Bedevaart

En dat de wekker gaat om 6:00 uur is geen probleem, want ik ben dan al een half uur wakker en kan lekker even rustig aan doen en koffie zetten. De warmte zit in mijn lichaam en ik loop al een paar dagen met een lichte buikpijn, maar na een heerlijke kop koffie, een stukje vijgenbrood en een paar plakken meloen trekt het weg. Ik ben echt een beetje warrig in mijn hoofd en moet heel goed nadenken waar alles is en wat ik ook alweer mee moet nemen. Een van de meisjes van de wandeltocht had gezegd: “Whatever you do, don’t shave!”, dus die wijze raad neem ik ter harte, en ik pak een fles water, mijn bikini en een strandhanddoek mee, en de witte katoenen safarihoed die ik gisteren in Jaffa heb gekocht. Ik meld me om 7:00 uur bij het Royal Beach hotel, waar het busje staat te wachten met Tera en Yevgeny, die ons naar Masada en de Dode Zee gaan brengen. Er is verder niet veel over te vertellen eigenlijk. We rijden naar het oosten. Het wordt steeds heter, ook al merken we daar nog niet veel van want airco in het busje. We passeren Jeruzalem, grote betonnen muren met controleposten waar niet wordt gecontroleerd. We stoppen even voor koffie bij Ahava (‘liefde’), de dodezeezoutfabriek waar ze alle denkbare verzorgingsproducten maken, voor koffie en eventueel een rondleiding en dodezeezoutproducten te kopen, beetje zo’n vreselijk verkoop-tourprincipe. Onderweg naar Masada, wat Tera trouwens uitspreekt als Mesedàh, krijgen we uitgebreide instructies over wat we wel en niet moeten doen, vooral veel water drinken, en een hoed dragen, want het is heet en het zal niet de eerste keer zijn dat iemand per helikopter afgevoerd moet worden (want er is geen weg naar Masada). Nou lijkt me dat ook geen straf, maar ik begrijp de pointe. Als de bus stopt, en ik uitstap, lijkt het alsof er een gloeiend hete rasp over mijn huid gaat. Ik geloof niet dat ik ooit deze hitte heb gevoeld. Maar eigenlijk gaat het best. Mijn lichaam gaat gelijk op de spaarstand. Rustig aan, mensen. Wat me verder opvalt is de drukte. Ik heb er gelijk al geen zin meer in. Op zóveel plekken had ik al willen stoppen onderweg om foto’s te maken, van de bedoeïenen met kamelen en jeeps en tv-schotels, van de woestijn, van de dadelplantages, en nu moet ik weer achteraan aansluiten in de rij. Ik bèn er niet van, mensen. Ik spreek even met een dame uit Noord-Ierland die naast me staat. Die ìs hier al een keer geweest en nu gaat ze nòg een keer. Ze vraagt of ik al in Jeruzalem ben geweest. Nee, zeg ik, en dat ga ik ook niet doen. Ze kijkt me een beetje vragend aan en ik zeg dat ik hier maar een paar dagen ben en Jeruzalem dan een beetje veel van het goede is. Ze is vast katholiek, dus ik ga maar geen botte dingen zeggen. Inmiddels staan we met z’n allen te dringen voor de kabelbaan. Ik kijk naar boven en vraag me af wat er straks gebeurt als ik er in sta en het ding komt in beweging. Ik heb géén goeie ervaringen met hoogtes. Na vijf minuten is ie er al. Jammer dat ik niet naar buiten kan kijken, het is vast prachtig. Als ik allerlei geluiden hoor doe ik mijn ogen weer open en kunnen we naar buiten. De schroeiende hitte slaat ons als zweepslagen over het lijf. Over een smalle loopplank moeten we naar de ingang in de rots lopen. Ik schuif zowat met mijn buik tegen de rotswand om de afgrond maar niet te hoeven zien. Maar het is wel mooi, Masada. Je komt binnen door de poort waar iedereen al die eeuwen door heen kwam, want de enige weg er naar toe was het ‘slangenpad’ van een halve meter breed. Stiekem ben ik een beetje jaloers op mijn Amerikaanse reisgenote die vertelt dat ze in ‘93 om 3:00 uur in de ochtend over dat slangenpad omhoog is komen lopen, wat stoer, dat wil ik ook wel, maar helaas. Herodes was trouwens niet van het halve werk, want hij heeft onder andere de drie of vier meest bezochte toeristische plekken in Israël gebouwd waaronder de klaagmuur (althans de bijbehorende tempel), half Cesarea, en Masada. Omdat hij zelf joods zei te zijn (de ‘echte joden’ vonden van niet, affijn allemaal haat en nijd en problemen), is er op het complex ook een synagoge gebouwd. Er zijn nog best veel originele romeinse elementen te vinden, maar alles is afgehekt en gebaand en je dient netjes in één richting achter elkaar aan te schuifelen en waag het niet een stukje terug te lopen want dan kom je in botsing met de groep die àchter je loopt en ontstaat er een hoop irritatie dan wel paniek omdat de groep niet meer compleet is, en de andere groep er één teveel heeft, affijn een hoop consternatie dus je kan maar beter doorlopen. Schaduw is er bijna niet, dus je wìl heus wel doorlopen, en in de schaarse overdekte ruimtes ontstaan de hele dag opstoppingen omdat mensen er snel heen willen lopen en er veel te lang in blijven staan.

De rondleiding was gelukkig na nog geen driekwartier schuifelen afgelopen en ik snakte naar de bus met airco. Als ik alleen was geweest was het een ander verhaal geweest, maar goed, dat weten we nu wel. Erg mooie uitzichten over de woestijn van Judea en de Dode Zee want je staat enorm hoog op een steile rots. Ook zie je nog de tweeduizend jaar oude omtrekken van de romeinse kampementen uit de tijd van de belegering waarbij 1200 Joodse mensen die zich verzetten tegen het romeinse bewind, elkaar vermoord zouden hebben, een soort collectieve suïcide met lootjes trekken.

Het punt is, met zo’n excursie kan je wel zien, en ook wel horen, maar niet voelen.

We lunchen hier ook, de lunch zit erbij en ik mag wat kiezen van het buffet, het is best lekker, maar het is alsof ik in de kantine van de Efteling zit op tweede pinksterdag. Plastic dienblaadjes, plastic bordjes, verschrikkelijk. Ik wacht vervolgens buiten onder een parasol op Tera en de rest. Een groep Amerikaanse jongens komt ook richting de parasols. “This is fake shadow, guys”, zegt de voorste. Ik maak echt geen grappen, mensen. “Yeah this is totally fake shadow”, zegt nummer twee. “Let’s go inside”. Ja, doe dat.

Yevgeny vertelt ons dat het inmiddels 44 graden is. Nou, dat valt me weer reusachtig mee. Volgende stop is Dode Zee. Nah, mensen, dáár wil ik het liefst zo min mogelijk woorden aan vuil maken. Okee, ik hèb in de Dode Zee gelegen, maar daarmee is zo’n beetje al het memorabele gezegd. En ik zeg je ook: als iemand ooit tegen je zegt dat hij in de Dode Zee heeft gezwommen dan liegt hij. Je kàn namelijk helemaal niet zwemmen in de Dode Zee. Om te beginnen word je uitgebreid gewaarschuwd voor de hitte van het zand en de zwarte modder, vanwege de donkere kleur absorbeert dat al het zonlicht, dat sowieso al regelrecht uit de hel komt. Slippers aan dus. Heb je die niet bij je? Geen probleem, die kan je daar wel kopen. Goh, toevallig. Vervolgens krijg je 1001 warnings voor de gevaren van het water, dat 44% mineralen bevat ipv de 5% van de Middellandse Zee. Drink het niet, want dan ga je dood, en krijg het niet in je ogen, want je retina gaat eraan. Hoe het nog zo goed kan zijn voor je huid is me een raadsel, maar ik begrijp nu wel waarom me werd afgeraden om te shaven. Eenmaal daar aangekomen heeft het alles weg van een bedevaartsoord, al spelen er zich helemaal geen bijbelse taferelen af volgens mij. Niettemin is het het diepste punt op aarde; 400m onder zeeniveau. Het stikt er werkelijk van de Amerikanen die verschrikkelijk veel lawaai maken. Grappig detail: ik sta me om te kleden, in de kleedkamer (zo’n ouderwetse met van die bankjes) schuifelt een oudere dame naast me, zet al kletsend met haar vriendin haar tas neer op het bankje, zegt tegen haar: “I bought só many things today I don’t even know whàt I bought”, maakt vervolgens aanstalten om weer te vertrekken en neemt doodleuk míjn tasje mee! Waar mijn camera en mijn nieuwe slippers in zitten. Ik grijp haar bij haar arm en trek mijn tasje uit haar hand. Ze gaat zich te buiten aan excuses. Jaja. “Trut”, denk ik.

Okee anyway, ik naar beneden in de gloeiende hitte en mijn bikini, moet je eerst nog een flinke trap aflopen, want het water zakt elk jaar een meter. Kom je beneden aan, is er maar een strandje van pakweg 100 meter waar je een plekje moet zoeken met of zonder zwarte modder. Ik doe maar mèt, ik ben er nu toch. Het water in lopen dat lauwwarm is, voorzichtig je voeten neerzetten, want òf glad, òf scherpe steen, en als je dan kniediep in het water staat, bukken, modder van de bodem schrapen en op je huid smeren. Ik denk er maar niet over na dat al deze modder die hier op de bodem ligt al op duizenden lichamen heeft gezeten, waarna het is afgespoeld en gewoon weer terug op de bodem is gedwarreld, als een soort ultieme recycling. Ik troost me met de gedachte dat er niets kan leven in dit water, dus alle menselijke bacteriën zullen wel dood zijn. Voorts loop je verder het water in, dat hoe dieper het is, hoe koeler het wordt, wat echt wel verrukkelijk is, maar als je denkt dat je dan even lekker een plons kan nemen, nee dus want: niet spetteren, niet onder water vanwege je ogen, ik durf niet aan mijn haar te denken dat er momenteel al uit ziet als een bleke suikerspin en ook zo aanvoelt. Okee, ik laat me langzaam achterover vallen en ik drijf nu, ik drijf in de Dode Zee. Het is wel heel grappig, ik hoef echt helemaal niks te doen. Ik dobber een beetje naar wat dieper, koeler water, ik probeer me om te draaien, maar het lukt niet. Zwemmen is echt onmogelijk, je wordt meteen weer teruggedraaid. Rechtop drijven kan weer wel, ook waar je helemaal niet kan staan blijf je omhoog drijven als een dobber aan een hengel. Onder water voelt het water glad aan, maar zodra ik uit het water kom en over mijn huid strijk, voelt het alsof ik bedekt ben met een laag zand. Ik spoel me meteen af onder de douche op het strand en vertrek, weg uit de hitte. Ik heb nog een half uur voordat we vertrekken, die ik besteed aan langzaam rondlopen in de buurt van de ventilator. Nou dat was het dan. Daaag Dode Zee. Straks even lekker onder de douche.

Wild is the wind

Het beestje moet een naam hebben en ik zit in het café HaKovshim bij mij op de hoek, waar David Bowie wordt gedraaid en allemaal jaren 90 muziek die me aan mijn studietijd doet denken. Ik heb met veel handgebaren aangegeven dat ik éérst een latte macchiato wil afrekenen, omdat ik wil zien of mijn pasje het doet. “So do you want a latte or a macchiato? Or both?”, vraagt de roodharige jongen met het sikje achter de balie. O ja, even omschakelen, doe maar latte dan, dat klinkt tenminste alsof er melk in zit. Hoera, mijn pas doet het! Geldzorgen voorlopig weer even voorbij. Ik bestel een ontbijt met scrambled eggs en als het meisje een broodplankje komt brengen realiseer ik me dat dit mijn eerste ontbijt in Israel is. Het café staat op de hoek, 100 meter van het appartement en 200 meter van het strand. Er loopt een drukke weg langs en er staan taxibusjes geparkeerd. Aan de overkant is een reusachtig parkeerterrein dat nu al langzaam vol begint te stromen en straks ook vol staat met touringcars, want de Carmel market ligt hier vlak achter. Het woord Carmel heeft iets te maken met de berg Karmel bij Haifa, sinds de middeleeuwen al geplaagd door Europese pelgrims die een sober leven en gefrituurd worden in de zon nastreefden. Achter de enorme parkeerplaats hiervoor, ligt eerst een zone laagbouw met veel golfplaten en verval en loshangende elektriciteitskabels, maar daarachter verrijst het steeds moderner wordende Neve Tzedek en verschillende skyscrapers die je vanuit je vliegtuig ook al ziet. Het verkeer stokt al richting het noorden en er echoot ongeduldig getoeter door de straten.

Bij het supermarktje hiernaast doe ik wat boodschappen, hier kan ik ook geld pinnen, en ze hebben er ook wijn. “Do you have any Israeli wine?”, vraag ik. De verkoopster neemt me mee naar het wijnvak. “This one comes from the Golan, it’s very good. And this is from Hebron.” “You pick one for me”, zeg ik. Ze lacht breed, “Ahaa, then I want you to have this one!” Ik doe maar even mijn ogen dicht als ik afreken. Maar ik ben hier maar één keer, en when in Rome…

Blij met geld op zak ga ik richting Carmel markt, ik sla lukraak een straatje in naar rechts, eigenlijk zijn alle zijstraatjes hier leuk: vervallen, maar levend, met veel bloemen en eucalyptusbomen, kleine spontane cafeetjes in oude garages, met kleurige zelfgeschilderde bordjes. De Carmel market is verschrikkelijk, het ruikt hier nog net als gisteren naar bedorven groenten, het stikt van de toeristen, en meteen stap ik in de valkuil die specerijen heet, omdat ik er een foto van maak, staat de verkoper meteen naast me en voel ik me verplicht om ook maar iets te kopen, wat ook wel prima is, maar hij grijpt meteen een halve kilo kipkruiden, en als ik zeg dat ik maar ongeveer een kwart daarvan wil, haalt hij er de helft uit, en dat nog 3 keer met de hummuskruiden en de alleskruiden, en nou hangt er alsof het nog niet heet genoeg was zowat twee kilo kipkruiden aan m’n arm, en ik moet een godsvermogen betalen, dus ik kan zometeen wéér pinnen, ik ben er eventjes chagrijnig van, maar schud dan even met de kop, okee blokkie, verlies nemen, les leren en dóór. En ik moét wel geld halen want ik loop nu op de artisan Nachalat Binyamin Market, die ook echt wel heel leuk is, maar allejezus wat duur. Een beetje mooie zelfgemaakte ketting of oorbellen al gauw tegen de 350 sjekel. In geen 350 jaar. Wat ik ook niet snap is dat hier nergens een atm of exchange office te vinden is, ik moet er helemaal voor omlopen naar een paar straten verderop, waar ik zo’n schimmig pijpenlaatje aantref waar je ook allemaal dingen voor je telefoon kan kopen. Voor me staat een oud mannetje met een keppeltje te discussiëren met de kassier… in het Turks. Wat een vreemde wereld ben ik toch in beland. Na uitgebreide begroetingen in het Turks wissel ik mijn geld tegen een prima koers en loop terug naar de markt. De Carmel markt is niet groot, maar het is complete chaos. Zo’n vuilnisbelt als het gisteren was, zo chaotisch is het nu. Ik zoek nog kadootjes, maar vind eigenlijk niks leuks. Ik heb vreselijke dorst en zit even bij een zaakje waar ze een heerlijk vers sapje voor me maken van wortel en sinaasappel. Er staat een grote ventilator in de hoek en het is hier heerlijk koel. Er loopt een bleek oververhit stel met rugzak binnen, wapperend met een papiertje. “This is fake airco”, zegt het meisje met een zwaar Amerikaans accent en blijft stilstaan op de drempel. Ze draait zich half om naar haar vriendje. “This airco is not real guys”, herhaalt ze nog even voor de duidelijkheid. Nee, het is wel duidelijk dat ze hier dan niet naar binnen kunnen. Werkelijk.

Ik vertrek en loop langs de groentenmarkt waar ik nog meloen koop en een zak citroenen voor in het water, en ik kom langs een bakker, waar de heerlijkste zuid-mediterrane broodjes liggen, van die gevlochten witte broodjes met sesam, en verschillende ronde platte broodjes, driehoekige gevouwen broodjes met maanzaad en iets mysterieus er in, ik neem van alles mee. Misschien kan ik ergens nog kaas en humus vinden, dan heb ik voor vanavond iets bij die wijn.

Intussen loopt het zweet me over de rug, mensen wat een hitte, ik hou mijn hart vast voor morgen. Geen idee ook hoe laat het is, maar geen denken aan dat ik met die twee kilo kipkruiden en die meloen aan mijn arm nu naar Jaffa ga. Ik loop lekker naar huis, waar het ook warm is, maar de airco kan aan, en ik douche lekker even en trek een flapperjurkje aan. Het is nog geen vijf uur, maar die fles Golan-wijn gaat open, en man man man, wat is hij lekker, nee niet omdat hij lekker móet zijn omdat er ongeveer vijf flessen Stellenbosch in gaan, hij is echt zó lekker, dat ik overweeg om straks even langs het supermarktje te lopen en het tegen de verkoopster te zeggen. Ik pak een bord, giet er wat olijfolie op en wat zout, en breek wat van het brood af, een ervan zit vol met vijgen, en ik zit even heerlijk te rusten, en ik denk, “Ik moet niet vergeten dit goed in me op te slaan, ik moet het niet aan me voorbij laten gaan, ik ben hier!

