Nou ik kan er op dit moment vrij kort over zijn, deze twee dagen. De inspiratie is een beetje op en zoals ik al zei leid ik een totaal oninteressant leven op dit moment dat bestaat uit strand en zwembad en cocktails. Daar kan ik geen blog mee vullen. Alles is traag, het is veels te heet om na te denken en ingewikkeld te doen. Dus als je het per se wilt weten hier onder puntsgewijs mijn bezigheden. En anders, de mazzel, doei, hasta la pasta, tot ziens, lekker deze blog afsluiten en iets zinvols gaan doen met je leven.
De was gedaan
Naar het strand gegaan!
Daar na een uur weer weg want veel te heet en snorkel en kussentje vergeten.
Bakkes verbrand
In zwembad gesprongen
Huis bijna in de fik gestoken (Dat kwam zo. Ik had een steelpannetje gekocht voor de melk voor de latte. Dat was na een paar dagen een beetje aangekoekt, dus ik denk ik gooi er wat water in met een tablet van de afwasmachine en dan laat ik dat even sudderen terwijl ik me aankleed voor het avondeten, niet vergeten hè! Afijn het is schemerig, ik douche even snel, kleed me aan, doe make-upje op, en ineens hoor ik beneden alsof de wc doorloopt, ik ga even checken, de hele badkamer beneden staat blank omdat de kraan van de bidet keihard open staat. Hoe kan dat? Ik heb daar helemaal niet aangezeten! Op dat moment ruik ik iets. Het pannetje! Ik ren naar de keuken, die en de hele huiskamer staan blauw van de rook! Het pannetje knettert, ik voel vanaf hier de hitte, het is compleet zwartgeblakerd en ongeveer een meter eromheen zitten honderden vlekken en spatjes, over de hele gloednieuwe kookplaat, de vloer, het perzische tapijt, het aanrecht en de achterwand. “O god ik heb de gloednieuwe keuken geruïneerd”, denk ik. Gelukkig valt het allemaal wel mee. En gelukkig gaat het net hard onweren en waaien als een meltemi en kan ik alle deuren tegen elkaar open zetten. De ergste vlekken poets ik alvast weg om te kijken of ze er überhaupt wel af gaan, de rest doe ik morgen wel. Maar wat ik nog steeds niet snap is waarom die kraan keihard open stond. De deur naar het terras stond open, maar die had ik zelf opengelaten, en je komt de tuin ook zomaar niet in. Ik snap het niet.)
Gegeten bij Çarıklı Et in Fethiye met mijn domme hoofd want was natuurlijk kneiterdruk. Maar wel lekker.
Het huis een dag verlengd, zodat ik me geen zorgen hoef te maken over wat ik maandag overdag doe, en dan kan ik gewoon even douchen en omkleden voordat ik ‘s nachts naar het vliegveld ga rijden en dan hoef ik ook niet na te denken over enge hotels met beestjes.
Vandaag, dus eigenlijk gisteren
Ontbijt met koffie op het strand, op het dak van een van die tentjes
Strand, heel de dag en zelfs even een kano gehuurd en met de kano naar een ànder strand
Nog meer strand
Bakkes nog meer verbrand
Geen zin meer in funiculer
Zwembad gesprongen
Nog meer was gedaan, die hangt nu nog buiten en ik ben niet thuis en het gaat zo regenen
Naar Faralya gereden voor simpele tavuk şiş met uitzicht op zonsondergang over Kelebekler vadısı, dat is weer zo’n spectaculaire rotsachtige route langs de kust met allemaal haarspeldbochten en geiten.
Thuisgekomen blijkt het hier helemaal niet te hebben geregend, maar mijn straat die van de berg afkomt is in een grote rivier veranderd, dus ergens op de berg heeft het wèl geregend.
Als ik in de tuin zit, springt steeds het licht aan omdat er iets van een marter door de tuin loopt die me de stuipen om het lijf jaagt.
Gasfornuis gepoetst en sporen gewist van het voorgaande drama.
Dit dorp, echt waar…. Ik weet ik ben hier op de goede tijd in het jaar, maar wat hou ik ervan. Ook al is het toeristisch, maar je moet hier ook NIET zijn tijdens de grote vakanties. Te heet, te druk. De ober vertelde me dat je in juli en augustus als het hier 50 graden is, niet eens gewoon naar boven of naar beneden kan rijden, zo druk als het is. Ik ben in de gelukkige omstandigheid dat ik dat nog nooit heb gezien, omdat ik altijd buiten de grote vakanties op reis kan gaan. Ook ben ik blij dat het goed lijkt te gaan met het toerisme. In elk geval in deze industrie valt er weer een beetje een boterham te verdienen in dit land, en nog steeds betaal ik maar €10 voor een badlaken (ik moet dan wel weer €27 afrekenen voor twee cocktails en een sprite in het straatje dat naar het strand leidt, maar ja). Als ik ergens zou willen wonen, is het hier, in het dorp net boven het strand, tussen Ölüdeniz en Fethiye. Zoveel verschillende kleine strandjes die ik allemaal nog niet heb ontdekt, een stadje dichtbij, een paar grotere steden op redelijke afstand, en in de winter moet het hier heerlijk zijn, de bergen waar je eindeloos kan wandelen, de zee, de lokale markjes die het hele jaar doorgaan. Een klein beetje heb ik daar in 2013 al van meegekregen toen ik hier in november, voor het eerst alleen, naar toe ben gevlucht, terwijl alle strandtentjes werden afgebroken en de hotels gesloten. Het hotel waar ik verbleef was op mij na leeg, en het personeel nam me bijna op alsof ik een van hèn was, en kwam me steeds allerlei restjes eten en drank uit de keuken brengen. Op het strand dronk ik thee en bier met de obers en de paragliders die verder niets meer te doen hadden.
Maar afijn, waar was ik. Ik had de kussens van het andere tweepersoonsbed, waar mijn koffers op lagen, naar mijn bed gesleept in de roze kamer, die niet aan de straatkant ligt maar aan de wat rustigere zijkant. Man man man wat slaap ik heerlijk met vier kussens net als thuis. Ik heb al weer helemaal geen zin om eruit te komen en te bewegen, maar ik moet wel want om 12:00 moet ik weer bij Ayşe in Fethiye zijn. Dat is maar 15 minuten rijden maar er gaat een heleboel voorbereiding aan vooraf, want ik moet natuurlijk eerst uitgebreid wakker worden met koffie en een paar letters geschreven, bovendien moet ik netjes zijn aangekleed want Ayşe is nogal vroom in het geloof dus ik wil haar niet tegen de borst stuiten, dus lange wijde linnen broek en zwart shirtje met halflange mouwen en de haren netjes in een staart met vlecht. In Fethiye is het één grote bende. Ik weet niet wie er dacht dat het een goed idee is om vlak voor het hoogseizoen alle wegen te gaan renoveren, maar bij dezen bied ik diegene een stageplek aan bij mijn werkgever (die overigens hetzelfde doet, maar met het verschil dat in het hoogseizoen de drukte op de rijkswegen juist minder is tijdens de vakanties). Ik word tien keer omgeleid en ik weet al helemaal niet meer waar ik ben, bovendien zijn er natuurlijk nul parkeerplekken, dus ik zet hem uiteindelijk maar gewoon bij een tankstation neer, ik ga wel lopen, het is nog vroeg, lekker een ochtendwandelingetje is ook goed, dan kan ik ook meteen wat nieuwe straten in mijn geheugen opslaan. Er is zelfs nog tijd voor koffie en even videobellen met mijn moeder. Met Ayşe heb ik afgesproken bij ‘Villa Home tekstil & carpet’, een stoffenwinkel die net buiten de Paspatour markt staat, waarvan zij de stoffen gebruikt om haar tasjes te maken. Het is een superleuke kleine winkel, met o zulke leuke katoenen stoffen. Ayşe staat net op de stoep te bellen als ik aan kom, we zwaaien naar elkaar en de begroeting is al weer zo verschrikkelijk leuk en lief, de oprechte blijheid om elkaar weer te zien is gewoon ontroerend. Voor het gemak heeft ze ook een vriendin Guidem uitgenodigd die als tolk gaat optreden, want Ayşe’s engels is ongeveer net zo goed als mijn turks. Binnen maak ik ook kennis met de eigenaar, die ons voorziet van turkish coffee en lekker meedoet met het gesprek. Guidem komt zelf uit Istanbul, wat ons meteen weer een heel arsenaal aan gesprekstof geeft. Maar eerst moet ik van haar bekennen dat tulpen toch echt turks zijn, of niet? Natuurlijk zijn tulpen turks, zeg ik tegen haar. Ik vertel haar dat ik in 2017 bovenop de top van Bergama stond, samen met een Chinese man die vertelde dat hij ook in Nederland was geweest en dat zo mooi vond, met al die molens en tulpen enzo. Ik zei tegen hem: “But tulips are actually from Turkey”, waarop hij antwoordde: “Yes, but you sell them!”. We kletsen, drinken koffie bij de stapels tasjes die Ayşe heeft meegenomen en door 4 mensen worden er foto’s gemaakt, en ja van drie van hen zie ik ze allemaal weer terug op instagram, met allemaal lieve teksten erbij maar toch weer een beetje gênant. Ik ben niet zo van het posten van dingen. Ook al is het makkelijk te vinden, je hoeft maar mijn naam aan elkaar te googlen en je komt er vanzelf op, toch zijn maar weinig mensen die deze blog kennen en dat hou ik graag zo. Ik kan me nog steeds niet voorstellen dat er iets áán is om het te lezen namelijk. Het is meer een soort dagboek, alleen dan zwaar gecensureerd en afgevlakt cynisme en zonder alle depressieve negatieve gedachten. Eigenlijk een beetje zoals mijn huis, en mijn hele leven wat dat betreft, je bent welkom, maar niet onaangekondigd zomaar binnenvallen, geef me even een momentje om iets aan de chaos te doen.
Maar, dus, ik neem weer zo hartelijk afscheid van Ayşe, en ik ga nu eerst wat boodschapjes doen en naar huis, even afspoelen in het zwembad, voordat ik naar de mani-pedi ga. Thuis pas, zie ik een bonnetje onder mijn ruitenwisser zitten dus er zal wel een fijne rekening aankomen straks voor het parkeren bij de Opet. Dammit.
De mani-pedi is fijn en alles is weer netjes maar o, o, o, wat duurt het weer lang, en ik ben moe, zo moe, dat ik mijn ogen bijna niet eens open kan houden in dat ongemakkelijke bankje. Toch sleur ik mezelf ‘s avonds naar het Italiaanse restaurant dat ik vanuit dat bankje had gezien aan de overkant van de straat. Niet meer over nadenken. Ik krijg een geheimzinnige prachtige cocktail alleen ik word krankjorem van de muziek die van twee kanten komt: salsa van rechts uit het restaurant, en rap van linksonder uit de bar van het zwembad. Ik wil al naar een ander tafeltje verhuizen, er zit toch bijna niemand maar het personeel raakt er helemaal van in de war, is er iets aan de hand? Is er iets niet goed? Ik zeg iets van de dubbele muziek en meteen word er aangeboden om de muziek uit te doen, en zonder dat ik daar antwoord op geef wordt dat ook meteen gedaan, alleen na tien minuten gaat het toch weer aan, dus het is zaak om dat bord verrukkelijke pasta zo snel mogelijk weg te werken en lekker naar huis te gaan. Daar nog even lekker schrijven en bellen met Sas en dan slapen.
