Vrijdag 9 juni, Bursa, Istanbul. 


Even de algemene stemming sinds ik hier ben. Behalve het aankomen en de stress van het vliegveld, auto halen en in het donker rijden, voelt het alsof alles op zijn plaats valt. Alle Turkse impressies vallen onmiddellijk weer in hun neuropatroon in mijn hersenen. Ik ben weer een beetje thuis. Het lyrische geluksgevoel dat ik vorig jaar had heb ik nu (nog) niet. Gek hoe het ‘feest van herkenning’ en de drang tot verandering en vernieuwing steeds beide aanwezig zijn. Hoe heerlijk is het om weer nieuwe plaatsen te ontdekken, en hoe eveneens heerlijk is het om steeds meer taal te herkennen en kunnen spreken, en om sommige dingen toch weer hetzelfde te willen doen, zoals een cafeetje met lekkere koffie uitzoeken en daar dan heeeeel lang achter een kop lekkere latte te zitten schrijven, met oosterse muziek met veel violen om je heen en af en toe de ezan
Daarnaast ontgaat me de politiek situatie niet, of eigenlijk lieg ik dat, hij ontgaat me wèl, in de zin dat ik er hier helemaal nog niets van heb gemerkt, in de zin dat mensen lelijk tegen me doen omdat ik een Hollander ben, of van de internationale spanningen, Qatar, interne spanningen, etc. Een cynicus zou kunnen zeggen: natuurlijk merk je er niets van, je bent een toerist, je geeft hier je geld uit, stop maar lekker je hoofd in het zand terwijl 150 onschuldige journalisten zonder vorm van proces zitten opgesloten. Weet wèl dat ik me heel goed bewust ben van de situatie, de situatie met de vrijheid van meningsuiting in dit land, de situatie met de Koerden en de PKK en Syrië en de YPG, de situatie met Qatar en hoe Turkije zich hierin beweegt, de situatie met de economie en de pogingen van de Turkse overheid om de val van de koers tegen te gaan. Ik volg ook twitter nauwgezet, en constateer dat ik van sommige accounts die ik volg alleen maar zie staan: “Huppeldepup’s account has been withheld in: Turkey”. Ik kan hun tweets dus echt niet lezen, en inderdaad, als ik iets probeer op te zoeken op Wikipedia (ook de Nederlandse Wikipedia), krijg ik de melding “server onvindbaar”. De hotelsite Booking kan ik gewoon benaderen, maar ik kan in elk land hotels vinden, behalve in Turkije. Vooral de blokkering van Wikipedia vind ik zorgwekkend. Een kenmerk van dictatoriale regimes is het onthouden van kennis aan het volk. Vrije toegang tot kennis is niet gewenst voor een totalitair regime, je wilt controle hebben over wat de jongere generatie wordt geleerd en hoe zij worden gevormd, ik zie beelden voor me van nieuwe, aangepaste, politiek correcte schoolboeken, boekverbrandingen, blokkering van internet sites. Drie dingen die nu echt hier gebeuren. En ik vrees dat als dit niet snel verandert, het te laat is. Want de generatie die hiermee opgroeit, zal het ook weer verder brengen. 

Ik sluit mijn ogen echt niet voor deze dingen. Ik ben ook, juist, ontzettend dankbaar dat ik hier nu mag zijn. Ik ben ook, juist, ontzettend verdrietig dat ik daarom niet naar Hasankeyf, Diyarbakır, Mardin en Midyat kan gaan deze keer. Ik kan niet uitleggen wat dat met me doet. Maar er is ook nog een ander Turkije. Wij zien alleen maar de ellende die in de krant staat, maar wat een leuke, lieve, intelligente, bohemien, avantgarde, intellectuele en creatieve mensen zijn er nog meer! Na de vijf jaar dat ik hier kom, kan ik me bijna niet voorstellen er géén deel van uit te willen maken. Wat een eetcultuur, wat een gezelligheid, wat een behulpzaamheid, wat een laisser faire, wat een je ne sais quoi, wat een bcbg, wat een betrokkenheid, wat een beschaving, wat een intelligentsia, wat een olijfolie, wat een wijn, wat een zonneschijn, wat een zee, wat een rüzgar, wat een poëtische Weltschmerz, wat een gepassioneerde levensvreugde, wat een leven! 

Okee, alles goed en wel, maar over vrijdag is niet zoveel te vertellen. Ik stond vroeg op want een lange reisdag voor de boeg. Ik zou over Bursa (ruim drie uur rijden) naar Istanbul rijden (nog twee uur rijden), de auto naar het vliegveld brengen en inleveren en me in het appartement in Kadiköy installeren. 

Na het fantastische exuberante ontbijt van hotel Erol om 8:00 uur, smeet ik alles in de auto, liet een bedankbriefje, een bak baklava en een pak van huis meegenomen stroopwafels achter en reed ik eerst nog naar de andere kant van het eiland, gewoon om het even gezien te hebben, het was maar tien minuten rijden. Ik ontdekte nog een verborgen strandje voor de volgende keer, en reed daarna ook nog even naar het centrum om wat water en eten voor onderweg te halen. Ik parkeerde in een met doeken overdekte en door oude stenen gebouwen geflankeerde binnenplaats van een authentieke olijfoliefabriek, boven de ingang van de binnenplaats stond nog het verbleekte bord ‘Sabuncugil’, een historische olijfolienaam. (Het achtervoegsel ‘gil’ is trouwens in het geheel niet Turks, maar ik weet niet wat het betekent. ‘Sabun’ is zeep, en ‘sabuncu’ zou zeepmaker moeten zijn, en zeep wordt ook van olijfolie gemaakt.) In gedachten zei ik dag tegen deze olijvenplaats, ik ben hier veel te kort geweest, en ik hoop hier nog eens terug te komen. 

Drie uur zou ik moeten rijden naar Bursa. De eerste paar uur zag ik uitgestrekte olijfgaarden, kilometers en kilometers lang. Ik zag een beetje op tegen deze reis. En ik zal er ook niet te veel woorden aan verspillen. Een grote stad als Bursa zie je al tientallen kilometers van te voren aankomen door lelijke banlieus, voorsteden, die echt lelijke Turkse vierkante uit de grond gestampte betonnen wijken. Het lijkt wel Rusland. De drukte op de weg neemt toe naar gelang het aantal rijbanen ook toeneemt. Gek genoeg neemt het aantal rijbanen naar gelang je de stad nadert weer àf, zodat heel dat godganselijke verkeer zich weer in die twee à drie rijbanen probeert te proppen, afijn stress ohne Ende. Inmiddels was de zon óók verdwenen en had plaatsgemaakt door miezerige regen en 19 graden, en ik had dus geen trui of jas of vest bij me. 

Maar ik moest zonodig Bursa zien en één of ander historische markt en één of andere han, dus ik dacht oké dan hop met de geit. Ik had al geen meter zin meer, maar allah. Niet dat ik nog een keus had, want zat inmiddels muurvast in het verkeer. 

Na anderhalf uur als een dwaas door dat verkeer heen ploeteren kwam ik zowaar op een plek die de parkeerplaats bleek te zijn die ik op Google Earth meende te zien. Sleutel weer inleveren en ik moest inmiddels zo ontzettend naar de wc dat ik eerst maar naar het stadsmuseum ben gegaan (museum = schone wc’s). Vreselijk museum trouwens; er was genoeg te zien, daar niet van, maar stel jezelf de vraag: “Wáár zijn de vrouwen???” En dan blijkt dat er ook in de overheidsmusea totaal geen aandacht is voor de vrouwen in de samenleving en dan is het wat mij betreft snel over met de pret. 

Na het museum voeg ik me in mijn doorwaaibloesje kleumend in het winkelende publiek van de historische binnenstad, het is een prachtig gezicht, laat ik dat vooropstellen, dat Middeleeuwse centrum met die overdekte markt en alles, en dat pleintje met al die winkeltjes, maar wat me toch het meestel opvalt is het religieuze contrast met Ayvalık. Waar er in Ayvalık in de verste verte geen hoofddoek te bekennen is, is hier letterlijk negen van de tien vrouwen gesluierd, waarvan ook een paar echt in een volledige zwarte niqaab. Voor me lopen een jongen een meisje met zo’n niqaab, de jongen ziet er sportief en modern uit en loopt grapjes met haar te maken, ze horen duidelijk bij elkaar. Zij lacht en leunt naar hem toe terwijl hij haar duwtjes geeft en kennelijk grapjes maakt, alsof die hele niqaab niet bestaat. Het maakt me boos, ik denk aan de ene kant, wat een belachelijk idee dat jij je zo moet laten beperken in je bewegingsvrijheid terwijl dat volgens de koran helemaal niet hoeft, en tegelijkertijd denk ik, maar zij hebben kennelijk net zo veel lol als elk ander stel, dus wat is er dan verkeerd aan? Ik moet mezelf die vraag stellen, terwijl ik tegelijkertijd vind dat die sluier echt verkeerd is, als je begrijpt wat ik bedoel. 

Ik besteed niet teveel tijd in Bursa, want ik voel me hier gewoon echt niet thuis. Op de een of andere manier gaat er van die jonge streng religieuze mensen toch een bepaald oordeel uit, meer nog dan van de oudere generatie. Die jonkies zijn vaak zo overtuigd van hun gelijk, of van hun recht op hun overtuiging, dat er toch al niet mee te praten valt, en op de een of andere manier pik ik dat op in hun blikken. Ik hoop dat ik het mis heb, maar dat is mijn gevoel, en dat zorgt er ook voor dat ik hier nu gewoon zo snel mogelijk weg wil.

De reis naar Istanbul verloopt buitengewoon voorspoedig, het is alsof de stad me naar zich toe trekt, alsof ze weet dat ik hier wil zijn en zegt ‘kom maar hier, hier kan je wel van het leven genieten’. De Uber is er binnen een minuut. De stad is zo groot, de reis naar het appartement duurt nog een uur en ik slaap een beetje in de taxi. Mert, de eigenaar van het appartement ontvangt me allerhartelijkst. Ik ben één van de laatsten die van het uitzicht kunnen genieten, opzij is de Bosporus te zien, maar naast hem worden appartementen gebouwd. “It’s construction mayhem right now in Istabul”, zegt hij. Ik zeg: “Turkey probably needs it”, waarop hij meewarig zijn hoofd schudt, hoe kàn ik dat zeggen, “Turkey needs more green!”. Het ‘probleempje in de badkamer’ is inmiddels opgelost en ik gooi mijn spullen aan de kant, neem een douche en geef me over aan Istanbul. 

Donderdag 8 juni, dag 5, Pazar, Küçükköy, Sarımsaklı strand.


