doen ben, meestal krijg ik dan een niet begrijpende blik toegeworpen, van, ‘hoezo, in je eentje?’, maar deze hippies vinden het wel interessant. We passeren granaatappelbomen, bloemen en geiten, en halverwege het pad rukt een van de jongens een paar takjes met blaadjes van een boom (totaal geen respect voor de integriteit van de natuur, maar goed, het was lief bedoeld) en geeft die aan mij. Ik moet ze mee naar huis nemen, zegt, to cook with fish. Hij noemt de naam, ik ben het even vergeten, iets van defne ofzo, het klonk als een meisjesnaam, het ruikt inderdaad sterk, een beetje zoet, en kruidig, ik denk dat het laurier is, zo ziet het er uit. Thuis even checken.

Dichter bij het strand is er weer een pad, dat kronkelig langs de hippiecamping en de met kleurige lampionnetjes behangen bamboe-multiplex lokanta is aangelegd. Het strand is nu bijna verlaten, de toerschepen hebben het anker gelicht om in een andere baai de sfeer te verpesten, dus er is kalmte en rust.

Meteen trek ik mijn bestofte zweterige kleren uit, pak de snorkel en koel heerlijk af in dat eindeloos fijne water, alsof ik thuiskom, zo voelt het, en alsof ik niet genoeg ben verwend komt andermaal die reusachtige schildpad voorbij. Ik denk dat het dezelfde is, twee lange vissen zwemmen onder zijn buik met hem mee. Ik volg hem meteen en dit keer is er ook een andere snorkelaar bij. Hij zwemt recht achter de schildpad aan, alleen, die zwemt op het strand af, en zal op enig moment richting zee moeten afbuigen, dus ik ga er op een afstandje naast zwemmen, en het gebeurt precies zo, het beest komt nu bijna recht op me af, en ik kan hem makkelijk aanraken maar ik doe het niet. Zijn schild is lichtgroen en een klein beetje bemost, de weerkaatsing van de zon door de golven vormt er grillige lichtpatronen over. Hij zwemt nu minder dan een meter onder me, recht onder me, zo dichtbij, alsof hij het helemaal prima vindt, dat we hier met z’n tweetjes geziyoruz, hij gaat zelfs nog wat langzamer zwemmen, en samen zwemmen we stukje op, intens tevreden, hij maakt een slag met zijn poten, en ik doe hetzelfde, in hetzelfde tempo, alsof we samen in stilte een wandelingetje maken in de natuur. Na een paar minuten komt hij even boven voor lucht en moet ik zelfs even wachten om niet tegen hem aan te botsen, en dan zwemmen we samen rustig weer door. Ongemerkt zwemmen we al aardig richting open zee en dan is het wat hem betreft kennelijk tijd om afscheid te nemen, hij zakt af naar de bodem en ik verlies hem uit het oog. Ik kan niet uitleggen hoe dankbaar ik ben.

Ik gooi de snorkel nog even op het strand en duik nog even naar beneden om het water door mijn haar te voelen. Laatste keer. Ik weet dat ik er veel te hysterisch over doe, maar het is alsof ik hier alles weer achter moet laten, alsof ik straks wegga zonder mijn hart, omdat dat hier verder klopt, in dit hartverscheurende heldere water. Sorry, ik ben een jankerd voor de zee, ik weet het.

Als ik terugzwem staat er een jonge vrouw met een opblaaskano bij mijn snorkel. Ze kijkt om zich heen, dan naar de snorkel, en dan weer om zich heen, alsof ze niet weet of ze hem op moet rapen, ze kijkt er een beetje bozig bij, alsof ze denkt ‘die kl*tetoeristen die hier alles maar van zich afflikkeren (en dat is ook zo). Ik kom wat dichterbij en zeg, “Pardon, bu benim”, dat is van mij, ‘that’s mine’ zeg ik er nog achteraan. “O, right”, zegt ze glimlachend. “You can use it if you like”, zeg ik, “I just swam with a turtle”. “Ooo really”, zegt ze, “Where did you find it?” “I didnt’t find it”, zeg ik, “It found me”. We hebben een kort gesprekje en ze vertelt dat ze uit Australië komt, al vijf jaar in Turkije werkt, “there’s a whole bunch of us, we’re mostly working but sometimes they let us go swimming or kayaking”. Na wat uitwisselingen van onze reiservaringen in Turkije gaan we ieder ons weegs en realiseer ik me dat ze op dat gigantische jacht werkt, ik totaal vergat te vragen wat ik wilde weten, wie dat nou eigenlijk was, en met hoeveel mensen ze daar werken. En wat voor leven dat nou echt is.

Hoeveel mensen er op het vluchtelingentransport terug naar Ölüdeniz gaan, zie ik tien minuten later, ik schrik me dood want ze vertrekken nu en ik moet nog mee. Het zijn er nu twee keer zoveel, sommige mensen moeten zelfs staan. Dag Butterfly Valley, ik heb weer een hoop gezien, eigenlijk alles behalve vlinders.

We varen weg uit de lagune en ik zie het strand van Ölüdeniz met de paragliders erboven. Ik wil er niet over nadenken dat dit de laatste dag is. Morgen begint de bayramı en zal het hier tien keer zo druk zijn. Nu, eind van de middag is het op het strand wel rustig. Ik twijfel of ik nog iets zal eten hier op het strand, maar ik moet nog zoveel pakken, en eigenlijk ben ik er klaar mee. Ik moet er maar niet teveel bij stilstaan, als ik de vertrekpaniek toelaat ben ik hier nog tot middernacht om niks te hoeven missen. Ik gedachten loop ik de dingen even na, alles gegeten wat ik wilde eten? Kalamari, börek, pide, kuzu, balık ekmek? Check. Alles gezien, gevoeld, gedaan? Okee dan hop met de geit.