Ik gooi mijn tas verder leeg en kleed me snel weer aan om naar Jaffa te gaan. Ik overweeg een taxi maar volgens mij ben ik sneller als ik loop. Langs de zee staat trouwens een heerlijk verkoelend windje in de rug en halverwege tref ik een Mobike aan. Ik doe eerst de oude haven aan, loop dan met de schroeiend hete zon op mijn hoofd naar boven waar ik prachtig uitzicht heb over zee en waar de wind me weer een beetje afkoelt alsof die me steeds aanmoedigt om toch weer verder te gaan. Dan door de priegelige eeuwenoude gele steegjes naar beneden, waar het koel is. Ja, het is wel mooi, maar erg toeristisch, veel ‘art galleries’ en chinese toeristen, en waag me vervolgens naar de rommelmarkt die hierachter ligt. Alleen heb ik eigenlijk nog steeds nogal trek, dus als ik een leuk hipster straatje passeer, loop ik er maar meteen in, ik doe gewoon even een hapje. En een drankje. Misschien hebben ze hier een lekkere smoothie. Alhoewel, de jongen achter de bar (óók zo’n rossige met een baardje) staat net te schudden met een cocktailbeker en giet iets in een roodomrand cocktailglas. “What are you making?”, vraag ik. “Spicy Magharita”, zegt hij, “it’s with pepper”. “Ok I’ll have one of those”, zeg ik, en ik flap mijn iPad uit op de bar, want als ik hier nog een tijdje zit, kan ik net zo goed even aan het werk. Ik krijg ook het ‘business menu’ van de jongen, dat komt goed uit. Ik bestel fried cauliflower, artichoke salad en lamb kebab. Ik krijg ze in ronde schaaltjes en de kleur spat er van af. Het ruikt heerlijk, het smaakt heerlijk, en van de helft weet ik niet wat het is. De barjongen vraagt: “I hope everything is ok. Where are you from?” “When I see this food, I come from the desert”, zeg ik tegen hem.

Na al dat heerlijks heb ik geen zin meer in de markt. Voor de vorm loop ik er nog eventjes overheen, maar ik ben een beetje marktenmoe om niet te zeggen dat die cocktail in mijn benen zit. Morgen moet ik er om 6:00 uur uit dus naar huis.

Shalom!

Waarom? Ja, ik weet het ook niet mensen. Ik doe ook maar wat. Ik wilde ergens heen wat vreemd was, en ver genoeg weg om alle andere gedachten uit mijn hoofd te laten verdringen door de verwondering, maar dicht genoeg bij om niet te hoeven overstappen met het vliegtuig. Het liefst ga ik natuurlijk naar Istanbul, de schatkist die nooit leegraakt, maar een keer het patroon doorbreken is ook wel eens goed. Ik streek met mijn vinger langs de kust van de Middellandse Zee, en al het Europese viel dan meteen af, Palermo, Malta, Dubrovnik? Allemaal nog steeds niet vreemd genoeg. Monastir? Tunis? Algiers? Hm, heel verleidelijk, prachtige romeinse steden in de buurt op rij-afstand, maar Tunesië of Algerije in mn eentje is misschien ook een beetje teveel van het goede nog. Verder naar het oosten sla ik Tripoli en Caïro ook maar over, ook al hebben ze een mysterieuze en romantische aantrekkingskracht op me. Iets verder naar rechts ligt Israël. Israël? Israël! Tel Aviv ligt aan zee toch? Aan zee! Ineens was heel de wereld in orde, en alles viel op zijn plaats. Op de radio hoorde ik iemand Tel Aviv zeggen, dat kon geen toeval zijn. En hoe lang is dat vliegen eigenlijk? Er gaat vast wel een rechtstreekse vlucht vanuit Amsterdam. Dat niet, maar wel vanaf Eindhoven, en daar zit ik dan, tussen duizenden RyanAir toeristen met omgekeerde petten, ik dacht: “Shit, ik wist niet dat Tel Aviv zó populair was”, maar er gaan natuurlijk ook mensen naar Alicante en Ibiza, blijkt als ik niet in de gewone rij moet gaan staan maar in de kòrte rij, de rij waar TEL AVIV boven staat en die langs de extra security gaat. Prompt schiet me een scene te binnen uit Life of Brian, mijn favoriete film aller tijden: “Crucifiction? Good. Line on the left, one cross each.” Die film was trouwens opgenomen in Monastir in Tunesië, wat dus óók op mijn lijstje stond. Ook al ga ik niet naar Jeruzalem, ik voorzie dat ik de komende dagen steeds weer Life of Brian voor me zie, nou ja, vrolijkheid. Intussen word ik er weer als énige uitgehaald om gefouilleerd te worden, en hoor ik allemaal Hebreeuws om me heen. Naast me gaat een meisje zitten van een jaar of twintig. Ze draagt een knielange spijkerrok, een zwart coltruitje met een grijs t-shirt eroverheen. Ze heeft een hoofddoekje achter haar oren dichtgeknoopt en ze draagt panties en platte ballerina’s met tijgerprint. Zou zij ook gefouilleerd zijn, vraag ik mezelf onwillekeurig af.

Op Ben Gurion besloot ik eerst geld op te nemen zodat ik een treinkaartje kon kopen, niet omdat ik de taxi niet kon betalen maar omdat de trein nemen natuurlijk veel leuker is, vooral als je niet kan lezen waar ze naar toe gaan, want niet alle bordjes zijn vertaald in het engels. Die lol was er dan weer wel snel af want er werd in het Engels omgeroepen dat alle treinen naar Tel Aviv van spoor twee vertrokken. Alleen het pinnen lukte niet. Op twee machines niet. Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest gehad om wat geld mee te nemen en dat kon ik gelukkig wel wisselen. Treinrit duurde maar 15 minuten, lekker koel ook, en met de Gett app op mijn telefoon bestelde ik vanaf dat station een taxi. De Uber doet het hier ook, maar op de een of andere manier krijg je dan een gewone taxi, met het gemak van de Uber zegmaar, en je betaalt de meter. Voor mij was het 48 ISL, ik ga vanaf nu gewoon sjekel zeggen want dat is leuker, hij kost ongeveer 25 eurocent, dus dat viel weer mee. Even kletsen met de taxichauffeur, die ik mijn pogingen vertelde om wat woorden Hebreeuws te leren, waarop hij vrolijk aan het overhoren sloeg, toda, toda raba, lehitraot, boker tov, en mij en passant doorzaagde over wat ik hier kwam doen, in mijn eentje. “You are here alone? From Europe? And you don’t know anyone here? That’s so strange” zegt hij. Yup. Vervolgens begint hij te foeteren op het verkeer. “This is the problem in Tel Aviv”, zegt hij als we na een bocht weer stil staan, “this traffic is crazy”. “It’s the same in all the cities”, zeg ik, mijmerend over Istanbul. Ik vraag hem ook waar hij vindt dat ik naar toe moet gaan. “You shouldn’t go here”, zegt hij. “This is the south, it’s a bad neighbourhood, as you can see it’s a mess.” Fijn om te weten dat ik een appartement heb geboekt in een achterbuurt. Eerlijk gezegd vond ik het zelf nogal meevallen. Maar volgens hem moet ik naar het noorden, naar boulevard Rothschild en het Dizengoff centre. Ja, ik weet dat dat de aangewezen winkelcentra zijn. Maar daar ben ik helemaal niet op uit. Ik wil juist dit, deze rommeligheid waar mensen gewoon aan het werk zijn, dus ik ben al weer intens gelukkig in de taxi.

Ik ben in no time in het appartement, Nadine was er niet maar ik kon de deuren openen met codes, dus om 15:00 stond ik al binnen. Heerlijk, heerlijk, raam open, er kwam een frisse bries van zee, die ik aan het eind van de straat zie glinsteren, een echte zeebries, wat heerlijk. Kleren uit, hamamdoek om, glas water inschenken, op de bank ploffen en meteen even de wifi installeren, ja, Netflix doet het ook. Dan snel koffer open en douchen, want om vijf uur moet ik bij de klokkentoren zijn voor een rondwandeling. Redelijk opgefrist stap ik de hitte weer in. Hoe zal ik eens naar die klokkentoren gaan? Als ik aan het eind van de straat ben besluit ik een Uber te regelen. Misschien handig als ik even naar de overkant loop, waar een parkeerterrein is. Wacht even, is dat een Móbike? Ik zie daar toch echt zo’n oranje fiets staan. Verrek, het is een Mobike. Even zien of mijn Mobike-app het hier ook doet. Krijg nou wat, het slot spring zo open! Dit is tè grappig, ik ben aan het fietsen in Tel Aviv, ik heb geen idee waar ik ben, maar het maakt me ook allemaal niet uit, ik moet ongeveer die kant op, en ik vertrouw blind op mijn richtinggevoel, en dan rijd ik ineens de boulevard op en zie ik ineens de onstuimige zee, de golven rollen glinsterend over het strand. “Hallo papa, zie je mij hier fietsen?”, denk ik (waarom denk ik dat toch steeds op zulke momenten?), er zijn hier overal fietspaden, net als in Izmir, en er staat een heerlijk windje en flinke golven, en verderop zie ik de prachtige kustlijn van Jaffa, waar ik heen moet, en ik moet vreselijk lachen om mezelf, zeker wanneer ik zie dat iederéén hier op een fiets of een step staat, alleen dan een elektrische fiets of step, óveral zie je die dingen, met allemaal van die hippe Venga-boys en girls erop, eigenlijk ben ik maar een sukkel dat ik zèlf aan het fietsen ben, en dat bij deze hitte, maar wat heb ik een lol. Ik fiets in Tel Aviv. Op de Tel Afiets!

Ik ben echt ruim op tijd voor mijn afspraak en ik snak óók naar die verlossende kop koffie, maar helaas, op mijn vraag of ze een latte hebben, krijg ik het antwoord: “Large? Yes sure!”, waarop ik denk, laat maar, en dan krijg ik inderdaad zo’n Turkse koffie, maar dan twee keer zo groot, large dus, met ook een large bodem koffiedrab onderin. Kost me ook nog eens 20 sjekel, 20 sjekel! Geen Turkse prijzen dus, dat is tot zover wel duidelijk.

Om 17:00 sluit ik me aan bij een gelukkig heel klein groepje dat onder leiding van Itzak de buurten gaat verkennen. Twee Poolse meisjes, een Duits/Grieks meisje met haar moeder en een Braziliaans meisje dat in Duitsland woont. Itzak is nogal lang van stof op die sandalen van hem, maar het maakt me niet uit, ik vraag hem verder de oren van het hoofd en dat vindt hij ook allemaal prima, en ik steek er óók nog wat van op, namelijk dat in de tijd dat de (Oost-Europese, Spaanse, Amerikaanse) joden grond kochten in Palestina, het land nog Ottomaans was. En het Ottomaanse rijk was aan het vervallen, het werd makkelijker om land te kopen, en na de Turken hadden de Britten het bewind over de streek. Ik dacht altijd maar steeds aan arabieren en ‘Palestijnen’, maar ik vergat de context van het Ottomaanse rijk. Heerlijk, weer een study-target. Aan het eind van de wandeltocht ben ik ook zo’n beetje de tolk, want de Poolse meisjes spreken beter Frans dan Engels, en de moeder spreekt alleen Duits, en als ik een Hebreeuws bordje boven een deur hardop zeg (Shalom al Israel), vraagt de gids of ik óók al Hebreeuws spreek, maar nee, ik heb alleen de letters uit mijn hoofd geleerd, maar dan nòg is het vet moeilijk, en geen idee verder wat er staat, maar ik weet wel dat ik op moet passen dat ik nu niet ook nog Hebreeuws wil gaan leren.

Aan het einde van de tour die kruip-door-sluip-door langs allerlei wijkjes slingerde, is het bijna donker. De route leidde ons allengs dichter naar mijn appartement en ik weet dat hier ergens een goed restaurantje zit want natuurlijk obsessief van te voren gegoogled. Ik neem een paar keer een verkeerde afslag in het donker en kom dan op de markt terecht, die helemaal door touristen verlaten is maar waar mensen aan het opruimen en schoonmaken zijn, waar de weg in een grote vuilnisbelt is veranderd en waar het naar visafval en rotte groenten ruikt. “Toch maar niet meer doen, Jen, dit”, zeg ik tegen mezelf terwijl ik snel doorloop en de weg weer terugvindt.

Bij HaBasta wil ik eten bestellen maar moet even goed kijken hoeveel geld ik nog heb, ik had honderd euro gewisseld, maar er zit nu nog 170 sjekel in mijn portemonnee. Volgens mij is hier iets fout gegaan. Wat heb ik gekocht vandaag? Een kop koffie en een pen. Nou ja, in elk geval kan er nu net een steak tartare met rauw ei en bacon (ja echt), een gevulde zucchini en een lokaal biertje van af. Alles is heerlijk. Ik zit aan de bar. Ik ben aan het schrijven. Tel Aviv is zo vreselijk eclectisch leuk. Soms leek het op Spanje, soms echt op Havana, en op een middeleeuwse kruisvaarderstad. En nu zit ik hier, en de muziek is Argentijnse accordeonmuziek á la Adios Nonino, en als ik dan Por Una Cabeza hoor, dan zie ik mezelf ineens van een afstandje hier zitten, aan de bar in een klein restaurantje in een zijstraat van Tel Aviv, een vreemde tussen al die hipster Israeli’s, alsof het de jaren twintig is en ik per ongeluk op iemands feest terecht ben gekomen, of mijn schip naar Europa heb gemist, en het hele verhaal is al compleet, wat ben ik weer verschrikkelijk gelukkig.

Kibyra, Jenneke out

Er moest nog even een wrap-up komen anders is het ook zo bruut afgelopen. Punt is dat ik die laatste dagen eigenlijk helemaal niks meer meemaak, dus er valt weinig te schrijven. Maar hoe dichter ik bij woensdag kom, hoe meer ik het gevoel heb dat ik op zo’n zware goederentrein zit, die ergens heen gaat waar ik helemaal niet heen wil en ik kan er niet af.

Dinsdag zal een beetje pakdag zijn en ‘waar wil ik nog even heel bewust van genieten’-dag, dus zondag en maandag blijven over voor fringe-activiteiten en ontdekkingstochten. Twee dagen nog maar.

Gelukkig is het prachtig weer, helemaal geen regen, zelfs heet, dus ik lig zondag grotendeels onder de bomen op het Kidrak strand, waar het rustig is. Met mijn tatoeage gaat het prima, ik heb een paar dagen geleden het plakplastic er af getrokken, en ik smeer het afwisselend in met de ‘vegan’ creme die ik van het hipster meisje kreeg, en factor 50 zonnebrand. Ook heb ik een fles gekookt water met een beetje desinfecterende zeep erin bij me, waarmee ik hem afspoel als ik in het water ben geweest, al heb ik niet het gevoel dat dat echt nodig is, sterker nog, waarschijnlijk verpest ik er de heilzame werking van het zeewater mee, maar laat ik voor deze keer maar iemands advies opvolgen. De huid ziet er perfect uit, alsof hij nooit is aangeraakt. Ik snorkel een beetje maar er is niet veel te zien. Ik lees het fantastische Een Soort Geluk van Peter Abelsen. Ik drink een heleboel water en eet amandelen en pistachenootjes, tot ik er weer klaar mee ben en mijn rug toch wel een beetje aan het schroeien is. Ik doe niet te moeilijk met eten en stop onderweg bij bistro Belcehan, eigenlijk is het nog te vroeg om te eten maar het maakt me niet uit. Omdat ik op één Engels stel na de enige ben, word ik helaas aan de straatkant aan een tafeltje gezet en gaat de kok zich vanuit de keuken rechtstreeks met mijn bestelling bemoeien vanachter zijn uitserveerbalie vandaan. Als ik linzensoep en ‘chef’s special’ grill bestel, steekt hij lachend zijn duimen naar me op. Ik klap mijn iPad open en ga zitten schrijven, me bewust van het feit dat ik aan de doorgaande weg zit en iedereen me hier ziet. Morgen wil ik vroeg opstaan, want dan doe ik de laatste expeditie van deze vakantie, naar Kibyra in de buurt van Gölhisar, ongeveer 115 km rijden waar ik dik twee uur over zou moeten doen.

Ik sta om half acht op en pak wat spullen bij elkaar, een lange broek en een trui voor het geval dat. Water, een paar mueslikoeken. Het eerste deel van de tocht herken ik, hier reed ik een paar jaar geleden toen ik uit Denizli kwam, en ook toen ik met Jan naar de Saklıkent kloof en het ook zo prachtige ongerepte Tlos ging. Maar nu ga ik veel verder het binnenland in. Na de afslag Tlos kom ik op onbekend terrein en verder het binnenland in wordt het landschap eerst steeds landelijker en dan steeds ruiger. Kleine boerderijtjes die er een beetje vervallen uit zien wat hier normaal is, we kijken hier niet op stukje roest of afgebladderd verfje, en kleine dorpjes passeer ik, waar de weg dwars door heen loopt. Het landschap doet me erg vreemd aan, ik heb eigenlijk nog nooit zoiets gezien, het is groen en glooiend en rotsachtig tegelijk, soms lijkt het op een beeld uit Lord of the Rings. Halverwege moet ik kennelijk een bergrug over want de weg wordt steiler en begint intensief te slingeren. De uitzichten over de dalen zijn spectaculair, ik rij expres niet te snel, want alles verandert ook steeds heel snel, en ik wil overal van genieten. Ik wou dat mensen konden zien hoe mooi het hier is, dan weer hardvochtig rotsachtig afwijzend grijs, en dan weer zacht en rustig glooiend groen. Er zijn verschillende slimme pannekoekenbakkers die gebruik maken van de spectaculaire diepe kloven waar de weg langs ligt en die met wat golfplaten en tentdoek en pallets en kleurige tapijten en kussens in de berm een gezellig wegrestaurantje in elkaar hebben geflanst, en ik neem me voor daar op de terugweg lekker even te gaan zitten. Hoe verder ik kom, hoe religieuzer de mensen er uit zien en ik heb al weer spijt dat ik niet metéén een lange broek heb aangetrokken. Als ik in de buurt van Kibyra kom, staan een paar verlepte bordjes dat wel aan te geven, en dat is een goed teken, als het nieuwe bordjes waren geweest zou de stad al weer in verregaande staat van restauratieontbinding zijn. Als ik er bijna ben herken ik de weg niet terug op de kaart, alle wegen zijn hier veranderd en hier waar ik rechtsaf moet is de weg opengebroken en is men aan het werk. Ik rij nog even door en probeer een andere afslag te zoeken maar die is er niet. Ik besluit het maar te vragen aan de wegwerkers. “Yes, turn right here”, zeggen ze tegen me. Maar de weg is toch opgebroken? Maakt niet uit, je kan er wel overheen, gewoon om de afzetting heen rijden en door de gravel en de modder, verderop loopt de weg gewoon verder, toch?