Ik sta op: regen. Op mijn enige stranddag. Maakt niet uit, wie weet knapt het nog op. Na weer een copieus ontbijt ga ik richting Ayvalık voor de wekelijkse donderdagmarkt. Het schijnt dat zelfs Grieken uit Lesbos hier op donderdag inkopen komen doen omdat uit de hele streek verse groenten en fruit worden verkocht. Ik verdwaal met de auto weer in veel te kleine straatjes en zie dan een klein bordje otopark staan wat ik maar volg. Ik kan op een gegeven moment bijna niet verder. Een man staat op van een plastic stoeltje en wenkt me. Hoe is dat toch dat ik hem totaal niet versta maar ik begrijp dat ik gewoon uit moet stappen en op moet krassen en dat hij de auto dan gaat parkeren op een ‘perkeer’plaatsje van dertig vierkante meter waar al vierentwintig autos staan, het is zogezegd valet parking. In combinatie met een live spelletje ‘road block’. God zegene de greep maar weer, en ik laat mijn auto achter, raam open, sleutel erin, tas er in en alles, niet meer aan denken Jen.
Ayvalık is ver-schrik-ke-lijk leuk, mensen. Die piepkleine straatjes, die huisjes uit 1880, ik weet niet waarom, maar alles ademt 1880, en Grieken, en het schijnt dat de oude Grieken die hier hier wonen, of oude mensen moet ik eigenlijk zeggen, nog steeds Grieks spreken. Even voor de achtergrond: na de eerste wereldoorlog, of misschien er nog wel vlak voor, vond er een soort gedwongen uitwisseling plaats van Turken (Ottomanen, moslims) die buiten Turkije woonden en ‘buitenlanders’ die in Turkije woonden. Stel je even voor: je bent Grieks maar je hele familie woont al eeuwen vreedzaam in Turkije, en je wordt ineens met je hele hebben en houwen (als je geluk hebt, ook nog) het land uitgezet, omdat je Grieks bent. Je komt in Griekenland aan, maar spreekt geen woord Grieks, of in elk geval een of ander boertig dialect, en de lokale bevolking moet je niet want je spreekt de taal niet en wie ben je eigenlijk, ik ken jou helemaal niet en door jou zijn mijn vrienden/familieleden weg. Zelfde geval voor bijvoorbeeld de Turken/Ottomanen/moslims in Bosnië: O, al generaties lang woon en werk je hier en heb je een bloeiend bedrijf in de weet ik veel wat? Jammer maar je gaat verhuizen naar Turkije, het moederland (dat je helemaal niet kent) roept je terug, en zoek zelf maar uit waar je neerstrijkt. De lokale bevolking moet je niet, want je spreekt Grieks/Bosnisch, je moet helemaal overnieuw beginnen met vrouw en kind en paard (misschien), en verder helemaal niks. 

Dat is het verhaal van Ayvalık (waar de Griekse Ottomanen naar toe kwamen) en Küçükköy, waar de Bosniërs neerstreken in de lege huizen die de gedeporteerde Grieken hadden achtergelaten, en van vele wijken aan de Egeïsche kust en in Izmir en Istanbul, en niet te vergeten van Kayaköy, bij Fethiye, waar Grieken en Armeniërs woonden en dat nu leeg en uitgehold tegen de heuvel ligt te branden in de schroeiende zon, en waarover je uitgebreid kunt lezen in het prachtige ‘Vogels zonder vleugels’ van Louis de Bernière en het hartverscheurende ‘Middlesex’ van Jeffrey Eugenides. 

Vandaar dat Ayvalık, het kan aan mij liggen, bijzonder Grieks aan doet, zelfs de mensen zien er Grieks uit, ik kan het niet helpen, je ziet het gewoon, het zijn geen turken maar grieken. Anyway, tegen mij spreken ze natuurlijk wel Turks. Verder zijn er natuurlijk olijven zover het oog strekt, en het lijkt erop dat de olijfarbeiders uit Küçükköy kwamen, en het geld ermee in Ayvalık werd verdiend. 

De markt is stervensdruk, de regen is inmiddels vertrokken, en de schroeihete straatjes zijn eerst eindeloos gevuld met textiel en kleine mensen (iedereen een kop kleiner dan ik, alsof ik nog niet genoeg opviel) en ik vraag me af hoe en wanneer en aan wie ze ooit die miljoenen t-shirts en spijkerbroeken en tafelkleedjes gaan verkopen. Gek genoeg word ik hier minder aangesproken dan in Istanbul, het lijkt wel of de mensen me maar raar vinden: een toerist! Buiten het seizoen! Eer ze van de schrik zijn bekomen, ben ik al weer voorbijgelopen. Zoiets. De pazar yeri is vervolgens helemaal gevuld met local produce, en hoe rommelig het overal ook is, hier maken ze kunstwerken van hun uitstalling, alles netjes op rijtjes en in piramiden gestapeld. Ik ben dan weer slecht genoeg om te denken dat je je koopwaar dus van àchter de kraam krijgt. Maar het is een prachtig gezicht, het ruikt heerlijk fris en dat is het hier ook, de markt is overspannen met doeken en er ruist een windje doorheen. De drukte en de starende blikken ben ik echter snel beu, ik koop een zak appelen bij een mevrouw (een van de weinigen, de meeste verkopers zijn mannen) en loop richting de haven, want ontzettende trek in een kop koffie. Het is echt een beetje Russisch roulette want ook al staat er Kahve op de gevel dan wil dat zéker nog niet zeggen dat ze een cappuccino of latte onder de knie hebben. En ik heb het idee dat de Turken er ook niet echt áán willen. Ze hebben namenlijk hun eígen koffie. En kom niet aan de koffie van de Turken. Dat is de nationale trots. Cappuccino, latte, ze halen hun neus ervoor op. Melk in je koffie? Heb je een gaatje in je hoofd? Ook de jonge Turken die in de talloze als paddestoelen uit de grond schietende ‘coffee labs’ werken: melk in de koffie? Neeeeeeh. Maar ik heb geluk deze keer. De capu is heeerlijk. Ik bel gelijk even met het vliegveld Sabiha Gökçen waar ik de auto moet neerzetten morgenavond. Ze zeggen: “Het is makkelijker voor ons als je hem naar Atatürk airpot brengt.” Jah. Na wat heen en weer gedelibereer is het hopelijk duidelijk dat ik een vermogen heb betaald om hem niet naar Atatürk te hoeven brengen. Inşallah. 

Ik rij door naar Küçükköy. Het is een vervallen piepklein dorpje, met een centraal pleintje rondom een boom en een moskee waar mannetjes aan tafeltjes zitten. Een houten muziektent staat klaar voor de iftar vanavond. In een oud koopmanshuis aan de rand bevindt zich nu het lokale museumpje van één ruimte, gevuld met allerlei huisraad, kleding, werkmateriaal en oorlogsmemorabilia van de Bosnische bewoners. Een paar prachtige zijden jurken uit de jaren twintig. Een Frans-Ottomaans woordenboek. Een typemachine. Een zijden mutsje. Ik ga helemaal op in de foto’s. Verder is het dorp een oase van rust ondanks dat overal aan de vervallen huisjes wordt gewerkt. Ik kom verschillende artisan hotelletjes tegen en hier en daar zijn huizen in allerlei kleuren geschilderd. Ik zeg je, de komende jaren gaan de prijzen van deze kleine romantische stenen huisjes vier keer over de kop. Nu al wordt overal in deze streek gekoketteerd met de term ‘rum evi’, Grieks huis, waarmee de karakteristieke historische stenen huizen wordt bedoeld. Hier staat het er vol mee. 

Ik vind een soort vervallen binnenplaats waar een koffiehuis van is gemaakt, en ik ga zitten aan het open raam, tegenover een geel en blauw verschoten muur. Koffie hebben ze niet, dat wil zeggen ik krijg “nescafe”. Als je dan ècht geen Turkse koffie wilt – het is eigenlijk onbestaanbaar – dan kan je bij de gratie Gods een kop “nescafe” krijgen. Die kenmerkt zich trouwens doordat hij a niet te drinken is en b veel te heet. Maar het maakt me niet uit, ik zit hier intens gelukkig te zijn in Küçükköy, in dit half opgelapte huis met balken waar de zwaluwen nesten in hebben gebouwd en in en uit vliegen. Het is hier zo stil en rustig, zo’n heerlijk contrast met de drukte van de donderdagmarkt. De eigenaresse en haar man zitten buiten, zoontje en dochtertje spelen binnen om mij heen, mij af en toe even nieuwsgierig aanstarend. Na de koffie waar ik alle tijd voor neem, slenter ik nog even door het piepkleine dorp. Aan een van de huisjes ontbreekt een deur en binnen zie ik een paar kistjes met groenten en fruit uitgestald staan. Omdat ik een foto wil maken, maar dat niet zomaar durf, omdat ik dat een beetje raar vind, van iemands serieuze nering en levensonderhoud een bezienswaardigheid maken, koop ik een paar perziken voor 2 lira (50ct) en vraag aan het mannetje of ik een foto mag maken. Hij poseert voor me in de deuropening, en vertelt me dan dat ik de perziken in het gebouwtje ertegenover, de typische islamitische ronde fontein, even kan wassen. Als ik naar mijn auto loop komt er een klein vrouwtje uit een huis. Ze loopt dezelfde kant op als ik en groet me, en vraagt vervolgens of ik Bosnisch ben. Aangezien ze blond is vermoed ik dat ze zelf van Bosnische afkomst is. Ik zeg van nee, en dan zegt ze lachende een heleboel dingen die ik niet versta, ze pakt mijn hand en knijpt in mijn wang, “Çok güzel, çök güzel!”, zegt ze, ik weet niet of ze mij bedoelt of gewoon het feit dat ik hier ben en belangstelling toon, maar hoe lief is het allemaal weer. Ik loop weer over van dankbaarheid en liefde voor de wereld. 

Final goal voor vandaag is de rest van de middag op het strand. Het weer is opgeknapt om niet te zeggen dat ik het zweet weer in de nek heb staan. De stranden zijn hier allemaal geclaimd lijkt het wel, in Bodrum was dat zo en hier zie ik ook grote delen van het strand afgezet door hotels en clubs. Ik kies beachclub Marenostrum uit (doet me denken aan het restaurant waar ik mijn 17e verjaardag vierde in Taragona, waar ‘spa’ werkte (ons pap), iedereen was uitgenodigd, een lange tafel op de kade met allemaal mensen, en vis, en ander lekker eten en ik dronk voor het eerst wijn of bier, ik weet het niet meer maar ik was voor het eerst dronken, en dat waar mijn ouders bij waren, mooiste verjaardag van mijn leven). Ik word begroet door de vrolijke eigenaar van ook het restaurant waar ik gisteren heb gegeten en ik twijfel of ik zal klikken over zijn personeel, maar doe het maar niet. Er is nog één familie met twee mannen, twee vrouwen en een klein kindje, zij zitten bij het café, en ik zit dus als enige (van het hele strand, op een paar vissers na) aan de waterkant op het zand op een bedje. Het is heerlijk, en warm en ik duik voor het eerst het water van de middellandse zee in. Ik realiseer het me heel goed, het water van de middellandse zee. Voor het eerst sinds een jaar. Maar op de een of andere manier vervult het me toch niet van de lyrische vreugde die ik vorig jaar wel beleefde, of misschien ligt het eraan dat het gewoon niet Ölüdeniz is, het water is niet zo azuurblauw en er ligt een ballenlijn die kennelijk het territorium van de club markeert. Ik haat ballenlijnen. Snappen mensen dan niet dat dit alle beleving verpest? De zee moet juist worden erváren als eindeloos, dus niet als ‘tot hier en niet verder want ballenlijn’. Niettemin blijf ik heerlijk de hele middag op het bedje liggen en voelt het zout op mijn huid aan als een weldadige spa treatment. 