Woensdag ofzo: Help Beach Bar, Stratonikeia


Intussen heb ik ook nog het eiland boven Fethiye rondgereden, genoten van het uitzicht op de stad en daar een heerlijk stijlvol beachclubje ontdekt waar ik heerlijk heb gesnorkeld en een klein fortuin heb uitgegeven aan bedje en parasol, een paar cosmopolitans en pizza, waarna ik lang, bijna tot zonsondergang moest wachten voordat ik in staat was om over de onverharde kronkelige weg terug te rijden. Ook ging ik op een dag naar Stratonikeia, twee en een half uur rijden over die fijne D400, bij Muğla linksaf, ik lijk wel gek. Na die paar dagen hete loomheid was het moeilijk om op tijd uit bed en op gang te komen, maar om een uur of 11 vertrok ik, en toen ik na Fethiye eindelijk de karayol opdraaide, maakte zich ineens weer het roadtrip-gevoel van me meester, met de auto op weg, verder en verder, vrij en blij naar onbekende dingen. Ik was laat, dus besloot deze keer geen lifters mee te nemen wat ik zo tien keer had kunnen doen onderweg. Ik heb het afgelopen half jaar goed bestudeerd waar het zou moeten zijn en ik had google maps bij de hand. De afslag naar Stratonikeia stond 10 meter van te voren aangegeven, een ondenkbare afslag vanaf de snelweg rechtsreeks het met stenen bezaaide zandpad op in een haakse bocht, waar ik dus bijna uitvloog. Maar goed, ik was er eindelijk, en ooo jeeeeee, wat is dit?! Het weggetje werd almaar onbegaanbaarder en met grotere stenen die in de weg lagen maar ik zag een ingestort huisje waarvan de muren duidelijk half waren opgetrokken uit marmeren blokken en stukken pilaar, en toen nog eens en nog een, ooooo jongens, ik heb de jackpot! Na nog een paar bochten zie ik een verzameling marmeren en granieten bouwstenen, met daarachter een grote ronde poort, waarvan de bovenkant is verdwenen, maar de zijkanten nog overeind staan. Hier zet ik mijn auto neer, pak mijn camera, tas en water, en loop er heen, zinderend van geluk. Als ik de poort heb bereikt zie ik daar achter de hoofdprijs liggen: een paar pilaren met daartussen een groot plein van witte marmeren blokken, met daarnaast lange rij rechte blokken waar de voeten van de pilaren op hebben staan. Ik ben weer eens de enige, er is weer niemand, de hitte schuurt in mijn keel en de krekels en de bijen zijn bijna het enige geluid. Ik kijk mijn ogen uit en besteed hier op het plein al een dik half uur, overal dezelfde mysterieuze tekens als ik al op andere plaatsen heb gezien, en scheefliggende blokken op de grond die het waterleidingsysteem blootleggen, en roestkleurige aardenwerk buizen die hier en daar de grond uit steken. Ik vind een stuk keramiek met vingerafdrukken erop en leg mijn eigen vinger er even in. Ik loop aan het einde van het plein het bos in, her en der staan kleine ingestorte huisjes, zonder uitzondering gebouwd met delen van de griekse en romeinse overblijfselen, die hier ook overal in het rond liggen. Ik loop terug en verken de rest van het terrein rondom het plein en de poort, en ik weet eerlijk gezegd niet goed naar welke tijd ik sta te kijken, delen van de grijs-roze oude muren bevatten stukken wit marmeren pilaar. Door de hele geschiedenis heen hebben mensen de resten van voorgaande beschavingen gebruikt om hun eigen beschaving op te bouwen, het doet een beetje pijn, maar het is toch een organisch gegeven. Deze plek is echter nog maar nauwelijks aangeraakt door de sloopgrage handen van de overheidsdienst der restaurantie- en vernachelwerken. Een paar pilaren zijn overeind gezet, er liggen wat stenen op een hoopje, maar that’s it, ooooo jeeeee ik kan mijn geluk niet op.

Ik loop over alle muren, alle bankjes, door gangetjes en huizen, huis zijnde een overblijfsel van een muurtje van ergens tussen de nul en de één meter hoog. Ik bestudeer alle half in de grond liggende pilaren waarvan sommige echt prachtige decoraties hebben met trossen druiven en schapenkoppen, vissen en andere niet meer te herkennen dingen. Onvoorstelbaar dat dit er allemaal nog zo ligt. Ik moet ook vreselijk naar de wc, en ook al wil ik deze schitterende plaats niet ontheiligen, ik zie het organische er ook wel weer van in om gewoon één van die huizen hier in te gaan en daar een geschikt plekje voor uit te zoeken, naar de plee gaan is au fond ook van alle tijden en de riolering is hier verder per slot van rekening goed geregeld. Als ik opsta trap ik bijna op een uitgedroogde granaatappel, ik kijk omhoog en zie dat ik heb zitten wateren onder een granaatappelboom, die nu in bloei staat, en ik heb nog nooit een granaatappelboom gezien, wat ben ik toch weer een verschrikkelijke bofferd, met al dit prachtigs om me heen. Ik ben inmiddels al een dik uur verder en loop richting de poort om met de auto naar de andere kant van het terrein te rijden. Nog één muurtje klim ik op en zie met een kreet dat ik bijna het mooiste had gemist, er ligt hier een halfrond bad met een mozaiekvloer, met hartjes en cirkels en vierkante figuren, en ook een swastika. Ik loop er watertandend helemaal omheen en zie bovenop de muur een waterleiding uitkomen, de stenen van de muur zijn uitgehold en er zit een gaatje in, hier liep het water door om het bad te vullen. De muur is bekleed met tegels in verschillende vage verbleekte kleuren. Sommige liggen los op de grond, eentje til ik er op en bekijk hem aan alle kanten, ze hebben met een soort grof cement tegen de muur gezeten. Ook hier ben ik weer zeker een half uur kwijt met alles te bestuderen en foto’s te maken.

Ik kom bijna om van de dorst en de hitte en ik loop naar mijn auto. Daarachter is nog een soort iglo, ik had hem eerst helemaal niet gezien, omdat hij in een diepe kuil staat, het is de enige kuil hier, dus er liggen vast nog veel meer van die iglo’s onder de grond. Hij ziet er verbazend simpel uit verder. Er gaat en klein trapje naar beneden en je kan er zelfs in. Tegen de muren staan stenen kisten met scheefliggende marmeren platen, ik pieker er niet over om erin te kijken, ze zijn waarschijnlijk toch leeggeroofd in de loop der tijden, maar ook al neem ik niets mee, ik ga niet in iemands graf zitten poeren.

Met de auto rijd ik naar de andere kant. Ik wil alleen nog het amfitheater zien en dan weer snel naar huis. Op Google Maps had ik het amfitheater gezien, het leek me niet al te groot. Ik moest omrijden naar de provinciale weg en langs de kant van de weg stoppen, er was geen parkeerplaats. Ik stapte uit en liep de berm in die omhoog liep, ik zag alleen een soort geitenpaadje en volgde het. Bovenaan aangekomen keek ik neer op een bescheiden terrein dat bezaaid lag met blokken marmer, sommigen rommelig in het rond, anderen een beetje geordend naast elkaar. In het midden een stralend witte rechthoekige marmeren vloer van een tempel, een paar halve pilaren overeind, met daarachter een granieten weg. Deze kleine tempel en het amfitheater dateren uit de Romeinse tijd, rond het jaar 200, maar de stad zelf is al van ongeveer 400 v.C.. Als ik aan het eind van de straat kom verschijnt onder me een reusachtig amfitheater, een van de mooiste die ik heb gezien, de treden zijn verzakt en gebroken, er zitten grote gaten in. Het uitzicht over het gebied is overweldigend mooi en groen, ik vertrek zometeen al, maar ik denk dat ik hier wel een goed deel van de dag zou kunnen doorbrengen. Achteraf heb ik spijt dat ik dat niet gedaan heb. In de verte zie ik de noordelijke poort waar ik net was, en tussen daar en hier liggen verspreid over het terrein nog verschillende gebouwen waaronder het gymnasium en bouleuterion (raadsgebouw). Ik overweeg om via de krakkemikkige treden naar beneden te klimmen, maar zie nergens een veilige trede om te beginnen. Het is ook veel te heet, dus in plaats daarvan loop ik maar helemaal over de bovenste rand heen, zover ik kan. 12.000 mensen moeten hier in hebben gekund. Wat moet het druk en gezellig zijn geweest. Die voorstelling vind ik dan wel weer heel mooi, terwijl ik nu juist heel blij ben dat er geen drukte is en ik hier even in pure eenzaamheid kan zijn.

Inmiddels is het een uur of drie en ik val zowat flauw van de hitte en honger en dorst dus ik vertrek. Ik rij veel te hard over de snelweg naar huis. Langs de weg staan stalletjes met fruit. Soms alleen maar één parasol met vier kratjes eronder, soms een paar overdekte kramen naast elkaar. Geen probleem als je hier op de snelweg even parkeert op de rechter rijstrook om wat vers fruit te kopen.