Uiteraard is de weg verder verlaten, ik rij omhoog over de kronkelweg, passeer een parkeerplaats maar kijk toch of ik nog verder kan komen, en dat kan, de weg wordt steeds smaller en de bestrating houdt ook op, maar hoe hoger ik kan komen, hoe minder ik straks zelf hoef te klimmen. Naar een paar minuten is er toch weer een kleine parkeerplaats en houdt de weg echt op. Ik hoopte helemaal alleen te zijn, maar het ziet er naar uit dat er een motorclub aanwezig is, want ik zie een stuk of twintig motoren staan en als ik mijn auto parkeer zie ik ze allemaal bij de ingang zitten. Shit, had ik nou toch maar die lange broek aan gedaan. Ik stap uit, doe net of er niks aan de hand is terwijl twintig monden zwijgen en twintig paar ogen mij volgen, wat er welbeschouwd ook niet is behalve dat ik me nogal opgelaten voel, ik haal mijn spijkerbroek uit de kofferbak en ga die zittend in de auto aantrekken. Als ik naar de ingang loop blijkt het niet een motorclub te zijn maar een groep arbeiders die bezig zijn met een nieuwe ontgraving. Voor mijn ogen zie ik een gat van ongeveer vier bij drie meter en twee meter diep, waar muren worden blootgelegd en een paar mensen met lepels en kwastjes kleine dingen aan het uitgraven zijn. Ik vraag of ik een foto mag maken maar het mag niet.

Het is weer bloedverziekend heet en ik besluit eerst maar helemaal naar de hoogste top te lopen die ik kan vinden. Langs de kant van het pad liggen kapitelen en delen van pilaren en andere blokken graniet en marmer. Er is weinig aangegeven en op Google Earth wat ik gelukkig nog goed kan ontvangen, navigeer ik mezelf naar wat het hoogste punt lijkt te zijn. De paden zijn compleet overgroeid en af en toe vraag ik me af of dit wel paden zijn, waarschijnlijk niet, maar het avontuur wil ook wat. Die lange broek is dan ondanks de hitte wel fijn tegen alle doornstruiken die tegen mijn benen slaan. Ik zie geen structuren van gebouwen, maar ik voel dat ik er wel overheen loop, de grond heeft soms een kaarsrechte vorm of een hoek. Verder naar boven liggen er wel bouwstenen los, kris kras over elkaar alsof ze in geen eeuwen zijn aangeraakt. Op het hoogste punt klim ik op wat stenen die daar liggen en drink wat water. Rechts zie ik de arena liggen, verder zie ik vooral veel groen. Kibyra, oftewel Caesarea, werd in de tweede eeuw v.C. onder “zachte dwang” bij het Romeins rijk getrokken met een offer they couldn’t refuse zegmaar, iets van weet je wat, wij (Romeinen) helpen jullie wel van die verrekte Grieken af te komen, als je daarna belooft vriendjes met ons te blijven, waarna het natuurlijk wel de bedoeling was die vriendschap te blijven bewijzen. Zoiets. Maar ik heb geen geschiedenis gestudeerd helaas dus het blijft een beetje giswerk. Wat een ongelofelijk gebrek is dat toch elke keer weer.

Ik wandel achteloos een beetje rond op die top, wat niet ver kan want dichtgegroeid met struiken, en het valt me ineens op als ik naar de grond kijk dat hier wel heel veel scherven aardewerk op de grond liggen, niet zómaar aardewerk van leidingen, maar gevormd en gedecoreerd aardewerk. Ik raap wat stukjes op en laat ze aandachtig door mijn vingers gaan. Een halve ronde onderkant van een schaaltje of kom, een stukje van een oor, een tuitje, een pootje. Ik dwaal een beetje rond, naar de grond kijkend, gelokt door steeds weer nieuwe stukjes. Dan zie ik half onder een struik wat grotere stukken liggen. Ik raap er een op en zie dan werkelijk voor de eerste keer een stuk beschilderd aardewerk. Sierlijke lijnen en bloemen, in verschillende kleuren rood en bruin, misschien zijn het ooit wel andere kleuren geweest. Een ander stuk past er precies aan vast. Het is het grootste stuk “echt serieus aardewerk” dat ik ooit zelf heb gevonden. Ik leg het voorzichtig terug onder de struik.

Ik wil nu zoetjesaan wel terug gaan lopen richting de arena, maar heb zeker tien minuten nodig om de weg terug te vinden door het struikgewas. Bovendien wil ik bovenaan de arena uitkomen, dus duik ik vanaf het doorgaande pad, dat werkelijk bezaaid ligt met potscherven, weer ergens halverwege de bosjes in van waaruit ik volgens Google Earth inderdaad op de bovenste rand moet uitkomen. Dat is gelukkig ook zo. Ook hier ligt boven de hoogste rijen net als in Stratonikeia een kleine tempel die over de arena uitkijkt, althans die staat er dus niet meer, maar wel delen van de vloer en her en der verspreid delen van pilaren, de rest ligt beneden. Ik loop over de verder onaanzienlijke vloer naar de eerste rij toe, stap een rij naar beneden en ga zitten. Het uitzicht is alweer verschrikkelijk mooi en weer heel anders: hier kijk je ver over een brede platte vlakte uit (“Cybriatic plains”) met daarachter een langgerekte bergrug. Ik pak mijn flesje water en besluit even de tijd te vergeten en als ik dat gedaan heb begint in de vallei van Gölhisar net de ezan, die van verschillende plekken uit de diepte opstijgt. Het is een magisch gezicht en geluid, de vlakke vallei, en de ezan bedekt door de stilte, al klopt het niet met elkaar: de Grieken en Romeinen kenden geen oproep tot gebed, Mohammed was nog niet geboren, en die schallende ezan in de verte klinkt als een overwinningslied, ooit woonden hier Lyciërs, Kabaliërs, Milyërs, Pisidiërs, Grieken en Romeinen, maar nu wonen wij er. Verder is er alleen maar stilte. Geen mensen, geen dieren, ik ben hier volstrekt alleen en alles is zo mooi. En ik zit hier weer te verschroeien in de hitte en het water is al bijna op. Minuten lang geniet ik nog en probeer dan een weg naar beneden te vinden, maar deze arena is te vervallen, grote stukken ontbreken er gewoon, en ook verschrikkelijk hoog en steil, iets van 50 rijen, ik durf het niet aan. Ook langs de zijkant weet ik me maar met moeite overeind te houden en verschillende keren glij ik onderuit op de losse grond. Beneden zie je pas goed wat een rommeltje het is en hoe de pilaren van boven naar beneden zijn komen stuiteren. Rechtsaf ga ik langs een kleiner theater, dat wel van top tot teen in de steigers staat waardoor ik geen foto’s kan maken. De prachtige mozaïekvloer ligt er om mij onbekende reden niet, er ligt grind in de bak. Binnen ziet het er allemaal erg nieuw uit. De achterkant is interessanter. Daar mag je niet komen, maar er is toch niemand en ik beloof dat ik niks stukmaak. Ik kom in een soort watercentrale, ik weet niet hoe het werkt maar er komen een heleboel rode aardewerk buizen op uit en er staan ronde stenen schijven opgestapeld op de grond, in stapeltjes van vier. Ik weet nu ook weer waar ik die gezien heb, in Arykanda lagen ze los op de grond en ik vroeg me toen al af waar ze voor waren, en nu weet ik het dus nog steeds niet, maar het heeft iets met watermanagement te maken.

Ik ben inmiddels ook moe en hongerig en wil eigenlijk naar huis, maar onverwacht passeer ik ook nog een reusachtige marmeren winkelstraat met iets van een bad/drinkbak wat ik nog nooit heb gezien en een soort badkamer aan het eind, wat waarschijnlijk gewoon een openbare latrine is, maar de buizen lopen omhoog (of omlaag? Als een stortbak?), dus ik snap het niet. Vlakbij de uitgang ligt ook nog een geweldige hippodroom die ik natuurlijk helemaal rond moet lopen en ik geloof dat ik uiteindelijk vier uur later pas weer bij mijn auto sta.

Ik ben ketskapot. Mijn tattoo jeukt als een dolle. Nee, ik stop niet meer bij zo’n gezellig palletpannenkoekenrestaurantje met uitzicht, te moe. Ik eet nog even een simpele kebap bij een klein tentje om de hoek. Morgen is de laatste dag.

***

Het is druk. Niet zozeer op het strand, waar ik lig, maar op de boulevard die vol staat met mensen met verrekijkers en op afstand bedienbare vliegtuigjes die vlak over mijn zonnebedje heen scheren. De “Airgames” zijn begonnen, een of ander festival voor mensen die graag uit vliegtuigen springen, of door paragliders worden getorpedeerd of met doodsverachting van steile bergen afspringen, of anderszins geen zin meer hebben in het leven, en ‘gewone’ paragliders. Rustig lezen of “nog even heel bewust genieten” is er niet bij maar het kan me niet zoveel schelen. Ik ben een beetje uitgeblust. Apathisch van de weerzin om hier weg te gaan. Dit is de laatste dag. Wat heb ik aan een laatste dag? Ik kan niets meer. Ik loop nog even alle blogs langs en denk aan alle dingen die ik niet heb opgeschreven. Aan de koffie met Osman op het dak van het hotel in Mardin, ik had hem uitgenodigd voor een glas wijn, we waren eerst de enigen op dat hoge magistrale geel-oranje terras en we krégen geen wijn, want dat was er niet, maar wel thee en koffie en allemaal schaaltjes met nootjes en gedroogde moerbei en langzamerhand kwamen er steeds meer mensen van onze groep bij ons zitten.

Aan de mooie piepjonge rebelse pilateslerares Berran, enigkind, die niet van haar moeder’s zijde week en mij vertelde dat ze het ook fantástisch vond om alleen naar het buitenland te reizen, en dat ze daar dan natúúrlijk een Tinderaccount had (ik niet, laat dat even duidelijk zijn, maar kennelijk ging ze daar wel van uit), en dat ze naar Canada ging emigreren, alleen wist haar moeder dat nog niet. Bij het afscheid wenste ik haar veel succes met haar Canadaplannen en haar moeder veel succes met haar dochter.

Aan het moment dat Elif me uitlegde wat een ‘meyhane’ is en de betekenis van rakı, en hoe haar vader haar na 30 dagen belde als ze te lang niet thuis was geweest en zei “Het is tijd voor rakı, meisje”, en hij overleed een jaar na mijn vader, en we begonnen allebei te huilen om onze vaders.

Aan hoe mooi alles was, aan het gevoel van hier thuis te horen, ook al is dat belachelijk, en aan hoe dankbaar ik ben dat ik de plaatsen heb bezocht die ik al jaren wilde zien. En dat ik drie dingen heb geleerd. Eén, je droom pakt niet altijd uit zoals je hebt gedroomd. Twee: als je droom is uitgekomen, heb je niets meer. En drie: als je dromen zijn verdwenen, ben je eindelijk vrij.

Helaas ben ik nog niet van mijn dromen af. En op dit moment ben ik even alleen maar verdrietig. Ik wil niet. Ik heb geen zin. Ik wil niet naar huis.

Zondvloed

Ik kom eind van de ochtend pas uit bed want lui, maar ik heb wel trek, dus op weg naar het strand kies ik een ongezellig uitziend eettentje waar mij “ev yemekleri”, home cooking wordt beloofd. Het lokantaatje zit vlak aan de rotonde van waaraf de enige weg naar het strand afslaat, links naar het strand, rechts naar Hisarönü, dat ik doorgaans dus liever mijd. Het valt bijna niet op tussen de Engels georiënteerde eettentjes die adverteren met League TV en English tea. Er staan maar 8 tafeltjes ofzo, met plastic tafelkleed en een grote Tupperware bak met gesneden brood, dus ik weet dat ik goed zit. Er zit nog één ander toeristenstel, en man en vrouw van de zaak zelf zitten ook aan tafel dus ik kom vast op een verkeerd tijdstip, maar ik wacht geduldig tot mevrouw met een nijdig gezicht aan m’n tafeltje staat. Ik bestel een mercimek çorbası, linzensoep en gözleme, de vrouw mompelt iets naar me wat ik niet versta en de man zegt, “She wants to know what you want on the pancake”. Ik probeer het haar te zeggen in het Turks, maar ze staat daar maar, als een standbeeld aan mijn tafeltje, chagrijnig naar me te kijken. Het werkt niet altijd, je best doen in een andere taal. Ik zeg het maar in het Engels tegen de man en hij zegt bijna hetzelfde als wat ik haar net heb gezegd, kennelijk heeft ze gewoon geen zin in toeristen vandaag, ik geef haar geen ongelijk. De man is klaar met zijn krantje, staat bruusk op en vouwt nijdig de krant dicht, terwijl hij hartgrondig in het Engels begint te vloeken. “Fucking Amerika! Fucking yankees! Fucking Trump!” Met een bruusk gebaar smijt hij de krant op tafel. Ik zou hem wel willen zeggen dat het niet echt goed is voor je klandizie om zo in het Engels te gaan staan vloeken terwijl hier mensen zitten te eten, maar ik laat het maar even. Er hangt hier een nare sfeer, wat ontzettend jammer is, want het eten dat de drie Turkse vrouwen in de open keuken staan te maken is goddelijk. Dit is de eerste keer dat ik mercimek çorbası (‘merdjiemek’) eet en wat is het verschrikkelijk lekker, romig, pittig, een soort maïssoep maar dan dus met linzen. De gözleme is enorm en hangt aan alle kanten over een groot bord heen, hij is in repen gesneden en ik eet een of twee repen met mijn handen, maar ik krijg lang niet alles op. Ik krijg de rest mee in papier gerold in een zakje, en ‘s avonds als ik terug ben van het strand eet ik dat als ik zit te schrijven op het terras.

De dag erna heb ik eerst een luie ochtend en ga me daarna optuigen om naar Kaunos te gaan. Als je het weerbericht overal moet geloven gaat het vanaf nu totaan mijn vertrek vier dagen lang regenen, dus strandweer is het sowieso niet. Kaunos staat ook al een paar jaar op mijn lijstje en is goed te doen met de auto vanaf Fethiye, althans dat bleek toen ik me realiseerde dat je gewoon een bootje moet nemen naar de overkant van de Dalyan rivier. Als ik in de auto stap is het bewolkt en frisjes en ik heb me voorbereid op lopen dus lange broek en sneakers. Voorbij Fethiye richting Dalaman klaart de lucht al op en als ik langs de heuvelachtige kust rijd is de lucht al helemaal opgeklaard. De route is prachtig, rotsachtig en groen met doorkijkjes naar de eilandjes in de Middellandse Zee. Ik heb Dalyan ingegeven in de routeplanner die al in de auto zit, als ik daar ben zie ik wel verder. Trouwens een super autootje weer, een automaat, wat echt is aan te bevelen in de bergen.

Als ik aankom in Dalyan besluit ik mijn auto maar gewoon ergens centraal neer te zetten en dan langs de kade te lopen en dan te kijken waar ik ergens een bootje kan charteren. Alleen, als ik daar aankom blijkt het bestwel druk, maar ik rijd langs een parkeerplaats en aan de overkant staat een ober naar een auto te wijzen, en ik begrijp dat die net weggaat, zodat ik een supermooi plekje heb langs het water. Ik loop naar de ober toe en vraag hem waar ik moet betalen. “Nono, don’t worry”, zegt hij, “I will take care of it”. En het ziet er naar uit dat ze hier wel koffie hebben, dus ik ga maar even zitten en bestel dan ook gelijk maar een Turks ontbijt. “How would you like your tomatoes?”, vraagt hij. Hoe had je je koffie gewild of je brood of je eieren is iets wat ik verwacht had maar niet hoe ik mijn tomaten wil. “I’d like them purple please”, zeg ik, en hij moet lachen maar ik weet niet of we elkaar wel begrijpen. Turks voor ei is yumurta, dus wellicht heb ik het zelf gewoon weer verkeerd verstaan. Ik krijg in elk geval een heerlijk ontbijtje. Ik vraag de ober hoe ik aan de overkant kan komen en hij zegt dat er een paar kilometer verderop een pontje is waar je met auto overgezet kan worden. Mooi, dan gaan we daar dus heen. Het is niet moeilijk te vinden want aangegeven met kleine bordjes “Feribot”. Na een minuut of tien kom ik inderdaad aan bij iets dat vaag lijkt op het pontje bij Genemuiden, maar dan versie 1.0, qua grootte en onderhoud. Ik zie een zandachtig aanloopje naar een pontje waar werkelijk maar één auto op past en dan vraag ik me af waar de schipper er nog bij moet. Ik besluit maar even te parkeren en een rondje te gaan vragen aan de mannen die daar onder een boom zitten. Die is het meteen duidelijk wat ik kom doen, maar die hebben een véél beter idee. Ik kan ook gewoon met een rondvaartbootje mee. Dan ga ik langs de koningsgraven, en het schilpaddenstrand, èn de antieke stad. Maar dat hoef ik allemaal niet, zeg ik, ik wil alleen naar de antieke stad. Dat kan natuurlijk ook. En wat kost dat? Normaal gesproken 200 lire, maar omdat ik het ben, krijg ik de naseizoensprijs van 150 lire. Maar hoe werkt dat dan, ik wil daar zeker 2 uur rondlopen, hoe kom ik dan terug? “Ik wacht daar op je”, zegt de schipper. Gaat hij daar twee uur wachten tot ik eens een keertje terug kom? Het komt me heel vreemd voor. “Maar wat als jij plotseling naar het ziekenhuis moet ofzo, hoe kom ik dan terug?” Of als je er gewoon vandoor gaat, denk ik erbij. Maar eigenlijk denk ik gelijk, och, het zal de laatste boot wel niet zijn die daar komt, mijn telefoon is opgeladen, ik heb geld bij me. Eigenlijk wil ik dit allemaal helemaal niet, ik wil gewoon naar de overkant met mijn auto. Maar ik heb vandaag totaal geen verweer tegen dit verkooppraatje, dus voor ik het weet heb ik “Okay, let’s go” gezegd, na mij de zondvloed.

Ik moet alleen even achter de schipper aanrijden op zijn brommertje, want zijn boot ligt bij zijn huis, dus beter denk ik er maar niet teveel over na dat ik kruip-door sluip-door wegjes door dat onooglijke wijkje inrijd en dan mijn auto mag parkeren schuin achter een nieuw uitziende soort stacaravan. Door de tuin die beplant is met jonge citroenboompjes volg ik de schipper naar achteren. Het is hier doodstil, op het ruisen van de wind door het riet na. Maar inderdaad ligt daar die rondvaartboot. Ook zit er een man te vissen. De schipper gaat even de sleutels halen. Ik vraag de visser of hij al iets heeft gevangen. “Ik heb geen geluk vandaag”, zegt hij. Een paar meter verderop zie ik een schildpad boven water komen. “Şansiniz değişecek”, zeg ik, “Your luck will change”. Ik geloof het zelf niet, maar hij moet in elk geval een beetje lachen.