De dag er na is al dag 3 dat ik hier ben en nog steeds heb ik geen strand gezien. Ik wìlde wel, maar het liep gewoon even anders. Ik kon namelijk niet slapen, en er daarom ‘s ochtends niet uit komen. Ik dacht, “Dit is verdorie de derde dag dus je gáát naar dat strand toe blokkie!” Alleen, ik had geen strandhanddoek en ik wilde niet een van de 46 gloepend nieuwe grote witte badlakens van het huis meenemen, dus ik moest me toch onder het winkelende publiek wat er gelukkig bijna niet was begeven, en daar had ik he-le-maal geen zin in, maar ik deed het tòch, nou ja, dan kon ik in elk geval weer een beetje Turks oefenen. Dat ging heel leuk met de verkoper van de real fake bags die ook handdoeken had, en toen ik vertelde waar ik allemaal geweest was zei hij, toch maar weer overgaand op het Engels: “I’m Turkish and I haven’t even been to Çanakkale, Mardin and Eskişehir! But my brother in law lives in Kütahya.” “O yes”, zei ik, om het er nog even extra dik bovenop te leggen, “I’ve been there too, it’s near Çavdarhısar, with the ancient city Aizonos close by.” Hij begint keihard te lachen en zegt dat ik morgen of overmorgen terug moet komen, dan maakt zijn vrouw thee voor ons want “You have a really nice conversation”. Ik maak me dan maar weer snel uit de voeten om naar beneden te gaan. Er is een heleboel veranderd. Zo rijd ik voor het eerst langs wat eerst een parkeerplaats was, en nu de nieuwe ‘funiculer’ oftewel de kabelbaan naar boven. Zéi ik het niet, dat die er zou komen? Misschien dat ik hem morgen even ga uitproberen.
Ik was al weer helemaal moe van het winkelen (twee winkels in geweest), dus beneden, eindelijk beneden, op de oude plek weer een parkeerplaatsje gezocht en toen vond ik dat ik mezelf wel mocht belonen met een cocktail, ook al was het pas 15:00, maar hallo, het is vakantie hoor. Alleen dat werden er dus twéé, en toen zei ik tegen de ober: “I forbid you to ask me if I want another one”, wat hij vervolgens natuurlijk tòch deed, maar toen nam ik maar een sprite. Al die tijd had ik zitten schrijven op dat koele overdekte terras, in het winkelstraatje dat leidt naar het strand op nog geen 200 meter, maar toen ik klaar was met de sprite was ik eigenlijk overal klaar mee, dus ik gìng helemaal niet meer naar het strand, ik dacht, “Morgen is er weer een dag, en dan nog een, en dan nog een paar, en thuis heb ik een zwembad”, dus ik betaalde die belachelijke rekening en ik maakte rechtsomkeer naar huis. Vier jaar lang heb ik verlangd naar dit strand, en nu ben ik hier al drie dagen en ik heb het nog niet gezien. Wat heerlijk dat je in je vakantie, en als je alleen bent, gewoon je plannen binnen een paar seconden kan omgooien als je daar zin in hebt.
Avond. Shit, ik ben mijn iPad vergeten dus zit als een gekkie in het restaurant op mijn iPhone te schrijven. Nou ja, moet kunnen. Deze avond loopt toch al in het honderd. Ga ik wel of niet ergens kijken naar AS Roma – Feijenoord. Ga ik wel of niet wat eten ergens. Ik heb honger. Maar het is nog te vroeg voor de wedstrijd. Als ik ga eten moet ik òf heel lang over mijn eten doen of heel laat beginnen met eten, of eerst eten en dan wéér naar huis en dan wéér terug, en lopen want cocktails. Ik weet het allemaal niet meer. En mijn hersenen zijn kennelijk ook uitgeschakeld want mijn lijf kleedt zich gewoon aan en loopt het huis uit richting supermarkt om koekjes te halen en sinaasappelsap en tonic, en scant daarna de restaurants waarvan er genoeg zijn maar gek genoeg niet allemaal met een giga tv-scherm, valt me wel weer een beetje tegen van Ovacık. Maar afijn het is maar conference league, zo belangrijk is het nou ook weer niet, maar op de een of andere manier heeft het dan toch weer zijn charme om híer te zijn en toch die wedstrijd te zien. Alleen nu ik hier zit zonder mijn iPad heb ik er eigenlijk al geen meter zin meer in en ik heb honger en wil gaan slapen. En volgens mij regent het en ligt mijn badhanddoek nog buiten. Maar goed ik ga toch maar ergens zitten met een tv scherm ook al ga ik helemaal niet kijken en ik word gelijk zogenaamd veroverd door de ober van iets van 50, althans die doet daartoe een grappige poging die meer te maken heeft met het entertainment van het restaurant dan dat het serieus is, daar weet je op een gegeven moment wel mee te dealen met die fratsen, gewoon een beetje meedoen en op een goed moment elegant afbuigen. Hij wil weer weten waarom ik Turks spreek en of mijn man Turks is, en waarom mijn man niet bij me is. “Hollands-Turks”, zeg ik, ik speel het spelletje dus maar even mee, “Omdat hij moet werken“. “Hoe heet hij?”, vraagt de ober. “Celal”, zeg ik. “Tamam, schrijf Celal maar op je telefoon dat het einde verhaal is. Dat je Kemal hebt ontmoet en Kemal zijn plaats gaat innemen”. Ik vraag me af hoe vaak hij deze grap vandaag al heeft gemaakt maar moet er toch wel keihard om lachen. “Ama senin için çok tehlikeli, seni öldürecek”, zeg ik, maar dat is gevaarlijk voor jou, hij vermoordt je. “How old is he?” “42.” “I’m not afraid. I can take him. I’ll take the risk.” “Don’t be so sure about that”, zeg ik. Als ik de supermalse lam krijg voorgeschoteld en hij me het bestek aanreikt, zegt hij: “Here is your knife. Now pretend this is Celal.” “Ooo, you have no idea what kind of trouble you are in”, zeg ik. Ik zit verder heerlijk te eten, het is weer een klein lamsfeestje, ik vraag ook nog of ze vanavond AS Roma – Feijenoord laten zien, maar dat kanaal hebben ze niet op deze tv, dus klaar nu, lekker naar huis. Het is voor mijn doen al best laat, maar ik spring toch nog even in het donker in het zwembad en schrijf nog een beetje op het terras.
Joehoe wat ben ik weer lekker vroeg wakker en helemaal blij want vandaag naar eindbestemming waar ik alle stress hopelijk kan laten varen en alleen maar aan het strand en bij het zwembad ga liggen. Bij een klein tekeltje in het dorp haal ik nog wat water en pufs en zakdoekjes want chronische loopneus, achter de toonbank staat een dame die alleraardigst naar me glimlacht en vraagt naar mijn ‘memleket’. “Hollandalıyım”, zeg ik en ze wil vanalles weten wat ik hier komt doen en waarom ik een paar woorden Turks spreek. Ik stap weer in de auto en ga de snelweg op, nee ik ga niet meer terug naar Sagalassos bij zonsopgang wat ik eigenlijk wilde doen (grappig hoe, als je het een keer hebt gezien en dat grote verlangen is gestild, je het onderwerp van dat verlangen dan in de werkelijkheid ineens heel anders gaat zien, gewóón, alsof het ineens van zijn voetstuk valt. ‘Het bezit van de zaak is het eind van het vermaak’, zei mijn vader altijd, en zo is het ook hiermee), en ook niet naar het lonkende museum van Burdur, ik ruik mijn nest en ik moet nog 3,5 uur rijden. Daar zie ik helemáál niet tegenop, in tegendeel, ik ga er lekker van genieten en onderweg ergens koffie drinken. Om de zoveel kilometer staat er in dit land langs de snelweg een levensgroot foambord met een foto van een politieagent erop met een walkietalkie in zijn hand, of een politieauto met een agent erin met een walkietalkie in zijn hand, of een combinatie van de twee. Ze lijken bestwel echt, als je aan komt rijden. Het helpt geen ene moer natuurlijk. Maar het is wel grappig. Ik stop toch even om er een foto van te maken. Ik moet nu eerst weer een heel eind borden Antalya volgen en daarna splitst de weg zich naar de Burdur-Fethiye yolu en die is weer een feest van herkenning, en zo mooi. Bergen, en velden met paarse bloemen, fruitbomen en graan.
Ik mocht van de verhuurder ook twee uur eerder komen en ik kan dan ook precies nog boodschappen doen bij de ‘Saintsbury’s’ om me om precies 14:00 te melden bij het huis aan de Ovacık caddesi. Yusuf en zijn vrouw Betül laten me binnen, ik moet wel mijn schoenen uitdoen bij de deur, en zo te zien zijn ze nèt klaar met de schoonmaak. En wat een huis. Schandalig gewoon. My god. Ik wist dat het groot zou zijn, maar dit is wel een beetje overdreven eigenlijk. Beneden een slaapkamer met twee bedden, boven nog een, en dan nòg twee slaapkamers met tweepersoonsbedden. Elke slaapkamer heeft een eigen badkamer met wc. Gênant zeg. Ik voel me gewoon een beetje bezwaard. In de tuin een flink zwembad met een mooie nieuwe groenstrook erom heen en prachtige rozenstruiken en een paar palmbomen. Een lounge tafel met stoelen met kussens, een schommelbank en zes grote lounge stoelen aan de rand van het zwembad. Op het terras dat een paar treden hoger aan het huis vast zit staat ook nog een eettafel met 6 stoelen. Eigenlijk was dit juist hetgeen waar ik dit huis om gekozen had, een goede plek om ‘s ochtends en ‘s avonds te kunnen schrijven, met fijne stoelen in de schaduw, dàt, en natuurlijk dat het ongeveer de helft kostte van andere vrijstaande huizen in deze wijk of een hotel, wat me dan ook meteen doet afvragen, waaròm? Wat is de adder onder het gras? Maar ik kan hem niet ontdekken, behalve misschien dat het dus áán de Ovacık caddesi ligt en er van stilte geen sprake is gedurende de dag, want dit is de drukke by-pass route evenwijdig aan de Atatürk caddesi, die vooral door het lokale verkeer wordt gebruikt dat nooit heeft gehoord van 50 binnen de bebouwde kom. Maar verder, ik loop zo het huis even langs, is er een wasmachine, een koffiezetapparaat, een kurkentrekker, een strijkijzer? Alles is er, naar de kurkentrekker moet ik even zoeken in de honderd laatjes van de keuken, maar die is er ook. De koelkast is zo groot dat er wel vier man in passen en zo te zien brand new en kraakschoon. Een ijsblokjesbakje zie ik niet maar daar gebruik ik de eierdopjes voor, want ik heb een klein flesje gin gekocht voor de gin tonic straks. Het is ook bijzonder koel binnen, met al die marmeren vloeren en trappen. Heerlijk gewoon. Als de eigenaren zijn vertrokken ga ik eerst de burgeroorlog die zich in mijn koffers afspeelt beslechten, alles eruit dat in de was moet, stapeltjes maken met shorts, jurkjes, bloesjes, bikinis. Alleen die laatste gebruik ik toch even niet want de tuin blijkt hermetisch afgesloten voor het oog van alle buren dus ik heb helemaal geen bikini nodig als ik in het zwembad spring. De enige reden waarom ik er vanavond nog uit ga is om een pide te halen om thuis op te eten. Deze weggetjes, ik weet al precies hoe ik moet rijden, waar een zaakje zit waar die pide vandaan moet komen, en een paar deuren verderop zit een mani-pedi die ik binnenloop om een afspraak te maken voor morgen, éventjes die afgebladderde nageltjes weer op orde krijgen en over mijn voeten zullen we het maar even niet hebben, want die zien er uit alsof ik met blote voeten die verrekte berg naar Sagalassos ben opgelopen. Ik weet ook dat ik morgen alweer een afspraak in Fethiye heb met Ayşe, mijn lieve vriendin van 5 jaar geleden, om nogmaals een duik te doen in haar collectie handgemaakte tasjes. Dus ik wil ook niks meer doen vandaag. Ik ga zelfs niet naar het strand. Eigenlijk wil ik helemáál geen afspraken meer hebben deze dagen, de agenda en mijn hoofd moeten leeg. Ik wil puur alleen zijn, tot mezelf komen, en schrijven, schrijven, schrijven, ordenen, confronteren, de uitgang vinden, het verleden, de toekomst, de waarheid, het antwoord, en dat is er niet, ik heb maar te accepteren wat me in de schoot wordt geworpen. En voorlopig is dat he-le-maal niet verkeerd, wat een bevoorrecht leven heb ik eigenlijk.