Op de weg terug haal ik een doosje baklava en knoop ik een praatje aan met de bakker, die me complimenteert met mijn Turks en zegt dat ik vooral naar de Zwarte Zeekust moet gaat, want daar is het zo prachtig, Trabzon, Ordu, Rize, het moet allemaal prachtig zijn, hij komt er vandaan. Is al de tweede keer dat ik dat hoor binnen drie dagen. Aan de overkant prop ik een ‘karışık tost’ naar binnen want dat schijnt een Ayvalıkse specialiteit te zijn, een tosti volgeladen met kaas, worst, augurken, ketchup en mayo en wat dies meer zij. Het staat in schril contrast met de vorige twee avonden maar dat maakt me helemaal niet uit. Het is niettemin heerlijk. 

In het hotel probeer ik alles weer in mijn koffer te proppen. Ik was nog uitgenodigd voor een zelfgemaakte kadayıf van de moeder van Burak, de hotelmeneer, maar daar is het al te laat voor helaas. Ik val in een comateuze slaap. 

Woensdag 7 juni, dag 4, Pergamon


Het zal toch niet waar zijn dat ik om 5:30 weer met de ogen wijd open lig. Ik vertelde gisteren aan de hotelmeneer dat ik de dag ervoor om 5:00 wakker was voor de zonsopkomst, en hij zei: “Oh, you have a beautiful view on the sunrise from your room too!” Ik lachte een beetje schamper, want die ging ik waarschijnlijk wel missen. Nu ik toch wakker was kon ik net zo goed even gaan kijken. Ik sloeg mijn dekbed om me heen en ging op het balkon op een stoeltje zitten. Het was nog zo stil, geen wind, het water was vlak, een eenzaam klein visserbootje kwam in de verte de baai in tuffen, de lucht kleurde roze, oranje en geel boven de kustlijn en het stadje Ayvalık, wat een bofferd ben ik toch weer. En ik weet nu ook dat de zon op deze dag van het jaar op deze plek niet in het oosten opkomt, maar in het oostnoordoosten, om 5:54 uur op 58 graden om precies te zijn.

Gelukkig kon ik ook nog even slapen tot een uur of negen. “Just small, simple please”, had ik gezegd op de vraag wat ik voor ontbijt wilde, want ik was de enige gast, dan konden ze daar rekening mee houden. “Just some bread, tomatoes, cheese, that would be fine, don’t make a fuss”, zei ik nog. Zeventien schaaltjes staan er voor me, plus twee mandjes met vier soorten brood, een bord scrambled eggs, een schaaltje met börek en een kaasplankje. In de schaaltjes zitten onder andere drie soorten huisgemaakte jam van karadut (moerbei), vijgen en rode peper (ja, jam van rode peper), naast allerlei andere toeters en bellen ook een schaaltje kaymak met honing, een soort roomkaas, ik eet bijna het hele schaaltje leeg. Alle hoop om nog wat af te vallen gaat verloren, maar laat ook maar.

Ik ga even het ontbijt laten zakken en pak dan mijn tas voor Bergama. Het moet iets meer dan een uur rijden zijn. Bergama is waar Pergamon zich bevindt, een stad die groot werd in de derde eeuw vC. Kennelijk kreeg de stad pas belang toen er een dame neerstreek die de onwettige zoon van Alexander de Grote bij zich had, toen moest er ineens een beschermingsleger naartoe, allemaal mensen erbij, gebouwen, geld, enfin allemaal gedoe, na de grieken kwamen de romeinen, die maakten het allemaal nog mooier, er toen kwamen de Duitsers die er niet met hun fikken van af bleven, sloopten en het hele handeltje meenamen naar Duitsland waar je het nu nog kan bekijken in het Pergamon museum in Berlijn.

Van kilometers afstand zie ik het al weer liggen bovenop een een berg, of beter rots, en er bekruipt me een bepaald voorgevoel.

Maar wat is Bergama een ontzettend mooi oud stadje! Het is kruip door sluip door het Middeleeuwse oude stadscentrum, o jeetje wat prachtig, oude kleine oosterse gebouwen, allemaal winkeltjes en mensen en kilims, ik zie hier voor het eerst die echt mooie dunne kilims. Ik zal wel weer spijt krijgen dat ik er geen heb gekocht maar eerlijk gezegd staan ze niet bij m’n interieur. Ik volg de bordjes dwars door het centrum naar Pergamon. Ook hier wordt de weg alweer steeds smaller, en het ìs nog steeds héél erg warm, en ik kom maar hoger en hoger en komt hier ooit een eind aan. Het asfalt houdt op een gegeven moment ook op, en ik heb nog nooit zo’n steile afgrond gezien, ook niet in Assos, en ik kijk niet meer, niet kijken Jen, niet kijken niet kijken. Op een gegeven moment staan er in een piepklein haarspeldbocht twee hoekspiegels want het is niet meer te overzien, maar ze zijn kapot. Als ik even later boven ben haal ik opgelucht adem en kan ik de hete auto onder een boom in de schaduw zetten want niemand. Pergamon is net als Assos ‘leeg’ maar wel veel en veel groter en indrukwekkender. Zo’n groot amfitheater heb ik geloof ik nog niet eerder gezien, enorm hoog en steil, je benadert het van boven en ik durfde nog net een selfie te nemen op de bovenste tree/ring, maar ben niet helemaal naar beneden gelopen, daar was het ook veel en veels te heet voor (had ik al gezegd hoe heet het was?), wat ik ook zei tegen een Chinees die uit de groep was ontsnapt. “Bij ons is het veel heter”, zei hij. “Bij ons is het veel kouder”, zei ik tegen hem. Hij was twintig jaar geleden wel eens in Nederland geweest, prachtig land, mooie tulpen. “The tulips are actually from Turkey”, zei ik. “Yes but you sell them”, zei hij, en dat is ook weer waar. Het zweet gutste mij over mijn rug de bilnaad in maar de gids van de veertig Chinezen die de hoek om waren gekomen vond het ook wel meevallen. Ik en de veertig Chinezen waren de enige bezoekers en kennelijk was ik deel van de attractie want ze begonnen ineens foto’s van míj te maken. Ik maakte me maar uit de voeten en schuifelde snel een gangetje in waarin ineens ook een prachtige passage verborgen zat, met allemaal boogjes waardoor het zonlicht naar binnen stroomde. In de gelukkige omstandigheid dat er nog niemand was, alleen ik, maakte ik meteen 500 selfies voordat de boel ging volstromen met de Aziatische vrienden en de maagdelijke aanblik verdween.

Er was nog veel meer te zien op en rond Bergama maar ik was onderhand verzadigd en half gesmolten dus ik kocht voor de vorm nog maar even een klein souvenirtje en zette de gang erin naar huis, alleen reed ik een straatje in dat volgens de routeplanner wel kon, maar helemáál niet kon, na ca 300 meter zat ik echt muur en muurvast, en kwam er een mannetje uit een huisje aan te pas om me terug te dirigeren.

Ik had niet zo heel veel gedaan maar was toch ketskapot, ging nog even douchen en daarna iets eten, deze keer bij Bay Nihat. Bleek achteraf het beste restaurant van Cunda te zijn, en ik zat inderdaad weer schandalig lekker van de mezze te eten. De ober maakte gezellig een praatje met me, ook al was ik duidelijk aan het schrijven. Ik moest weer even uitleggen waar ik vandaan kwam en waar ik heen ging en waarom. Ja, drie dagen Ayvalık, heel weinig, er is zo veel te zien. Ja, ik heb nog maar één dag, en ik wil nog naar de markt, naar Küçükköy en naar het strand. “Weet je wat”, zei hij, “morgen is mijn vrije dag, als je wilt kan ik je wel even het eiland rondrijden.” Neeeeeee, dacht ik, “Dat is erg aardig van je, maar ik heb zoveel plannen, ik denk niet dat ik daar tijd voor heb.” “Ik kan je naar Devil’s Mountain brengen (Nee, dàt klinkt vertrouwenwekkend…), ben je in twee uurtjes weer terug”, zegt hij. Treetje omhoog in de schaal moeilijk af te poeieren. “Misschien als ik tijd over heb”, zeg ik. Hij trekt zijn wenkbrauwen een beetje op..”Je wilt honderd dingen doen, en uiteindelijk doe je er maar één”, zei hij een beetje ongeduldig wordend van mijn desinteresse. “Terwijl, hier ben ik, een eerlijke betrouwbare moslim, ik neem je mee die berg op en je ziet Ayvalık, Küçükköy en Sarımsaklı in één keer.” Puntje erbij. “Weet je wat”, zeg ik, “Geef me je telefoonnummer maar, als ik morgen tijd over heb dan app ik je misschien wel. Maar ik beloof niks.”. M’n beoordeling is ook meteen omgeslagen van aardige ober naar zelfingenomen mysogyne ober, met die blik van ik, man van de wereld, zal jou, vrouw hulpeloos alleen, wel even helpen. Ik wil hier zo snel mogelijk weg. Ik moet een rekening betalen die ruim twee keer zo hoog is als gister en ik geef een gênant kleine fooi. “Have a nice day tomorrow”, zeg ik. Naar mijn auto lopend word ik nog even achterna gezeten door een jongen van een jaar of vijfentwintig die zowat mijn auto inspringt als ik de deur opendoe, maar ik doe net of ik het niet zie en geef een straal gas. Het moet niet gekker worden.

In het hotel ga ik lekker op het balkonnetje zitten schrijven. Dat is wel een beetje het nadeel. De Turken hebben niet van hun moeder geleerd dat je niet mag staren, ik voel me af en toe hogelijk opgelaten, en je bent zonder die (nep)trouwring toch een beetje aangeschoten wild. Verder krijg je dus met mannen wèl contact, met en zonder bijbedoelingen (trouwens ook alleen maar obers te vinden, geen serveersters), maar met vrouwen niet, en niet alleen omdat het merendeel je niet moet omdat je hun mannen maar afleidt, maar ook omdat de Turkse vrouwen nòg minder Engels spreken dan de mannen. En dat vind ik verschrikkelijk jammer, want ik zou zo graag eens een echt gesprek met vrouwen van hier willen hebben, omdat ik nieuwsgierig ben naar de man-vrouw cultuur en hoe vrouwen dit ervaren. Ik kan mijn oordeel er al wel over klaar hebben, maar zolang ik er geen gesprekken over heb gevoerd, wie ben ik dan om dat oordeel erover te vellen?