De schipper komt intussen terug met de sleutels, en een bevroren flesje Damla waar geen water in zit, maar een rood sap, ik geloof dat hij kersen zegt, zijn moeder heeft het gemaakt. Ik ben de enige passagier. Ik ben me er ineens van bewust hoe de scepticus in mij overal bij is en mee zit te loeren. Hoe ik aan de ene kant eigenlijk mensen niet vertrouw en er bij alles dat iemand zegt een stem zegt dat het niet waar is, en ik aan de andere kant toch een diepgevoeld vertrouwen blijf houden. In een leuk artikel over alleen reizen in de Flow stond laatst dat je het eigenlijk altijd weet wanneer het echt niet goed is. En dat heb ik hier eigenlijk nog nooit gevoeld.

“Ik vaar toch wel even langs de koningsgraven”, zegt de schipper. “Nee toch”, denk ik, “Dit gaat weer een eeuwigheid duren”. Op dat moment besluit ik het maar te nemen zoals het komt en er maar niet van te balen. Nu ik geen eigen vervoer meer heb, kan ik m’n eigen agenda niet meer bepalen, da’s dan pech, had ik mijn ruggengraat maar moeten gebruiken en geen ja moeten zeggen. Laat ik er nu maar verder een beetje van genieten. En het is ook echt prachtig, en wat zeur ik eigenlijk, ik heb deze hele boot voor mij alleen. De koningsgraven zijn ook echt spectaculair, ook al zie je ze vanaf een afstand, de hele sfeer, met die boot in het riet, het ligt hier al meer dan 2000 jaar zo, en wat zijn we toch een armoedig zooitje mensen, als je het vergelijkt met wat mensen 2500 jaar geleden maakten. Ook praat ik met de schipper, die Ozan heet, een beetje over de boot. Het schip is 12 meter, en ik vertel hem dat mijn schip 11 meter is en dat ik óók uit de varelarij kom, “Nou”, zegt hij, “Ga maar staan dan”, en dan sta ik dus ineens zèlf achter het roer van dat ding, ik lach me dood. “Je hebt nogal vertrouwen”, zeg ik. Heel erg hard gaat het niet, de gashendel blijft een beetje hangen, maar ik heb snel gevoel voor het roer, en zo vaar ik bijna het hele eind door de rietkragen naar Kaunos, af en toe even mijn hand opstekend naar de andere passerende schippers, zijn collega’s, die verbaasd hun handen in de lucht steken, wat heb jíj nou aan boord? Het is hier net de Beulakkerwiede, weids, veel riet, maar wel met prachtig weer en een bergachtige achtergrond. Aanleggen doet Ozan liever zelf, en dat had ik inderdaad anders gedaan, en niet met een voorspring aan hogerwal met de wind van achteren, maar goed.

Kaunos blijkt veel groter dan ik had verwacht, ik heb nu al spijt dat ik maar anderhalf uur heb afgesproken met Ozan, eigenlijk wil ik die berg nog op, maar in het dorp aangekomen blijkt dat ik maar kan kiezen uit twee routes naar de top van de berg, de kortste is 2 uur en de andere is 4 uur lopen. Het is hartstikke heet. Ik begin maar te lopen. Linksaf naar de agora, rechtsaf naar het theater, ik besluit eerst maar het theater te doen. Het is niet het grootste theater, iets van 35 rijen, maar het ligt hier prachtig tegen de rots met uitzicht op de groen delta van de Dalyan. Ik zoek een ingang waar je eigenlijk niet in mag want er staat een hek voor, maar de trap erachter is nieuw, dus ik ga toch om dat hek heen, en ik voel me als een van de duizenden bezoekers van 2500 jaar geleden die naar een voorstelling komt kijken, of een politieke oratie, of een rechtszaak, of een wedstrijd van het een of ander, voorstsloffend en aanschuivend over de rijen. Ik probeer meteen helemaal naar boven te klimmen over de omgevallen en weggezakte blokken graniet en als ik daar ben mag ik gaan zitten en wat drinken van mezelf. Er is nog één ander gezin, Engels waarschijnlijk, maar die zijn snel verdwenen en dan ben ik alleen. Ik heb een magistraal uitzicht op de berg aan de ene kant en delta en zee aan de andere kant. Het is zo warm en ik drink mijn halve flesje leeg. Tegen deze tijd is er al een half uur voorbij. Ik loop het hele theater over, en eromheen, en via de achterkant naar beneden, zoek altijd naar details die me opvallen, of Griekse of Romeins inscripties die ik misschien later kan vertalen. In de vierde eeuw werd Kaunos christelijk, het kerkje met de mozaïekvloer waar ik op word getrakteerd en dat nog zo ontzettend goed bewaard is gebleven, werd gebouwd in de zesde eeuw. Ooit was hier een belangrijke haven waarvan een deel kon worden afgesloten, maar het slibde volledig dicht. Het terrein is al honderden jaren omgeven door moeras, de lucht is fris en vochtig. Al rond het jaar 0 werd dit gebied beschreven als ‘ongezonde lucht’ en de mensen als ziekelijk. Het komt me niet heel vreemd voor dat bijna de hele bevolking in de 15e eeuw is bezweken aan malaria.

Ik baal ervan dat ik maar een derde van het terrein kan zien voordat ik weer terug moet naar de boot. Ozan de schipper zit onder een boom te praten met de kaartjesverkoper, die vandaag ook niet teveel te doen heeft. Bij terugkomst ligt de boot achterstevoren met de bakboord landvast voor de boeg langs aan stuurboord aan de kade. Het lukt hem niet om hem los te trekken dus ik zeg, “You start the engine, I will untie it”. Met een klein beetje gas komt de spanning van de lijn af en lukt het prima en we pruttelen rustig terug door het riet. We passeren een andere boot die vol zit met Engelsen. Een meisje met een hippiebril en tatoeages op haar arm zwaait naar me en stuurt me een kushand. Ik lach en zwaai terug. Verder is het stil en rustig. Ozan geeft me het waterflesje met de kersensap. Het is heerlijk koud en zoet. Ik vraag hem of hij hier vandaan komt. Zijn hele familie komt hiervandaan, maar hij is de enige met een boot. Sterker nog, hij is nog nooit ergens anders geweest, alleen een keer naar Saklıkent, de kloof met de waterval. Heeft er ook totaal geen behoefte aan volgens mij. Hoe overzichtelijk is dat leven. En ons leven in het westen mag dan geografisch meer ruimte innemen, maar is het niet eigenlijk veel beperkter, staan we daardoor niet juist verder van het echte leven af? Als we terug zijn moet ik mee want thee! Die krijg ik op de veranda van zijn stacaravan, die hij zelf heeft gebouwd, ik mag wel even binnenkijken, maar daar bedank ik toch maar even voor. Ik krijg zijn nummer op mijn telefoon en moet tegen al mijn vrienden zeggen dat als ze naar Dalyan komen, ze met hem moeten varen, en dan maakt hij na afloop ook nog een barbecue bij hem in de tuin, deze liefdevol en netjes met citroen en moerbei beplante postzegel aan de Dalyan rivier. Dus bij dezen. Ozan, telefoonnummer bij mij op te vragen.

Na de thee stap ik zo snel mogelijk weer in de auto, die nog helemaal heel is, en rij ik terug naar Fethiye. Ik hoop nog even te kunnen zwemmen, maar hoe dichter ik bij mijn stadje aan de kust kom, hoe meer blijkt dat daar geen sprake van is want inmiddels is de zondvloed daar losgebroken. Ik rij naar het einde van het strand naar boven, waar je de auto halverwege de heuvel neer kan zetten en over het strand kan uitkijken, om te zien hoe het stortregent op zee. Na tien minuten wil ik terug naar beneden, maar de weg is in een rivier veranderd, door al het water dat van de berg af richting zee stroomt. Verschillende auto’s staan al langs de kant van de weg, maar ik ga hier toch echt niet staan wachten en surf met de auto naar beneden. Ik probeer in het dorp nog ergens een broodje döner te krijgen, wel vier keer stop ik ergens, maar alles is dicht, want het regent. Als ik het eindelijk heb opgegeven en naar huis rijd, houdt het op met regenen en staat er een dubbele regenboog voor mijn huis. Ik geef de kat die ik inmiddels Uğur (good luck) heb genoemd te eten en mijn eigen avondeten bestaat uit een stuk brood met kaas en een glas wijn, en eerlijk gezegd ben ik volkomen tevreden voor vandaag, om niet te zeggen volkomen versleten.

Kluts kwijt

Okee, waar was ik.

Ik ben nu in elk geval aan de kust, in Ovacık, Fethiye, en totaal de kluts kwijt. Ik weet pas wat voor dag het is als ik héél goed nadenk. Dat gaat best als ik hier rustig even zit op het terras van huis dat ik gehuurd heb, helemaal bovenaan het dorp, tegen de berg aan. De koelte stroomt van de bergwand af over het terras en het zwembad krijgt maar een paar uur per dag zon, en is dus ijskoud. In de zomer is dat waarschijnlijk heerlijk, maar nu lijkt het wel herfst. Niettemin ruikt het hier heerlijk, midden in het groen, naar dennenbos en naar de grote jasmijnstruik die een kant van de tuin omlijst.

Op weg naar het vliegveld in de Uber tref ik een alleraardigste oudere Russische chauffeur die er vrolijk op los kletst terwijl ik weer als een jankerd op de zwart met rood gecapitonneerde achterbank van de Mercedes Vito naar buiten kijk. Hij zegt dat hij waarschijnlijk een andere route neemt want het is erg druk, zo om 10:00 uur in het Istanbulse verkeer richting Sabiha. We lijken inderdaad in een file te belanden. Plotseling draait hij zich om en begint nerveus instructies aan me uit te delen, in het Turks, maar wat ik ervan versta is: “Als ze je vragen, zeg dat je hotel mij geregeld heeft, dat je een taxi gevraagd hebt aan het hotel. Uber is een probleem in Turkije. Maar mijn probleem, niet jouw probleem, okee?” Voordat ik antwoord kan geven staan we stil langs de kant van de snelweg en staan er vier politieagenten om ons heen. Chauffeur doet raampje open. Praat op gemoedelijke toon en rommelt wat in het handschoenenkastje (gek woord eigenlijk, wie bewaart daar ooit nog handschoenen). Maar de toon van beiden de politieagent en de chauffeur wordt allengs steeds nerveuzer en geagiteerder. “Je hebt mooie praatjes”, hoor ik de agent zeggen, en “Doe die deur open, doe die deur open!”. Mijn deur, welteverstaan. Ik maak me op dit moment nog helemaal geen zorgen. Ik zie het allemaal gebeuren en leef me vooral in in de chauffeur, die moet hier ploeteren om een piepklein beetje te verdienen en ook dat nog wordt hem onmogelijk gemaakt. De deur schuift open en een nors kijkende politieagent vraagt eerst om mijn paspoort en steekt dan een preek af over dat Uber een probleem is (de uitleg ontgaat me even), maar aangezien vrij snel duidelijk is dat ik een toerist ben en ik voor de gelegenheid maar even doe alsof ik geen idee heb waar hij het over heeft, stopt hij daar ook maar weer mee. Met mijn paspoort loopt hij weg naar de politieauto die verderop staat en de chauffeur moet mee. Sta ik dan, langs de snelweg. Zonder paspoort, dat vind ik dan weer een iets minder goed idee. Ik ben nog ruim op tijd voor de vlucht, en anders zou ik misschien wel gewoon gaan liften, of zou dat niet gaan? En ik heb trouwens mijn paspoort niet. Zou dat raar zijn als ik er gewoon heen liep en tegen die agenten zeg, mag ik mijn paspoort even terug want ik moet een vlucht halen? Ja, soms grinnik ik ook wel een beetje om mijn eigen naïviteit, maar zo loop ik maar even mijn opties langs, aangezien ik verder toch niks anders te doen heb dan wachten. Zal ik een foto maken? Hm, beter niet misschien. Als ik nou gewoon mijn telefoon onder m’n arm hou moet dat wel lukken misschien. Het lijkt een eeuwigheid te duren, die ik verder alleen maar registreer. In de verte zie ik de kleine gedrongen chauffeur ruzie maken met vier agenten die om hem heen staan. Uiteindelijk mag hij dan toch vertrekken. Een agent komt even mijn paspoort terugbrengen. “Hiç bir problem yok size”, zegt hij beleefd en vriendelijk, geen probleem voor mij, fijne dag nog.

De chauffeur is compleet aangedaan. Hij foetert achter het stuur. Russisch, Turks, Engels door elkaar. “Onbeleefd zijn ze, Turkse politieagenten, géén manieren”, foetert hij. “Ik hoop niet dat u nu problemen krijgt”, zeg ik. “Ceza”, zegt hij, boete. Op het vliegveld aangekomen pak ik 200 lire uit mijn portemonnee die ik piepklein opvouw en aan hem geef als hij mijn koffer uit de achterbak tilt. Het dubbele van de ritprijs, die ik natuurlijk van te voren al betaald had. Ik wil zijn reactie niet afwachten en pakt snel mijn koffer op, maar ik zie hem toch even twee keer opkijken.

Vanaf het moment dat ik in het compleet lege Dalaman voet aan de grond zette, ging alles op de automatische piloot en hoefde ik nergens meer over na te denken, wat ik dan ook niet meer deed, er hoefde niets meer geregeld te worden, niets meer georganiseerd en ik zakte dus als een plumpudding in elkaar.

Niettemin, alles voelde lekker aan, gewoon, lèkker, ik had alleen even de tijd nodig om mijn mind-set te analyseren. De vorige keer was ik een beetje teleurgesteld dat ik niet zo lyrisch was als de keer ervoor, maar nu liet ik gewoon alles begaan, ik was hier niet om wereldschokkende avonturen te beleven, ik hoef helemaal niks meer. Nou ja, behalve dan twee antieke tripjes.

Ik haal de auto op en zet koers naar Fethiye. Ik maak voor de eerste levensbehoeften van de avond en de ochtend een tussenstop bij de megasupermarkt aan het begin van de stad (zóveel supermarkten hier, je snapt niet waar ze van bestaan) en word even later bij het huis opgewacht door de enorme Mahmut, die mij onvriendelijk van top tot teen opneemt en vraagt waar de rest van mijn gezelschap is. Mahmut ziet er uit als iemand van de geheime dienst uit een slechte Turkse film of een clip van de Beastie Boys met dat arrogante hoofd met die pilotenbril en dat slechte gebit en die strenge toon. Hij vindt het duidelijk maar vreemd, maar het kan me niet schelen. Of misschien toch ook wel een beetje want om een of andere reden vind ik het nodig om te zeggen dat ik voor de Nederlandse overheid werk en hier kom voor mijn rust en om te schrijven. Mahmut neemt het allemaal in zich op zonder vriendelijk naar mij te lachen en wijst me er nog even fijnzinnig op dat als mijn familie toch nog komt opdagen, ik hem dan een kopietje van hun paspoort moet sturen. Is goed, zal ik doen Mahmut. Ik ben blij dat hij na de huistoer opgekrast is.

Ik sleep mijn spullen naar boven en ga het huis een beetje verkennen. Ook al is het schoon, ik vind het tòch vies, en maak eerst een rondje met de keukenreiniger die er gelukkig nog staat, langs alle deur-, kast- en lichtknoppen, trapleuningen en afstandsbedieningen.

Het begint inmiddels donker te worden en het is fris. ‘s Avond’s lekker op het terras zitten te schrijven zonder jogging broek die ik niet bij me heb, is er niet bij. Shopping target.

Ook realiseer ik me dat het hier wel héél erg donker en stil is. Van de twintig huizen die er op deze compound (zo noem ik het maar even) staan, zijn er op dit moment misschien maar 3 bewoond. Bovendien heeft het huis héél grote ramen, van die ramen die je dan ziet in een film waarvan je dan denkt, doe die gordijnen toch dicht man! Waarna vervolgens de hele familie wordt uitgemoord. Zulke ramen. Je begrijpt, ik voel me nog niet helemaal senang zo op deze eerste avond. Mahmut zei nog: “I will come by tomorrow to see if everything is okay and if you need anything.“ Maar nee, dat nou liever ook weer niet, Mahmut.

Ik ga een kop koffie zetten, en die neem ik mee naar boven, en ga in bed liggen Netflixen, ik weet niet meer hoe laat het is, maar vroeg, en ik slaap ontzettend diep.

De dag er na, woensdag ofzo, merk ik hoe gedesoriënteerd ik ben nu ik voorlopig nergens meer aan hoef te denken. Ik weet meteen al niet meer wat voor dag het is en ‘s ochtends als ik op het terras zit te schrijven achter een kop koffie, wat ook al niet gaat, schrik ik me dood als de tuinman ineens in de tuin staat om het zwembad schoon te maken. Allerbeleefdst natuurlijk, daar verder niet van. Maar fijn dat ik dat even weet dat die om 8:00 voor je neus staat. Maakt niet uit.

Ik wil naar het strand, lezen, zwemmen, maar onderweg kom ik langs Hisarönü, het idiote toeristische winkelgedeelte van Ölüdeniz waar de Engelse vrouwen in hun bikini over straat lopen, al valt het nu mee, en die tattoo moet nog even worden verzorgd en ik heb een campingbroek en hygiënische keukendoekjes nodig. Toch maar eerst even hier afslaan dan. Bij de tattoozaakjes waarvan er hier ook dertig naast elkaar zitten, wat eigenlijk heel vreemd is vanwege dat niet zwemmen en zonnen, kies ik de nieuwste en cleanste uit, loop naar binnen en zeg, “I just need some care, clean it, treat with cream and tape it”, waarbij ik een stuk van de flinterdunne chirurgische tape uit mijn tas haal. Ze kijken me een beetje verbouwereerd aan. Hoe kòm je hieraan? Ben je rijk ofzo? Kennelijk is dat hartstikke duur spul, maar ik heb het gewoon van Ali. De jongen zegt nog dat hij waarschijnlijk wel twee keer kan plakken als hij de tape slim knipt, maar ik zeg hem dat dat niet nodig is want ik heb nog drie meter op de rol. Hij trekt een paar handschoentjes aan en maakt het netjes schoon en de tape wordt er met veel misbaar en onnodig bepotel op gedrukt. Het kunstwerk op mijn schouder wordt nog even bewonderd en hij vraagt “Who is the artist?” maar Görkem uit Istanbul kent hij niet. Er is trouwens helemaal niets aan te zien verder, geen korstjes, de huid ziet er helemaal heel uit. Ik hoef niks te betalen voor de actie ook al dring ik aan. Note to self: als ik wegga niet vergeten wat ik over heb van die rol chirurgische plakplastic aan hen te geven.