Ik ben dus lekker vroeg op weg met de Clio. En wat is de route van Yalvaç naar Ağlasun prachtig. Je kon je zo in Zwitserland of Oostenrijk wanen. Het is een gewone weg met twee rijstroken dus weinig zorgen en ik kan uitgebreid om me heen kijken. Lange tijd rijd ik langs het meer van Eğirdir dat turkoise is met lichtblauw en zeegroen tegen een achtergrond van bergen met sneeuw. Opvallend genoeg zie ik helemaal geen schepen. Is hier geen visserij, geen pleziervaart? In Nederland ligt elk plasje vol met sloepen, zeilboten en motorjachten, helemaal niets hier. Toevallig moet ik dwars door het stadje Eğirdir heen en daar is een afslag naar het schiereiland dat ik op de heenweg al had zien liggen maar mezelf geen tijd had gegund om er te gaan kijken, maar nu sla ik wel af. Het blijkt een zeer oude geschiedenis te hebben met visserij in de Hellenistische tijd toen het Akroti heette, er staat een grote vervallen burcht op een rots bij de ingang. Verder is er niet veel van over. Het schijnt vooral te bestaan uit de vakantiehuizen van mensen uit de steden die hier de zomer willen doorbrengen. Ik snap nu ook dat er niet gezwommen wordt want de oevers zijn rots- en steenachtig, maar ik fantaseer over alle mogelijkheden die het zou kunnen hebben als je er wel zou kunnen zwemmen. Aan het eind van het schiereiland is een antiek haventje waar drie kleine vissersbootjes liggen, veel meer kan er ook niet in, en het is moeilijk voor te stellen hoe dit een welvarend visserdorp heeft kunnen zijn.
Om half een rijd ik Ağlasun binnen, een klein boerendorp eigenlijk, zonder bestrating, of misschien wel met bestrating maar die is door het zand en de modder niet zichtbaar. Alleen maar kleine cafetariaatjes en tekeltjes (‘tekel’ is zo’n klein supermarktje waarvan er dan ook op elke hoek van de straat een zit). Wel staat meteen al met grote borden Sagalassos aangegeven en die leiden naar zo’n kronkelig weggetje door de bergen waar je hopelijk geen tegenliggers hebt. Ik kom ook langs het hotel waar ik straks heen ga, dat helemaal niet zoals op de foto’s geïsoleerd in het bergachtige landschap ligt, maar gewoon pal naast het dorp. Niettemin lijkt het nog steeds op het hotel uit The Shining, ook al belooft het mij een spa-ervaring. Ik rijd verder naar boven, hoger en hoger kom ik, ik moet mijn oren een paar keer ‘klaren’. Toch bijzonder dat die belangrijke steden steeds op zulke hoge hoogtes liggen, zal wel iets te maken hebben met verdediging, en dat de tempels dan dichter bij de goden lagen en je er natuurlijk wel wat moeite voor moet doen. Boven aangekomen staan er vijf mega touringcars en een menigte mensen bij het koffiekioskje, maar die lijken net te gaan vertrekken. Het is eigenlijk bestwel fris dus ik neem een hoody mee uit de auto. Ik haal natuurlijk eerst een kop koffie op dat terras, dat uitkijkt over die diepe, diepe rotsachtige vallei waarboven zich op dit moment de stapelwolken verzamelen. De stilte, de rust, het is gewoon weer heerlijk hier. Na de koffie besluit ik maar eerst helemaal oostelijk naar boven te lopen waar zich het amfitheater bevindt. Ik heb deze site zo vaak op google bestudeerd, hoe vreemd is het om er nu te lopen, en hoe anders ziet het er uit in het echt. Wat zo vreselijk mooi is aan deze site, waarschijnlijk mede dankzij het feit dat ik er op het goede moment in de tijd, ik bedoel dan jaren, ben (misschien ietsje te laat gezien de touringcars), is dat hij live in verval is. Heeft het niet iets dankbaars, dat de beleving des te intenser maakt, als je weet dat aan wat je ziet binnenkort een einde komt? Hier zijn al verschrikkelijk veel dingen weggehaald, zoals delen van twee gigantische beelden waarvan een van Hadrianus, die in 2006 (of 2016 daar wil ik even van af zijn) zijn opgegraven en nu in het museum van Burdur te zien zijn, en ook de geweldige mozaïekvloer uit het badhuis dat al die jaren gewoon te zien is geweest, ligt er niet meer. Maar als ik boven kom in het amfitheater, dat ik trouwens via allerlei olifantenpaadjes, klimmend over grote scheefgevallen blokken dwars door de aangegeven paden kan binnendringen, kan ik zomaar de galerij die onder de bovenste rijen verborgen ligt inlopen. De galerij loopt halfrond onder de hele bovenste rij van het theater, het is er donker, en hier en daar priemt een klein straaltje zonlicht naar binnen door de kieren van de gebarsten tribune, die de grot een mysterieuze aanblik geeft. Ik kan er maar een paar meter in lopen, want de ingestorte delen van de tribune blokkeren de doorgang, en ik zou er nog best overheen kunnen klimmen en verder die duistere gang in gaan, maar soms overvalt me ineens de angst voor aardbevingen, die in de 7e eeuw ook aan deze hele stad een eind hebben gemaakt, en besluit dat dan toch maar niet te doen. Het is natuurlijk volslagen onzin, want een aardbeving gebeurt vooral wanneer je het níet verwacht, en bovendien zou het een mooie dood zijn, zo op het hoogste punt van Sagalassos. Maar anyway, het is weer bijzonder, ik weet zeker dat dit over een paar jaar niet meer kan. Verschillende blokken bewegen ook als ik erop sta, dus het is wachten op dichtmetselen. Buiten klim ik nog hoger. Helemaal bovenaan ga ik zitten op de bovenste rij. Onderaan zijn nog twee mensen, maar die komen niet naar boven. Ik kan vanaf hier de stemmen horen van de mensen die over de agora met het Antonines nymphaeum lopen, en dat benadrukt eigenlijk alleen nog maar de stilte hierboven. Ik wacht op een momentje dat de zon doorbreekt en ik nog mooiere foto’s kan maken, maar dat komt niet. Wolken trekken zich samen en verderop is de hemel zwart met lichtflitsen. Ik sta op en ga via de achterkant naar beneden zien te komen, wat nog niet makkelijk is wat er zijn geen paden hier. Op google kan je natuurlijk nooit zien hoe het precies zit met het hoogteverschil, maar het uitzicht over de rest van de stad is hier ongelofelijk.
Ik kam verder de rest van het terrein zorgvuldig uit. Ja, ik ben al moe, ja, ik heb honger, maar we gáán naar die tempel van Apollo die helemaal aan het uiteinde ligt en waar geen steen meer op elkaar staat, we gáán die hele straat aflopen en kijken of we bij dat provinciehuis naar binnen kunnen, wat niet kan, en ja, we gáán al die trappen weer naar boven naar het schijthuis en de grote agora met de fontein, en dan begint het toch wel zo ongenadig hard te regenen dat ik het niet meer kan negeren en toch maar in die fontein gaan staan schuilen, achter een nogal lelijk afgietsel van een beeld van een vrouw met kind. Daar proberen steeds meer mensen bij te komen die nota bene regenjassen aan hebben en dan nòg word ik opzij geschoven met m’n doorweekte hoody, maar ik geef geen centimeter, ik vertik het, totdat er een familie aan komt met drie piepkleine doorweekte kindjes, ik wenk ze en vertrek zodat ze mijn plaats in kunnen nemen. Grappig, dan houdt het ineens op met regenen en iedereen is dan verdwenen, en zo loop ik al weer alleen. Verschillende delen van het terrein kan je echt niet op, met name daar waar hele stukken bijna instorten en met ijzeren stempels worden gestut. Vlakbij de Hadrianusfontein staat een hele muur op omvallen. Dat bedoelde ik met ‘live in staat van verval’, namelijk zoals de geschiedenis het uiteindelijk toch heeft bedoeld. We kunnen proberen er wat cosmetische ingrepen op toe te passen (letterlijk, zo is de Hadrianusfontein aardbevingsbestendig heropgebouwd met een soort flexibele cement, een soort fillers zeg maar) maar het verval is daar en onvermijdelijk.
Sagalassos is voorbij. Op instagram word ik gevraagd om mee te helpen zoveel mogelijk publiciteit aan Sagalassos te geven. Dat vraag je dan echt aan de verkeerde. Meer publiciteit is meer bezoek, is meer verval. Overal op het terrein worden nog nieuwe archeologische expedities ondernomen. De universiteit van Leuven is daar een drijvende kracht in. Daarom zijn de bordjes met uitleg hier en daar naast in het Turks en Engels ook in het Nederlands te lezen. Voor mij is het hoofdstuk afgesloten. Er blijven nog genoeg plaatsen over die ik graag wil bezoeken, maar dit archeologische avontuur is weer voorbij.
Ik check in bij het hotel. Wat een verademing in vergelijking met gisteren. Een meneer trekt meteen mijn koffer uit mijn handen en staat er op om die naar mijn kamer te brengen. Bij de receptie noemen ze meteen mijn naam zonder dat ik die heb hoeven zeggen. De kamer is heerlijk modern en schoon, en heeft een balkon, met uitzicht op de bergen waar ik net vandaan kom. Het is fris-koel, maar zo’n heerlijke lentekoelte uit de bergen. Onder de dakrand hangen zwaluwnestjes. Ik informeer even naar de hamam, en ja natuurlijk kan ik daar gebruik van maken. Ik krijg meteen ook de tour langs alle andere dingen die hier kunnen, massage, sauna, mani-pedi, en een binnen- en buitenzwembad. Ik trek een paar baantjes in het binnenzwembad en doe daarna de hamam. Ik schijn hier ook te kunnen eten dus daar maak ik ook gebruik van. Het is een buffet, maar alles heerlijk en vers, met ik weet niet hoeveel mezes en brood. Ik slaap die nacht weer als een os.