Ik snak inmiddels naar voedsel en een duik in zee, dus ik heb flink het tempo erin. Ik haal een kleine auto in en die toetert even en begint dan met zijn lichten te flitsen. Ik begrijp werkelijk niet wat hij bedoelt, doe voor de zekerheid maar even mijn lichten uit. Ongeveer vierhonderd meter verder zie ik een wegversmalling met een politiepost. Na de auto vóór mij stapt een agent de weg op en gebaart dat ik aan de kant moet. Okeeeejjjjj. Ik heb geen idee wat ik moet doen, uitstappen? Blijven zitten? Ik blijf maar zitten en doe het raam open, het voelt een beetje Amerikaans aan. Hij zegt iets van rijbewijs, en ik moet even denken, ‘Rijbewijs? Rijbewijs? Heb ik dat wel bij me?’, er heeft nog nooit iemand om mijn rijbewijs gevraagd. Ik ben ook nog nooit staande gehouden door de politie trouwens. De agent is onder tussen tegelijkertijd aan de telefoon. “Nerelisiniz?”, vraagt hij, waar komt u vandaan? Hollanda, zeg ik. “Holandalı“, hoor ik hem door de telefoon zeggen, met nog wat dingen die ik niet kan verstaan. Tegen wie? Geen idee. Ze zien er lichtelijk intimiderend uit zo vlak tegen mijn auto aan. De grootste van de twee leunt met zijn hand op mijn naar benedengerolde raampje. Hij hangt zijn telefoon op en kijkt me streng aan. “Your eyes colour, oke”, zegt hij, “You can go”, en er breekt een lach door. Ik brabbel, “Cezaeviye gitmiyormuyum?” in mijn nogal rudimentaire Turks, dus ik ga niet naar de gevangenis? Nee, deze keer niet. We pingpongen nog even wat beleefdheden heen en weer en ik mag weer vertrekken. Geen idee of dat nou over mijn snelheid ging of niet, maar ik rij toch maar ietsje langzamer terug.

Ik rijd rechtstreeks naar het eind van het strand waar ik verwacht alleen te zijn, maar helaas. Maakt niet uit. Ik snorkel wat langs de rotsen en kom op een piepklein strandje terecht van een meter of twee breed waar een rots overheen hangt. Ik hang nog een uurtje op het strand, en eet dan lamsbout bij Hangout met een cosmopolitan of twee. De dag is veel te snel voorbij gegaan en ik wou dat de tijd stilstond.


Ergens begin van de week: snorkelen in de lagune

Ik geloof dat het dinsdag is maar moet even mijn telefoon checken. Ik ben inmiddels volledig de tijd kwijt. Eerlijk gezegd heb ik ook al een paar dagen niet goed gegeten. Tegen een uur of vier ben ik al weer zo lamlendig dat ik geen zin heb om me netjes aan te kleden voor het avondeten en er weer uit te gaan. Gisteren duurde het ook weer erg lang voordat ik mijn bed uit kon komen maar ik had wel een doel: snorkelen in de lagune, waar ik vorig jaar een beetje lafhartig bij zonsondergang op m’n bedje had leggen slapen tot zonsondergang en gezwommen, totaan die verrekte ballenlijn, maar inmiddels heb ik mensen gezien die totaan het eilandje zwommen dat ervoor ligt, met snorkels, dus dat moet ik ook gedaan hebben. Ik rijd de straat uit richting supermarkt Saintsbury’s om te kijken of er tussen de burikini’s ook een snorkel te vinden was, en natuurlijk had ik de keuze tussen duizend verschillende. Ik reed dat heerlijke stukje naar het strand en parkeerde de auto op de parkeerplaats van de lagune. Er stond nog maar één auto, ookal was het een uur of een. Ik zag dat er hier ook waterfietsen en kano’s werden verhuurd en al zou ik niet dood gevonden willen worden in een waterfiets, die kano leek me wel een goed idee. Was het niet, weet ook niet waaròm ik ineens de ingeving had om te gaan kanoën, ik ben namelijk van huis uit helemáál niet van het kanoën, of van wat voor andere campingsport dan ook, ik lig toch doorgaans liever op een zonnebedje, maar om kort te gaan ik kon weer geen nee zeggen tegen de verkoper, en eigenlijk had ik inderdaad wel zin om even de lagune rond te gaan dus oké dan maar, hop met de geit. Ik in die kano. Er was voor het gemak een plastic steigertje in het water gelegd, niettemin bedacht ik me ineens dat mijn hele hebben en houwen in een superabsorberende tas zat die dus ab-so-luut niet nat mocht worden. Huh. Jen gaat in een kano zitten met de tas die ab-so-luut niet nat mag worden. Dat is ongeveer net zo iets als waterskiën met je iPhone los in je hand. Maar goed, niet aan denken Jen, loslaten. Nee nu echt loslaten, en gaan met die kano, anders sla je al om voordat je weg bent. Oh god ik zie het al weer voor me. Anyway, ik weg met die kano. Ja, er is verder eigenlijk helemaal niks te vertellen over die kano, sorry, geen spannende verhalen, het was gewoonweg heerlijk, de lagune was magisch prachtig, behalve de piepkleine kiezelstrandjes die er waren, goddomme waarom ruimen we die zooi niet even òp mensen? Dit is toch het zogenaamde paradijs van Turkije? Je kan geen reclame over Turkije zien of dit plekje zit er in, zonder uitzondering gefilmd vanuit de lucht, door een van de talloze paragliders die hier dagelijks boven het strand cirkelen. Maar die kleine strandjes laten zien dat er op grondniveau kennelijk niemand een zak om geeft. Ik trek de kano op zon klein kiezelstrandje, stap bijna in een glasscherf die ik maar even uit het water haal en gooi hem een beetje aan de kant, samen met een bierfles en een waterflesje. Het is onbegonnen werk om hier in m’n eentje te gaan lopen opzoomeren, maar ik ben er toe in staat. Werkelijk elk idyllische plekje aan deze lagune ligt vol met rotzooi. Gek is dat toch, het stikt overal van de mannetjes voor alles. Al die klotehotels pikken de stranden in maar zorgen geen meter voor het milieu in de directe omgeving. Anyway. Dat terzijde. Toen ik eenmaal een oplossing voor deze wereldproblematiek had bedacht, liet ik de kano, met ja, heel mijn hebben en houwen (ik zal het in het vervolg maar even gaan afkorten), achter op het anderzijds idyllische strandje in de schaduw en dook met mijn snorkel in het heerlijke stille water. Om me heen zie ik maar een paar zwemmers, en ook twee waterfietsen, en daarin reusachtige, bleke, naar ik aanneem Engelsen, die wat verveeld om zich heen keken, alsof dat saffierblauwe water ze helemaal niets doet, ze zouden zo uit Harry Potter kunnen komen. Het ziet er allemaal een beetje potsierlijk uit, die waterfiets, als een minikermisje, op het water lichtelijk overhellend naar de kant van de man, met een rode parasol erop en een klein glijbaantje. Serieus, een klein glijbaantje op een waterfiets, de mensheid is helemaal gek geworden. 