Dinsdag 6 juni, dag 3, Apollon Smintheion, Assos, Cunda


De bestemming is vandaag Ayvalık maar ik heb nog een ambitieuze reis voor de boeg. Ik wil naar Apollon Smintheion, naar Assos en een tussenstop maken in Edremit om geld op te halen. 

Om de een of andere achterlijke reden zet ik mijn wekker om 5:10 omdat ik zonodig eruit moet om de zonsopkomst te fotograferen. Wat bezielde me, ik weet het niet, want de zonsopkomst ziet er globaal hetzelfde uit als de zonsondergang, en dan ben je tòch al wakker, dus dat is wel zo makkelijk. Maar neen. 5:30 eruit, kleren aan en daar gaat onze amateurfotograaf die geen zin heeft om verder te rijden dan de straat uit, want als je verder rijdt zie je ook meteen niks meer van die hele zonsopkomst. Dan blijkt er vervolgens natuurlijk geen fatsoenlijke foto te maken want er staat vanalles in de weg, met name tv schotels (ja, Turkije), elektriciteitsmasten en lelijke nieuwe hotelflats en het schattig dorpje is helemaal niet te zien laat staan badend in het roze-oranje ochtendlicht. Dit is een teken om serieuze fotografie verder maar aan serieuze fotografen over te laten. Ik kruip weer in bed en slaap nog een paar uurtjes.

Ik krijg een droomontbijt van de huiskokkin met menemen, gözleme, allemaal kaas en olijven, ik kan van alles maar een beetje op maar op de tomatenjam doe ik goed mijn best. 

Om 11:00 wil ik de boot hebben dus als ik ook nog iets van het eiland wil zien moet ik opschieten. Ik besluit niet naar de vuurtoren te rijden maar naar het strand, dat is tien minuten rijden. Er is niemand, alleen een paar mannen die aan het werk zijn en die me ongegeneerd nastaren als ik de auto uitstap. Het water is blauw en doorzichtig het strand small en lang. Ik verlang verschrikkelijk naar een duik, verschrikkelijk gewoon, het is zo heet en iedereen loopt in een lange broek, en ik ga zowat hallucineren van verlangen naar zwemmen in zee. Maar ik moet weg. De boot halen. 

Smintheia valt een beetje tegen want de Turken hebben er weer met hun vingers aangezeten, maar er ligt nog genoeg rommel verspreid over de grond en half uitgegraven dat het interessant is. Ik gap een klein stukje roodachtig rond aardewerk mee waarvan ik vermoed dat het een stukje waterleiding is en dat vermoeden wordt bevestigd. Wie heeft er ooit van gehoord, deze ruïne in deze verlaten uithoek waar werkelijk nooit iemand lijkt te komen, maar mij wordt verteld dat dit de belangrijkste plaats in het land was om Apollo te aanbidden. In de bloedverzurende hitte maak ik het hele rondje af en ga dan weer in die kookpan van een auto zitten en zet koers naar Assos. 

Veel bochtige weggetjes en het gekke is dat ik een zwarte mercedes achter me zie rijden met drie mannen erin waarvan ik zou zweren dat ik die al eerder achter me heb zien rijden, maar laat ik niet paranoide worden. Ik moet toch nog tanken en dan zijn ze ook weer verdwenen. Al kilometers van te voren zie ik in de verte een heel hoge berg met een vierkante toren erop, een echt niet te missen gigantische dikke vette toren. Het ziet er erg hoog uit en het blijkt inderdaad Assos te zijn. Daar aangekomen staat er een bordje ‘Antik Liman’, antiek haven, dat ik natuurlijk moet volgen, alleen wordt de weg na een paar meter ineens wel héél erg smal en het asfalt verandert in kinderkopjes, en rechts van mij zie ik een steile afgrond, volgens mij ben ik nog nooit op zo’n hoge berg geweest, dit moet toch wel zeker 2000 meter zijn, ik zie de zee, diep, diep onder me en ik hàd het al zo warm. En terug kàn ik niet, ik moet dus helemaal naar beneden, naar de antieke liman over die bobbelige gladde steentjes verd*mme. Het weggetje komt uit op een fris klein dorpje van bijna 200 jaar oud, met supersmalle straatjes, ik twijfel steeds of ik er wel door kan maar van buitenaf wordt me verzekerd dat het echt wel kan er wordt wild naar links en rechts gebaard. Achter het rijtje oude statige bruine huizen die pal aan het haventje staan is een parkeerplaatsje waar ik de auto onder een boom kan zetten en ik vind dat ik die koffie nu wel heb verdiend. Van verschillende kanten klinkt het iyi günler, hoş geldiniz en buyrun, het woord dat graag een toverspreuk had willen zijn om mensen naar binnen te trekken. De hele kade staat vol met terrassen en er is niemand, ik ben letterlijk de enige, ik schuifel zo snel mogelijk naar een van de achterste terrassen, dichtbij de uitgang van de haven. Het is hier heerlijk fris, ik bestel iets te eten en een kop capuccino, en die blijkt buitengewoon verrukkelijk te zijn. Ik zit op dit moment echt te genieten en uit te rusten en me op te laden voor de hellerit terug naar boven. Als ik terugloop naar de auto word ik aangesproken door een vrolijk kijkende man van ergens in de vijftig met blond-grijze krullen en knalblauwe ogen. Leuk geprobeerd, die werken misschien bij de Turkse dames maar I’m not impressed mister. Ik blijk hem te moeten betalen voor het parkeren. ‘Where are you from?’, vraagt hij. Altijd een originele binnenkomer. ‘Holanda’, zeg ik, ‘and you?’ Eigenlijk als grapje vraag ik dat steeds want ik ga ervan uit dat iedereen hier uit Turkije komt. ‘Yunanistan’, zegt hij, Griekenland. ‘You chose a nice place to live’, zeg ik. ‘Where are you staying?’ vraagt hij. ‘I’m not staying’, zeg ik, ‘I’m leaving. I’m only here by accident.’ ‘Why are you leaving, you have to stay here. Where are you going?’ ‘I’m going to Ayvalik for three days.’ ‘Two’, zegt hij. ‘No three’, zeg ik. ‘No two’, zegt hij grijnzend, ‘and one day you stay here’. Ik moet er wel om lachen, ‘I’ll come back, I promis’, zeg ik lachend want ik wil hier echt een keer terugkomen, maar dan wel met mijn man, maar dat zeg ik er maar niet bij, ik schep er geen bijzonder genoegen in om hun versierplezier meteen de kop in te drukken, is ook nergens voor nodig. Ik betaal hem en ga de auto halen. Als ik langs rij stopt hij me even. Door het open raam geeft hij me een Grieks-blauwe sjaal met bloemen. ‘So you don’t forget me. See you next time’, zegt hij. Terwijl ik wegrijd, gooit hij een kom met water over de achterkant van de auto (het zal wel iets betekenen), ‘I’m waiting for you!’, roept hij me achterna. Grapjas. Die sjaal is trouwens nog handig bij die hitte op je schouders. 

Ik rij meteen door naar boven, helemaal op de top van die berg moet de ingang naar Assos zijn, naast de moskee. Ik mis de aangewezen parkeerplaats en rij gewoon het bergdorp in, waar ik nog andere auto’s heen zie gaan over de kinderkopjes. Op een gegeven moment worden de straatjes wel erg smal en steil en ik vraag het toch maar even maar ik mag gewoon doorrijden. Is dit echt de bedoeling? Ik heb nu al het idee dat ik in een museum rijd, maar het zal wel. 

Op een gegeven moment moet ik zó’n scherpe bocht nemen, en zó steil omhoog dat ik er echt niet meer in geloof, dus ik laat me maar terugzakken naar een minipleintje waar één auto staat en daar zet ik hem naast. Ik moet nog een paar straatjes omhoog lopen op deze allejezus hoge berg en dan kom ik op de antieke parkeerplaats waar een paar toyotabusjes staan geparkeerd voor de ingang. Okee. 

Echt, deze huizen zijn zó oud, er wonen nog steeds mensen, wat dóen ze hier, elke godganselijke keer die pokkeberg op. Ze bestaan overigens voor het grooste deel van toerisme, verkopen tasjes en beeldjes en houtsnijwerk en kleding uit China wat kleurrijk op straat staat uitgestald. Ik koop maar een haarband voor de liefdadigheid. ‘Handmade!’, schreeuwt de verkoopster naar me. Ja, zal wel, door Taiwanese minderjarige meisjes dan waarschijnlijk. 

Assos blijkt werkelijk enorm te zijn, het uitzicht is adembenemend, en het is hoog, zo hoog, wat déden die mensen hier in vredesnaam, al moet het wel een machtig gevoel hebben gegeven als je hier je residentie had, je kan van heinde en verre iedereen aan zien komen en van heinde en verre ziet iedereen jou. Diep beneden mij ligt een spartaanse muur en ruïnes. Bovenop de berg vormt een tempel het centrum van de bouwwerken, het doet niet onder voor de Akropolis in Athene, nou ja, een beetje wel, want zoals ik al zei hebben de Turken er weer aangezeten, maar in elk geval niet qua hoogte. Verder ben ik niet heeeeeel erg onder de indruk, alles is gemaakt van het harde donkere steen dat hier in de buurt plenty wordt gevonden. Er is geen marmer, geen ornamenten, geen tekenen van waterleidingen, geen pleinen zover ik kan zien. Het enige dat echt ontzag inboezemt is het uitzicht van deze hoogte. 

Als ik terug rijd door de smalle straatjes en op weg ga naar Ayvalık, loop ik in gedachten alle plaatsen langs die ik in de loop van de tijd heb bezocht, sommige met Jan. De meeste indruk hebben toch Xantos en Arykanda gemaakt. Ook was ik net op tijd in Afrodisias voordat de Turken het stadsbad aan gort restaureerden, in de half weggezakte marmeren omringende banken stonden tekens en spelletjes gekrast van echte mensen die daar dagelijks zaten te praten, met hun voeten in het water. De pracht en praal van Laodikeia of Efes heb ik nooit meer ergens gezien, net als het frêle, kwetsbare Lagina in het avondlicht, of het schijthuis van Magnesia. 