Even snel ontbijten en dan snel weg is er niet bij want ik krijg van het Char Me hotel in de tuin een riant ontbijt voorgeschoteld met twaalf schaaltjes met jam, börek, kaas, fruit, komkommertomaatolijven, brood, roerei, nou ja je snapt. Toch zal ik me even moeten haasten want ik schijn ineens necesseties nodig te hebben die ik niet bij me heb. Ik neem de stuurse dame van de receptie even apart die me directies naar de dichtstbijzijnde supermarkt geeft en even later met een begrijpend knikje ook voorziet van een klein voorraadje. De supermarkt moet dichtbij zijn dus voordat ik mijn auto ophaal loop ik er even heen, dacht ik, maar als ik na een bocht nog steeds geen supermarkt zie, geef ik het op en ga teruglopen, zag ik daar niet een Starbucks? Het is vast de laatste die ik de komende dagen zie dus laat ik er maar even van genieten. Ineens loopt er een jongen naast me, ik dacht dat hij me gewoon wilde inhalen maar hij blijft in het zelfde tempo vlak naast me lopen. “Are you tourist?” fluistert hij naar me. Ik wil het eigenlijk negeren, maar hij blijft de vraag herhalen. Het nut van de vraag ontgaat me even, ik ben blond, een kop groter dan de meeste mensen hier en ik loop met een grote knalblauwe grote rugzak. Dus ik weet even niet wat er is dat zegt dat ik géén toerist ben. “No”, zeg ik. Ik moet even denken aan een aflevering van Lauren-of hoe-heet-ze, over die vrouwen die over de datum zijn die in die grote Turkse badplaatsen op zoek gaan naar piepjonge vriendjes. Word ik nu gescout als vakantiecougar? Dat is het enige nut van de vraag dat ik kan bedenken want hij is volgens mij te jong om in een taxi te rijden. Gelukkig zijn we net bij de Starbucks dus ik kan ontsnappen. In de wijk direct buiten het oude centrum, die eigenlijk meteen bestwel fijn en herkenbaar oogt, vind ik al snel een supermarkt waar ik even water haal en volkorenkoekjes voor als ik vergeet op tijd te eten en een fles wijn, de verkoper vraagt of hij hem alvast moet openmaken want ik ben een toerist dus ik zal wel geen kurkentrekker hebben, nee, klopt, doe maar.
Dan de weg op, weg uit deze drukke badplaats, ik was in Antalya en ik heb de zee niet eens gezien, haha. Ik besluit data en batterijen te sparen en geen navigatie aan te zetten maar me gewoon ouderwets door de borden te laten leiden en te hopen dat het goedkomt. Ik moet voorlopig richting Isparta en dat staat al aangegeven en dan zal ik over een kilometer of 80 wel even stoppen om te kijken waar ik eraf moet. Ik maak voor de zekerheid wat screenshots van de route en de plaatsjes waar ik langs moeten komen. De weg is voorlopig 2-1 / 1-2 zoals de N50 zodat je per richting om de beurt kan inhalen. Dus dat is wel fijn alleen dat ontslaat je dus niet van de verplichting om als je op het 2-1 deel rijdt en er iemand achter je zit te drukken (wat ik kan begrijpen want ik rijd maar 80-90), gewoon op de vluchtstrook te gaan rijden om diegene voor te laten gaan. Evenmin hoef je aan te nemen dat je veilig kan inhalen op het 1-2 gedeelte want de inhaalstrook die je dan tot je beschikking hebt, wordt ook gewoon gebruikt door het tegemoetkomende verkeer. Maar dat moet je even weten en je gewoon aanpassen zodat iedereen weet waar hij aan toe is en dan werkt het prima. Zouden hier ook kamervragen worden gesteld over de weginrichting? Denk het niet.
Het is hier weer zo prachtig, groen en indrukwekkend rotsachtig, ik stop onderweg toch maar een keer om een foto te maken en de route te checken, en zelfs een keer om in een van de talloze restaurantjes een gözleme te eten met uitzicht op het meer en de bergen. Na een shellstation zou ik moeten afslaan naar Eğirdir en dan komt er eerst 50km piepkleine slalomweggetjes door de bergen, waar ik niet per se zin in heb nu, maar als ik er dan toch eindelijk rij, geniet ik er heel bewust van, hoe prachtig het is, en stil, groen, met heel kleine boerderijtjes, het doet een beetje aan de Provence denken. Bovendien is het lekker koel. Je rijdt hier natuurlijk maar 30-40 dus het duurt een eeuwigheid maar haast heb ik niet en als ik bij het Eğirdir-meer aan kom staat Yalvaç ook al aangegeven. En in Yalvaç staat Pisidia Antiochea ook al aangegeven, dus het gaat allemaal heel voorspoedig. Ik geloof dat ik er om een uur of 16:00 aan kom. Ik rij dan eerst door naar het romeinse aquaduct, dat op de kaart helemaal niet staat aangegeven maar wel met een klein verschoten bordje. En ja, de weg houdt hier ineens ook op, het is alleen nog maar gravel en modder, en ik moet op een gegeven moment een berg op die ik helemaal niet zie zitten, maar ik doe het tòch met m’n nieuwe Renault Clio, en het lukt, alleen het wordt steeds erger, dus ik parkeer hem maar hier en ga verder lopen. Het is hier dood- en doodstil, op een kettingzaag na die ik heel, héél in de verte hoor. Een paar jonge jongens op brommers passeren me. Het landschap is glooiend en groen en wordt begrenst door een bergrug waar op de toppen sneeuw ligt. Er staan her en der fruitbomen en cipressen en naast de korrelige weg gaat het vrij steil naar beneden en is afval gestort (dat mensen dit willen doen gaat me werkelijk alle verstand te boven, en mij hoef je niet meer te vertellen dat de Turken trots zijn op hun land, want als ik dit zie kan ik alleen maar denken ‘fake trots’). Het is zo stil dat ik af en toe even blijf staan om de stilte te horen. Je weet pas wat ‘oorverdovende stilte’ betekent als je dit hebt gehoord. Het is ongeveer 10 minuten lopen voordat ik de su kemerleri zie. Om de een of andere reden krijg ik altijd meteen een voorstelling van hoe het is aangelegd, dat wil zeggen allerlei vragen erbij, er zal toch een architect aan te pas moeten zijn gekomen, en iemand heeft bedacht dat dat ding er moest komen, en die architect bestelde, en wie was dat dan? Er zal een plan moeten zijn gekomen, materiaal besteld en mensen die daarmee gingen slepen. Wie dee da? De meeste van deze stenen zijn monolieten, dus uit één stuk. Waar komen ze vandaan? Alhoewel, het is één en al rots hier dus ver zal het niet zijn. Van een afstandje kan je in de korte stukjes aquaduct die er nog over zijn van de oorspronkelijke 10km zien dat er een bocht in zit, en je kan goed volgen waar hij naar de stad leidde. Ik vind het sowieso van een magisch vakmanschap, een 10km lange waterleiding die een daling van precies 2,6 tot 0,2% heeft om het water te transporteren. Je kan er ook makkelijk onderdoor lopen waardoor je aan de andere kant een prachtige stille groene vallei ziet waar ik vogels hoor en af en toe een geit. Met een stukje aardewerk maak ik een klein tekeningetje op een van de bogen. Het stukje aardewerk steek ik in mijn zak. Ja het is eigenlijk heiligschennis, maar ja, gekken en dwazen…
Ik rij terug naar de ingang van het terrein van de ören yeri waar ik voor €1 in mag, ze schrikken ervan, in dat gişetje, een bezoeker! Het moet niet gekker worden. Pisidia Antiochea is verder niet super mooi, er staat werkelijk geen steen meer op elkaar, en waar ze wel gepoogd hebben om een paar stenen weer op elkaar te zetten, slaat het nergens op. Stenen uit een fries op ooghoogte midden in een muur, dat soort werk. Maar er is wel een heel lange statige weg naar boven, die leidt naar de hoofdtempel bovenaan, en die is weer gebouwd in een natuurlijke holte in de stenen berg. Die holte is precies halfrond uitgebikt en er zijn kleine vierkante uitsparingen gemaakt voor een houten overkapping. Op enig moment is die muur deels bekleed geweest met marmeren platen, zie ik op een stukje dat nog in tact is. Er is trouwens veel marmer hier, naast graniet, glinsterend spierwit marmer met zowel Griekse teksten als Romeinse. Ondanks dat het verder niet erg spectaculair is, loop ik toch het hele terrein af en zo is het al tegen zessen als ik wegga. Er komt dan net een Turkse familie binnen met 3 generaties en ze knikken allemaal vriendelijk tegen me. Een tante (yenge) die achteraan loopt klampt me met een brede lach even aan, even ben ik bang dat ze iets van me wil, maar ze wil alleen even weten waar ik vandaan kom, en als ik zeg “Hollanda”, zegt ze “Aaaahhhh ich bin aus Deutschland”, we zijn daarmee natuurlijk praktisch buren en ze wil graag aan me kwijt dat ze hier op familiebezoek is voor de vakantie, en dat volgende week als de schoolvakanties beginnen haar nicht en neefje ook komen. “Prachtig”, zeg ik, “de hele familie bij elkaar.” Ze glundert ervan en wenst mij ook een fijne vakantie.
Ik las ergens dat in het Yalvaç museum meer te zien moet zijn van dingen die hier zijn gevonden, dus voordat ik morgen de stad uit rij, ga ik daar nog even langs.
Het hotel is ook vlakbij en ik kan letterlijk voor de deur parkeren, het is zo’n beetje midden in het centrum van Yalvaç, een typische middelgrote stad zonder enige charme wilde ik zeggen maar het blijkt toch een alleraardigst centrumpje te hebben met een oude cami en wat winkeltjes en leuke boomrijke pleintjes met grote terrassen eronder. Ik ben ook weer meteen de lokale attractie op het moment dat ik de auto uitstap. Van binnen is het hotel een zakenhotel, er is niets aan, het bed is schoon, maar daar is meteen alles mee gezegd en ik vind de rest onuitsprekelijk vies, de vloerbedekking…… Ik begrijp vloerbedekking sowieso niet, behalve misschien op de trap zodat je niet uitglijdt, maar verder is het toch een grote magnetische verzamelplaats van microben, parasieten, huisstofmijt, huidschilfers en alles dat we aan kruimels laten vallen wat er nooit meer uitkomt. Je maakt mij niet wijs dat ze er hier met baking soda en een stoomreiniger overheen gaan elke keer als er een gast is vertrokken. Ik lees thuis trouwens “How to be a Tudor” van Ruth Goodman, waarin ook het ontstaan van vaste vloerbedekking wordt beschreven en de reden waarom het in de huizen zo moet hebben gestonken was… de vloerbedekking. Afijn. De badkamer, de douche, de randjes in de douche…. laat maar. Ik sproei eerst een kwartier met heet water over de douchebak die ik eerst heb besprenkeld met handsanitizer, voordat ik het aandurf om eronder te gaan staan.