Bij een van de talloze textiel winkeltjes met fake merkproducten (“Real fake bags!”) koop ik een real fake Kenzo joggingbroek. Ik moet ontzettend veel moeite doen om niet óók nog een Boss hoody aangesmeerd te krijgen, maar het lukt me om alleen met die joggingbroek de winkel uit te lopen.

Intussen is het hier hartstikke heet geworden en eindelijk rijd ik dan richting het strand. Als ik die vallei inrij wil ik ineens helemaal niet meer alleen zijn, wil ik aan iedereen laten zien hoe mooi het hier is, hoe groen, en hoe blauw en turkooise de zee dan ineens onderaan om de hoek komt. Ook al ìs het misschien helemaal niet mooi, want verpest door massatoerisme en dikke Engelsen en Russen. Ik zeg wel massatoerisme, maar vergeleken met de andere Turkse badplaatsen valt dat hier dus heel erg mee. Geen hoogbouw hier, hotels mogen niet meer dan 2 of 3 verdiepingen hebben, dus wat voor lelijks er ook staat, het is geen hoogbouw. Je voelt de ruimte, in de hoogte en in de breedte.

Ik loop ergens in het midden over het brede strand neem een bedje met een parasol en moet 30 lire betalen. De eerste keer met El was dat nog 12 of 14, vorig jaar 18, en toch ben ik nu minder kwijt dan vorig jaar (vanwege de koers, dus).

Affijn deze dag gaat vrij verder vrij eventless voorbij. Alsof het normaal is lig ik in dat glas- en glasheldere blauwe water, nergens is het water zo helder als hier, en het is nu ook zo heerlijk op temperatuur, ik krijg er geen genoeg van. Het strand, dat niet zo massaal lang is, is voor ongeveer de helft vol. Dit is precies waar ik zo naar verlangd heb, op de een of andere manier is het wel toeristisch hier, maar toch rustig. Het is het enige strandje in de buurt, anders moet je naar Fethiye rijden, of naar Kıdrak, waarvoor je nu het astronomische bedrag van 20 lire moet betalen (3 euro, vorig jaar nog 8 lire, 2,5 euro). Er zijn overal maar maximaal 3 rijen bedjes, met, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Bodrum, een paar passen daartussen zodat je niet op elkaars lip zit, en zonder te slalommen makkelijk tussen de stoelen door naar de zee kan lopen. Het strand is ontzettend breed, met vanaf de boulevard eerst een twintig meter brede strook zand voordat die bedjes beginnen. Die strook wordt ook gebruikt door de talloze solo-paragliders die hier van over de hele wereld komen omdat het één van meest tot de verbeelding sprekende paragliding spots is. Het is ook volstrekt niet mogelijk om hier te vertrekken zònder zo’n paraglidingvlucht te hebben gedaan. Als je hier voor het eerst komt dan denk je ‘in geen miljoen jaar’, maar als je hier dan een paar dagen bent en de talloze busjes hebt zien vertrekken, ze vanaf je zonnebedje vredig door de strakblauwe lucht hebt zien dwarrelen, en gedurende de week de tientallen mensen als veertjes op de boulevard ziet landen, dan word je toch nieuwsgierig, zal ik tòch…? Gaandeweg de week als je dan helemaal ontspannen bent van het Turkse leven, en dan helemáál als zo’n schetige verkoper je aanspreekt en precies tegen je zegt wat je wilt horen, ik zeg je, je gaat voor de bijl. Het kost trouwens een vermogen, nog niet eens het vliegen zelf, maar hun business zit hem in de foto’s die ze tijdens de vlucht ongevraagd van je maken terwijl je uit mysterieuze veiligheidsoverwegingen je eigen camera niet mag gebruiken. Na de vlucht loop je mee om de foto’s te gaan bekijken in the office, en die foto’s zijn natuurlijk spectaculair prachtig, en dan mag je nog eens 40€ aftikken voor een cd, of 50€ als je óók de filmpjes wilt, of 60€ als je óók de Samsung360 action foto’s wilt. Ik zeg je: doe, néém die foto’s, want dat geld vergeet je, maar als je die foto’s niet koopt heb je eeuwig spijt. Je kan het zien als de grootst mogelijke geldklopperij, maar dit wereldje van bohemien vagabonds heeft ook een enorme gunfactor. Als ze tegen zonsondergang met z’n allen tegen hun grote rugzakken onder een boom aan het bier zitten, zou je het niet zeggen, maar het hele seizoen werken ze zich kapot, om 8:00 uur die pokkeberg op, tot 17:00 uur of soms om 18:30 uur vijf of zes vluchten per dag, zeven dagen in de week, van mei tot november.

En het is gewoonweg fantastisch, zoals mijn lief en mijn zus ook kunnen beamen en ik hoop dat ik ooit mijn moeder ook nog een keer mee krijg.

Op dit moment hoeft het voor mij niet, ik ben dat stadium al gepasseerd en ik lig hier helemaal één te zijn met mijn omgeving, elke keer als ik me omdraai verandert het uitzicht, op mijn buik zie ik de boulevard, op mijn rug de blauwe lucht en de zee en mijn tenen.

Aan het einde van de middag pak ik mijn spullen in en eet een seafood salad met een glas prosecco.

Als ik naar huis ga begint het te regenen. Ik spring nog even in het koude zwembad, wat weldadig aanvoelt aan mijn huid en blijf even drijven in de regen. Wat een vreemde combinatie is dit, de stilte van het bos, het zwembad, de regen, dennengeur, in de verte donder van onweer terwijl de zon hier schijnt in een strakblauwe lucht.

Donderdag

Ik heb om 12 uur een afspraak met Ayşe in Fethiye. Ik ken Ayşe niet, maar ik volg haar op instagram, omdat ze allemaal geestige tasjes en etuitjes en portemonneetjes maakt, zelf, thuis op de naaimachine. Ik heb haar gevraagd waar ik haar spullen kan kopen en prompt nodigt ze me uit om naar haar toe te komen. Om 12:00 uur word ik verwacht bij ABC furniture. Ik ga op tijd, want natuurlijk die latte anders sluimerend chaggerijn. Ik rij rechtstreeks naar de boulevard en probeer te parkeren maar alle parkeerplaatsen zijn afgezet met politielint. Om de vijftig meter staat trouwens ook weer een politieagent, zie ik nu. Wat nu weer. Ik prop mijn auto toch ergens tussen en loop naar de zee-kant. Over de hele lengte van deze boulevard zitten restaurants en koffiezaakjes, niet aaneengesloten zodat je de baai van Fethiye er doorheen kan blijven zien. Er zitten een paar heel goede tussen, zoals het Çarıklı Et restaurant waar ze echt fantastisch gegrild vlees hebben, en het is hier allemaal netjes en georganiseerd, je zou bijna zeggen on-Turks. Ik heb ook direct zo’n koffiezaakje gevonden. “Ik ben op zoek naar een ècht goeie latte”, zeg ik in het Turks tegen de ober. Het is een prima ijsbreker om jezelf voor schut te zetten met je Turks, iedereen begint meteen te lachen als ik het doe. (Elif lag helemaal dubbel toen ik stukje van een bekend Turks liedje voor haar zong, dat had ze werkelijk nooit meegemaakt, “And your àccent, flawless!” lachte ze.) De ober zegt: “Ik kan toevallig een ècht goeie latte maken”. We babbelen wat basisbeleefdheden en ik krijg echt een heerlijke latte met drie chocoladelepeltjes erbij, waarschijnlijk omdat ik mijn best doe in het Turks. Het is nog vroeg, mensen gaan naar hun werk, ik ben de enige die hier zit in de frisse ochtend, met de zeelucht van opzij, ipadje erbij, ik ben perfect tevreden.

Aangezien ik Ayşe ook zal moeten betalen, ga ik na de koffie naar het kleine oude centrum van Fethiye om een bank te zoeken. Nu wordt ook duidelijk waarom er zoveel politie op de been is en de halve route is afgezet: de Tour de Turkije (Cumhurbaşkan Turu) gaat hier morgen starten in de straten. Ik heb geluk en kan net een parkeerplek veroveren naast de oude vismarkt, ik markeer hem maar even op Google, voor het geval ik toch de weg weer kwijtraak. Dit is echt zo’n verschrikkelijk leuk buurtje, met hier vlak naast de Paspatour markt met keileuke winkeltjes en restaurantjes, waar ik vorig jaar of twee jaar geleden kennismaakte met Ferza. Ik dwarrel een beetje rond, vind een bank waar ik kan wisselen voor 6,80 lire per euro. Door alle opstoppingen ben ik toch wat later dan gepland, en ik app Ayşe maar even dat ik wat later ben. Nog geen tien stappen ben ik van mijn auto verwijderd als tussen twee auto’s ineens een man staat te roepen. Voor zijn voeten zit een vrouw op haar hurken, die hij ternauwernood overeind weet te houden. “Do you need help?”, vraag ik. “Yes”, zegt hij, en ik aarzel niet om mijn armen onder haar oksels te haken en haar enigszins omhoog te trekken, uit de goot waar ze nu in zit. Ze werkt een beetje mee, maar haar hoofd knakt alweer opzij, en ik ga zitten op het stenen kozijn van een winkel en sjor haar naast me. Een vrouw komt de winkel uitgerend en pakt haar benen en tilt die omhoog. Ik leg de vrouw haar hoofd op mijn schoot. Ik meen dat ik de man “Ölme, ölme” hoor zeggen, “don’t die”. “O shit”, denk ik. “Ambulans ara”, zeg ik, maar daar is al aan gedacht. De vrouw ziet er verder verzorgd uit, moderne kleding, geen hoofddoek, modern brilletje, ik schat haar een jaar of vijftig. Ze is lijkbleek, draait met haar ogen en ademt heel licht met korte stootjes. Ik kijk naar haar benen en ze is zó mager. Ik vraag haar of ze wat suiker wil. Haast onmerkbaar schudt ze haar hoofd. Haar ogen vallen steeds dicht. “Ga alsjeblieft niet dood in mijn armen”, denk ik, en ik pak haar hand stevig vast, als om te zeggen, ik ben er, er is iemand, maak je maar geen zorgen. Een eeuwigheid duurt het voordat ik in de verte een ambulance hoor, die maar niet dichterbij lijkt te komen want de hele stad zit dicht vanwege die stomme wielerwedstrijd. “Alles komt goed”, zeg ik tegen haar, “Her şey iyi olacak”, maar eigenlijk net zozeer tegen mezelf als tegen haar.

Het lijkt wel een uur later als die ambu komt, maar die komt dan eindelijk, gek hoe snel alles dan ineens weer weg is, en het normale leven weer doorgaat. Ik stap gewoon in mijn auto, en rijd naar Ayşe toe.

In de ABC Furniture word ik allerhartelijkst ontvangen door de Ayşe die ik herken van instagram, en ook haar broer, die de manager is van ABC Furniture, en haar moeder of oudere zus of tante die de koffiezetter is van ABC Furniture, wat overigens echt een prachtige moderne meubelzaak is met kleurrijke moderne strakke banken en stoelen, waar ik zelf zo terecht zou kunnen. Ayşe heeft een ‘bescheiden’ voorkomen, een beetje vroom zo met die hoofddoek, ik heb netjes een donkere jurk aan met mouwtjes maar over mijn slippers (die mooie Afrikaanse trouwens, niet van de zwembadslippers dan weer) voel ik me ineens toch een beetje onzeker. Ze is super hartelijk, ik krijg zoenen en mag op de bank gaan zitten, het is echt heel erg leuk om haar te zien, haar broer komt erbij zitten om te vertalen, en ik krijg koffie, wat voor koffie wil je, vraagt de tante, Nescafé of Turkse? Turkse natuurlijk, tabi ki. En hoe sterk, klein beetje, medium of erg? Medium graag. Ayşe heeft een grote tas met haar handwerk meegenomen, ik herken een heleboel van de dingen van instagram en wil eigenlijk het liefst àlles meenemen. Alles is zo mooi en netjes gemaakt en ziet er nog mooier uit dan op insta, netjes gevoerd en allemaal voorzien van een mooi ritsje met een of ander hangertje eraan. Ze zijn ook allemaal groot genoeg voor een iPad. 30 of 40 lire wil ze er voor hebben, ik vind het bijna gênant. Een stuk of tien kies ik er uit, 300 lire moet ik betalen, 44€. Als ik het haar geef, legt ze het met een lach eventjes demonstratief op de grond, en haar broer zegt: “Dat is vandaag het eerste geld dat ze verdient”, maar de betekenis hiervan ontgaat me even. Dan moeten er natuurlijk allerlei selfies worden genomen en de koffie wordt gedronken en een gesprekje over vanalles en een uur later sta ik weer buiten, Ayşe loopt helemaal mee tot aan de auto.

Ik ben weer helemaal dankbaar van alle indrukken en het menselijke en hartelijke contact met deze mensen.

Ik maak een stop bij Sultan Pastanesi voor een enorme doos baklava en rij meteen door naar het strand. Ik ben zo moe dat ik prompt in slaap val. Tegen het einde van de middag wil ik eigenlijk blijven voor de zonsondergang, maar ik trek het niet meer.

Thuisgekomen blijkt dat mijn plek aan tafel bezet is door een poes, die duidelijk verlegen zit om aandacht. Als ik hem aanhaal voel ik dat hij onder de klitten zit en ik zie wat oude wondjes aan zijn poten. Ik heb direct behoefte om een beetje voor het beest te gaan zorgen. Het lijkt me sterkt dat iemand dat doet op dit uitgestorven park. Eerst krijgt hij een klein schoteltje melk van me, morgen maar even wat kattenvoer en vlooiendruppeltjes gaan halen. De hele avond als ik in mijn campingbroek op het terras een poging doe om te schrijven, wil hij op schoot maar dat hou ik maar even af.

Als ik in bed de social media nog even langs loop, zie ik tot mijn schrik dat Ayşe op werkelijk elk kanaal onze selfies heeft gedeeld.

Permanente indruk

Als we in het transferbusje van het vliegveld terug naar Kadıköy zitten, zegt Osman, die schuin voor me zit, tegen me: “You are very quiet Zjenneke, people don’t know where you are, you should sometimes make noise”. “You mean like you?”, zeg ik tegen hem, waar hij hartelijk om moet lachen, omdat hij nou juist de meest beschaafde en bescheiden man van het hele stel is. We nemen allemaal ontzettend hartelijk afscheid van elkaar en ik ben oprecht dankbaar dat ik in deze groep verbleef, want ik mag dan niet van groepen houden, ik hou wel van mensen, en wat een prachtige verrassing was dit weer. Zoals mijn gids in Istanbul Elif al zei, “Waarschijnlijk allemaal boeiende mensen met dezelfde interesses als jij.”

Om twaalf uur kom ik pas thuis. Ik sleep het matras terug van het balkon naar het bed en ga meteen slapen.

De volgende dag moet ik om 13:00 in Nişantaşı zijn, de chique winkelbuurt van Istanbul, waar zich de studio bevindt van Görkem, een tattoo artist. Ja, ik heb lang getwijfeld of ik dit wel in dit blog moet zetten, want nogal persoonlijk, en wat moet men daarvan denken, en het klinkt zo ontzettend mlc, maar zo voel ik het helemaal niet, en trouwens mijn vriendinnen zeiden laatst dat je helemaal nooit te oud voor bent voor zoiets, wat een onzin! En wat zal mijn moeder ervan denken, bij dezen: sorry mam, ik heb dus nóg een tatoeage.

Waarom een nieuwe tattoo. Dit alleen reizen heeft de afgelopen vier jaar ontzettend veel met me gedaan, los van de indrukken die ik van dit land heb gekregen en die me maar blijven boeien, ook persoonlijk ben ik mezelf goed tegengekomen. Alleen reizen dwingt je ook na te denken over wat je zelf eigenlijk wilt, want er is niemand om je achter te verschuilen en niemand aan wie de te maken keuzes uit handen handen geeft. En daarmee heeft het me ook geleerd dat het okee is, het is allemaal okee, dit. Je kan het niet altijd kríjgen zoals je wilt, maar ook dat is okee. Het werd een olijftak, voor mij symbolisch voor het goede leven al sinds de oudheid (die op deze reizen ook steeds een grote rol heeft gespeeld), ook symbolisch voor Turkije, symbolisch voor vrede en voorspoed, symbolisch voor vernieuwing, affijn ik kan me geen beter beeld voorstellen bij deze periode in mijn leven. Niet dat het allemaal vrede en voorspoed is geweest, maar dat terzijde. En nee, dan hoef je dat nog niet gelijk op je lijf te laten tatoeëren, dat klopt, maar zeg nou zelf, een tattoo uit Istanbul, dat is gewoon toch leuk. Zo ijdel ben ik dan ook wel weer. Nou zeg dàt dan. Jajaaaa, okee. “Een tatoeage in Turkije, is dat wel veilig?” Hoor ik je denken. of anders wel “Heb je een gaatje in je hoofd Jenneke”. (Ja, geef het maar toe.) Nou, zoals ik al zei werkt alles hier net als in Nederland. Hier willen mensen óók niet dood. En hier zijn óók ziekenhuizen die werken in de hoogste standaard, en hier zijn óók allerlei soorten kapsalons en mani/pedi’s die allemaal verschillen in prijs en kwaliteit, net als in Nederland, daarom heb ik natuurlijk wel wat vooronderzoek gedaan om er zeker van te zijn dat ik niet in één of ander onhygiënisch slecht verlicht souterrain terechtkom. Foto’s gecheckt op instagram en wat ook helpt is dat dit de duurste buurt van Istanbul is, de studio ligt pal aan de Champs-Elysées zegmaar, en voor Turkse begrippen betaal ik er een vermogen voor, dus ik heb er vertrouwen in.