Ik weet niet hoe lang ik daar aan het snorkelen ben geweest, ik raak voortdurend de tijd kwijt. Het is heerlijk, en ook al heeft het niet de onderwaterrijkdom van Curaçao, ik geniet van elk visje dat voorbij komt en duik af en toe even helemaal onder om een school visjes de stuipen op het lijf te jagen, niet opzettelijk natuurlijk, je wilt per slot van rekening in je suprematieve menselijke hooghartigheid vooral gewoon één zijn met de natuur, daarbij totaal voorbijgaand aan het feit dat de natuur helemáál niet één wil zijn met jóu (behalve dan met jou als zijnde lunch), wat blijkt uit het feit dat de natuur je meestal je òf zo snel mogelijk wil doden, òf zo hard mogelijk voor je wegloopt, ik bedoel, dat zou toch een redelijke give-away moeten zijn, maar nee, de natuur is onze verplichte arme vriend, die we als dank voor zijn vriendschap níet direct afslachten, maar indirect, omdat we er dan niet over na hoeven te denken en de schuld van de destructie bij een ander kunnen neerleggen, terwijl we zelf gewoon plastic tandenborstels blijven kopen, en chips en koekjes met plastic verpakkingen, en koelkasten, en autos, en schoenen en goedkope snorkels. Zo.

In ieder geval lig ik met die goedkope plastic snorkel en al in het hartverscheurend blauwe doorzichtige water van de lagune, ik drijf daar minstens een uur rond (denk ik), de zon brandt op mijn rug en benen die ik niet heb ingesmeerd, kan me niet schelen, het water is zo heerlijk, de grond is licht, de visjes wit en groen en blauw en ik zwem naar het midden van de lagune, waar een rots boven het water uit steekt. Een grote school visjes zwemt onder me door. Ik duik naar beneden en zweef er even tussen, het zonlicht schittert door het water en ik heb een intens azuurblauw geluksmomentje. Als ik even later de kano ga terugpeddelen, zie ik een lichtbruine vlek in het water. Zachtjes roei ik een stukje terug en zie de grootste schildpad die ik ooit heb gezien (zijn er au fond niet zo veel), hij lijkt even te aarzelen en hangt stil in het water, ik doe snel mijn snorkel op, buig voorover en steek mijn hoofd in het water, waarmee de kano overhelt en ik overigens bijna het water in kukel met mijn hele hebben en houden, maar de schildpad is recht tegenover me, ik zie hem nu glashelder, hij besluit nu toch maar naar boven te komen voor lucht, waarna hij weer de diepte in zakt en wegzwemt. Ik zie hem niet meer en kan hem dus ook niet achterna. Wat mooie dingen krijg ik toch weer in mijn schoot geworpen van het universum.

Ik pakte mijn spullen om naar huis te gaan, onderweg haal ik een pide en wat sla, ik was helemaal stuk, waarvan weet ik niet, ik heb alleen maar een beetje liggen dobberen, waarschijnlijk kost het gevecht van je huid tegen de zon toch veel energie. Thuis eet ik maar half de pide, neem een douche, drink een glas wijn in bed met Netflix en slaap als een os. 

Vrijdag, zaterdag, dolce far niente


De tuinman is net vertrokken. Ik zit aan het ontbijt op het terras van het huis dat ik heb gehuurd in Ovacık. Ik heb het gevoel dat ik een beetje wakker word van twee dagen stress. Vrijdag stond in het teken van reizen, een binnenlandse vlucht in Turkije, ook wel eens leuk. Ik ontbijt bij de Starbucks in Moda, mijn haast om weg te komen won het van het verlangen naar een echt goed ontbijt. Ik was klaar en wilde ook geen seconde meer wachten om te vertrekken en zat dus veel te vroeg in de Uber een rit van bijna een uur door de enorme buitensteden van Istanbul. Als ik die troosteloosheid aan me voorbij zie trekken, besef ik me dat ik wel het goede deel van Istanbul heb meegemaakt. Er is verschrikkelijk veel bedrijvigheid, ik zie gloepend nieuwe shiny arabisch aandoende skyscrapers in wijken van vierkante betonnen flats die als pakken vla naast elkaar staan. Ik zeg tegen de chauffeur dat hij de radio wel mag aan doen, maar hij zegt: “We zijn er al bijna”. Mijn score op Uber is nu een 4.78 en twee mensen herinneren me aan Black Mirror, een serie waarin een aflevering gaat over een tijd waarin het leven van mensen bepaald wordt door de score die ze krijgen… op alles. Een nachtmerrieachtig leven waarin elke interactie die je doet direct wordt beoordeeld door degene met wie je contact hebt gehad, vrienden, familie, overheid, winkels, anything. Je persoonlijke score is zo geïntegreerd in de maatschappij dat ook bedrijven kijken of je wel in aanmerking komt voor leningen, een baan, hypotheken, verzekeringen, aan de hand van je persoonlijke score. Dit Uber systeem werkt eigenlijk ook zo.

Mijn koffer is een van de laatsten die van de band komt en als ik de auto ga halen krijg ik ook weer allerlei goedbedoelde adviezen over wat ik allemaal moet gaan doen in Fethiye en waar ik moet gaan eten. Als dezelfde jongeman even later ook op de parkeerplaats staat waar ik de auto dien op te halen ben ik even bang dat hij me mee uit gaat vragen, maar dat blijft gelukkig achterwege. De kleinste auto’s zijn op en ik krijg een gratis upgrade, het maakt me werkelijk geen ene moer uit, ik wil alleen maar in die auto stappen en weg. Ik heb Istanbul nog niet uit mijn hoofd en de vertrouwde weg richting Fethiye komt maar half bij me binnen. Vlak na de parkeerplaats van het vliegveld staat een jongen van een jaar of 18 te liften en ik stop. Waar moet je heen? Dalaman. Dat is mooi, want daar kom ik langs. De jongen zit op de opleiding voor flight attendant en spreekt een beetje Engels. Ik zeg dat ik een klein beetje Turks spreek, en hij zegt, dat is mooi, ik een klein beetje Engels en jij een klein beetje Turks, dan kunnen we elkaar zeker begrijpen. Hij werkt deze zomer in Dalaman om zijn opleiding te betalen. Hij wil graag iets van de wereld zien dus hij wil graag pursor worden. Bij het afscheid schudt hij mijn hand en zegt hij, “Nice to meet you Jenneke, iyi tatiler!” Zo’n beleefde lifter heb ik nog niet eerder in mijn auto gehad, die komt er vast wel.

Ik vervolg mijn weg richting Fethiye en ik word al wat rustiger. Het is hier wel bloedverziekend heet trouwens, 31 graden, maar niet zo vochtig als in Istanbul dus beter te verdragen. Ik weet dat ik langs een Kipa kom als ik richting Ovacık ga, en ben blij als ik hem inderdaad in het zicht krijg, ik sla meteen af om de eerste bare necessities aan boodschappen te doen, wijn, brood, kaas, yoghurt, koffie. Fethiye is een doorsnee toeristische badplaats en langs de hoofdweg door het stadje vind je honderden kleine supermarktjes die ook typische badplaatsproducten verkopen, badhanddoeken, zonnebrillen, opblaasballen, souvernirs, en ik zie dit jaar voor het eerst verschillende paspoppen met burkini staan. De gebouwen zijn laag en alles doet heel mediterraan aan. Sommige gebouwen zijn vervallen, het is stoffig maar redelijk opgeruimd. Toen Ellen en ik hier vier jaar geleden voor het eerst in de taxi reden, dacht ik, “In wàt voor negorij zijn we in vrédesnaam beland?”, zo weinig was ik gewend. Inmiddels ben ik die rommeligheid gaan herkennen en voelt het ook wel lekker aan. Alhoewel deze cultuur nog steeds een raadselachtige mix is van schone dingen en puinhoop, van alles dweilen en alles van je af flikkeren, van een mannetje voor werkelijk àlles, en een leegstaand huis gebruiken als de lokale vuilnisbelt.