Een Starbucks kan ik hier wel vergeten, maar uit het raam zie ik schuin tegenover het hotel iets dat op een koffiezaakje lijkt, en dat ook blijkt te zijn, en ga daar even met koffie zitten schrijven. Ik heb een zwarte linnen bloes aan en iemand is boven de kat aan het kammen en nu zit ik dus alwéér helemaal onder de kattenharen. De eenvoudige kaart wordt me ook aangeboden en ik ben inmiddels zo gemakzuchtig, ik heb geen energie meer om naar een goed restaurant te zoeken. Dat ga ik hier waarschijnlijk toch niet vinden. Alcohol is er natuurlijk niet te vinden hier in de wijde omtrek, dus na het diner (soort tosti) ik neem die fles wijn uit Antalya mee naar de hotelkamer, waar ik prompt natuurlijk de kurk afbreek. Ik geef het op. Ik merk aan mezelf dat ik de laatste loodjes van deze tour aan het afraffelen ben om straks een paar dagen niets te hoeven, in de zon, in een rustig huis, op een plek waar ik al 4 jaar niet ben geweest, wat fijn is want ik ken het al dus hoef weinig meer te ontdekken, dus de stekker kan er uit.
De volgende ochtend zit ik al om 7:30 aan het ontbijt. Achteraf geen idee waarom, want als ik naar het museum wil gaat dat waarschijnlijk toch pas om 10:00 open, als ik geluk heb op deze zondag. Inmiddels zal het in de stad wel rondgezongen zijn dat er vandaag een buitenlandse bezoeker was in de antieke stad, dus wie weet. Maar op zoek naar de openingstijden kom ik een nieuwsbericht tegen over de directeur van dit museum, die twee maanden geleden is opgepakt voor internationale zwendel in antieke artefacten, waar ik trouwens heel hard in mezelf om moet lachen. Niet dat ik nu denk dat het museum gesloten is, maar ik wil de gok al helemaal niet meer nemen, en het vooruitzicht dat ik ook nog 3 uur moet rijden naar Sagalassos, doet me dan toch meteen opspringen om te vertrekken.
Om 6:00 gaat de wekker en ik voel nu al dat ik er nog niet klaar voor ben, voor deze vertrekdag. De taxi ook niet, want die appt me dat hij autopech heeft en een andere taxi moet sturen. Ineens op het laatste moment allemaal dingen die in het honderd lopen, maar okee. Ik ben toch verder prima op tijd en knoop een praatje aan met de taxichauffeur die wil weten wat alles in Nederland kost, een appartement, de energierekening, benzine, auto’s, en of je in Nederland makkelijk een baan kan vinden, en wat ik aan deze vakantie uitgeef. Hij is net getrouwd en naar een nieuw appartement verhuisd dat twee keer zo duur is als zijn oude. Ik kijk naar buiten en als ik door het drukke verkeer heen naar de voorbijvliegende wijken kijk, zelfs deze buitenwijken, denk ik, “Shit, ik ben nog helemáál niet klaar met Istanbul! Ik moet gewoon meer tijd hebben, meer in het ritme komen, meer rust nemen en niet tien dingen op een dag willen doen!” Elif waarschuwde me er ook al voor. Plan niet twee dingen op een dag, want je bent helemaal kapot. Maar dat is nu te laat, ik ben al weer op weg naar de uitgang.
Op Antalya vind ik met gemak mijn auto, en ik krijg een gratis upgrade naar een automaat, die ik niet had besteld omdat ik weer te krenterig was maar wel heel graag eigelijk wilde hebben, dus dat is weer een meevaller. Het is trouwens een gloepend nieuwe Renault Clio met maar 480km op de teller dus de lat ligt weer hoog. Ik kan nu meteen naar het hotel rijden, of ik kan de andere kant op naar Aspendos, wat niet op mijn lijstje favorieten stond, maar met mijn domme hoofd denk ik “Ach, het is pas 13:30”, en ik doe het tòch, en het is natuurlijk uiteindelijk wel een uur rijden, en er komen ook net twee touringcars binnen dus ik zie het al weer aan komen. Tja, Aspendos, wat moet je ervan zeggen. Nou in elk geval dat het een van de minst charmante antieke steden is die ik heb bezocht, weliswaar met een van de grootste theaters (inderdaad iets van 50 rijen, met een galerij erop, ik klim met mijn hoogtevrees helemaal naar boven), die ook nog steeds wordt gebruikt voor concerten en dergelijke, maar verder echt kompleet is afgeragd. By the way, het is dus warm, heul warm, en als vanouds loop ik dus nog in een spijkerbroek bij 33 graden. Gelukkig kan ik mijn Jaffa-hoed uit de koffer vissen voordat ik die berg op loop naar de acropolis, maar daar aangekomen, tja, het doet me allemaal niet zoveel. Dat is deels de vermoeidheid en snakken naar een douche, maar ook dat er geen marmer, geen beeldhouwwerk, geen teksten te zien zijn. Het enige dat ik interessant vind, is waar de enorme stenen van zijn gemaakt waar de gebouwen mee zijn opgetrokken. Het lijken wel betonblokken, maar van heel grof beton met grote kiezels erin, en de vraag hoe ze in die tijd dit soort blokken hebben kunnen maken die na 2000 jaar nog overeind staan. Volgens mij gebruikten de romeinen ook een soort grof cement, maar niet in pre-gefabriceerde blokken zover ik weet. Dus ik doe het verplichte rondje waarbij ik een aantal dingen oversla en begeef me naar de uitgang. Er staat een fotograaf en een Engelse vrouw met een knalgroene papegaai op haar schouder te poseren. Ik loop snel voorbij voordat hij me kan aanspreken.
Parkeren zou moeten kunnen op 20 meter van het hotel, maar de straatjes naar het oude deel van Antalya zijn afgesloten met een slagboom, dus mopperend rij ik maar door en bij de eerste de beste otopark rij ik er in. Ja, hier kan hij een nacht blijven staan. In de kofferbak laad ik snel een paar kleren en toiletspullen in mijn handbagagekoffertje. Het hotel is gelukkig dichtbij, en ondanks doolhof loop ik er rechtstreeks naar toe. Het is een werkelijk schattig hotelletje in oude stijl, met een groene tuin met een paar loungebanken en achterin inderdaad een zwembadje. Kennelijk is het vandaag upgrade-dag want ik krijg weer een gratis upgrade, die voor mij niet had gehoeven want ik snak zo naar een douche dat dat voor mij al de minimum vereiste was. De kamer is echt schattig, stenen muren, een schilderij van Istanbul aan de muur, een moderne badkamer en zelfs een strijkplank. Binnen de kortste keren is het een puinhoop maar ik heb lekker gedoucht en een jurkje aangetrokken en kan in de tuin een glas rosé bestellen en even met mijn moeder facetimen.
Ik durf niet in dat jurkje de straat op dus ik schiet toch maar even die spijkerbroek en de zwarte linnen bloes aan, waarmee ik natuurlijk verschrikkelijk overdressed ben op deze warme avond tussen de Engelse toeristen maar het is goed. Het oude deel van Antalya is een beetje dubbel. Kijk je door de neonverlichting heen en schakel je in je hoofd de muziek uit, dan is het echt cute, een klein doolhofje van oude traditionele huizen, zoals het echt moet zijn geweest in heel Turkije voordat de bevolkingsgroei de overhand nam en alles tegen de vlakte ging om ruimte te maken voor de russisch aandoende flatgebouwen van 5-6 verdiepingen. Maar helaas kan ik er naast de keiharde muziek óók niet omheen dat de Engelsen hier alle culinaire originaliteit hebben verkracht, en ik zo’n zin had in iets lekkers Turks, en vis, maar ik zie alleen maar Irish pubs en restaurants met Engelse namen zoals The Crown en Edinburgh. Ook zit alles stampensvol met toeristen, en ik zie alleen maar terrassen die buiten op de stoep staan, en daar ga ik echt niet tussen zitten met m’n laptopje. Gelukkig zie ik door de menigte heen dat het Matcha café ook een binnenplaats heeft en geloof het of niet maar die is dus bijna helemaal leeg. Misschien omdat daar de muziek keihard staat, maar okee, ik heb even niet de luxe om kieskeurig te zijn nu, het is dit of tussen Engelse toeristen zitten. De kaart stelt ook geen ruk voor maar de Aperol spritz maakt veel goed en de rode wijn ook, en zo kan ik even lekker met mijn zus skypen.
Ik zou graag meteen willen gaan slapen maar in de tuin hiernaast is een live traditionele muzikant aan het optreden en ik heb even een flashback naar Istanbul in februari met Nathalie, zelfde verhaal dit. En mijn oordopjes had ik natuurlijk net weer niet meegenomen uit de auto. Dus met aloe-verazalf en een watje maak ik provisorische oordoppen en die werken eigenlijk bestwel goed en ik slaap prima, want helemaal kapot.
Ik geloof dat ik er vandaag maar even aan toe moet geven, de vermoeidheid. Ik veeg heel mijn agenda voor vandaag leeg en besluit helemaal niks meer te doen behalve misschien een beetje in de buurt rondhangen en het schrift bij te werken. Elif had gelijk, Istanbul is vermoeiend, heel erg vermoeiend. Ik kleed me pas laat aan, drink koffie, lig in bed nog te lezen en netflix te kijken, en er is sinds gisteren geen water meer uit de kraan, dus geen douche, geen wc doortrekken, dus ik ga dan toch naar buiten om iemand anders koffie voor me te laten maken. Het is al weer stervensdruk op straat en zelfs dat trek ik niet, dus ik ga naar Black House, dat in elk geval in een rustige straat naast het park ligt dat de wijk scheidt van de Zee van Marmara. En inderdaad, er zit helemaal niemand. Om daar intens van te genieten klap ik mijn iPad uit en ga drie koppen cappuccino lang zitten schrijven over gisteren. Ik bestel ook brood en een karışık menemen bestaande uit roerei met tomaat, kaas en sucuk en peterselie in een rond koperen pannetje. Özlem stuur me een berichtje dat de gemeente het water heeft afgesloten maar dat het in de loop van de ochtend weer terug moet komen. Ik denk dat ik daar wel een uur ofzo zit. Ik ga alleen maar weg omdat ik ineens denk dat het misschien een beetje raar is om daar zo lang te zitten. Op de terugweg zie ik ineens allemaal cocktailbarretjes, even onthouden. Verder doe ik niets. In huis lummel ik wat. Ik had een Japans restaurant gevonden voor vanavond, maar ineens gaat het hard regenen. Ik heb het koud. Ik heb geen zin om me aan te kleden en in de regen naar een restaurant te lopen. Het is alsof er een stuwmeer aan vermoeidheid uitkomt. Ik eet maar gewoon wat ik nog in huis heb, een banaan, een stuk brood met kaas, een yoghurtje. Voor morgen plan ik alvast een route naar het Ara Gülermuseum, ik moet helemaal met de tram naar een metrostation en dan helemaal naar Şişli. Ik lig vroeg op bed want morgen is de laatste dag en daar wil ik nog wel wat van maken.