De bochtige weg leidt langs de kust en dat is niet een strandkust, maar een rotsachtige stenen kust waar mensen toch hebben geprobeerd iets van strand van te maken door allerlei platformpjes in het water te leggen, steigers en loopplanken. Dat is rechts van de weg. Links van de weg stikt het van de pansyons, campingachtige plekken en andere b&b’s. Voor me zie ik ineens me mannetje op de weg staan zwaaien met zijn armen. Ik twijfel of ik een natuurlijke aandrang heb tot het helpen van mensen of gewoon een natuurlijke nieuwsgierigheid, maar ik stop in elk geval. De man spreekt geen woord maar dan ook geen woord Engels en vindt het ook heel moeilijk om langzaam Turks tegen me te praten maar uiteindelijk kom ik erachter dat hij geen benzine meer heeft en of ik hem even een sleepje kan geven naar het benzinepomp station 2 km verderop. Ik zal jullie alle overwegingen besparen, die kan je inmiddels wel raden, 2 zal wel 20 zijn, en ‘geen probleem’ is vooral geen probleem van jou als mijn gehuurde auto uit elkaar valt, maar wel van mij, maar allah, ik besluit het toch maar te doen. (Waaròm, Jen, waaròm toch altijd geen nee kunnen zeggen en al die ellende op je hals halen. Waarom?) Man gilt nog iets tegen vrouw en kind, is er iemand die engels spreekt? Nee? Dan moet het maar zoals het kan. Hij komt aan met een vislijn die kennelijk de auto moet houden en bindt die aan mijn sleepoog. Ik kan je vertellen, iemand slepen in een huurauto is ècht ruk. Als jij al vaart hebt maar je aanhanger niet, voel je echt zo’n knal met een akelige ruk aan het onderstel van de auto. Het kàn niet goed zijn. Ik hou mijn hart vast. En god, wat is het warm. Als ik een paar heuveltjes en wat getoeter later in mijn spiegel kijk, denk ik ‘Waar is die auto gebleven?’. Dit is het moment om er tussenuit te piepen, ik kom hier per slot van rekening toch nooit meer terug, maar dat kan natuurlijk niet. Ik rij terug naar de man die er een beetje verloren uit ziet en ik begin in mijn kofferbak de hulpkit van de Hyunday door te spitten en verdomd, daar zit een sleepkabel in, met van die hoefijzerschroefhaken die we aan boord ook hebben. Ik weet hoe dit werkt en zit op mijn knieën de ene vast te maken aan het sleepoog, de man probeert het handeltje nog uit mijn handen te trekken want dat is het natuurlijk zijn eer te na, maar dat laat ik niet gebeuren. Hoefijzerschroefhaken zijn míjn terrein verdomme. Poging nummer twee. We halen nèt het pompstation en PANG het ding schiet los. Bang dat ik de auto ik tweeën heb getrokken stap ik uit maar het blijkt godzijdank alleen de naad van de nylon trekband te zijn. En het ìs al zo warm. Enfin, man blij, ik blij dat ik weg mag. En dat ik toch weer iemand uit de shit heb kunnen trekken vandaag. 

Ik ben ontzettend moe en verlang naar een douche. 

Het hotel is fris en koel maar wel een beetje oud. Die heerlijke frisse duik in het zwembad kan ik vergeten want het zwembad is halfleeg. Ik ben de enige gast. Ik neem een douche en vraag om een glas wijn. Die krijg ik in een houten gazebo met kussens aan de rand van de zee met een schaaltje verse wilde aardbeien die naar verse wilde aardbeien smaken in plaats van naar appel. 

Ik eet ’s avonds veel te veel verschrikkelijk lekkere meze aan de kust in het enige plaatsje dat Cunda rijk is. Ik moet weer even wennen aan het negeren van de starende, priemende, klevende blikken. Tijdens het eten kan ik me gelukkig verschuilen achter mijn ipad. 

Ik slaap heerlijk, echt heerlijk in het knisperende witte bed. 

Maandag, dag 1, Çanakkale-Troje-Alexandria Troas

Maandag 5 juni, dag 2

Ik ben er pas een dag en er is nog niks gebeurd maar ik heb al weer verschrikkelijk veel te vertellen. Als ik alleen ben, ben ik trouwens ook voortdurend alles aan het registreren alsof ik professioneel aan het beoordelen ben en er rapport over moet uitbrengen. Wat feitelijk ook een beetje zo is, want ik moet toch iets te schrijven hebben. Ja, ik weet dat ik neurotisch ben, hoeft niemand me te vertellen, maar tegelijkertijd ook weer niet zo neurotisch dat ik in de stress schiet als iets niet lukt, want als het niet kan zoals het moet, dan moet het zoals het kan, zoals onze lieve papa zei, en zo is het ook! Er zit een hele levensles in die woorden, er is namelijk een manier waarop dingen moeten, of hóren, en we zijn ons hele leven bezig te leren hoe het hoort, of hoe dingen moeten, maar je moet ook om kunnen gaan met tegenslagen, creatief kunnen zijn en flexibel, meebewegen, omdat de dingen soms nu eenmaal anders uitpakken dan we hadden bedacht.

Wat zit ik hier trouwens heerlijk te schrijven in dit schattige hotelletje, waar van alles mis mee is. Ik zit naast de prachtige belle epoque gietijzeren deur die openstaat waarachter het verkeer over de kade raast en de boten naar de overkant vertrekken. Naast me staat een schoteltje Turks brood en börek, warm, koffie en een schaal met mijn eerste Turkse ontbijt, witte kaas, komkommer, tomaat, groene peper, groene en witte olijven, en het mannetje blijft maar dingen brengen en ik krijg ook nog ei. Ben benieuwd wat ik straks mag afrekenen, maar de kamer zelf was maar 170 TL edus ik maak me nog geen zorgen.

Ik kwam om 22:15 gisteren aan, nadat de duisternis was ingevallen, reed ik nog minstens een uur hongerig over de krakkemikkige snelweg met 2-0 systeem (RWS-ers weten wat ik bedoel) door de köfte-streek Tekirdağ. Een allerliefst mannetje gaf me een mooie kamer die heel groot was, beloofde hij, aan de voorkant. Prima, maakte me allemaal niet meer uit, ik was zo moe dat ik niet eens meer wilde eten. Ik vroeg of ik een glas wijn kon krijgen, en even later op mijn kamer kreeg ik een enorme bel rode streekwijn met een strikje erom en een groot bord met kaas. Ik kon wel huilen van dankbaarheid. Het enige dat ik verder nog wilde was douchen en op bed liggen. 

Hoe moe ik ook was, het ontging me toch niet dat er overal aan de kranen kalkaanslag zat, en op de doucheramen, en dat de handgrepen van de douche los zaten, en dat er donkerbruine aanslag in de hoekjes zat. Normaal gesproken douche ik overal met slippers, die was ik even vergeten, dus ik probeerde maar even de gedachte te verdringen aan de honderden voeten die hier vóór mij hadden gestaan waarna de vloer kennelijk niet was schoongemaakt. Ik had ook mijn twijfels of die Ikea badkamermat wel elke keer gewassen werd, dus ik legde maar een kleine handdoek op de grond. Toen ik de draaibare spiegel probeerde te verdraaien had ik die opeens in mijn handen, die was dus ook duidelijk niet schoongemaakt. Ik frummelde hem terug en bleef er maar af. En wat deej die telefoon daar eigenlijk, bij de wc? Ugghh. 

Door een van de mansgrote ramen kwam een penetrante rooklucht, alsof de benedenverdieping in brand stond, en het andere raam ving al het geluid van de kade dus ik deed beide ramen dicht. Daarmee werd het wel stervensheet, en de airco bleek het niet te doen. Ik liet het allemaal maar, ik appte nog even met het thuisfront, hoorde mijn eerste ezan, en viel toen in een diepe slaap. 

Gisterenavond had ik in het donker totaal niets gezien van de omgeving, dus toen ik vanochtend in mijn ondergoed het gordijn openrukte, stond ik oog in oog met een elftal Turkse bouwvakkers die kennelijk koffietijd hadden op de open bouwput die het hele uitzicht besloeg. ‘Nou ja, ik kom hier toch nooit meer terug’, is dan de gedachte die je maar tevoorschijn trekt als je Life of Brian hebt verdrongen. De tergende hoofdpijn heb ik inmiddels onderdrukt met twee paracetamolletjes. Zometeen pak ik mn tasje en ga ik richting Bozcaada. 

17:00

Ik heb er al weer een dag op zitten en wacht nu op de tweede veerboot van vandaag, die naar Bozcaada. Ik heb vanmorgen een dagtasje gepakt zodat ik voor die ene dag op het eilandje niet mijn hele koffer hoef mee te schleppen. Bij het uitchecken vond ik het ineens raar dat ik nog zo veel briefjes van 50 lira had, en nog maar zo weinig van 50 euro. Ineens dringt het tot me door dat ik het mannetje gisteren 150€ heb gegeven ipv 150 TL. Ik probeer hem dat duidelijk te maken, maar hij wil er niet aan. Misschien helpt het als ik het in het Turks probeer. Met een papiertje erbij laat ik hem zien dat ik hem wel degelijk 150€ heb gegeven. Yarın size yüz elli avru verdim, lira değil, avro. In de deuropening verschijnt de manager en ineens herinnert hij het zich weer. Na een klein rekensommetje en een voor hem godsgruwelijk gunstige koersconversie kan ik eindelijk weg. 

Ik verlaat Gelibolu en rij verder naar het schiereiland Çanakkale alhoewel ik nog steeds niet weet hoe het echt heet, waar ik wat slagvelden wil bezoeken. Het eiland lijkt op Frankrijk, glooiend en groen en met veel akkerlandschap. Maar ook veel lelijke dorpjes, mislukte toeristische hotels, en borden, veel borden, vooral met ‘KÖFTE GÖZLEME ÇAY’, of ‘GÖZLEME KEBAP MANGAL’, of ‘ÇAY KAHVALTI YIKAMA’, of elke combinatie van die woorden. Altijd in hoofdletters. Vele, vele eettentjes schiet ik zo voorbij. Vele, vele verschoten, verroeste, verbleekte borden. Er is in Turkije niet veel nodig om een zaakje te beginnen. Een halfopen kippeschuur met wat golfplaten, paar pallets met geknoopt kleedje erover en wat kussentjes, en een verschoten bord met ‘ÇAY GÖZLEME KEBAP’. En natuurlijk een tuinslang met gaatjes tussen twee electriciteitsmasten gespannen of over de pergola. Je zet een kop thee, perst een sinaasappel uit, bakt een pannenkoek en laat ondertussen je zoon/man/neefje de auto van de gast wassen onder de pergola. 
De Dardanellen (Çanakkale Boğazı) zijn trouwens heel smal, de overkant is zo dichtbij. Veel smaller dan het IJsselmeer. Al de tijd dat ik er rijd stel ik me voor dat het hier vol ligt met oorlogsschepen. Als ik afsla begint zelfs de sfeer van het landschap te veranderen en ik voel me verdrietig. Een verschrikkelijke strijd heeft hier gewoed, soldaten hebben intens geleden onder de meest afschuwelijke omstandigheden. In de brandende hitte, met vlooien, difterie, grote tekorten aan water en voedsel en geen mogelijkheid om de stinkende lijken weg te halen. Een eindeloos lijkende slingerweg door een landschap van naaldbomen rijd ik door. De vorm van de grond lijkt hier en daar op die van Verdun: grillig, met manshoge heuveltjes, gevormd door ingestorte loopgraven en bominslagen. Verdwalen kan hier bijna niet want op een gegeven moment moet ik een weg inslaan die tek yön is, eenrichtingverkeer. 