Om 18:00 heb ik afgesproken met Murat bij Friar Tucks om de sleutel te krijgen van het huisje dat ik heb gehuurd. Of eigenlijk het huisje dat ik niet heb gehuurd, maar gekregen omdat het huisje dat ik wèl had gehuurd inmiddels was verkocht. Murat is er nog niet dus ik ga zitten en bestel een Efes en ik app hem dat ik achter de Efes zit met een geel T-shirt aan. Tien minuten later komt hij er aan en we bespreken even het wel en wee van het huis en dan volg ik hem erheen, het is letterlijk aan het eind van de straat van het hetzelfde huisje als waar ik met Jan heb gezeten en dat ik nu dus helaas niet kon krijgen. Er is een elektrisch hek met afstandsbediening en ik krijg een rondleiding. Het is een stukje groter dan het andere huisje maar alle gezelligheid ontbreekt. Ik weet het ik mag absoluut niet klagen maar er is vanalles mis mee. Om te beginnen zitten er tralies met neerslachtige kettingen en hangsloten voor de deuren en ramen, en mag ik de tralies van de deuren naar het grote terras aan de voorkant niet openmaken volgens Murat. Right, dus de openslaande deuren en ontbijten op het terras kan ik vergeten. Dat is een redelijke dealbreaker wat mij betreft. Ik zie dat overal het laminaat spleten vertoont en de randjes zijn omhooggekruld, want gedweild. Achter is nòg een terras, met een zwembad, maar het is erg krapjes allemaal. Er passen net vier zonnestoelen op. Onder het afdak past net een plastic tafel met plastic stoelen. Aan de àchterkant is ook de vóórdeur, gek genoeg. Onder de kersenboom door kom je achter het huis terecht, bij zwembad, en de voordeur dus. Boven twee grote slaapkamers, tot zover geen klachten. Maar waarom in vredesnaam zulke grote slaapkamers en vervolgens de wc ìn de douche bouwen? Bathroom Turkish style, grapt Murat erbij. Ik lach als een boer met kiespijn. Gelukkig is er nog een badkamer, die heeft wel een aparte douche, maar je moet weer ergens een stekker in steken om warm water te krijgen en de douchedeuren vallen zowat uit elkaar en het geheel is zó klein dat ik mijn benen niet kan scheren zonder mijn hoofd ergens tegenaan te stoten. Right.

Als Murat weg is, en het zwembad begint over te stromen over het terras en de tuin, ga ik op zoek naar de sleutels van die belachelijke tralies. Alle sleutels liggen in de buurt, alleen zijn alle hangsloten vastgeroest, behalve die van het terras aan de voorkant, daar heb ik dus weer geluk mee.

Ik gooi mijn koffer open op het bed van de ene slaapkamer en installeer me in huis. Ik haal de boodschappen uit de auto en doe helemaal niks meer. Ik neem een glaasje wijn en een stukje brood met kaas en het is alsof een deken van vermoeidheid over me heen valt. Ik doe vervolgens de hele nacht geen oog dicht.

De ochtend erna heb ik een geweldige migraine en probeer die de hele ochtend te onderdrukken. Eind van de ochtend wil ik wat water en ander boodschappen gaan halen, alleen doet plotseling het elektrische hek het niet meer, met mijn auto nog aan de binnenkant opgesloten. Nadat ik naar het supermarktje aan de overkant ben gelopen zit ineens ook het loophek dicht en kan ik het huis niet meer in. Ik moet bellen en tuinman Yusuf moet er aan te pas komen om me te bevrijden. Hij heeft een klein bosje jasmijn in zijn hand dat hij me geeft. Het ruikt heerlijk. Het loophek blijkt gewoon met een palletje aan de zijkant open te gaan, maar het elektrische hek geeft geen krimp. Yusuf gaat in de weer met siliconenspray maar ik hoor een tikje als ik de afstandbediening indruk dus ik denk toch echt dat het een elektronisch probleem is. Zolang mijn auto aan de binnenkant staat, kan het me wat schelen, want ik kan nergens heen.

Ik rommel een beetje rond in het huis, een beetje verloren, ik ben al mijn spullen kwijt want ze hebben nog geen vast plekje en het huis is zo groot. Yusuf heeft inmiddels het hek zelf opengeduwd. Nee, hij kan het helaas niet maken, en gaat met de tuin aan de slag. Ik neem van de gelegenheid gebruik om het terras opnieuw in te richten en hem de spullen naar een andere plek te laten tillen. Hij geeft me kleine rondleiding langs de fruitbomen in de tuin en gaat zitten onder de perzikboom. Ik ga voor een klein gesprekje bij hem zitten. Hij heeft twee dochters en een zoon, de dochter van 25 (çok büyük) werkt hierachter bij het Sun Hotel, de andere zoon en dochter zijn 13 en 10 en zitten op school in Fethiye. De perziken moet ik lekker opeten, hier zegt hij, ze zijn heerlijk, hij geeft me er een en neemt er zelf ook een. Ze zijn inderdaad heerlijk. Als ik wat later, na douche en ontbijt terug kom in de tuin zijn ze allemaal verdwenen.

Ik rij met de auto naar Ölüdeniz. De weg ernaar toe is heerlijk, vanuit de bergen rijd je naar beneden over een bochtige weg die steeds kleine stukjes van het onderaan liggende dorp en het strand onthult. Beneden heerst de bedrijvigheid rondom het toerisme, dat nog niet op gang is, want pas volgend weekend begint de bayram en de vakantie van de Britten, maar toch overal mannetjes met steekwagentjes en snelwandelende obers. Het zijn hier allemaal hotels, restaurants en winkeltjes, niemand woont hier echt en in de winter is het dan ook uitgestorven. Toch doet het dorp-achtig aan, omdat er niet hoger gebouwd mag worden dan drie verdiepingen, dus de zon komt overal.

Al voel ik niet de kinderlijke opwinding van vorig jaar, hier heb ik toch het hele jaar naar uitgekeken, de zee aan mijn voeten, op een bedje liggen lezen, af en toe afkoelen in het glasheldere azuurblauwe water, je drankjes laten brengen, of pide, de hele wereld gaat langs me heen, ik denk er niet eens meer aan, er bestaat alleen maar zee, en aarde, en universum, en ik lig daar tussen met mijn trage gedachten, alsof ik terugga naar de oorsprong van de tijd en er een nieuw begin is en alles onzeker en alles kan nog goedkomen.

Ik was veel minder lyrisch dan vorig jaar, maar misschien kwam het door de vermoeidheid of de migraine, nu ik hier lig is alles in orde, ja, alles is ok, alles daalt neer en komt tot rust. Ik ben de rest van de dag op het strand, het is hier niet zo bloedverziekend heet, af en toe ga ik een kop koffie halen, of iets te eten, mijn hele hebben en houden in mijn tas achterlatend op het strand. Ik heb de tijd niet in de gaten en pas als ik zie dat de zon al bijna ondergaat, pak ik mijn spullen in.

Ik slaap deze nacht als een os.

Donderdag 15 juni, laatste dag Istanbul

Het is de laatste dag en ik ben helemaal van slag. Ik wil niet weg uit het apartement, uit Istanbul, moet ook nog zo ontzettend veel inpakken, en weet van gekkigheid niet wat ik moet doen vandaag. De bouwvakkers in het appartement naast mij, tussen dit appartement en de zee zegmaar, zijn vandaag weer begonnen en zijn bezig een muur op te trekken van gasbetonblokken. Er komt geen balkon, maar een erker, omdat nieuwe balkons bouwen met het oog op eventuele aardbevingen zijn verboden (groter instortingsgevaar? Ik weet het niet). Langzaam maar zeker verdwijnt de Bosporus uit het zicht. Ik vind het oprecht zielig voor de eigenaar. Het begint hard te regenen.