Donderdag
Waarom. Waaròm?! Besluit ik om toch op Beyazit uit te stappen en door de grote markt heen te lopen? Waar verkopers je letterlijk laten struikelen, in de weg gaan staan en je weg blokkeren, naar je roepen, je tientallen meters achtervolgen als je het ook maar waagt om een milliseconde naar iemands ogen te kijken? Waaròm? “Do you want a jacket? Do you want a jacket? Do you want a Jacket?” Nee, je ziet toch dat ik al een jas aan heb? “Hi, how are you?” “Nice to see you, miss.” “GUTENTAG!” “Where are you from?” Wat een foute, foute beslissing was dit. Misschien wilde ik onbewust toch nog iets van deze chaos meekrijgen ofzo, het er even met geweld laten inslaan, voordat ik morgen vertrek. Om eerlijk te zijn, vind ik wel dat je ooit iets op deze markt moeten hebben gekocht (zo kreeg ik hier van mijn ex destijds een gouden kettinkje met de maan en ster) (gek, ik ben vergeten het mee te nemen), alleen al om de ervaring, maar daarna noooooooit meer. Genoeg kleine winkeltjes in achteraf steegjes waar ze ook een boterham moeten verdienen. Maar ja, ik deed het dus toch.
Ik ging vanochtend vroeg op pad, om 8:30 liep ik al richting de iskele. De beste route leek me met mijn gloepend nieuwe Istanbul kartı vanaf het bootstation op Karaköy met de tram (er is er gelukkig maar 1) naar Laleli Universite, dan lopen naar en vanaf Verziciler de superschone metro nemen richting Haciosman en uitstappen in Osmanbey, en dan nog 12 minuten lopen.
Als ik incheck met de 10-rittenkaart die ik in februari kocht, gaat er een alarm af waardoor de hele hal hoort dat “SHE DIDN’T PAY” en het poortje blijft dicht. Waarom is me een raadsel, gisteren deed hij het nog gewoon. Geen zorgen, ik heb ook nog een oude Istanbul kartı. Doet het ook niet. Maar, haha – ik heb nòg een oude Istanbul kartı, want mij krijgen ze niet. Maar die doet het óók niet! Inmiddels sta ik de hele iskele op te houden en moet ik de walk of shame terug naar de automaat doen om dan maar weer een nieuwe kaart te kopen. Ik sta al met m’n pinpas voor de machine, maar een mannetje met een badge duwt me opzij en vraagt in gebroken Engels waar ik heen moet, en hoe vaak. Vervolgens gaat hij me ophouden door alles wat er op de automaat is te lezen en uit te leggen terwijl ik allang heb gezien hoe dat ding werkt. Omdat ik de twee Istanbul kaarten in mijn hand heb, denkt hij dat ik ze wil opladen en grist ze uit mijn handen. “Ze doen het niet”, zegt hij. Joh. “Ama neden?”, vraag ik, waarom niet? Hij zet zijn schouders en wenkbrauwen omhoog en zijn onderlip naar voren en zegt iets met “iptal”, geannuleerd. Ik zeg maar gewoon dat ik een nieuwe Istanbul kartı wil, want ik bedacht me ineens dat ik die kaarten zelf per ongeluk online heb geblokkeerd. Dat regelt hij voor me, rukt ook mijn pinpas uit mijn hand, staat nog een beetje met me te discussiëren over het bedrag, man, schiet eens op. De kaart kost me 100TL (€7) inclusief opladen en daar kan ik ongeveer 20 keer mee in een boot, bus, tram of metro. Ik check eindelijk in en en zie op het schermpje “ücretsiz”. Vanwege de nationale feestdag is het openbaar vervoer vandaag gratis dus dat hele circus was eigenlijk niet nodig geweest als ik het goed begrijp.
Ik ben in Bomonti, klinkt Italiaans, ik zie ook allemaal Italiaanse winkels en gelaterias, maar ik weet niet of dat toeval is. Het heeft weer zo’n Parijse sfeer met grote art deco huizen er rijden grote rode bussen door de stad waar nationalistische muziek uit schalt en natuurlijk is het een drukte van jewelste maar dat is gelukkig voorbij als ik een zijstraatje in moet en via allerlei kleine stadsparkjes met zwarte gietijzeren hekjes en lantaarns richting de oude bierfabriek loop. Van die voormalige bierfabriek die tussen de glazen skyscrapers staat, is een groot cultureel centrum gemaakt, met een theater, galeries, en dus het Ara Güler museum. Er is nog niks open dat koffie verkoopt maar ik ben blij dat het museum al open is, en dat ik helemaal alleen ben. Ik leerde over Ara Güler toen ik in Afrodisias was, dat hij feitelijk in de jaren 70 op de kaart heeft gezet en daarmee de landelijke belangstelling voor het klassieke erfgoed nieuw leven in blies. Dus het verhaal is rond, door hèm wist ik van Afrodisias, maar hem leerde ik pas kennen toen ik dáár was. Het museum is maar klein maar ik ben er wel een uur, je kan zomaar verdwalen in één foto, er als je er dan per ongeluk wéér langs loopt, weer opnieuw. Neem elke foto van hem en de compositie is briljant (alleen daarover kan ik me al minutenlang verwonderen), en er zijn duizend dingen te zien, ik ken geen fotograaf wiens werk bijna beweegt, bijna muziek is, bijna een toneelstuk, dat je ogen zo over het papier laat dansen, en dat altijd een verhaal vertelt, een verhaal dat met de tijd steeds belangrijker wordt. Er hangen verschillende contactafdrukken waarop je ziet hoe hij de foto’s bijsnijdt, zo zie je wat een verschil het maakt, hoe een beeld verandert als je precies een deel ervan weglaat. Ik ben het meest gefascineerd door de foto’s van de schepen en de schippers op de Bosporus en de Gouden Hoorn, de vissers en de watertaxis, de mannen met verweerde gezichten, broeken met scheuren en lappen erin, bij de enkels bijeengebonden. Ik heb al eens geschreven over dat boek dat ik graag wilde hebben maar niet meenam omdat het 30 kilo woog, ik ben in gedachten al bezig met hoe ik dat deze keer wel mee ga slepen, maar er is hier gelukkig geen winkeltje zodat ik toch niet in de verleiding kom.
Het is nu wel zo’n beetje tijd voor koffie, ik vind om de hoek een Starbucks, iemand doet een poging om mijn naam op de beker te schrijven, die ik voor het gemak maar afkort tot ‘Jenny’ maar kennelijk is ook dat nog te moeilijk want er staat uiteindelijk ‘Acenil’ op, en er blijkt ijskoffie in te zitten, waaroooooooom??? waar ik dan weer stevig van baal, maar geen zin om moeilijk te doen dus voor straf moet ik het er maar mee doen. Ik ga op weg. Ik zou eigenlijk naar het ‘Quincentennial Foundation Museum of Turkish Jews’ gaan, maar de moed zinkt me in de schoenen. Ik ga naar huis. Ik ben klaar. Ik heb mijn shot Istanbul weer gehad. Alleen als ik in die tram zit stap ik dus per ongeluk uit op Beyazit.
Nadat ik me door de Hotel California die Kapalı Çarşı heet, heb heengeworsteld omdat ik eerst geen uitgang kon vinden (je zou toch denken dat als je alsmaar rechtdoor loopt, je toch uiteindelijk bij een uitgang moet komen, maar er komt geen einde aan lijkt het), heb ik nog heel even de illusie dat ik hier buiten ergens wel wat kan eten en drinken, maar de hele tourist trap staat me momenteel al weer enorm tegen, en waarom niet gewoon lekker terug naar Moda, waar ik de weg weet. En waar dat Japanse restaurant zit waar ik toch nog heen wilde.
De lucht is donker grijs, op de boot speelt een gitarist melancholische liedjes, een heel klein jongetje dat bij een passagier hoort, danst een soort halay, waardoor iedereen moet lachen. Bij het uitstappen schud ik mijn portemonnee leeg in de gitaarkoffer. Pas buiten realiseer ik me dat dit het weer was, de boottochtjes naar de overkant. Hoe lang zal het deze keer weer duren voordat ik hier weer ben? Ik heb het voorgevoel dat het een hele tijd gaat duren.
Andermaal in Kadıköy is het natuurlijk ook weer over de hoofden lopen. Langs de kade staan tribunes met schoolkinderen erop die in formatie met grote vlaggen zwaaien en hun bij de geboorte al ingestampte liedjes zingen die gaan over de heldendaden van Atatürk en hoe trots en blij ze zijn dat hij hun vader is. De ouders staan trots naar het optreden te kijken dat ze zelf ook hebben gedaan toen ze klein waren. Niemand heeft haast dus is het erachteraan sjokken naar het straatje waar het Japanse restaurant zit, dat gaat alleen pas over een uur open, maar geeft niet want er tegenover zit een koffiezaakje waar ik in loop, en verder naar achteren, verborgen voor de menigte die niet verder kijkt, is een piepklein achterplaatsje, helemaal groen, met een glazen afdak waardoor je naar de oude gebouwen kijkt die er achter liggen, en het is er stil, heel stil, alleen de barman zit er met een vriend, en nog één andere persoon, die zich net als ik achter een toetsenbord verschanst. Lekker even bijkomen, diep zuchten en uurtje schrijven. Daarmee ga ik ook door als ik naar het dakterras van het Japanse restaurant ben gedirigeerd. Een fantastisch uitzicht heb ik hier, ik kan zelfs de overkant van de Bosporus zien. Afijn ik eet wat lekkere Japanse ‘meze’ met een margharita en I’m calling it a day. Ik moet alles nog doen thuis, schoonmaken en inpakken, en morgen vroeg op dus geen gelanterfant meer nu.
Intussen ben ik zowat meer tijd bezig met online komen en verbindingen te leggen tussen WordPress en facebook, mijn telefoon en mijn iPad, mijn iPad en internet, mijn iPad en mijn telefoon en het wifi-apparaatje, mijn telefoon en allerlei andere verbindingen, dan met schrijven. Maar soit.
Ik moet vandaag van mezelf naar het archeologiemuseum en naar het Pera museum. Die twee, want in het Pera museum hangt het beroemdste schilderij van Turkije, De Schildpaddentrainer (Kaplumbağa Terbiyecisi), en het archeologiemuseum, nou ja dat spreekt natuurlijk voor zich, maar ook omdat de schilder van dat beroemdste schilderij, Osman Hamdi Bey, niet alleen schilder was maar óók jurist, en óók twee keer getrouwd met een Franse vrouw, en óók archeoloog, en óók architect, en hij in die hoedanigheid óók het archeologiemuseum heeft gebouwd, en dat meteen heeft volgestampt met alles dat hij tijdens zijn opgravingen heeft opgegraven. Dus een mooie ronde tocht vandaag. Niet helemaal zo rond als ik wilde, blijkt in de loop van de dag, maar goed.