Als ik bij Lone Pine Cem. kom (wat is nou weer cem? Djem? Vraag ik mezelf af, maar dat is natuurlijk cemetary) parkeer ik de auto achteloos onder een eenzame denneboom. Er staat een bordje bij. Deze denneboom is geplant in 1990. Okee. Van een zaadje van een boom in Australie. Oh? Die geplant is van een zaadje dat een soldaat had meegenomen uit Gallipoli. Ooo, okee.

Ik loop over de begraafplaats waar schijnbaar 4000 Anzacs soldaten moeten liggen en het valt me op hoe jong ze zijn. Ik zie er veel van 18, 22. De volgende stop is de Turkse begraafplaats die van het 57ste regiment. Er staat een reusachtig, slecht gelijkend beeld van Atatürk, de aanvoerder van dit regiment. Ik hoor overal vogeltjes en vraag me af of je die in die tijd ook zou hebben gehoord. Wat ik ook zie is dat in 1915 de mensen hier nog geen achternamen hadden. Atatürk heeft pas na 1923 ingesteld dat mensen een officiële achternaam moesten hebben. Op deze begraafplaats liggen alleen oğlu’s (zoon van), Mehmet İsmailoğlu, Hüseyin Alioğlu, Hasan Salıhoğlu. Ook zie ik dat de gemiddelde leeftijd ongeveer 5 jaar ouder is dan die van de Anzacz. Waarom zou dat zijn? Vragen, vragen. Na een beetje rondgewandeld te hebben stap ik weer in de auto naar het laatste ding dat ik wil zien, het grote monument boven op de berg. Het uitzicht moet er spectaculair zijn en je kan de loopgraven bekijken. Ik draai weer de eenrichtingverkeer weg op en rij bij een vaag bordje door. Waarna ik me realiseer dat dat het was. En ik kan niet terug want … eenrichting verkeer. Als ik het alsnog wil zien moet ik 20 kilometer omrijden. Godfriet. Dat doen we dus maar even niet want ik moet nog een veerboot halen. 

Ik weet niet hoe ik het heb uitgekiend maar ik ben precies op tijd bij de feribot. Als we vertrekken zie ik in het gehuchtje naast Eceabat het klavervormige fort waar ik me de vlekken naar gezocht heb maar niet kon vinden. Okee, laat gaan Blokkie. 

Wat is Çanakkale trouwens een verschrikkelijk leuk stadje. Leuk oud winkelcentrum, levendig. Geen hoofddoekjes, geen ramazan te bekennen. Ik krijg genoeg kans om het te bekijken want ik rij vier keer verkeerd op weg naar Troje. Dat is ongeveer 40 km hiervandaan en moet ik dan maar even meenemen. Het is weer bloedverziekend heet en ja ik loop weer, nog steeds in een lange broek want iedereen. Truva is verderop makkelijk te vinden want overal borden. Dan een enorme parkeerplaats. Zelfde ervaring als Afrodisias, een jaar gelden. Er is bijna niemand, maar je struikelt over het personeel. Als ik net binnen ben arriveert er een touringcar met Chinezen. Terwijl ze selfies maken bij het houten paard van Trojeuitdefilmjawemochtenhethouden, snel ik het wandelpad op. Ik kan je zeggen, hier is al een tijd geen stoflapje doorheen geweest. Troje is een grote bende. Ik zie geen elegante restanten, tempels, fontijnen, rioleringsbuizen, kapittels met afbeeldingen van dieren of groenten en fruit. Niettemin ben ik onder de indruk van de geschiedenis, waarvan er restanten te zien zijn uit 2500vC. Alleen dat paard… Wàt een slecht paard! Ik heb altijd begrepen dat een een soort verstoptruc was, net als in het spanjaards gat. Hoe kan je nou ooit een stad overvallen met manschappen die verstopt zitten in een paard als er twee verdiepingen met raampjes op zitten? Een paard geeft toch geen raampjes? Dan zie je toch meteen dat er mensen inzitten?!!!! Nah ja, ik zal het wel niet begrijpen.
Ik vlucht weg van de bussen, souvenirwinkeltjes en toiletten van Troje en ga nog even naar Alexandria Troas. Als je dit gebied op Google Earth bekijkt, zie je dat het helemaal is opgenomen door de aarde. Iets ten zuiden van het badhuis zie je een deuk in de grond die helemaal is overgroeid en op niveau van de mens waarschijnlijk helemaal niet te zien is. Het terrein moet enorm zijn. Als je zo’n plek bezoekt vergeet je soms dat dit een volwassen stad is geweest. Met genoeg mensen om zulke ingewikkelde gebouwen te bouwen met die loeizware elegant versierde stenen. En waarom zijn die steden er niet meer? Zijn ze langzaam leeggelopen? Of in een keer verwoest en leeggeplunderd? Hoe is het mogelijk dat zulke prachtige bouwwerken niet meer worden bewoond en half of helemaal onder de aarde zijn verdwenen? Ik kan maar een ding bedenken en dat is politiek. De politieke wensen veranderen, er wordt niet meer geïnvesteerd in mens en materiaal, een bepaald gebied heeft geen waarde meer voor de machthebber van het moment. Ik weet het niet maar ik blijf maar aan al die mensen denken, waar zijn ze dan?

In de schroeiende hitte rijd ik door het olijvenlandschap, olijfgaarden zo ver het oog reikt. De weg is slecht en overal dichtgeplakt met kleine stukjes asfalt en desondanks vol met gaten alsof hier nog een oorlog gevoerd moet worden. Na het honderdste bochtje zie ik ineens een stapel stenen boven de olijfbomen uitkomen en ik weet dat ik er ben. Er is geen plek om de auto te parkeren dus ik zet hem half in de berm, hopende dat het mij vergund is dat er niemand tegenop knalt. Aan de overkant van de weg staat een bordje dat naar het struikgewas wijst. Nymphaion staat er op dus mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Ik duik de bosjes in en vind wat platgetrapte takjes wat wel een padje moet zijn dus ik volg het, dit is helemaal naar mijn hart, geen idee waar ik uitkom en of ik überhaupt ooit die bosjes nog uitkom, heerlijk! (Een padje platgetrapt gras wilt trouwens bijna nooit zeggen door mensen platgetrapt. Meestal door geiten. En die klimmen doorgaans beter over de rotsen dan ik. Maar dat terzijde.) Voor mijn voeten vlucht een reusachtige slang weg en mijn geluk is zowat al compleet. Als ik door het struikgewas ben geklauwd, opent het terrein zich en sta ik ineens in een boomgaard. Links van mij richt zich tussen de pruimenbomen een grote toren op. Overal op de grond liggen witten stenen. De toren en alle resten van gebouwen die er naast staan, zijn helemaal overgroeid door planten, vooral van het ondoorkoombare soort, distels en andere prikdingen. En bomen. Ik heb nog nooit zo’n bouwwerk gezien dat zo door zijn omgeving is verslonden. Er is niet heel veel aan te zien verder. Ik heb ook de indruk dat veel details geroofd zijn en beland zijn in Duitse en Russische musea. Dat geldt trouwens voor heel veel van dit soort plaatsen. De Duitsers hebben grof misbruik gemaakt van de achterlopende kennis van de Turken op dit gebied en hebben sinds de jaren 90 van de 19e eeuw ontzettend veel archeologisch werk verricht, Turkije was natuurlijk een droom voor elke archeoloog, zoveel is er nog onontgraven. En meteen meenemen die handel. Als je eens in Berlijn in het kunsthistorische museum bent, ga dan maar eens naar de afdeling Griekse bouwkunst. Alles dat daar staat is geroofd uit Turkije. 

Ik verlaat deze kant van de weg en ga aan de overkant kijken, ook die kant, de Herodes Attikus hamamı, is volledig overwoekerd al staat er wel een bord of ik alsjeblieft niet op de muren wil lopen want gevaarlijk. De grote stenen poort die ineens naast het smalle padje opdoemt is impressive, wel een meter of 6 hoog, dat heb ik nog niet eerder gezien. Voor het gevoel loop ik er een paar keer onderdoor, springend over de schots en scheef liggende stenen op de grond. Dat die waarschijnlijk van boven komen, komt op dat moment even niet in me op. 

Als ik de boot naar Bozcaada wil halen zal ik moeten opschieten want die vertrekt om 17:00 uur uit Geyikli. Dus ik zet er even wat gas op en ben netjes om 16:50 bij de iskele, alleen blijkt dat de boot om 18:00 pas vertrekt. Ik ben blij met de extra tijd om een kop koffie te drinken. Naast de vertrekhaven ligt een voor Turkse begrippen prachtig strand en het is zo heet en ik droom ervan om erin te springen. Zou ik nog tijd hebben om dat te doen? Eigenlijk wel, maar ik kies voor de rust.

Bozcaada is het schattigste eiland dat ik ooit heb gezien. Ibiza, maar dan beter. Veel beter, eigenijk. Het aanvaren op de haven is al een klein feestje, een oude havenkom omringd door restaurantjes, het oude fort aan de rechter kant, vissersscheepjes en netten op de kade. Het doet Grieks aan behalve Turkse rommeligheid en zet je er een voet op, dan wil je meteen alleen maar ergens gaan zitten met een glas wijn. De wind lijkt eeuwig te waaien en het ruikt naar de zee. Mijn hotelletje Ela Tenedos is dicht en ik moet iemand bellen. Binnen vijf minuten doet een tengere blonde vrouw open die moeilijk Engels spreekt maar heel vriendelijk naar me kijkt. Ik krijg een schattige kamer met uitzicht op het fort, het is klein maar lief en wit en schoon schoon schoon. Ze neemt me mee naar boven, het dakterras, waar het ontbijt wordt geserveerd en stelt me voor aan de kokkin, een breed lachend propje van wie ik meteen een kop sterke Turkse koffie krijg. 
Bozcaada is het eiland waar de schepen van de grieken zich verstopten toen ze het paard van troje hadden afgeleverd, dat je het even weet. Verder staat het bekend om de wijnbouw. Wat ze ook leuk vinden om te noemen is de groene energie die komt van maar liefst vier windmolens.

Ik neem een heerlijke douche in de schone badkamer en kleed me om. De hoteldame heeft me een restaurantje aanbevolen aan het water, het is meer een kroegje, maar het eten moet er lokaal en goed zijn. Ik ben de enige en voel me een beetje opgelaten tussen de 32 obers. Het is een beetje frisjes en een van hen legt een rood fleece dekentje over mijn schouders. Ik krijg het menu, maar dat is alleen in het Turks, dus ik heb een klein probleempje. En verdomd als het niet waar is, er wordt iemand bijgehaald die de enige is die Engels spreekt, en die dus óók geen Engels spreekt. Ik vraag wat zij me kunnen aanbevelen. Zij, want ze staan met zijn vieren aan mijn tafel. De Turken beginnen onderling te delibereren en als ik iets van sea food opvang zeg ik dat ik dat wel wil. Ik heb geen idee wat ik krijg. Een uur en een glas rakı later, als ik alles op heb weet ik het nòg niet (behalve aubergine en inktvis), maar allemachtig, wat was het lekker.