Bijna had ik hem trouwens helemáál niet gehad.

Ik heb een redelijk rustige ochtend en vertrek om 11:00 uur, wat genoeg moet zijn om aan de overkant te komen. Dit is voorlopig weer de laatste keer dat ik met de heerlijke vapur naar de Europese kant ga, maar ik denk er nauwelijks aan.

Ik lijk trouwens wel gek, net terug uit het oosten en nog geen dag rust, maar ja, ik heb maar twee weken waar ik alles in moet proppen, dus.

Osman had uitgebreid uitgelegd hoe ik in Nişantaşı moet komen, zó uitgebreid dat hij er twintig minuten over deed en ik alles dus al weer vergat, en ik hoef ook eigenlijk geen uitleg want ik weet prima hoe ik ergens moet komen. Het enige wat ik onthouden had, was dat ik van de vapur afkomend op Beşiktaş rechtsaf moet naar de dolmuşes, maar dat blijkt na een kwartier lopen niet te kloppen, dus steek ik over en neem de bus terug naar Beşiktaş en neem daar toch maar een Uber. Zo kom ik toch uiteindelijk net niet op tijd aan. Ik snak naar een kop koffie en app Görkem dat ik een kwartiertje later ben en installeer me in dezelfde straat voor een koffie. Met veel omhaal krijg ik van verschillende obers allerlei kaarten, maar ik wil alleen maar koffie, en ik weet niet van welke planeet die vandaan moet komen maar het duurt me allemaal veel te lang. Zo heb ik veel te veel tijd om over die tatoeage na te denken, niet dat ik twijfel, want de knoop is doorgehakt, maar ik was er nog niet over uit waar ik hem wil hebben. Uit praktisch oogpunt is het beter om hem op mijn schouderblad te hebben, dan kan ik er bij om hem te verzorgen, want ik ga naar de kust en eigenlijk mag je tien dagen niet zwemmen en in de zon, al heb ik me voorgenomen om die regels toch aan m’n laars te lappen want het komt me niet zo goed uit om niet te zwemmen en niet in de zon te komen als ik een week aan een paradijselijk strand lig zometeen. Ik had ook hiervoor al wat voorwerk gedaan, wondzalf gekocht en chirurgisch afdekfolie en wondspray om te ontsmetten en dergelijke dus we gaan dit gewóón doen.

Intussen hoor ik maar niets van Görkem en begin ik me lichtelijk zorgen te maken. Om 13:15 bel ik aan bij Tatoom Gallery. Ik mag binnenkomen in een strakke industriële designruimte met veel zwart staal en ruw hout. Een hipstermeisje met zwart haar en een strakke pony en een John Lennon brilletje en een iPad onder haar arm verwelkomt me met een blik met iets van verbazing, instinctief weet ik meteen wat er aan de hand is, en helemaal als ik het afsprakenbord zie zonder mijn naam erop.

“I call him” zegt ze, duidelijk verlegen met de situatie. Twee minuten later komt ze terug met de mededeling dat hij wel een afspraak heeft, maar niet met mij. Ik had hem al aan voelen komen. Iets met aanbetaling, waarvan hij had gezegd laat maar zitten omdat moeilijk met Swift codes enzovoorts. Het meisje is er ontzettend ongemakkelijk onder. Kan je morgen terugkomen? Nee, dat kan dus niet want dan vlieg ik naar Dalaman. Zal ik kijken of hij deze afspraak kan verplaatsen? Ik kan dat aanbod natuurlijk aannemen, maar om de een of andere reden wil ik dat niet. Ze doet nog een paar pogingen en gaat zich te buiten aan verontschuldigingen.

Ik loop totaal gedesillusioneerd naar buiten. Ik ben helemaal van het koekje. Heartbroken, zo zou ik het willen omschrijven. Het lijkt wel of ik alles hier veel intenser voel. Of misschien komt het gewoon omdat ik alleen ben en er niemand is om me af te leiden. Ik loop en sla een paar bochten om en loop de Abdi Ipekçi straat in. Escada, Michael Kors, Louis Vuitton. Ik heb het gevoel dat iedereen aan me ziet hoe upset ik ben en verberg me achter mijn zonnebril. Okee, herpakken en nieuw plan maken, nu. Café vinden, koffie bestellen, in de wc kijken of mijn mascara er nog op zit, en dan onder het genot van een latte bedenken waar ik die honderden lira’s die ik nu over heb aan uit ga geven. Ik ga op het Frans uitziende terras van Brasserie Beymen tegenover Louboutin zitten en bestel een koffie. Krijg prompt een sms’je van Ezgi, van Tatoom Gallery. “Please come back Jenneke”, zegt ze, “Other appointment cancelled.” Dolgelukkig zeg ik dat ik er over 20 minuten ben omdat ik net een koffie heb besteld, en zo kan ik even tot bedaren komen.

Twintig minuten later lig ik op mijn buik mijn zonden te overdenken terwijl ik tienduizenden keren gestoken word. Görkem spreekt geen woord maar dan ook geen woord Engels, en kijkt me uit verlegenheid dan ook maar helemaal niet aan, maar ik heb hem duidelijk weten te maken wat ik ongeveer wil, en dat hij geen zwart mag gebruiken, en dat hij verder zelf zijn gang mag gaan. Schouderblad lijkt hem het beste. Ik vind het goed. In het paars schetst hij op mijn huid wat het ongeveer gaat worden. Vind ik het zo goed? Ga je gang jongen. Af en toe vraagt hij half binnensmonds: “Iyi misin?” Dat eruit komt als “Jmsn”, Are you ok? Het heeft iets, om zo iets permanents aan iemand anders over te laten, voor een controlefreak als ik. Over elk detail van deze reis heb ik nagedacht, op het obsessieve af, althans zo moet het overkomen, voor mij is dat de lol van dit alles, omdat die voorbereiding gepaard gaat met je fantasie en je zo, wat er nog komt eigenlijk vooraf al een beetje beleeft, ook al wordt het altijd anders.

Dit wordt ook anders, namelijk ietsje groter dan ik voor ogen had. Maar wat is het mooi geworden. Wat is het precies passend en precies tòch wat uiteindelijk bleek dat ik wilde. Ik ben er echt dolgelukkig mee, ik vraag of hij er ook mutlu mee is, als hij er blij mee is, dan ben ik er ook blij mee. Er kan zowaar een glimlachje vanaf bij Görkem. Spul wordt afgeplakt en ik mag vertrekken.

Ik ben ketskapot van deze emotionele rollercoaster van vandaag als ik rond 16:00 uur terug ga lopen naar de iskele. Het is naar beneden en ik kan door het park lopen, het licht is zo prachtig, en ik wil weer niet weg uit Istanbul. Er is nog zoveel te doen. Steeds als ik ergens kom, lijkt de plaats in tientallen stukjes uit elkaar te vallen die allemaal moeten worden beleefd.

En passant check ik alvast even in voor morgen. Voor het eerst in mijn leven vlieg ik dat stukje naar Dalaman business class, omdat dat schandelig betaalbaar is met mijn European privilege en ik het gewoon een keer wilde meemaken. Vlakbij de iskele staat een man met een karretje granaatappels uit te persen. Dat lijkt me nou precies wat ik nodig heb op dit moment. Prompt loop ik ook nog de verkeerde kant op maar dat is niet erg, want verderop is nog een iskele, alleen blijkt die gesloten, dus ik steek wederom de straat over en neem de tram naar Eminönü en vandaar de boot naar Kadıköy.

Alles moet ik nog doen in huis, inclusief pakken, maar morgen hoef ik pas om 11:00 uur weg dus ik doe het rustig aan. Ik wil niet meer buiten eten want dan moet ik mezelf weer helemaal optuigen, dus pijama aan en een glas wijn en brood met kaas en eventjes op die heerlijke kolossale bank en dan schrijven op het balkon.

Midyat en Hasankeyf

Het lijkt me beter om vandaag ook het ontbijt over te slaan aangezien we een lange dag voor de boeg hebben. Net als gisteren sta ik lekker langzaam op, met het raam open zodat ik kan genieten van het uitzicht op de Syrische laagvlakte waarover de zon opkomt. Tien minuten voor tijd ren ik nog even snel langs het ontbijtbuffet om een broodje mee te nemen met kaas en komkommer. Onderweg naar het buffet kom ik verschillende reisgenoten tegen die allemaal vragen hoe het met me gaat, wat ontzettend hartverwarmend is en waardoor ik me natuurlijk ook meteen weer schuldig voel. Gelukkig is mijn stem waardeloos, dus ik ben niet compleet ongeloofwaardig. Maar even alle gekheid op een stokje, aan de andere kant, ik denk zelf de hele tijd wel dat ik mensen loop te bedonderen, maar ik mag natuurlijk zelf weten wat ik doe, en de wereld drááit niet om mij, die mensen missen me heus niet als ik niet met ze aan tafel zit, sterker nog, die zijn allang blij dat ze niet in hun gebrekkige Engels moeten verzinnen waar ze het met me over moeten hebben. Anyway.

Ik zit vandaag op de derde rij in de bus een beetje uit het raam te kijken en te mijmeren terwijl ik af en toe even naar de gids kijk alsof ik begrijp wat hij aan het vertellen is heel de weg naar het Mor Gabriel Manastiri (mor = saint). Dit klooster, met hier en daar nog wat typische orthodoxe gemengd met oosterse versieringen, is een ongelofelijk populaire bestemming voor Griekse of Syrische orthodoxe gelovigen, want de heilige Gabriel schijnt honderden jaren na zijn dood nog steeds genezende krachten te bezitten, gemanifesteerd in zijn vijf vingers, die 150 jaar na zijn dood voor het gemak maar van zijn hand zijn afgehakt en in zilver gegoten, om zo de komende generaties toch nog tot nut te kunnen zijn terwijl de rest van zijn lichaam toch maar weer begraven is. Om kort te gaan, het verhaal schijnt te zijn, dat 150 na zijn dood zijn graf om een of andere reden is opengemaakt, en zijn lijf nog helemaal niet bleek te zijn vergaan, waarna werd aangenomen dat hij dan wel geneeskrachtige gaven zou moeten hebben, en prompt werden er ineens allemaal mensen beter, enfin een hoop aannames en giswerk en persoonlijke invulling en cirkelredenering en religieuze retoriek later, staan we hier, in dit klooster, dat door alle Turkse restoraties van alle karakter en originaliteit is ontdaan, met z’n allen te dringen voor een kale vierkante sarcofaag waar verder niets aan te zien is. Ayşe, de lieve schat, slaat in elke ruimte een kruisje, en steekt overal een kaarsje aan waar er maar kaarsje te vinden is, en vraagt aan mij: “Heb je wel begrepen waar het over gaat?” Niet echt dus, maar gelukkig kan zij me bijna alles in plat Amerikaans Engels vertellen. Wat ze me echter niet vertelt, is hoe het klooster hier sinds de oprichting in de 4e eeuw (nog vóór het ontstaan van de islam dus) heeft standgehouden tegen aanvallen van de pest, moslims, Turken, Mongolen, Koerden, nog meer Turken, etc. Ik heb geen behoefte om met verhalen religie overeind te houden, maar door de historische loop van de omstandigheden krijg ik toch een gevoel voor de underdog die het klooster is in deze islamitische regio. Je kunt er hier meer over lezen als het je interesseert.

Op het moment zelf ben ik echter totaal niet geïnteresseerd in het klooster, eigenlijk omdat alle kloosters en kerken er tot nu toe hetzelfde uit zien. Gek genoeg: kerkje, halfronde apsis aan het eind waar een katheder staat met een boek erop, en waar een protserig beschilderd gordijntje voor hangt, dat met een koord aan de zijkant devoot voor ons wordt open- en dichtgetrokken. Foto’s maken mag meestal niet, maar er valt toch niets te fotograferen wat mij betreft. Zoals ik al zei is alles aan gort gerestaureerd, en je zou bijvoorbeeld toch denken dat met de moderne technieken en machines ze die halfronde stenen bovenlijsten een beetje netjes op elkaar hadden kunnen stapelen maar zelfs daar gaat het mis. Bovendien is het hier veel en veel te druk. En te heet ook trouwens.

Ik ga buiten maar even onder een boom zitten naast de prachtige Nisanur, de enige vegetariër in het gezelschap. “Are you religious?”, vraag ik haar. Haar vriend is fotograaf, ze zijn een beetje alternatief. “Not really in this way”, zegt ze wijzend naar de ingang van het klooster, “But I believe in something”, zegt ze. We keuvelen nog even wat door over religies. “I think christianity is a very clean religion.” zegt ze, “Islam has all these words about cleanliness, but it’s dirty, the people are so dirty.” Er staat een soort vermoeide blik op haar gezicht.

Ik ben allang weer klaar met de heilige Gabriel en eindelijk vertrekken we dan naar Midyat. Midyat is een soort klein Mardin. Daar aangekomen blijkt dat ik er ook maar niet al te hoge verwachtingen van moet hebben, want we hebben een half uur om rond te lopen voordat we terug worden verwacht in een of andere Han voor de lunch. De anderen lijken in groten getale op een paleis af te stormen waar een aantal beroemde Turkse series zijn opgenomen maar ik zie de bui al weer hangen en sla af naar een steegje. Ik word direct achtervolgd door kinderen die met me meelopen, en eerst in het Turkse tegen me praten en vervolgens in het Engels: “Where are you from?”. “Ne düşünüyorsun, what do you think?” “Ingiltere!”, “Almanya!”, “Avrupa, Avrupa!” Maar als snel hoor ik alleen nog maar waar het deze kinderen echt om te doen is: “Footbol, monny, footbol, monny!” Ik weet niet waarom in deze combinatie, wat willen ze nou eigenlijk zeggen, ik wil voetballer worden, dus ik heb geld nodig?

Op de heenweg was ik een winkeltje tegengekomen waar stoffen in hingen met iets zelfgemaakt-achtigs er in en ik loop er nu weer langs. Ik móet hier gewoon naar binnen, natuurlijk. Allerliefst word ik begroet door een oude mini-mevrouw die me de zelfgemaakte shawls laat zien, maar me meteen ook uitnodigt naar achter de winkel, kom, kom kijken waar we ze maken. Zo sta ik ineens in de achtertuin onder de vijgenboom, bij een plastic tafel waarop allemaal stempels liggen, die ze in de inkt dopen en dan op het katoen drukken. Het heeft niet de elegantie van de Indiase kantha maar wel de heerlijke ruwheid van niet honderdduizend keer bewerkte producten, en de eerlijkheid van dingen die net van het land komen of liever die net uit iemands tuin komen, en die ik dan ook zelf heb ontmoet. Ik vraag de oude vrouw of ik een paar foto’s mag maken en of zij er ook op wil, en ze is allerliefst en haalt meteen vanalles overhoop op die plastic tuintafel, bijna gaat ze een sjaal voor me maken, maar ik zeg haar dat dat niet hoeft. Inmiddels is ook haar dochter, de eigenaresse van de winkel gearriveerd, die zo mogelijk nòg kleiner is en net als haar gekleed in het Koerdisch (ik noem het maar even zo, niet denigrerend bedoeld). Ik koopt wee sjaals van haar en ik móet nog even met ze meekomen de tuin in, want thee! En hier is een stoel! Maar die groep die staat weer ergens te wachten als een stel spelbrekers, dus ik moet alleen nog even een selfie met ze maken, en ze drukken me nog een tros druiven in de hand en ik vertrek. Overlopend van liefde loop ik weg door de kleine gele straatjes van Midyat. Midyat is erg vervallen, in de eeuwenoude straatjes veel graffiti en ijzeren gedeukte voordeuren. Ook veel kinderen, dus, die met de toeristen meelopen en nog veel aandringender dan in Dara bedelen om geld. Als ik bijna bij de han ben waar we gaan lunchen, loopt er een meisje met me mee. Weer zo’n scheetje om te zien, fijntjes, met een jurkje over de broek met versleten slippertjes eronder. “Monny”, zegt ze. “Monny, monny.” Ik probeer haar te negeren maar ze blijft naast me lopen. Af en toe wrijft ze met haar duim en wijsvinger over elkaar. “Monny”. Als ik mijn hoofd naar haar toedraai en haar aankijk, wil ik het liefst vergeten wat ik heb gezien en stoppen met denken over dit kind, ze maakt kusmondjes naar me waarbij ze haar ogen sluit. “Monny.” Ik schrik me dood en allerlei gedachten schieten door mijn hoofd, is dit wat ik denk dat het is? Hoe kan dit? Wat wil dit kind? Wat maakt dit kind mee? Niet een keer maar meerdere keren doet ze dit als ik haar aankijk. “No”, zegt ik streng tegen haar. Dan is ze ook meteen weg. Ik ben er helemaal van ontdaan.

Als ik aankom in de han, staat deze vol met tafels waar mijn reisgenoten zitten te eten. Ik loop eerst nog even rond op deze eeuwenoude plek. In de hoek gaat een oude stenen trap naar boven, en er staat een bordje ‘yasak’ (verboden) bij. Vlakbij staat Osman foto’s te maken van de muzikant die de binnenplaats vult met melancholische muziek. “Do you know what is up those stairs?”, vraag ik hem. “Are you not curious enough to go up?”, vraagt hij met een glimlach. “You are challenging me, aren’t you”, zeg ik. “Yes, I am“, zegt hij. Natuurlijk loop ik dan het trapje op. Het trapje gaat twee keer een bocht om voordat ik voor een gesloten hek sta. Erachter een terras dat niet wordt gebruikt.

De lunch is overdadig met huisgemaakte ayran die met een diepe soeplepel wordt gedronken, en ontelbare kleine gerechten en gözleme (gevulde pannenkoekjes) en vlees en kaas en groenten. Het is gewoonweg te veel en te heerlijk allemaal, maar we eten niet meer vanavond, dus ik sta mezelf toe om goed te eten.

Als we naar de bus lopen, loop ik op met Osman. “So what was up there?”, vraagt hij. Ik kijk hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Ah, now you’re not gonna tell me, are you?”, vraagt hij en schiet in de lach. “But you were back very quickly, so I can guess.”

Na de lunch mogen we weer in de bus plaatsnemen om naar Hasankeyf te gaan. Ik begin zo onderhand een beetje genoeg te krijgen van dit ritueel.