Ik vertrek redelijk op tijd van huis met alle opgeladen apparaten naar de veerboot naar de Europese kant. Ik heb meteen al honger dus spijt dat ik niet heb ontbeten maar ik was toch van plan om goed te lunchen dus ik bikkel mezelf er maar even doorheen. Het is weer ver-schrik-ke-lijk druk aan de andere kant. Ik was natuurlijk vergeten dat donderdag een nationale feestdag is (een soort van nationale kinderdag), maar je merkt het nu al. Ook zie ik twee enorme cruiseschepen liggen aan de kade van Galataport, wat een goed teken is voor de stad, en een slecht teken voor mij. Maar ik realiseer me dat pas als ik langs het Gülhane Parkı naar boven loop en richting Topkapı paleis de eerste afslag naar links neem door de eeuwenoude verweerde gele stadsmuren waarachter het archeologiemuseum ligt, en ik achteraan de rij moet aansluiten, terwijl hier nooit, werkelijk nooit een rij staat. Bovendien stroomt het pleintje binnen en buiten de hekken ineens vol met kinderen, die allemaal vóór mogen. Ik wacht. Ik ben er nu, ik onderga het maar gewoon. Het is te warm om nog iets anders te bedenken en mijn ijzeren strategie voor vandaag om te gooien, bovendien, waar ik ook heen ga, er zullen rijen staan. Ik doe maar een kaartje met een audioguide, maar de mevrouw in het loket wil ineens mijn paspoort hebben. Wat krijgen we nou? Ik vind het nogal een oneerlijke ruil, maar okee, niet over nadenken, ik lever mijn paspoort in en onderdruk allerlei angsten dat ik hem nooit meer terugzie en loop door, er moet hier ergens een tuin zijn waar je koffie kan drinken, die zal ook wel weer op de Efteling lijken nu. Maar dat valt mee, er zit bijna niemand, en ineens is het helemaal stil. Bij de koffiebalie zie ik het boek “The tears of Anatolia” liggen, over waar alle antieke schatten uit Turkije zich nu bevinden die zijn geroofd door Duitsers en Engelsen en Fransen, waar ik al naar op zoek was geweest op ebay maar daar een vermogen kost, en hier kan ik het zo meenemen voor 129 TL (€8). Het terras van het museum ligt als een balkon hoog boven het Gülhanepark, in de warmte lekker fris onder de bomen , en is achteloos omringd door delen van oude met mos bedekte Griekse kolommen en capitelen, er zitten maar een paar mensen, de meeste tafeltjes zijn nog vrij, wat heerlijk, helemaal achteraan ga ik zitten met mijn boek en mijn iPad. Pas een half uur later sta ik op. In het museum zelf is het wel verschrikkelijk druk. Maar het is ook weer heel erg mooi. Ik herken een aantal beroemde beelden uit de Janson’s (heette dat zo?). In een van de eerste zalen staat een muur met talloze marmeren hoofden uit verschillende plaatsen waarvan ik er veel herken waar ik ben geweest, Lagina, Milas, Kaunos, Efes, Magnesia, Afrodisias. Hoofden van keizers, wetenschappers, kunstenaars en onbekende mannen en vrouwen die ooit levend zijn geweest, ooit óók een stem hebben gehad, en nu alle toeristen nastaren die verder maar moeten gissen hoe het leven toen moet zijn geweest, alsof ze met hun versteende blik vanuit het verleden willen waarschuwen dat het leven nog steeds eindig is. Er staat een enorm beeld van Hadrianus over wie ik niet zoveel weet maar hij staat met zijn voet op de rug van een kind dat op de grond ligt, geen idee wat de betekenis is maar de toon is gezet zegmaar. Dat was waarschijnlijk ook de bedoeling.
In de zaal met de graven ga ik op zoek naar de bekendste tombe van het museum, het graf van Alexander de Grote dat niet van Alexander de Grote is, maar zo heet omdat hij erop is afgebeeld. Ik kom er niet zo snel, want er is zo veel te zien, de ene tombe nog indrukwekkender dan de andere. Allemaal vertellen ze een verhaal over degene die er in ligt, soms verhalen van heldhaftige daden in een of andere beroemde veldslag of mythisch gevecht met gevleugelde leeuwen, soms persoonlijke ambachtelijke verhalen en soms verhalen van mythologieën waarmee men zijn eigen leven vergeleek. Als je weet waar je naar kijkt, kan je de hele tombe rondom lezen. Ze zijn hoe dan ook allemaal doorspekt met klassiek drama. Zo sta ik wel een kwartier bij een tombe van een vrouw waarop is afgebeeld hoe Phaedra verliefd werd op haar stiefzoon Hippolytus, maar die moet haar niet, en als het verhaal dreigt uit te komen liegt ze tegen haar man Theseus dat Hippolytus haar probeerde te verkrachten. Theseus had nog één van drie wensen tegoed van Poseidon, en laat daarop zijn zoon door paarden uit elkaar trekken, maar helaas komt de waarheid toch uit en van ellende maakt Phaedra zichzelf van kant. Dat soort drama. Het is een beetje van dik hout maar levert werkelijk prachtige tombes op.
Als ik bij Alexander de Grote kom, realiseer ik me ook dat de Turken weliswaar best iets te klagen hebben over alle antieke schatten die door buitenlanders zijn geroofd, maar dat ze er zelf ook wat van konden. Verschillende zalen zijn gewijd aan de koningsgraven uit Sidon, Libanon. In de tijd dat Osman Hamdi Bey deze hele koningsstad leeghaalde en naar Istanbul overbracht, viel Libanon nog onder het Ottomaanse Rijk natuurlijk, maar toch. Libanon zit nu zonder al die pracht en praal. Ik bestudeer nauwkeurig de mummy van een of andere Sidonse koning die waarschuwt dat als er iemand ook maar in de buurt dreigt te komen van zijn graf, diegene en heel zijn familie zijn vervloekt tot in de eeuwigheid. Ah, dat verklaart een hoop. Er zit zelfs nog haar op, rood-bruin, en het lijkt alsof het vel om de schedel eromheen is genaaid. Grappig toch, de mens kan een tombe maken die na 2700 jaar nog niets aan schoonheid heeft ingeboet, maar aan zijn eigen vergankelijkheid valt niets te redden.
Nadat ik nog een half uur heb rondgelopen tussen overblijfselen van de tempel van Lagina, dat nog steeds zo prachtig en sereen en indrukwekkend was toen ik er in de avondzon liep een paar jaar geleden, begin ik zo’n honger te krijgen dat ik sterretjes voor mijn ogen zie. Het is al 15:00 uur. Gelukkig krijg ik zonder gedoe mijn paspoort terug en ik loop 5 minuten naar wat sinds 1963 de beste kebapci van de stad moet zijn. Het hele terras zit vol maar binnen is het koel en leeg en zo kan ik even eten en schrijven en bijkomen van mijn vermoeidheid. Ik ben nu al ketskapot, en ik moet nog naar de andere kant, naar het Peramuseum dat ergens in de buurt van Istiklal moet liggen. Ik pak weer de tram, waar het binnen ongeveer 40 graden en stampensvol is en ik moet nu kiezen wat ik wil verhelpen, de immense hitte en zuurstoftekort, of mijn vermoeidheid en de pijn in mijn rug. Ik kies voor het eerste en stap uit op Eminönü, wat betekent dat ik de hele Galatabrug over moet lopen en daarna nog berg òp naar Istiklal. In zo’n piepklein winkeltje met allerlei huishoudelijke dingen vind ik nog een rol plakband, dat komt mooi uit. Prompt loop ik op Istiklal óók nog de verkeerde kant op richting Taksim, terwijl ik de andere kant op moest, ik kan inmiddels wel huilen van vermoeidheid en rugpijn, maar ik ga. En ik ben blij dat ik het gedaan heb, om 18:00 loop ik er binnen, het is een prachtig modern museum dat je van boven naar beneden moet doorlopen, beginnende op de 5e verdieping, en per verdieping zijn er maar 2 kleine zalen met fantastische hedendaagse kunst die je geest weer helemaal open zet, en, wat belangrijker is op dit moment, op elke verdieping een frisse, moderne, touch-free, schone wc waar ik in het fonteintje het koude water een paar seconden over mijn polsen kan laten lopen.
Ik weet werkelijk niet waar ik nog de kracht vandaan haal om naar de iskele in Karaköy te lopen, wat gelukkig dan wel weer berg af is.
Het water van de Bosporus is vlak en glanst in de ondergaande zon. We deinen op de zachte golven. Het is heiig en door een lichte sluier zie je in de verte de prinseneilanden in het laatste oranje zonlicht. Het ruikt naar zee en de wind is fris op mijn gezicht. Ik snak naar stilte, en zee waar ik in kan duiken. Misschien ga ik in Fethiye wel op zoek naar een boot. O wat verlang ik naar zee. Als ik thuis kom gaat alles uit en douch ik even, geen zin meer om te eten, meteen naar bed.
Na veel gedelibereer toch maar weer de taxi, elke keer spannend, word je afgezet of niet, dat wil zeggen, wáár word je afgezet, en wat betaal je ervoor. Ik moet eens ophouden met die angstaanjagende recensies op internet te lezen. Hoevaak heb ik niet taxis genomen en hoe vaak is het misgegaan, nul op de duizend keer. Het is warm vandaag en toch heb ik als enige in de stad sandalen aan wat een beetje genant aanvoelt want kennelijk loopt iedereen op sneakers. Afijn, ik heb de afgelopen dagen bijna dagelijks contact gehad met Elif, mijn gids uit 2017 en mijn spirituele zuster, om te kijken of we elkaar kunnen ontmoeten, wat bijna niet leek te gaan lukken want ze was op toernee en vertrekt vandaag met het vliegtuig naar haar apartment in Bodrum. Maar ze logeert bij een vriendin in Bostancı. Ze facetimet me ‘s morgens als ik nog als Toos Makeuploos in mijn pyjama loop, en zij lopen óók nog in hun pyjama, en ze gillen dat ik moet komen voor koffie, ze stuurt een onbegrijpelijke beschrijving van hoe ik daar moet komen met het trammetje, en dan de metro, maar het is nog te vroeg om zin te hebben om dat weer helemaal uit te zoeken, dus taxi. Ik ga douchen en trek zwarte linnen bloes en zwarte linnen broek aan, en ik merk dat ik helemaal ben opgezwollen, dik gezicht, dikke vingers, dikke enkels, de ring die ik gisteren om m’n middelvinger had, past nu met moeite om mijn ringvinger. Bostanci is een nogal afgrijselijke buitenwijk waar werkelijk niets interessants te beleven is, concludeer ik vanuit de taxi. Ik moet uitstappen bij een tankstation en dan een doodlopende straat in en dan iets met een knop en een deur die vanzelf open gaat. Ik zie natuurlijk weer helemaal geen deur en er moet een security guard aan te pas te komen die helemaal weer met me meeloopt wat helemaal niet hoeft, maar ja, die ijzeren verroeste deur blijkt tòch de deur te zijn die ik moest hebben. In appartementenblok (cellenblok wou ik bijna zeggen) D moet ik naar de 7e verdieping, dit doet me trouwens allemaal zo denken aan mijn oostblokappartement in Kazachstan, afijn, ik ben er dan eindelijk, en Elif en ik vliegen elkaar om de hals alsof we elkaar jaren niet hebben gezien, wat natuurlijk letterlijk ook zo is, maar dan ook nog alsof we familie zijn of levenslange vriendinnen, het is gewoon heel gek hoe blij we allebei zijn en ze wil me niet loslaten uit de omhelzing. Met sommige mensen, heel soms, heb je dit gevoel, gewoon ook al zijn ze nog zo anders, hoe Elif is, zo uitbundig en extrovert, ze houdt van zingen en veel mensen om zich hen, terwijl ik zo’n beetje een bastion van alleenheid ben en nog niet dood gevonden wil worden bij een concert, behalve dan klassiek waar je stil in je stoel mag blijven zitten, en zelfs het opstaan bij het eindapplaus is me eigenlijk al teveel. Samen met haar vriendin Jade zitten we in de keuken, Jade heeft een uitgebreide lunch voor me neergezet, “You have to eat it all, I instist!”, tomaten, olijven, meloen, brood, koffie en thee, iets van honing met pindakaas, walnoten, een omelet en een schaaltje vers gesneden peterselie erbij. Zelfs de kat accepteert me en komt langs mijn benen kroelen. We praten over van alles wat de laatste jaren is gebeurd, dat ze net als ik aan de kant is gezet door haar vriend, en ook dat ze vanwege de pandemie haar appartement heeft moeten onderverhuren aan Iraniërs om rond te komen, en nu een appartementje van 45m2 huurt in Bodrum, en in de winter een paar maanden bij haar moeder in Bursa verblijft omdat ze geen verwarming heeft. Ik moet absoluut later in mijn reis naar Bodrum komen en ze accepteert geen nee! Het is heerlijk om daar zo te zitten kletsen met deze twee prachtige vrouwen. Jade vindt het fantastisch dat ik alleen reis, dat doet zij ook af en toe, en zo heeft ze in Rome via Tinder wat ze ‘echt maar één keer uit nieuwsgierigheid probeerde’, twee jaar geleden haar huidige vriend Gianni opgeduikeld. De tijd gaat veel te snel voorbij. Elif rijdt met mij mee in de taxi terug naar Kadıköy. “Istanbul makes me so tired”, zegt ze. “I see the crowds now and see what they did to the Aya Sofia, it’s just terrible, I can’t imagine how I managed all these years”. Halverwege stapt ze uit om de bus naar Sabiha te nemen. We omhelzen elkaar strak, kussen elkaar op de wang en beloven in touch te blijven. Misschien ontmoeten we elkaar nog deze reis, misschien ergens halverwege in Marmaris, misschien rijd ik toch nog wel een dagje naar Bodrum.