Ik rommel wat in het rond, doe een halfslachtige poging om mijn koffer te organiseren en ga uiteindelijk naar buiten. Probeer wat kadootjes te kopen, maar het lukt niet echt. Ik loop een beetje met mijn ziel onder mijn arm. Afscheid nemen van Istanbul is heel erg moeilijk. Ik ga ergens zitten om koffie te drinken, Pikap heet het, koffie, thee en bloemen. Logisch. Op de stoel naast me ligt een poes te slapen. Aan het tafeltje hiernaast zitten een jongen en meisje te kletsen, het meisje klinkt een beetje schaapachtig. Ik ga straks maar even bij Iskender kebapci eten. Of Çiya. Ik kan maar niet besluiten.

De eigenaar van het appartement vraagt of ik de sleutels langs wil brengen. Alleen met de Uber kan ik niet een detour nemen. Het irriteert me lichtelijk dat hij niet gewoon die sleutels op komt halen. Er volgt een onbegrijpelijke beschrijving van waar de sleutels heen moeten, een puntje op Google Maps, ik vraag om het adres, maar dat krijg ik niet. Ik mag het ook bij zijn market afgeven, just one street below RHS. Geen idee wat dat betekent. Right hand side. Right hand side van wàt? Hij stuurt me een screenshot van twee straten op Google Maps, waar verder niets op staat en waar ik nog niet wijzer van word. Ik begrijp er helemaal niets meer van en waarom komt hij gewoon zelf die sleutel niet ophalen? Ik ga toch niet de halve wijk door schleppen met die koffer. Na veel heen en weer gedelibereer denk ik het zaakje te hebben gevonden waar de sleutel heen moet, of besluit ik eigenlijk gewoon dat daar de sleutel heen gaat, en dan moet hij hem daar maar ophalen. Het is goed hoor.

Na mijn koffie loop ik richting Çiya, maar ik raak de weg kwijt en kom uiteindelijk toch bij Iskender Iskenderoğlu terecht. Ik voel me onrustig en ik eet in recordtijd die heerlijke iskender kebap op, het enige gerecht dat ze hier hebben, met ayran en water. Ik wil eigenlijk alleen nog maar terug naar het appartment, de laatste wijn opdrinken en mijn koffer pakken. Ik ben zo verdrietig, ik wil nu zo snel mogelijk weg.

Als ik thuis kom is ook het raampje in de keuken, het enige kleine raampje dat in dit gedeelte van de kamer nog daglicht doorliet, dichtgemetseld.

O ja, woensdag 14 juni, Kariye, Koç


Had ik al verteld hoe druk en heet het is? Maar wat ik er wel bij moet zeggen is dat er een verschil is tussen de weekenddrukte, als hier de ‘toeristen’ naar toe komen, en de doordeweekse drukte, die maar door lijkt te gaan tot diep in de avonduren en niet alleen bestaat uit mensen die aan het winkelen of consumeren zijn, maar mensen die op weg zijn naar hun werk of aan het werk zijn. Er is een eindeloze stroom mensen, constant in de weer is met steekwagentjes met 10 liter waterflessen, zakken met afval dat van de straten wordt geplukt, handkarren met tweedehands spullen (de ‘eskici‘ [eskiedjie], rommelhandelaar, ze lopen langs de straten met platte handkarren met oude schoenen, een wasmachine, een bergje sieraden, tassen, een typemachine etc etc), theeverkopers met etagères vol met tulpvormige kopjes thee voor de verkopers in de winkels, steekwagentjes met groenten, steekwagentjes met biervaten, lege steekwagentjes, alles vlot vlot begeleid door getoeter naar de deur en weer terug naar de kleine vrachtwagen die het verkeer in de smalle straten staat op te houden.

Ik probeer steeds de Nederlandse versie van de dingen te vinden, of te relateren, maar ik zie in Nederland geen steekwagentjes met 10 liter waterflessen over de stoep rijden. Toen ik in het appartement trok, zei de eigenaar tegen me: “My waterman may come to the door.” Ik dacht bij mezelf, “My waterman? Wat moet dat dan weer zijn?”. Maar klaarblijkelijk laat je hier net als koffie of ontbijt dus ook je water bezorgen, in 10 liter waterflessen, die het mannetje voor je naar boven schleppt en in de keuken neerzet. Hoe je vervolgens dat water eruit krijgt was me een raadsel, want het zijn van die flessen die doorgaans ondersteboven in een waterkoeler zitten, totdat ik ontdekte dat er kraantjes te koop zijn die je er aan de onderkant in kan drukken. Overal zijn ‘mannetjes’ voor. Om je dingen te brengen. En dingen voor je te dragen. Dat doen ze sowieso allemaal, de mannen hier. Ik stond op het vliegveld bovenaan de trap met mijn koffer, staat er ineens een stel naast me, jaar of 25, echt piepjong, vraagt de jongen aan me: “Please let me carry that for you?”, nota bene waar zijn vrouw/vriendin naast staat. Ik was nogal perplex en ik zei (vooral vanwege háár): “No no I’m fine, çok teşekkürler!”, maar aan de verbaasde, ietwat door dat onaangepaste gedrag verstoorde blikken, die onderaan de trap ook nog even achterom werden geworpen, begreep ik dat het echt niet de bedoeling is om dit af te slaan, het is echt hun eer te na om een vrouw dingen te laten dragen. Je bent een man, dat is je taak in het leven. Wat een heerlijk land.

Dus… Om een uur of twaalf zat ik pas in het voormalige Kut café, ja sorry, zo heette het toen ik vorig jaar in deze straat een appartement had, nu heet het helaas anders, alleen ik weet niet wàt. Het was een grunge-achtig ontbijtcafe, nu is het een van de miljoen hipster koffie barretjes die hier in een jaar tijd de grond uit zijn geschoten, waar je een sandwich kan eten, je kan kiezen uit wel twee, of een organische suikervrije haverwafel of een stuk glutenvrije cheesecake, maar daar vind ik het nog te vroeg voor. Het zit hier heerlijk, de gevel is open, in de open raamkozijnen zijn banken gemaakt met kussens en ik krijg een heerlijke cappuccino en een ‘organic’ zuurdesem sandwich met avocado, sla en Turkse witte schapenkaas en ik zit heerlijk bij dat open raam te schrijven en naar buiten te kijken en aangestaard te worden door de voorbij rijdende taxi’s en kleine vrachtwagentjes en ander verkeer. Daardoor is het al tegen tweeën als ik richting de iskele loop, een fijn loopje, richting het water, je voelt de koelte van het water al naar je toe waaien, dan rechtsaf de trambaan volgen en over de kade naar de veerboot lopen. Elke bestemming aan de overkant heeft een eigen gebouwtje en een eigen ingang, ik heb op de Trafi-app gezien dat ik naar Eminönü moet en daar bus 336E nemen. Ik haat de bus en word in Nederland liever niet dood in de bus gevonden, maar het moet maar even. Het gaat allemaal feilloos met mijn Istanbul kartı, waar nog 44 lire op staat van de 50 die ik aan het begin van de week erop heb laten zetten. Wat misschien komt doordat ik de Uber heb ontdekt en o jeeeeee wat is dat heerlijk. Voor 5€ in een 8 persoons taxi rechtstreeks volledig geclimatiseerd naar de andere kant van de stad worden gebracht. Niet afrekenen, niet moeilijk doen met adressen geven, je weet van te voren al wat je betaalt (bijna niks), gewoon instappen en uitstappen, that’s it. Ik bedoel, what can I say, ik Uber mezelf drie slagen in de rondte. Na elke rit kan je de chauffeur een beoordeling geven, 1 tot 5 sterren, is hij gezellig, is de temperatuur goed, rijdt hij veilig doch snel, dat soort dingen. Ik geef eigenlijk altijd een vijf. Alleen ontdekte ik dat chauffeurs hun klanten óók een cijfer kunnen geven, en dat ik een 4,6 had. Dit bracht me toch enigszins van mijn stuk: ik had iets van drie ritten gehad en mijn gemiddelde was een 4,6? Wat had ik in vredesnaam verkeerd gedaan, en bij wie? In elk geval ben ik vastbesloten om mijn rating omhoog te halen, dus volgende keer toch maar die gordel vast en zelf gezellig een praatje aanknopen met de bestuurder.