Gelukkig is dit de laatste stop, en voor mij het belangrijkste doel van deze trip, waar ik dus inderdaad nogal wat voor over heb gehad: Hasankeyf. Ik wilde een linkje naar de Wikipedia-pagina toevoegen, maar dat kan hier dus niet, nog steeds geen Wikipedia. Maar het maakt ook niet uit want ik heb iedereen al tot vermoeiens toe lastiggevallen met verhalen hierover. Als je interesse hebt in geschiedenis van welke periode dan ook, dan heb je geen enkele reden om Hasankeyf níet te bezoeken. Hasankeyf ligt aan de Tigris en wordt al 10.000 jaar bewoond. De opvallendste features zijn de twee kolossale 12e eeuwse brugpijlers, de duizenden uit de rotsen gebikte graven en de middeleeuwse huizen die kris kras overelkaar heen zijn gebouwd tegen de steile bergwand.

Al drie jaar wil ik er heen, vanaf toen ik voor het eerst hoorde dat die dam gebouwd zou worden, en dit alles gaat verdwijnen. Steeds was er gedoe in de regio. Allemaal mensen die zeiden dat ik daar niet alleen heen moest gaan. Eigenlijk dacht ik, waarom eigenlijk niet? Want als ik in die 4-5 jaar alleen reizen iets geleerd heb, is het dat mensen overal ter wereld hetzelfde zijn. Ja, de omstandigheden zijn overal anders, maar de grap is dat je je dáár nu juist goed aan kan aanpassen, zeker als je een ‘rijke westerling’ bent. Auto’s werken overal hetzelfde, telefoons ook, internet althans het principe daarvan ook, overal zijn wegen aangelegd waar bordjes langs staan met plaatsnamen erop, ik durf te zweren dat dat in de middeleeuwen ook al zo was. Overal ter wereld willen mensen hetzelfde. En dan bedoel ik niet de één wil een auto en de ander wil een koelkast. Overal ter wereld willen mensen een fijn leven hebben, met hun gezin, en werken en in hun bestaan voorzien. Overal ter wereld zijn mensen nieuwsgierig, overal ter wereld willen mensen helpen, en ja, ook overal ter wereld zijn er mensen die je van je spullen willen beroven, dat is in Rotterdam echt niet anders dan in Zuid-Oost Turkije. En wat wil ik? Van A naar B komen. Eten. Zien. Schrijven. Uitrusten. Dingen die mensen hier ook willen. Dus waarom zou ik hier niet alleen naar toe kunnen? Maar ik twijfelde. Er waren heftige politionele acties in Diyarbakır. Demonstraties en arrestaties van buitenlandse toeristen in Hasankeyf. De media brachten het zo dat het leek alsof je al gearresteerd zou worden voor het maken van een foto. Ik zou toch beter moeten weten dan de media te geloven. Ik zette een post op de Turkse taalsite met de vraag of het veilig was om in mijn eentje naar het oosten te reizen. Ik kreeg goedbedoelde adviezen van voornamelijk Turkse mannen, die natuurlijk hun eigen culturele perspectief hebben. Van een lang in Turkije wonende Engelsman kreeg ik een direct message: “Just book a car and go.” Zo voelde ik het precies.

Nu kom ik aan, hier, waar ik al zo lang naar uitkijk, in een bus met 26 vreemden, ik probeer de omgeving intens in me op te nemen, wat maar deels lukt want er is zoveel lawaai. Het loopt al tegen het eind van de middag, de zon strijkt prachtig over het ruwe landschap. We rijden eerst door naar de oude Zeynel Bey Türbesi, een prachtige 15e eeuwse toren die recent uit het bedreigde gebied is verplaatst (door een Nederlands bedrijf trouwens) naar een hoger gelegen plek. Plompverloren staat hij op een witte betonnen sokkel, vlak naast de nieuwbouwwijk die door de overheid uit de grond is gestampt om huisvesting te geven aan de bewoners die straks onder water worden gezet. Iets verderop is een oude cami neergekwakt, die er al net zo verloren uitziet op zijn nieuwe plek. We rijden terug naar het dorp. We mogen uit de bus. We krijgen 20 minuten om rond te lopen. Als ik het hoor, ga ik bijna huilen. Zet het opzij Jen, je bent hier, mission accomplished, niet zeuren en loop. Op de terrassen tegenover het dorp drinken mensen thee en wordt muziek gemaakt. Beneden is een terras in het water gemaakt. Thee drinken met je voeten in de Tigris. Ik heb er geen tijd voor. “Do you have any idea what’s going on here?”, vraagt onze gids aan mij. “O yes ofcourse, that’s the reason why I wanted to come here”, zeg ik. “At the end of 2019, the water will be up until the balcony of that minaret”, zegt hij. Ik maak foto’s, kan totaan die minaret lopen voordat ik echt terug moet naar de bus. Als ik alleen was geweest, was ik hier een hele dag geweest. Was ik het hele dorp door gelopen, ergens in een onooglijke lokanta met plastic tafelkleed en prachtig uitzicht gaan zitten voor koffie en zitten schrijven, terwijl ik alle geluiden en geuren in me opnam. Had ik zo’n gekke Koerdische harembroek gekocht op de markt en zo’n zelfgeknoopt kettinkje met een stukje steen erin. Nu heb ik niets. Nog geen steentje van de grond heb ik meegenomen. Nu snelwandel ik terug naar de bus. Iedereen zit al. We rijden naar het vliegveld. De zon strijkt met de laatste stralen langs de steile met uitgehouwen graven bezaaide rotswand, en gaat voor mijn ogen onder in de Tigris. Ik hou de tranen ook niet meer tegen.

Over Oost-Turkije

Zarathoestra

Dat ik me iets minder een buitenstaander voel tussen dit gemêleerde gezelschap, wil niet zeggen dat ik nu zin heb in het avondeten. Gelukkig heb ik hartstikke keelpijn, dus dat ga ik straks fijn gebruiken om er onderuit te komen. Maar we vertrekken eerst nog naar Dara, ongeveer een uur rijden van Mardin naar het zuiden. Vanuit het zuiden is het zicht op Mardin tegen de berg aan echt spectaculair. Het is midden op de dag een beetje heiig van de hitte, geel met grijs en blauw. Onderweg passeren we een paar lege legercontroleposten en met manshoge betonblokken afgezette kazernes. We zien ook veel opgetuigde legergroene Hummers rijden. Buiten de stad hangen camera’s boven de weg. Men weet wie er in gaat en wie er uit komt.

Als we met die lompe opvallende touringcar aankomen in Dara en uitstappen, rijden er net een paar schattige jongetjes op kleine fietsjes voor ons langs. Eentje komt recht op mij af en ik pak mijn camera. Een paar van mijn reisgenoten doen hetzelfde en het jongetje staat even stil alsof hij niet anders gewend is. Er komen ook een paar meisjes aan en omdat ik inmiddels een paar meter van de groep af sta, komen ze om me heen staan. “Hoş geldiniz”, zegt een meisje met een glimlachje, “Hoş bulduk”, zeg ik terug. Dan zegt ze iets wat ik niet begrijp en ik zeg in het Turks dat ik alleen Engels spreek. “What is your name?”, vraagt ze. Ze staan met z’n drieën om me heen héél goed te weten wat ze willen van toeristen en ook heel goed te weten dat ze ondanks de overduidelijke doortraptheid toch onweerstaanbaar zijn, met die fijne gezichtjes en grote bruine ogen en gekke stoffige kleren in allerlei kleuren over elkaar heen aangetrokken. Eén van hen gaat het even in de rest van de groep proberen. Ik heb met de andere twee een kleine conversatie en een van die meisjes wijst op mijn armbandjes. Ik ga natuurlijk als een sukkel direct voor de bijl en vraag “Beğeniyor musun?”, “Vind je het leuk?”. Ze knikt driftig en ik trek een armbandje van mijn pols af en geef het haar, en een tweede aan het andere meisje. Ik heb er eigenlijk al direct spijt van, wat een watje ben je dan toch, maar oké, je moet het ook een beetje in het grotere geheel der dingen zien, wij komen hier op hun terrein met onze afzichtelijke bussen een beetje de huisvrede lopen te breken op alle onganselijke uren, daar hebben zij óók niet om gevraagd. En die toeristen bulken van het geld en ze willen soms nog wel eens wat, ayran, of papieren zakdoekjes, of een liedje, of een toekomstvoorspelling, of een zelfgemaakt kransje van olijftakken. Het is gewoon kijken wat je los kan krijgen, en zo’n armbandje komt natuurlijk snel van de pols af en is wel een stukje toneelspel waard. Ik loop weer een stukje door over het terrein. Het derde meisje dat middenin de groep staat, heeft inmiddels in de gaten dat er een succesvolle onderhandeling heeft plaatsgevonden en komt terugrennen naar haar vriendinnetjes. Ik hoor de twee in opgewonden stemmetjes iets tegen haar zeggen, ik kan me zo voorstellen iets van “Ze heeft er nóg een, ga het gewoon vragen!” Als ik achterom kijk, duwen ze haar een beetje mijn kant op. O, the pressure! Nu hebben je twee vriendinnetjes wèl een armbandje en jij niet! Ze rent achter me aan, maar zegt niets, ze kijkt alleen maar, met een soort van verlegen ogen, terwijl ik loop probeert ze met staren van opzij mijn aandacht te trekken terwijl de twee vriendinnetjes achter haar aan komen om te kijken hoe het afloopt. Ik had inderdaad nog één armbandje, de mooiste had ik voor mezelf bewaard, ja, dat doe je dan weer wèl, maar tegen deze emotionele guerrilla-aanval ben ik niet opgewassen. Ik ben nieuwsgierig wat ze doet als ik stil ga staan, als ik dat doe zet ze direct haar charmeoffensief in en zegt: “What is your name?”. Ik kan mijn lach niet onderdrukken en dat is kennelijk haar cue, want nu wijst ze naar mijn arm. Okee dan, hier. We maken nog even een “selfie, selfie!” en in een stofwolkje zijn ze dan ook verdwenen.

Dara werd in de 6e eeuw BC door de Oost-Romeinen op de Mesopotamische vlakte gebouwd als militaire post, vlak aan de zijderoute (waarbij Nusaybin de belangrijkste pleisterplaats in de buurt was). Ook de eerste stad in de geschiedenis met een irrigatiekanaal en een dam trouwens. Wist je vast niet. Ondanks al dit prachtigs heb ik verder niet zoveel oog voor Dara. Het stond op mijn lijstje en het is een totale verrassing dat we hier ook zijn heen gegaan, dus ik ben erg şaşırdım, verrast en blij maar in tegenstelling tot wanneer ik hier alleen zou zijn, ben ik teveel afgeleid door andere dingen om echt iets op te slaan en te leren (en te genieten ook, eigenlijk). Waar is die groep, staat die bus er nog, waar is mijn iPhone/camera/mifi/zonnebril/pakje zakdoekjes nou weer. (Maar even: die tas-in-tas hè sis, die zorgt er vooralsnog wel voor dat ik in nòg meer vakjes moet zoeken naar mijn zooi.) Ik heb ook al niets te lezen bij me, wat misschien nog wel het ergste is.

We bewegen naar de andere kant van het dorp. Ineens nog meer kinderen. “Zal ik een liedje zingen?”, vragen ze. Nee, hoeft van mij niet. Eén meisje is in de stralen van de ondergaande zon met water aan het spelen, waar ze onverstoorbaar mee door gaat als een paar mensen haar staan te fotograferen. Stof en water vormen een schimmenspel in de zonsondergang. Zou dat meisje zich dat herinneren als ze een vrouw is? Wat doet dit met haar? Misschien schrijft ze ooit wel een boek over haar leven in deze uithoek van Turkije, “Als de bussen kwamen stuurde mijn moeder me naar buiten om mijn zogenaamde regendans op te voeren. Vooral in de zomer konden we rekenen op al die mensen die hun Instagram wilden vullen met beelden van arme kinderen die spelen in de zon, en daar dan iets voor willen geven. Er waren nooit kinderen bij en ze spraken vaak een taal die ik niet begreep, waaruit ik afleidde dat ze wel ver weg moesten wonen, want in de buurt kende ik niemand die die talen sprak.” Of zoiets.

We dalen af in een meer dan 1000 jaar oude, twintig meter diepe voorraadkelder die er uit ziet als een ondergrondse kathedraal en overal waar we gaan volgen de kinderen ons. Het begint op het moment lichtelijk irritante vormen aan te nemen. Niet alleen vanwege het steeds aandringendere bedelgedrag, maar ook omdat er zo geen foto meer te maken valt zònder kinderen erop.

Ik vind het niet erg om hier weg te gaan en denk er even over na wanneer het beste moment is om tegen mijn gids te zeggen dat ik niet mee ga eten. Dat moment komt wanneer hij naast me loopt en we het hebben over de plaatsen die we hebben bezocht en die nog de moeite waard zijn. Volgende week vliegt hij voor één dag naar Libië, om een Romeinse stad te bezoeken. Ik zou me zo maar kunnen voorstellen dat ik dat ook zou doen. Als hij dan zegt dat we vanavond in zo’n fijn restaurant eten, onderbreek ik hem maar meteen, want ik heb zó’n keelpijn, ik weet niet of ik het wel trek om twee uur aan tafel te zitten. Hij probeert me nog over te halen, er is géén muziek, zoals gisteren (dat heb jij even goed aangevoeld mattie), er is vis en een héél goeie keuken, wat ik direct van hem aanneem want hij is een practising foodie heb ik begrepen, maar frankly, lieve schat, I’d rather wipe Saddam Husseins ass op dit moment. Hij zegt, “You don’t need to stay all evening, maybe just come for dessert or leave early, whatever you want.” Okee, een tikje schuldig voel ik me wel, maar niet genoeg.

Wat heerlijk om op de hotelkamer mijn kleren uit te trekken en een douche te nemen. Ik verheug me al op die latte die ik ongetwijfeld ga vinden. Ik heb geen zin in eten maar wie weet. Er overvalt me een enorm gevoel van vrijheid ineens. Ik sla nog een paracetamol achterover, ik wacht even tot iedereen waarschijnlijk aan die lange tafel zit, het is al lang donker, en loop dan naar buiten. Er moeten verschillende cafeetjes in de buurt zijn maar zo op het eerste oog zie ik ze niet. Google zegt dat ik in een paar stappen bij het Kulilk Cafe moet zijn. Ik zie inderdaad een onooglijk houten plankje met die naam hangen, dat naar een onooglijk steegje wijst, maar of ik daar nu in wil lopen, zo in m’n eentje… Ik bekijk even de foto’s op Google en het ziet er toch wel geestig bohemièn uit, dus weet je wat, het kan me toch allemaal niet meer schelen, ik lóóp die onooglijke trap op, dat donkere steegje in, het zijn tien treden voordat ik de hoek om moet en als ik daar ben krijg ik andermaal zo’n heerlijke verrassing, die alleen is weggelegd voor mensen met vertrouwen in de mensheid of doodsverachting, en ik heb geloof ik wel iets van allebei: een met lantarens verlichte zachtgele kalkstenen muur met van boven naar beneden uitgebeitelde versieringen beloont me, met een donkerbruine zware deur met ijzeren beslag, die open staat, en toegang geeft tot een klein open binnenplaatsje. Twee jonge mannen met snoeistrakke kapsels en hipstersbaardjes staan er te praten, “Kulilk burada mı?”, vraag ik, en ze wijzen naar nog zo’n uitgesleten stenen trap, en dan sta ik ineens op een dakterras, met houten tafeltjes en industriële stoeltjes en bankjes, half overdekt met grove juten kleden tegen de zon. Overal hangen gekleurde lantaarntjes aan scheepstouw, ook in de takken van de boom die half over het terras heen hangen. Ik ga vlakbij de rand zitten, er zit maar één ander stel op het terras. De kaart is een grillig houten plankje waar iemand de letters van de gerechten heeft ingebrand, kennelijk zijn ze niet van plan om binnenkort iets aan de kaart te veranderen. Wat in andere omstandigheden geen overbodige luxe zou zijn want er staan in totaal maar tien gerechten op en tien drankjes, natuurlijk allemaal zonder alcohol, maar hier, hangend boven het geelgouden Mesopotamië, onder deze glasheldere sterrenhemel, en onder een bijna overhellende steile bergmuur, is het genoeg, meer dan genoeg, is het een feest, is het vijf broden en twee vissen en glas water, en wat een intens geluksgevoel overvalt me hier, niets maar dan ook helemaal niets kan hier tegenop, alles valt op zijn plaats.

Eerst koffie, en ik bestel een latte, heeft ie niet, maar ik vraag of hij melk heeft, ja dat heeft hij wel, kan hij die warm maken? Ja hoor, geen probleem. En heb je ook koffie? Ja allicht. “Zal ik ze mengen?”, vraagt hij. Joh, wat een goed idee.

Ik leg mijn iPad op tafel en bestudeer de kaart een beetje. Een piepkleine kitten speelt bij mijn voeten. “Patates”, staat er op de een na laatste regel. En “Tavuk izgara”, gegrilde kip. Ik ga niet meer moeilijk doen, nu. Kip met friet, á la Turque de l’est. Echt, ik heb iets goed gedaan in dit leven. De koffie komt, gewoon veel te hete instantkoffie met melk, maar prima en ik bestel mijn eten. De koffie is na een paar minuten echt heerlijk, ik zit heerlijk te schrijven, ik voel me intens gelukkig, en ik bedenk me, al die tijd heb ik gezegd dat het énige dat niet leuk is aan alleen reizen het ‘s avonds alleen eten is, maar dit…! Waarom dàcht ik dat eigenlijk ook al weer?

De kip en friet komen, en echt waar, er zit een bakje ketchup en een bakje mayonaise bij, I kid you not, mayonaise! De kip is in stukjes gegrild, Turks gekruid met lekker veel pul biber, en ligt op een bedje van brood zoals iskender kebap, met tomaten en pepers en ui erbij. De jonge gast komt nog aan met een enorme schaal van dat heerlijke brood, en vraagt dan: “Would you like a glass of wine?”

(Dat was even een momentje om het momentum tot je door te laten dringen, ik snak al dagen naar een glas wijn, ook al was ik aan het minderen, wat in principe prima gaat, maar ik ben nu in Turkije, all bets are off, maar geen wijn te krijgen hier, niet in het koelkastje van het hotel, niet op het terras van het hotel zelf, het lijkt de friggin’ drooglegging wel, maar enfin.)