Op weg naar huis winkel ik nog wat en haal ik een pide voor het avondeten. Bij het koffiezaakje op de hoek ga ik zitten voor koffie, ik had eigenlijk wel een cocktail gewild maar alles is zo druk overal en ik ben te moe om er naar op zoek te gaan. Ik probeer via airdrop foto’s van mijn telefoon naar mijn iPad te sturen maar het lukt niet. Het hele internetgebeuren is trouwens een drama met al die verschillende instellingen. Ik heb dus 3G van thuis, maar die heb ik uitgeschakeld omdat ik nu gebruik maak van eSim, dat is alleen data dus gewoon bellen kan ik niet. Alleen voor airdrop heb je wifi nodig, die heb ik óók nog, op een los apparaatje dat ik nog had van de vorige keer waar nog bijna een Gb op stond. Apparaatje weer aan zetten, wachten op verbinding, airdrop doet het nog steeds niet. Kan ook aan mijn toetsenbord liggen, dus bluetoothverbinding met toetsenbord weer uit, en bluetooth aan en uitzetten. Nog steeds geen airdrop mogelijk. Ik vraag de wificode van het café en verbind daarmee, maar niks. Helemaal nerveus word ik van dit gehannes. Dan maar een blog zonder foto’s.
Als ik thuiskom blijkt mijn hele zwarte outfit onder de rood-witte kattenharen te zitten, die ik er met geen mogelijkheid af krijg. Nu moet ik dus ook nog op zoek naar een rol inpaktape ofzoiets.
Niet alleen het plezier zit in de voorbereiding maar ook de stress. Laatst droomde ik dat ik in m’n eentje in een Cessna op weg was naar een beurs in Detroit, en dat ik er boven New York achter kwam dat ik geen landkaart bij me had en ook niet wist of ik wel genoeg benzine bij me had. Dat zijn van die dingen waar ik aan denk als ik een road trip voorbereid, kan ik overal wel tanken waar ik kom, kan ik wel vinden waar ik heen wil, en wat doe ik als ik strand? Dit gaat redelijk ver, zo draag ik een kinderarmbandje met het telefoonnummer van mijn zus erop, en heb ik instructies achter gelaten voor wat ze moeten doen als mijn lijk teruggebracht moet worden naar NL (en dat hoeft voor mij niet eens). Maar okee dat is misschien een beetje morbide. We zijn nog vier weken van de vertrekdatum verwijderd en tegelijk heb ik er heel veel zin in en ook weer niet, maar ik moet, zegt mijn rusteloze ziel. Er is nog zo veel te ontdekken, ook in de rest van de wereld, dus misschien is dit voorlopig echt de laatste keer. Het hoofddoel is Sagalassos, en ik probeer zoveel mogelijk fringe-activiteiten mee te pakken. Na een paar dagen Istanbul gaat er zo’n 1000km in zitten (wat kost de benzine eigenlijk in Turkije?), airbnb’s, hotels, auto, verzekeringen, bijna alles is ruim voor vertrek al geregeld, en nog heb ik stress.
Zondag, 4 weken later
Typische chaotische start na stressvolle reis want Schiphol jaagt iedereen angst aan voor de rijen van 3 uur bij security. Bleek uiteindelijk maar 1 uur te zijn, niettemin was ik natuurlijk 5 uur van te voren al vertrokken. Die bleek ik ook nodig te hebben toen ik een kop koffie zocht, ze kunnen beter waarschuwen voor de rijen die dáárvoor staan, en het feit dat een een schrijnend tekort aan koffiepunten is. “Reizigers moeten rekening houden met hinder en vertraging bij het verkrijgen van een kop koffie, wegens het tekort aan koffieuitgiftepunten.” Hoe is het mogelijk dat ik nergens een kop koffie to go kan krijgen behalve bij de Starbucks waar dus al een miljoen mensen staan te wachten. Hoe moeilijk is het om bij voorbeeld op alle gate-kruispunten een baristbarretje met zo’n hipstermeisje in een tuinbroek en een Iris Apfel-bril neer te zetten? Affijn je snapt al, ik heb het punt van koffiechagrijn al weer bereikt, dat begint lekker. Ik kwam uiteindelijk maar een half uur voor opening bij de gate aan, maar goed, ik had koffie. Ik was van plan om niemand te gaan vervelen met verhalen over de vlucht want, nou ja, we kennen allemaal dezelfde universele ergernissen, te warm, te koud, te droog, 5€ voor een bekertje water, huilende baby, geen beenruimte, ellebooggevecht, rugleuning van die vóór je, etc. Maar een klein detail wil ik er tòch graag voor je entertainment aan toe voegen, behalve dat er twéé huilende babies waren, zat de moeder van een daarvan recht achter me, en die probeerde het kind te sussen door het nogal gewelddadig op en neer te schudden, waarbij haar knieën tegen mijn rugleuning zaten en ik dus óók gewelddadig heen en weer werd geschud. En dat zo’n beetje 2,5 uur lang. Ik heb één keer achterom gekeken, maar ja, je kan niks doen, want baby, dus je staat al met 100-1 achter, elke opmerking zal worden uitgelegd als tegen de baby die onschuldig is, waardoor je automatisch een monster bent en alleen staat in je ellende. Ik dacht aan de drammende muziek van de benedenbuurman en dat juist het constante herhalen daarvan me bij tijd en wijle tot wanhoop drijft, en dat het zo fijn is om daar even twee weken van weg te zijn en dat ik hoop op een stille omgeving, en dat ik kennelijk nog éven 2,5 uur op de proef moet worden gesteld voordat ik mijn beloning krijg.
Er is op Sabiha altijd een giga-rij bij de paspoortcontrole maar hij gaat redelijk snel en ik heb al appjes gekregen van de taxichauffeur die ik natuurlijk van te voren al had geregeld bij Welcome Pickup (ik ben kennelijk de pickup, okee, beetje dubieuze naam) met foto’s van waar hij staat en hij heeft een bordje met mijn naam en zo zit ik weer in zo’n bekende Mercedes Vito met beige nep-leren bekleding en van die kitscherige blauwe ledlampjes in het plafond waardoor je overdag toch van een sterrenhemel kan genieten. Als we Moda binnenrijden krijg ik dat ‘intense geluksgevoel’ en moet ik diep zuchten. Als we langs de iskele rijden waar ik net een paar maanden terug met Nathalie liep, krijg ik een dikke grijns op mijn gezicht, ik voel me helemaal licht, en het voelt alsof ik hier alle tijd van de wereld heb, dat het nu klaar is, wat natuurlijk geenszins het geval is.
Voor de deur van het Aral gebouw zet hij me af. De verhuurster reageert even niet op mijn appjes dat ik er ben. Een bewoner laat me binnen in het typische Frans aandoende jaren 50/60 gebouw met de marmeren trap en bruine ijzeren brievenbusjes tegen de muur. Ik sta in het halletje. “I’m waiting for you, where are you at?”, vraagt Özgü. “I’m here”, zeg ik, “inside your apartment building”. “I don’t see you”. Ik weet niet hoe ik nu moet uitleggen dat ik al binnen sta, in het Turks is het iets van içimdeyim denk ik, en de twijfel slaat toe of ik wel in het goede gebouw sta. Ja, toch echt wel. Dan gaat er gelukkig een deur open en laat Özgü me binnen. Ik ben zo blij. Het appartement is zo leuk. Özgü is zo lief, en klein, en dun en ‘Modalı’ dat ik al weer helemaal geïntimideerd ben. Als ze me de tour en de wificode heeft gegeven pak ik snel een tas om boodschappen te gaan doen. Het is knettterdruk op straat, vanwege de Fenerbahçe-wedstrijd vanavond en ik koop maar gelijk wat brood en kaas en koffie en wijn want moe en ik moet mijn straatvrees nog een beetje overwinnen en wil vanavond niet meer naar buiten.
Thuis trek ik een pyjama aan en ga een beetje schrijven. Het huis is vriendelijk tegen me. Het licht op dit uur stelt me gerust. Overal hangen aquarellen en artistiek aardewerk. Een boekenkast, met ja inderdaad ook hier een verplicht exemplaar van Le petit Prince die om een of andere reden in elk huis in Turkije te vinden is. Tegen een muur staat een werkbank met een glazen plaat en allemaal penselen.
Als ik naar de tafel loop met een glas wijn struikel ik over een rondslingerende tas en gooi wijn en glas over de kanten vitrage. Scherven overal. Wat een geluk moet ik hebben. Een vlek ter grootte van een voetbal erop. En over mijn nieuwe witte truitje. Ongeveer een uur ben ik bezig daar de vlekken uit te wassen met shampoo en te bedenken hoe ik het uit de vitrage ga krijgen, vitrage eraf halen? Ja, maar dat kan dus niet want a heeft geen haakjes, en b ik kan niet bij het plafond, stoel is niet hoog genoeg en ik denk er niet over om op de strijkplank te gaan staan, ik zie de ongelukken al gebeuren. Ik vind een soort waterkaraf die ik vul met warm water en shampoo, prop daar de onderkant van de vitrage in, schud er als een wilde mee, net zo iets als die baby in het vliegtuig, herhaal dat een keer met schoon water en rol het dan in een handdoek droog. Het lijkt erop dat het werkt. Morgen even bekijken bij daglicht. De witte fauteuil ernaast heeft als een wonder niets. Ik had al willen slapen, maar ja.
Slapen doe ik gelukkig héél erg goed. Het is stil, echt doodstil, wat een geluk. Ik slaap, slaap, slaap, alsof ik een jaar niet heb geslapen. Ik word om 8:30 wakker, wat eigenlijk 7:30 is.