Ik bezoek vandaag het Kariye of Chora museum, een Griekse kerk uit de vijfde eeuw. Als ik uitstap bij de goede halte blijkt dat ik óók bij de antieke stadsmuur loop die ik toch al wilde bezoeken, dus die kan ik gelijk afstrepen. Ik loop door een nogal onuitnodigend wijkje, aan niets is te merken dat hier, onder weer zo’n afzichtelijk busstationsafdak, een van de mooiste oudste bouwwerken van Istanbul staat, een byzantijns-christelijke kerk, met de prachtigste mozaïeken overal in de muren en de plafonds, ze zijn echt van een bijzondere schoonheid en ook al is het al 15:30 en wil ik ook nog naar het Koç Muzesi aan de overkant van de Gouden Hoorn, ik neem er echt even de tijd voor. De kleuren zijn prachtig, het is binnen ook uitzonderlijk koel en stil en heerlijk, het bladgoud van het mozaïek schittert door de kleine ruimtes heen. Een man komt naar me toe en vraagt in het Engels: “Do you speak French?”. “Oui, un petit peut, qu’est-ce que vous voulez savoir?”, zeg ik. “O no”, zegt hij, I provide French tours for this museum, I thought you may speak French”, zegt hij. “Well, do you speak any Dutch?”, vraag ik grijnzend aan hem, maar helaas, en hij verdwijnt weer. Na deze Kafkaesque situatie vervolg ik mijn weg en word een paar minuten later weer aangesproken. Of ik een tour in het Engels wil. Kennelijk staat er ergens een legertje tourguides om de hoek te wachten in bijna alle talen om je door de 70 vierkant meter van het kerkje te begeleiden. Ik bedank hartelijk, maar ik heb hier echt maar 10 minuten de tijd, dus dat gaat niet lukken. In de hoofdruimte staan een Amerikaanse man en vrouw zich te vergapen aan alle cultuur die ze thuis moeten ontberen en, net als ik, naar de schitterende koepelplafonds te staren. De man draait zich naar me toe en zegt glimlachend: “There should be something here to lie on, don’t you think?” “Well, there is”, zeg ik, wijzend op de vloer. Zijn vrouw schiet in de lach. We knopen een kort gesprekje aan over hoe mooi het allemaal is en ik spreek en passant nog even mijn twijfel uit over de rigoreuze Turkse restauratiemethodes van antieke overblijfselen, maar ze kijken me schaapachtig aan en hebben geen idee waar ik het over heb. O, heerlijk, Amerikaanse first-timers, ik sta te springen om mijn tanden erin te zetten, maar ze worden al weggekaapt door de Engels sprekende gids die tussen de coulissen uit is gesprongen, en bovendien moet ik weg.

De Uber is er binnen 6 minuten, net genoeg om een flesje water te kopen, en ik kijk nog even om me heen voordat ik besluit om het nog even níet aan mijn lippen te zetten want Fatih en ramazan. Ik moet zeggen, ik merk helemaal niets van de ramazan, in alle wijken behalve Fatih lopen mensen openlijk op straat te eten en drinken, en Kadikoy, nou ja, daar zijn mensen überhaupt van God los.

De Uber-chauffeur kletst deze keer weer honderduit en herhaalt alles wat hij zegt twee keer, een keer normaal en een keer speciaal voor mij langzaam, omdat hij begrepen heeft dat ik een paar woorden Turks spreek en graag wil oefenen. Hij vraagt of ik al in Kadiköy ben geweest, want dat is zo gezellig en hij woont er, dus we hebben meteen een band, de Uber-chauffeur en ik. Ook is hij edelsmid geweest, en hij wil nu nog een jaartje werken, en dan verhuizen naar Marmaris of naar Bodrum. Het was een leuk gesprekje en ik word overladen met complimenten over mijn Turks, afijn, ik weet eigenlijk niet of dat wel telt als een compliment, dat hij het gewoon leuk vond dat ik een beetje Turks probeerde te spreken. Ik geef hem 5 sterren en mijn score staat nu op 4,72. Ik moet daar echt mee ophouden.

Het Koç museum is erg leuk, maar geen verrassingen daar. Ik heb maar steeds het gevoel dat ik in het huis van een enorme opschepper loop. Al die auto’s, zelfs de auto uit Harry Potter staat er, wat moet je met al die rommel. Auto’s, boten, treinen, vliegtuigen, speelgoed, poppenhuizen, het museum staat er als een verzameling van objecten van de Turkse cultuur, maar eerlijk gezegd zie ik er weinig Turks in terug.

Ik laat me naar de iskele rijden door een Uber en neem de heerlijke frisse boot terug naar Kadikoy. Ik eet Italiaans, mosselen en pasta met seafood, en een klein flesje prosecco, dat met veel misbaar aan mijn tafel wordt opengemaakt.

Morgen is de laatste avond hier. Dat vier ik alvast een klein beetje. Maar liefst ga ik hier helemaal nog niet weg.

Ik weet niet wat voor dag het is. 


Nee, toch weer om 6:00 wakker. Lig maar even te Netflixen, kleed me dan aan om een Ontbijtje en een kop koffie te gaan halen. Ik voel me nogal wrakkig en lusteloos. Ik mis mijn groentensapjes. De hele dag heb ik kleine overwinninkjes en kleine faalmomenten. Zo stopte er gisteren een auto, en een vrouw vroeg me waar hier ergens een parkeerplaats was. M’n eerste reactie was te denken ‘Hallo, zie je niet dat ik hier niet thuishoor?’ Nee dus! Hoera! En niet alleen begreep ik wat ze zei, ik kon haar ook precies vertellen waar ze heen moest (oké, het was maar 50 meter verderop aan de linkerkant, want tegenover mijn appartement, maar goed). Ik hoef bijna niet meer op de kassa te kijken als ik moet afrekenen. Sommige obers laten me even de rekening zien en dan zeg ik het even hardop om op te scheppen. Waarna er een verraste reactie volgt en er meteen een onbegrijpelijke conversatie volgt waardoor ik meteen weer voor paal sta. Maar geeft niet, ik trek even een ontwapenende geitachtige lach uit de kast en klaar. Ik herken precies hoe ik Frans leerde, op de een of andere manier weet je elk jaar meer, ookal kom je er het hele jaar niet. Het is trouwens óók een mentale toestand, die taalkennis kunnen aanboren op het moment dat je het nodig hebt. Ik kan het niet goed uitleggen, het is net alsof je in je hoofd iets open moet zetten, een blokkering moet opheffen, zodat die woorden die je geleerd hebt en die heus wel allemaal in je hoofd zitten, vrije doorgang hebben en vrijelijk in de juiste volgorde naar buiten kunnen stromen. Soms lukt het helemáál niet, dan kijkt het alsof dat deel van mijn hersenen met andere dingen bezig is, met voor paal staan bijvoorbeeld, of met het peilen van de blik van de persoon die tegenover me staat. En soms lukt het heeeeel goed, als de conversatie niet te ingewikkeld is, met taxichauffeurs bijvoorbeeld.