Ik klap mijn handen tegen elkaar en zeg “Evet! Lütfen! Gast komt met een fles zonder etiket, lokaal dus, (Süryani şarabı, bleek inderdaad) en een enorme bel van een glas, dat voor meer dan de helft vol gaat. Nu had ik in Dereiçi die lokale wijn al geproefd (die trouwens wèl een etiket had), en werd daar niet zo héél vrolijk van, beetje te zoet en te zuur tegelijk, maar déze! Nee ik wil echt niet overdrijven, ik snap dat je er op dit moment wel klaar mee bent en de pointe wel begrijpt, maar deze wijn was dus niet alleen lekker, donker, en zwoel, en walnoten, maar ook was het een mentaal kadootje, een goedmakertje van het universum, voor de geleden schade van de vorige avond. Zoiets.

Ik heb daar best nog lang gezeten, aan dat houten tafeltje. Schrijven schrijven, schrijven, af en toe die kitten erbij, smachtend naar een stukje kip. Toen ik klaar was met eten, vroeg de jongen of ik nog een beetje wijn wilde, en ik had eigenlijk genoeg gehad, maar alles was zo bijzonder, ik wilde nog even blijven zitten schrijven, dus ik zei toch maar okee, en even later komt hij ook nog terug met met een schoteltje met kaasblokjes, en op dat punt, na alles wat ik net heb beschreven, en die wijn natuurlijk die zijn emotionele effect bereikte, brak ik in stukjes, en heb ik de tranen van dankbaarheid en vermoeidheid natuurlijk ook, maar even de vrije loop gelaten, het was tòch donker, en de mensen aan de andere tafel waren toch te luidruchtig met zichzelf bezig om mij op te merken. De rekening kreeg ik gepresenteerd in “Böyle Buyurdu Zerdüşt” (Aldus sprak Zarathoestra), van Friedrich Nietzsche.

Affijn om kort te gaan, ik had een heerlijke avond in m’n eentje, en bleef ook nog tot diep in de nacht schrijven op mijn hotelkamer. Met water.

Betovering | Mardin

Vrijdag

Het staat er echt, “Diyarbakır”, op m’n instapkaart. Shit gets real. Ik hoop dat ik in het goede vliegtuig zit. Ik zie Stipje nergens meer. Maar Paars stond net wel in hetzelfde busje dat ons naar het vliegtuig bracht, dus ik denk dat het goedkomt.

Voordat ik wegging heb ik het nieuwe matras nog afgehaald en naar het balkon gesleept. Daar had ik nog tijd voor want ik was om 3.15 al wakker. En om 2:15 ook, en om 22:15 en 23:30 ook, vanwege de schroeiende stank die uit het matras kwam om mijn longen te perforeren, en de sigarettenlucht die uit de keuken kwam. Eruit om de deur van de slaapkamer dicht te doen. Eruit om een rondslingerend vest tegen de kier onder de deur te leggen. Eruit om in de keuken het raam naar de luchtschacht dicht te doen waar het vandaan leek te komen. Maar dat matras, het leek wel of mijn luchtpijp in de fik stond. Vanochtend dus maar alles afgehaald en op het balkon te luchten gelegd. Kan ook zijn dat die griep me toch gaat inhalen nu.

Ik eet een groen mandarijntje en een plak van dat heerlijke Turkse brood met kaas en ik maak instantkoffie. Het zou maar 20 minuten lopen moeten zijn naar het Fenerbahçe stadion maar ik neem in deze duisternis toch maar een taxi, die trouwens meteen al voor mijn deur stopt zodra ik met mijn koffertje uit de deur stap. Chauffeur vraagt waar ik heen ga, ik zeg ‘Fenerbahçe stadion’ en dan vraagt hij volgens mij nog een keer waar ik heen ga, of waar ik daarna heen ga, of wat ik ga doen, dus na al dat aandringen zeg ik per ongeluk ‘Sabiha Gökçen’. ‘Sabiha Gökçen?’, vraagt hij. ‘Neenee, Fenerbahçe stadyumu’, zeg ik. ‘Sonra Sabiha Gökçen’e mi?’. ‘Hayır, hayır, sadece Fenerbahçe stadyumu.’ Omdat ik het zielig vind dat ik hem de rit naar Sabiha ontzeg, geef ik hem maar het dubbele van de ritprijs, 15TL, wat neerkomt op nog geen 2,50€.

Bij het stadion zie ik meteen een man uit een andere taxi stappen met een handbagekoffertje, waar ik maar direct op afstap. Als ik in het Engels aan hem vraag of hij ook met Fest Travel meegaat, lijkt hij direct een beetje in zijn schulp te kruipen terwijl hij bevestigend antwoordt en zegt dat hij de gids is. Hij doet geen enkele moeite om iets in het Engels tegen me te zeggen, ook niet als we later met 15 man in de bus zitten en hij een verhaaltje afsteekt. Gelukkig heeft iemand een lijstje in zijn hand waar ik mijn naam op zie die afgestreept wordt en zo tijger ik de hele tijd maar langs de kleine tekens die me bevestigen dat ik nog steeds goed zit. We krijgen een rood apparaatje aan een koord, en een paar batterijen, er wordt nu iets verteld over waar het ding voor is, ik hoor verschillende keren het woord vliegveld en veiligheid vallen, maar ik kan er verder geen touw aan vast knopen. Nee, uitleg in het Engels komt er niet.

Ook al is het ècht niet erg, en heb ik er rekening mee gehouden me drie dagen lang zonder verbaal of ander contact in De Groep te moeten bewegen en niets te begrijpen van wat er gezegd wordt, ik had het toch anders gedaan, als gids zijnde.

Ondanks extreme vermoeidheid slaap ik niet in het vliegtuig. Ik zit gelukkig bij het raam en kan de zonsopkomst zien boven de wolken, die langzaam verdwijnen naarmate we meer naar het zuidoosten vliegen. Dalend naar Diyarbakir zie ik ontstellend lelijke oostblokwijken met hoge flats allemaal recht naast elkaar gezet. En ik zie ook de oude ronde stad waarvan een kwart weg is.

Ik ken nog geen gezichten en namen dus ik loop na de bagage een beetje te zoeken maar vind al snel Stipje buiten staan bij de gids. Okee dit is het dan, uit je comfortzone Blokkie, doe maar eens dingen die je voor jezelf had afgezworen, zoals in een Groep reizen als een Chinese toerist, en sociaal praten met mensen, nou ja dat had ik niet echt afgezworen maar dat kan ik gewoon niet, zoals is gebleken na paar decennia oefenen, en nou die bus in verdorie! Gelukkig krijgen we van Erdal (de gids) een A4-tje met drie keer een plattegrond van de bus er op (inclusief twee deuren en de R voor ‘rehberi’, gids), en voor elke dag een andere stoel ingekleurd waar je mag gaan zitten. Dáár hoef ik gelukkig niet meer over na te denken en Forest Gump-achtige taferelen blijven zo achterwege en iedereen blijft verschoond van allerlei nachtmerrieachtige herinneringen aan schoolreisjes. Dat is fijn.

Niet zitten we in de bus, of Erdal begint te ratelen en houdt niet meer op totdat we door het spuuglelijke betonnen voorstedelijke nieuw Mardin (“Türkiye ülkemiz, Erdoğan babamız”) rijden en aan het begin van oud Mardin stoppen, omdat de bus hier niet verder mag. De hele rit schalmden op monotone wijze allerlei historische feiten door de touringcar-intercom, daar was geen woord Spaans bij, en ook geen Engels trouwens, dus ik heb er werkelijk geen biet van begrepen. Ik moest dit eerste uur echt even hergroeperen en strategie bepalen. Ik merkte al binnen een paar minuten dat ik van dit met technische, academische en bouwkundige termen doorspekte verhaal alléén maar fracties sporadisch kan begrijpen, als ik echt geconcentreerd luister, en dat is echt doodvermoeiend. Bij Engels en Nederlands kan je nog wat anders doen, beetje naar buiten kijken, boekje lezen, beetje praten, en wat er dan gezegd wordt blijft nog wel even hangen in het luistergebied in je hersenen zodat je ergens toch wel weet wat er wordt gezegd. Maar dit komt er helemaal niet door, dit blijft ergens steken in het vertaalgebied, en als het daar niet doorheen komt, komt de betekenis ook niet aan.

Afijn, we moeten er dus uit en beginnen te lopen. Ik denk, we gaan nu vast even naar het hotel, even opfrissen, en dan lekker ontbijten. Maar nee. Lopen zal je. Je wou toch een tour? Nou, hier is ie. Ik zal je verder de details besparen maar lopen, lopen, lopen, kerkje in kerkje uit, kerkje in kerkje uit, (4x) alles begeleid door ongetwijfeld echt kundig verslag over de geschiedenis vanaf de prehistorie, maar dat gaat dus helaas allemaal aan me voorbij. Godzijdank stiefelen we dan met z’n 26-en een lokanta binnen voor een echt heerlijke lokale kebap. Ik zit tegenover een beeldschone blonde Turkse die vraagt wat ik hier eigenlijk doe. Ik zeg dat ik al een paar jaar reis door Turkije omdat er zoveel te zien en te genieten is en ik het heerlijk vind. Ze zegt, “That’s so nice to hear. For years tourism was so bad”. Ik zeg: “A few years ago when I doubted if I should come back, someone said to me, ‘Maybe bad things are happening here but 50% of the people don’t want all this, and they feel left alone by the world.’ That’s the reason I still come back. And it’s just those people who are sad about their country who love their country so much.” Ze legt haar hand op haar borst en zegt: “That’s so good, thank you for saying that.”

Ik ben kapòt. Socializen gaat niet meer, en ik wil alleen maar naar m’n hotel. Waar is het? Erdal houdt het express nog even achter, die gnieperd want die snapt natuurlijk ook wel dat als hij het nu zegt, iedereen de benen neemt. Maar Erdal is rücksichtslos, na de lokanta mogen we nog even naar de wc (gat in de grond, serieus. Met een kraantje ernaast en een roze plastic plantengieter. En wat ik zo wonderlijk vind, die gaten in de grond zijn netjes helemaal keramisch vormgegeven als een wasbak, alsof dat het dan een appetijtelijkere aanblik geeft) en dan moeten we naar benéden, naar nog één kerkje, dwars door de schattige petieterige marktsteegjes van Mardin heen, maar wat dus wel betekent dat ik straks waarschijnlijk ook weer omhóóg moet.

Ik moet wel zeggen, Mardin. Mardin. Wat heerlijk, wat een heerlijke plek. Wel erg toeristisch, zo zijn van overheidswege alle winkeltjes in de hoofdstraat voorzien van hun naam in allemaal dezelfde goudkleurige schreefloze Arial. Daardoor ziet het er uit als Disneyland, maar daar moet je even doorheen kijken. Even kijken naar de rommel en de lelijke verbouwingen. Je moet nadat de Groep is vrijgelaten even ontsnappen naar een onooglijk achterafstraatje dat je eigen liever niet wilt nemen, maar als je het dan tòch doet, ineens tussen 800 jaar oude goudgele muren loopt met stoffige uitgesleten stenen trappen, en kantélen en onvoorstelbaar oude houten deuren, waar de kinderen spelen en nieuwsgierig naar je kijken en 100 jaar oude mannetjes al die trappen nog steeds op lopen. En waar het ruikt naar houtvuur en gekruid vlees en natte kalk. Het lijkt wel alsof hier een permanente geeloranje filter over de stad ligt die alleen even verbleekt als de zon en de hitte het hoogste punt hebben bereikt. Je hebt geen idee meer waar je bent, maar het maakt niet uit, als je straks ergens weer omhoog loopt komt je waarschijnlijk tòch weer op die hoofdstraat uit.

Ik laaf me aan die paar kleine straatjes voordat ik me snel naar het hotel begeef, want ik heb nog maar twee uur voordat we moeten verzamelen voor het avondeten. Die twee uur lijken wel niet te bestaan zo kort, ik val nog even in slaap maar sleep mezelf er toch weer uit.

Avondeten doen we aan een lange tafel. Ik heb me ontfermd over een oudere dame die er de hele tijd een beetje alleen uit ziet en probeer een praatje met haar aan te knopen maar haar Engels is net zo slecht als mijn Turks. Desondanks zie ik dat ze mijn aandacht waardeert (later noemt ze me haar ‘Friday’ waar ik dan wel weer om moet lachen, want volgens mij ben ik hier de vreemdeling). Als we naast elkaar gaan zitten blijkt dat iedereen om mij heen zo goed als geen Engels spreekt. Er is een traditionele hard spelende live band met oude ongeïnteresseerd kijkende mannen (viool, saz, trommel) die zagende liedjes spelen die mij allemaal hetzelfde in de oren klinken maar alle vrouwen aan tafel lijken ze te kennen en zingen ze klappend mee, wat mij om onbegrijpelijke reden maar volgens de verwachting, vervult met een diepe gêne. Nee toch. Een voor een worden er bordjes gebracht, het is heerlijk, maar ik ben te moe om ervan te genieten, en dan die muziek, die ik niet begrijp, en de mensen die ik ook niet begrijp, en trouwens ook helemaal niet kan hóren, en ineens lopen er allemaal vrouwen van andere tafels naar de vloer en beginnen te dansen, op die traditionele manier, waarvan ik denk, hoe weten ze toch wat ze daar moeten doen de hele tijd? Het is betoverend en afschrikwekkend tegelijkertijd. Er zit zoveel beroering en bezieling en cultuur in die klanken en die dans, ik kan er eigenlijk wel uren naar kijken, en tegelijkertijd maakt het nu dat ik me extreem ver van deze mensen verwijderd voel. En ik kan nog niet weg want er komt nòg een gerecht en nòg een, o for God’s sake, en nòg meer muziek en dans, en rakı, en lawaai, o, wat verschrikkelijk, ik hoor helemaal niets meer, en ik voel me verder en verder wegdrijven van de planeet en ik wil weg en dan eindelijk staat er iemand anders op in wiens kielzog ik kan meelopen. ‘Nooooooit meer’, denk ik lopend naar het hotel. En ik neem ook maar alvast een voorschot op het ontbijt waar ik om de dooie dood niet heen ga.

Slapen wil eerst niet echt lukken omdat ik zo’n keelpijn en sinuspijn heb, maar uiteindelijk lukt het toch en ik slaap prinsheerlijk door het ontbijt heen.

Om 8:50 staan we paraat voor Dereiçi en Dara. Ik mag vandaag helemaal voorin de bus, wat helemaal fijn is met het oog op het uitzicht, alleen ik hoop niet dat ik nu de hele tijd met de gids moet praten. De rit naar Dereiçi is absoluut prachtig, dit dorre ruige steenachtige landschap gaat eindeloos glooiend door, kleine dorpjes, kinderen die zwaaiend achter de bus aanrennen, mannetjes met ezels en takkenbossen, vrouwen met losse hoofddoeken onder bomen die iets verzamelen, wat doen die mensen toch allemaal hier, van die takkenbossen kan toch niet iedereen rondkomen? En toch voelt het allemaal vriendelijk en gemoedelijk aan (voor mij dan, die niet weet wat deze mensen hebben meegemaakt). In de buurt van de rivier is het groen, notenbomen en wijngaarden.

Dereiçi is een soort spookstad die toch weer is ingenomen door mensen die er uiteindelijk nog heil in zagen of gewoon niets anders hadden. Op enig moment komt Erdal buiten in de bloedverziekende hitte op een Grieks orthodoxe begraafplaats bij me staan. Hij is een jaar of 45 en grijzig, hij heeft een nogal uitdrukkingsloos gezicht, zij het met een beetje een oordelende blik en de houding van een leraar Nederlands (De Geus, Nassau), buigend en wijzend en naar één kant overhellend als hij ergens over na moet denken. “Do you actually understand what I’m saying or are you just pretending to listen?” Waar ik dan wel weer om moeten lachen. “I’m actually listening and really trying to understand what you’re saying” wat ook de waarheid is. “It’s really difficult but it’s good for my Turkish”. “Het zou wel helpen als je niet óók nog de steden bij hun onuitsprekelijke interglaciale naam noemt die ik niet ken, Erdal”, denk ik erbij. Ik ben inmiddels gestaakt met elk woord te proberen te volgen, al loop ik nog steeds wel met mijn oortje in, dat rode apparaatje, dat gewoon een klein speakertje is, zodat Erdal niet zijn stem hoeft te verheffen en de Groep een beetje kan uitwaaieren.

Aan het eind van het dorp worden we nog even uitgenodigd om de lokale wijn te komen proeven.

Tijdens de lunch zit ik naast de Ariente’s, waarvan ik vanwege de Spaanse naam verwacht dat ze wel Engels zullen spreken. De dame, Ayşe, vraagt me wat ik hier doe en als ik via de vaste routine heb uitgelegd dat Turkije voelt als een oude handschoen, begint ze te lachen. “You were here in another lifetime, it’s obvious”, zegt ze, “That’s why you feel that way”. “Actually I feel the same way”, zeg ik, “It’s just a pity that the language didn’t move to this lifetime with me.” Ayşe vertelt me dat haar Engels zo goed is omdat ze is opgegroeid in Amerika. Ik vertel haar ook dat het me was opgevallen dat ze in het orthodoxe kerkje een kruis maakte. Dat komt omdat ze van huis uit katholiek is, zegt ze, Syrisch orthodox. En haar man, Alfonso, is Turks (natuurlijk), van een Spaanse familie, en opgegroeid in Italië. Maar nu wonen ze al heel lang in Istanbul. “Wat zo fijn is aan Turkije is het eten”, zegt ze. “Er is geen betere keuken op de wereld”. Alfonso zegt de Italiaanse, waarop hij direct door zijn vrouw en mij wordt afgestraft, want ja Italiaans is lekker, maar Turks is toch echt veelzijdiger. “I think my favourite place in Turkey must be Çiya”, zeg ik, een restaurant in Moda (zie Chef’s Table S5E2). En ineens begint iedereen aan tafel zich ermee te bemoeien, ja, Çiya! Ayşe kent het niet. “Eigenlijk komen wij nooit aan de andere kant”, zegt ze, op zo’n geestige Istanbulse ik-ben-van-de-Europese-kant-toon. Maar nu begint iederéén te roepen dat ze er ècht een keertje heen moet. Ze hebben daar àlles, en het is maar een paar minuten lopen vanaf de iskele. En ineens voel ik me toch een piepklein beetje minder een buitenstaander.