Waarom dan.

Ik weet het niet. Ik hoef niets te verzinnen, al heb ik wel steeds het gevoel dat ik iets moet verzinnen, vooral om mijn familie en vrienden te laten ophouden met vragen stellen, of zorgen maken. Ja, er gebeuren vreselijke dingen. Overal gebeuren vreselijke dingen. Moet ik daarom niet meer gaan? En die andere mensen dan, die dat ook allemaal niet willen? Kan ik opgepakt worden? Betrokken raken bij een bomaanslag? Geweldadigheden? Ja, maar het is allemaal zo onwaarschijnlijk. Ik maak me nog het meeste zorgen om een lekke band.
Er is in elk geval nu bijna geen sprake meer van dat ik niet weer ga, of er moet op het allerlaatste moment iets ergs gebeuren. Ik weet ook al bijna precies wat ik wil gaan doen en waar ik heen wil en daar is niet aan te tornen. De eerste week naar de streek Diyarbakır-Bitlis-Hasankeyf-Midyat-misschien Mardin. De tweede periode een zalige week in Istanbul. De derde week helemaal niets doen op het strand (maar natuurlijk toch wat rondrijden). De eerste week heeft me de laatste maanden de meeste hoofdbrekens bezorgd. Moet ik de problemen nu wel opzoeken? Maar tegenover elk tegenargument dat in me opkwam, stond meteen een nuchter antwoord. Wie zegt dat er problemen zijn? “Bitlis? Wat moet je nou in Bitlis? Er is niks in Bitlis”, zei een Turkse jongen tegen me. En: “Ze zijn daar niet gewend aan toeristen, en zeker niet aan alleen reizende blonde Nederlandse vrouwen. En dan ook nog tijdens de ramadan.” Maar er is dus wèl iets in Bitlis. Er wonen toch mensen? En er is Armeense architectuur en een groot kasteel op een berg, en het is vlak bij het El Aman Hani uit de 16e eeuw en op traditioneel Turkse wijze restauratief vernacheld. En ik ben geen toerist. Tenminste niet en die geïnteresseerd is in zaken waarvan anderen vinden dat toeristen die interessant moeten vinden. Ik wil me gewoon tussen de normale mensen begeven, tussen de gewoonheid van alledag, tussen de lelijkheid en de schoonheid van alledag. Boodschappen doen en koffie drinken en ’s avonds op tijd naar bed. En hoe kan ik zo vaak in Turkije zijn geweest zonder in het Koerdische gedeelte te zijn geweest? Ik moet ook wat Koerdische woorden gaan leren trouwens. Rojbaş!

Dag Turkije


Vandaag is het de laatste dag, vanavond gaan we naar huis. Als je alleen bent heb je veel meer tijd om te schrijven en ik loop dus een paar dagen achter. Maar tegelijk heb ik ook niet zoveel meer te vertellen want we zijn gewoon op vakantie. In Bodrum. We liggen een beetje op het strand. We eten wat. We zwemmen wat. Ik schrijf wat. En er is alleen niet genoeg tijd meer om uit te wijden over alle merkwaardigheden van dit land waar ik maar niet genoeg van kan krijgen. Van de eigenaardigheden van de taal, de manieren, hoe je went aan de ezan, de gebouwen, de namen, de gesprekken die je met mensen aanknoopt maar vooral wat het met je doet, hoe je, hoe ik, erover denk, wat ik erbij voel. Gisteren liepen we ’s avonds naar een restaurant en zag ik een poster van Koray Avcı, waar ik een foto van wilde maken maar ik moest even wachten op een oud mannetje met kromme benen dat voorbij liep. Hij stopte en gaf een grote grijns en zei “Benden çek, benden çek”, maar ik begreep het niet en glimlachte wat beleefdheden naar hem en nam de foto die ik wilde nemen, en toen hij al voorbij was begreep ik pas met vertraging dat hij had gezegd, “maak ook een foto van mij”. Had ik die man maar geknuffeld. Of van Izmir, hoe geweldig die stad is, en de Saat kulesi, het Kordon, de aanslag op Istanbul airport, het grote zwarte portret van Atatürk, de Kemeraltı, dat superhotel met die hemelse douche. En hoe Parijs’ die stad aanvoelt met al die jonge mensen en gezelligheid, terwijl ik helemaal niet van gezelligheid hou, ik word er maar cynisch van. Gek genoeg hou ik in Turkije wèl van gezelligheid.

En Efes, wat een magistrale antieke plaats, en de lifter Melih Gök die we meenamen naar Selçuk en een foto van ons maakte. En van Selçuk, waar de hoosbui losbarstte op het pleintje terwijl we net aan de çöp şiş zaten.

En de prachtige kleine antieke plaats Magnesia die we na de hevige regen op de valreep nog even aanschoten, waar we alweer helemaal alleen liepen, waar zoveel nog begraven ligt, waar ik nog een steenverbinding van ijzer vond die in tact was, waar een overhellende muur tegen je zei dat er echt niet met dat ding te spotten viel, waar ik een hals vond van een aardewerk pot, en er een openbaar schijthuis was (latrine), en een knalblauwe libelle, en schuine watergoten, en de voeten van de dikste pilaren die ik ooit heb gezien.

En de vreselijke stranden van Bodrum, echt, hoe verzin je het, je kan hier niet eens een zeilbootje huren, wat doen al die mensen hier, ik kom hier nooit weer. Misschien alleen met een boot ben ik nog over te halen.

En het kasteel van Bodrum, dat toch ineens een aangename verrassing was, en dat ook een verrassing voor mij had, namelijk een bijzonder vreemde afbeelding van ‘Agio Nicola’, in oosterse lotushouding op een wolk zittend, zóiets geks.

Zoveel details gaan voor m’n gevoel nu verloren, omdat ik geen tijd meer heb, sowieso niet genoeg tijd heb om alles te beschrijven wat ik hier heb gezien en gevoeld en gedacht, maar waarschijnlijk interesseert niemand die details, alleen mijzelf. En zo hoort het waarschijnlijk ook, uiteindelijk hebben we toch allemaal de neiging om ons vooral te interesseren voor wat dichtbij ons is en herkenbaar voor ons is en wat we kunnen relateren aan onszelf. Voor mij is het de hang naar het vreemde en onbekende dat me hiernaartoe heeft getrokken, het had in dat opzicht ook Afrika of Zuid-Amerika kunnen zijn, maar mijn interesse ligt nou een keer hier bij geschiedenis, hoe Europese volkeren zich ontwikkelden omdat ik daar zelf deel van uitmaak, en dan uiteindelijk mijn plaats daarin en op de een of andere manier heb ik het gevoel dat voor mij hier alles begint en alles samenkomt.

Alles ligt gepakt in de auto en we maken deze dag vol en onze portemonnee leeg op het strand van Bitez. De hitte is dik als stroop en je hebt medelijden met de mensen die ons hier lopen te bedienen. Helaas is aan deze rijke, volle maand in dit bijzondere land een einde gekomen.

Bodrum


Zondag

En wat hebben we een leuk hotel hier in Bodrum, ontdekken we als we ’s ochtends uit ons nest komen en richting ontbijtzaal gaan. El Vino heet het, whats in a name, en heeft allemaal trappetjes en hoekjes, een grote bloemenzee, gezellig gemozaïekt zwembad beneden met een schattig terrasje en boven ook nog iets van een dakbadje en een jacuzi, die je dan wel weer moet reserveren, beetje jammer. De kamer is heerlijk ruim met een bank en voetenbank en balkonnetje dat veels te smal is om op te zitten maar het is toch veel te heet. Kortom alles derop en deraan, en allemaal lieve mensen die 100 keer per dag vragen of je wel alles hebt wat je gelukkig maakt. Beetje irritant, dat wel, maar jeetje, wat werken al die mensen toch hard en je moet er in NL eens om komen.

Het plan is vandaag een strandje op te zoeken en dat moet toch niet moeilijk zijn want we zijn per slot van rekening in Bodrum en dat moet zo onderdehand wel het walhalla van strandgangers zijn. Maar daar kan je je nog lelijk in vergissen, zo blijkt. Ik hoor over naaldhakken op het strand, dikke auto’s en jachten en dat zou al een grote waarschuwing moeten zijn, maar ik heb nog hoop. Deze eerste dag neem ik Jan mee naar Gümüşlük, dat moet het meest normale, gezellige gedeelte van het Bodrumse schiereiland zijn. De weg ernaar toe is weinig hoopgevend. Reclames reclames reclames en vijftigduizend rotondes en stoplichten en kolossale borden bij afslagen naar resorts en luxe hotels. Onderweg praat Jan honderduit en ik moet bestwel wennen aan al het geluid naast me tijdens het rijden. Voor mij zijn al die dingen buiten niet nieuw meer, maar voor hem natuurlijk relatief wel dus ik accepteer maar even dat het allemaal gepaard gaat met commentaar en dat ik overal voor word gewaarschuwd wat je zoal tijdens het autorijden kan tegenkomen, stoplichten, rotondes, overstekende jongetjes, honden, auto’s die van rechts komen, auto’s die van links komen kortom alles dat de afgelopen twee weken al miljoenen keren mijn pad is gekruist en dit alles gaat gepaard met advies over wanneer te stoppen, rijden en naar links of rechts te gaan. We zijn weer een stel en zo voel ik het ook en het is rete-irritant maar ik vind het ook fijn om mijn man’s zorg weer bij me te hebben.