Gelukkig word ik hier ook een stuk minder aangestaard. Het kan me inmiddels ook iets minder schelen.

Het is al een uur of twaalf voordat ik een Uber pak naar Üsküdar, waar ik eerst de joodse begraafplaats wil bezoeken en dan een beetje door het oude deel wil winkelen waar ik in 2014 ook met Jan ben geweest. Het is ruim 20 minuten rijden en ik word aan de kust afgezet, precies voor de ingang. De kustlijn is prachtig, ik ga op de kade heel even op een bankje onder een boom zitten om me te orienteren. Twee jongens springen in het heldere turkoise water van de Bosporus en klimmen over gladde stenen weer naar boven. Ik loop richting ingang begraafplaats. Blijkt alleen de ingang van de verkeerde begraafplaats, en de joodse begraafplaats is 23 minuten lopen, naar boven. Maar ik heb wel zin in een wandeling dus ik zet de pas er in. Die gaat er ook heel snel weer uít, want het is weg van het water natuurlijk veel te heet om snel naar boven te lopen. De taxi’s die voorbij rijden toeteren even, voor het geval ik ze nodig heb. Ik weet niet of ik dit kronkelende weggetje waar je steeds niet meer ziet wat er achter de volgende bocht is, zo leuk vind: rechts vooral hoge muren met camera’s en woningen erachter, en links hekwerken met prikkeldraad en wachttorens. Wat ìs dit. Achter me wordt het uitzicht over de Bosporus wel steeds mooier. Het water is knallichtblauw (niet zonder reden, blijkt een dag later, want er is een plankton explosie) en de zon schittert erop. Langzaam loop ik naar boven en het wordt steeds heter. Ik heb het eindelijk gevonden en zoek naar de ingang, die blijkt om de hoek te zijn, er is een groot hek met camera’s en een bordje waarop staat ‘bezoekuren zaterdag-donderdag 9:00-18:00 en vrijdag 9:00-13:00. Maar het hek is dicht. Ik loop iets rechtdoor naar een of andere politiepost waar twee gewapende mannen staan, ik vind het toch steeds zo’n raar idee, wat ben ik toch wapenvrij opgegroeid, en het ontgaat me ook niet dat het een beetje buiten het normale is dat ik hier als hoogblonde toerist in een islamistisch land naar de ingang van de joodse begraafplaats vraag aan twee zwaar bewapende mensen van de beveiliging van de rijkste onderneming van Turkije, ben ik inmiddels achter, de familie Koç, waarvan ik morgen het museum ga bezoeken. De mannen vinden het duidelijk ook niet grappig en worden waarschijnlijk opgeleid om boos te kijken, “Heb je wel op de bel gedrukt”, snauwt er een naar me. Nou, excuse me for living. Ik had die grote rode knop wel gezien maar hij zag er zo intimiderend noodstopperig uit dat ik er niet op durfde te drukken. Ik loop terug en druk erop, in de verte zie ik een mannetje aan komen lopen, het lijkt op een tuinman ofzo, ik weet niet wat ik verwacht had, hij maakt er niet echt haast mee. Bij het hek aangekomen vraagt hij wat ik wil. Ik zeg, ik wil graag de begraafplaats bezoeken. Zomaar bezoeken? Ik twijfel even of ik een lulverhaal zal ophangen over dat ik schrijver ben en helemaal uit Holland hier naar toe gekomen ben om deze begraafplaats te bezoeken (wat alles bij elkaar nog bijna zo is ook, ik schrijf me tenslotte helemaal een ongeluk elke dag en deze begraafplaats staat al een jaar op mijn lijstje om te bezoeken), maar ik krijg natuurlijk op dat ene moment niets anders uit mijn keel dan ‘Eeuuuhh, ja?’. Het mannetje schudt meewarig zijn hoofd, wat een naïviteit om te denken dat je hier zomaar naar binnen mag, sorry mevrouw, maar dàt gaat niet, hier zomaar rondlopen op de begraafplaats. Dit had ik nou echt totaal even niet verwacht, hekwerk en beveiliging, okee, maar mij en mijn goede bedoelingen wordt keihard de toegang geweigerd. Ik vraag nog even iets lafs als Echt niet? Maar nee, het mannetje gaat mij geen toegang te geven, ookal zie ik iets in zijn blik van twijfel, dat hij het eigenlijk ook niet goed weet, of hij die vreemde vrouw met die broek met olifanten en dat legerjasje er nou in moet laten of niet. Ik heb het vermoeden dat hij gewoon de baas wil spelen. Nou, ik hoop dat hij tevreden is dat hij de begraafplaats heeft behoed voor mijn voetstappen, geknakte stukjes onkruid en blootstelling van de heilige stenen aan mijn vernietigende ongelovige blik. Ik loop met mijn onverzadigde goede bedoelingen onder mijn arm weg maar ik ben zo verschrikkelijk teleurgesteld dat ik even oprecht heel verdrietig ben, ik voel me afgewezen en vreemd genoeg een soort onwaardig. Als ik het even later aan de Uber-chauffeur vertel, zeg hij: “Istanbul is a mix of many cultures, there all kinds of neighborhoods, jewish, islamic, greek, armenian, syrian, but they are all racist. They stay in their neighborhoods and they don’t accept anybody, everyone here is just racist people.” Daar knapte ik weer een beetje van op. “So, probably I won’t be accepted in any neighborhood”, zei ik. “It’s different”, zegt hij, “You’re blond, you’re from the west.” “Yeah, they all hate me.”, zeg ik lachend. Maar ik meen het wel.

Bij de grote moskee in Üsküdar stap ik uit. Ik herken deze straat. Jan en ik deden hier twee en een half jaar geleden een ‘food tour’, waar ik om de een of andere onvoorstelbare reden helemaal niets heb gekocht als aandenken, wat was er mis met mij? Ik weet het niet. Maar dat onrecht moet onmiddellijk worden rechtgezet. Als ik me goed weet te herinneren zit hier ergens een honingwinkeltje. Ja, het zit er nog! Het is wel veranderd, maar het is hetzelfde winkeltje. Ze hebben maar een paar soorten honing en ik koop een paar verschillende kleine potjes en betaal een vermogen. Ik slenter een paar uur rond in dit gedeelte van de stad, ik herinner het me als heel conservatief, maar ik zie bijna geen hoofddoeken. “Zitten die allemaal binnen?”, vraagt mijn moeder op de app, “Aan het aanrecht?” Er wordt heel druk gewinkeld, op pleintjes onder bomen gezeten en çay gedronken. Na een tijdje ben ik echt heel moe en Uber terug naar het apartement. Ik trek mijn kleren uit, stop ze in de was en knoop een doek om me heen. Ik hang op de bank en ben echt van plan om er nog uit te gaan om te gaan eten, maar ik stort helemaal in op de bank en weer komt het er niet van.