We komen aan in het kleine dorpje aan zee, parkeren de auto en lopen wat rond in de kleine plaats waar talloze restaurantjes en cafeetjes op klanten zitten te wachten. Het is een schattig, rustig maar toeristisch dorpje met kleine winkeltjes met leuke spulletjes en ik koop een enkelbandje en een paarse bohemien hoofddoek met allemaal kraaltjes en frutsels eraan, niet voor de vorm of dat ik het zo leuk vind om er ineens als een hippie bij te gaan lopen maar omdat mijn haar inmiddels door zon en zee een knisperende bos stro is geworden. Ik moet zeggen het ziet er inderdaad heel lief en gemoedelijk uit, dit Gümüşlük. We zien wel strandstoelen, maar van een strand is eigenlijk geen sprake, het ziet er allemaal erg minimaal uit. Ik vind het eigenlijk allemaal wel best, kan ik in de zon liggen? Ja. Kan ik in zee zwemmen? Ja. Maar Jan trekt zijn wenkbrauwen een beetje op en hij ziet er een beetje verloren uit met die blik dus laten we maar even verder zoeken. We vertrekken en zoeken verder naar een strandje. We komen in bijna verlaten wijken terecht waar huizen staan die half af zijn en eruit zien alsof het failliete bouwprojecten zijn. Maar geen strand. Bovenop een heuvel stoppen we even om naar het uitzicht te kijken en er staat een deur van zo’n verlaten huis open. We kijken er even binnen. Best schattig, piepklein, twee verdiepingen, terrasje, tuintje, maar wat moet je hier? Na twee uur zoeken in de verschroeiende hitte, waarin we ook van twee kanten een private beach van een resort vergeefs proberen te enteren, komen we eindelijk aan op Camel beach, een small, luidruchtig grof heet zandig strand met kamelen, kennelijk, en een heleboel grote Turkse families en schreeuwende kinderen. Het water is ook alweer afgezet met rood-witte drijflijnen en ik heb nu al geen zin meer. Dit kan niet waar zijn. Het kan niet wáár zijn dat dit Bodrum is. Waar zijn die fantastische stranden? Waar is die azuurblauw-groen Turkse zee die ik ken? Ik voel me teleurgesteld en verdrietig, voor Jan maar ook voor mezelf, en het is zo heet, en ik ben zo moe, we besluiten morgen de zoektocht voort te zetten en we geven ons maar over. We zwemmen een beetje, zonnen een beetje, eten en drinken een beetje, maar zijn het erover eens dat we niet begrijpen waar de fuss is all about. Wat er aan mooi strand is, is opgekocht door een resort of hotel, en wat er aan arremetierig strand over is, is voor het klootjesvolk in een bordeaurode Nissan Micra zoals wij. Nee, Bodrum is helemaal niets voor mij heb ik al geconcludeerd.

Aan het eind van de middag gaan we terug naar het fijne hotel, spoelen even af in het zwembad en gaan een avondmaaltijd zoeken. We vinden dat in een zijstraatje bij een restaurantje dat vooral zit te wachten op iftar-gasten zo te zien. Niemand spreekt Engels maar we mogen toch wat lekkers uitkiezen uit de vitrine. Jan kiest voor de kip met friet en ik neem köfte. Jan is nog niet bekend met deze manier van bestellen die niets te maken heeft met rangen of standen, ook de beste restaurants werken zo. Je loopt met de ober mee en wijst in de vitrine een paar gerechtjes aan die als voor- en bijgerecht dienen en soms liggen ook de hoofdgerechten hierin. De kans dat je teveel uitkiest is ruim aanwezig, want alles ziet er heerlijk uit. Ook hier eten we weer heerlijk, het brood jongens, het bróód, en alcoholvrij en voor een schandalig laag bedrag.

In het hotel nemen we op het dakterras met het bedrieglijk schitterende uitzicht nog even een glas wijn en zo is de zondag voorbij.

Maandag
De maandag verloopt eigenlijk ook een beetje zo. Ik heb wel ontdekt dat hier in de buurt Pedasa moet liggen, ook een antieke stad. Die gaan we fijn in de verzengende hitte nog wel even bezoeken voordat we naar het strand gaan. Pedasa ligt ook op een heuvel dus dat is een fijne klim in de brandende zon om een uur of 12. Heel bijzonder is het niet, weinig details. Wel mooi is het uitzicht op de de top bij de robuuste toren en op de weg terug zien we marmeren gestapelde stenen uit de weg steken die wel bij het antieke dorp moeten horen. Ik vind ook een stuk aardewerk dat op een deel van een oor van een pot lijkt. Ik bestudeer het van alle kanten en vraag me af of ik nu nog iemands moleculen aanraak van honderden jaren geleden. Ik leg het uiteindelijk op een berg aardewerk.

We gaan nog een poging wagen om een strandje te vinden en komen bij toeval op Bitez terecht. Ook hier staan weer talloze strandstoelen naast elkaar, er is een boulevardje met eettentjes en het ziet er verder wel netjes uit. Alhoewel we er nog niet echt heel vrolijk van worden nemen we toch maar een stoeltje, en na een duik in het frisse water zijn we eigenlijk wel tevreden. Het is allemaal niet zo idyllisch als we zouden willen, maar we beseffen ons dat we het slechter kunnen treffen.

Jan zijn grote wens is het om nog een lekkere inktvis te eten en seafood is hier volop. Op internet zoeken we een restaurant dat squid heeft en als beste restaurant staat nota bene ons eigen hotel op nr 1 in tripadvisor. Eigenlijk hanteren we de regel dat we niet eten in een hotel tenzij je all inclusive zit, ja sorry, zulke snobs zijn we dan wel weer, als je dat nog niet had gemerkt, maar deze keer maken we graag een uitzondering. De staff komt geleidelijk een voor een voorbij en vragen waar we vandaan komen, en aan een van hen vraag ik voor de grap, “and you are Turkish?”, waarop zijn stemvolume iets omlaag gaat en hij nauwelijks merkbaar zijn hoofd schudt, bescheiden glimlacht en zegt, “I’m Kurdish”, en daarmee is het gesprek meteen afgedaan. Ik ben geïntrigeerd en zou het liefst eens met deze jongen een gesprek aan willen gaan, maar dat komt er helaas nooit van.

Lagina, Milas, Jan


Zaterdag

Het feit dat ik nog tot vanmiddag 15:30 heb voelt als een enorme luxe. Uiteraard sta ik lekker op tijd op en doe nog wat inpakwerk. Het hoeft allemaal niet zo nauwgezet, maar ik vouw wel de shirtjes en de shorts bij elkaar. Als de nood aan de man is smijt ik alles zo die auto in dus ik maak me niet echt zorgen. Van boven naar beneden ‘clear’ ik elke ruimte, eerst de badkamer, dan achteruit tijgerend de slaapkamer, dan de overloop en zo is het boven ‘all clear’ en hoef ik me alleen nog maar om de benedenverdieping te bekommeren. Maar voordat ik dat doe ga ik nog wel even naar het strand. Ik lig daar om 10:00 uur en ik mag van mezelf tot een uur of 12:00 blijven liggen. Ik zoek een rustig bedje uit in het midden van het strand en laat me in het water zakken. Drijvend in het frisse water zeg ik als een kleuter gedag tegen alles, dag mooi blauw water, dag kiezels, dag bergen, dag paragliders. Er stopt een jongen naast mijn stoel met een rare buff om zijn hoofd die me bekend voorkomt. Hij vraagt of ik een foto van hem wil nemen met Babadağ op de achtergrond. Ja hoor, dat wil ik wel. “I came walking from Fethiye to here and now I’m gonna walk there”, verklaart hij. Hartstikke fijn jongen. Hij vertelt over Kayaköy en dat hij door de bergen wandelt. “Do you know the Lykia Way?” Vraag ik hem. Dat had ik beter niet kunnen doen. “Do you know it?”, vraagt hij. “I ran there, 10k”, vertel ik hem. “You’re a runner?”, vraagt hij. En als ik dat bevestig zegt hij dat hij ultrarunner is en komt zijn hele ultramarathon-cv op tafel (vandaar die rare buff) en wat erger is, hij gaat naast me zitten op mijn zonnebedje. Neeeeee, denk ik, neeeeeee, ga van mijn stoel af. Hij vraagt wat ik hier doe, en ik vertel dat dit mijn laatste uurtje op het strand is en ik dan mijn boyfriend ga halen. “Ooooo”, zegt hij, “Your boyfriend, I’m so disappointed.” Ik kan een grijns niet onderdrukken en zeg “So if you don’t mind…..” alsof daarmee te zeggen dat ik dus dat laatste uurtje nog even met rust gelaten wil worden. “Ofcourse ofcourse”, zegt hij, “I won’t disturb you, but you are really beautiful and I really want to kiss you now.” “Okaaayyyy thank you for your honesty but I really think it’s time for you to leave now”, zeg ik. Als hij gelukkig opstaat, zegt hij, “I saw you, and I had to try, I’m sorry.” “Ok bye bye now, have a nice trip.” Gelukkig vertrekt hij dan ook. Ik ben vandaag voor het laatst alleen dus waarschijnlijk is het nu wel afgelopen met deze grappen. Ik heb me eerlijk gezegd niet echt aan dit soort aandacht gestoord de afgelopen weken. Niemand is echt vervelend tegen me geweest. Als ik duidelijk aangaf dat het genoeg geweest was nam men ook netjes afstand. Het levensmotto van deze jongens is kennelijk ‘gewoon proberen ookal is ze net zo oud als je moeder’, en het is wel begrijpelijk want bij Turkse meisjes komen ze niet ver en westerse vrouwen hanteren natuurlijk in de regel een in hun ogen stuk makkelijkere moraal. Ik vind het vooral opvallend dat Turkse mannen totaal niet bang zijn om een blauwtje te lopen, volgens mij bestaat dat hier niet eens.

Op mijn buik op mijn stoel lig nog even om me heen te kijken. Ik zoek tussen de kiezels een paar mooie kleine steentjes uit om sieraden van te maken, en grijp dan een handje ervan en doe ze in een flesje om mee naar huis te nemen. Ik denk niet dat iemand het merkt als ik wat achterover druk. Dag mooie steentjes, dag stoelen, dag Cloud 9, dag zwemmen met zonsondergang. Het is nu wel klaar, ik wil nu mijn man ophalen.

Thuis ben ik al snel klaar en kan ik de laatste uurtjes in het zwembad doorbrengen waarvan het water bijna warm is. Dag zwembad, dag pruimenboom. Om stipt 15:30 ga ik op weg. Dag Atatürk Caddesi, dag Fethiye. Ik ga op weg en ben na ongeveer anderhalf uur al in de buurt van Muğla. Het reizen gaat weer supervoorspoedig. Aangezien ik zo vroeg ben kan ik makkelijk nog wel even een paar antieke plaatsen bezoeken. De eerste die ik zoek is letterlijk van de aardbodem verdwenen. Waar bij Eskihisar iets op de kaart stond, is nu een enorme steengroeve [NB later bleek dat ik gewoon een kilometertje door had moeten rijden naar Stratonikea…]. Balend om de verloren tijd draai ik de weg weer op en zie na tien minuten een bruin bordje Lagina 8 km staan. Ik had Lagina wel op de kaart zien staan maar dacht dat het te ver was, maar die 8 km kan er wel vanaf, dus zonder te aarzelen sla ik af. Na ongeveer 7 kilometer moet ik een grindpaadje opdraaien dat al snel in een met keien vergeven zandpad verandert. Dit gaat helemaal goed komen. Na een aantal bochten en een oud krom boerinnetje draai ik ineens een klein open plaatsje op met een enorme oude olijfboom in het midden en op de achtergrond zie ik witte contouren, stenen, muren, halve pilaren. Er is een dichte slagboom. Er is een ‘gişe’ (loketje) waar niemand meer is en het is inmiddels al een uur of zeven, de zon staat laag en werpt een prachtig warm licht op de schatten die hier liggen. Ik zet mijn auto onder de olijfboom en loop, alweer moederziel alleen, in het warme avondlicht het hobbelige terrein op. De krekels trekken zich niets van mij aan. Krekel is trouwens ‘ağustos böceği’, augustus insekt, omdat ze in augustus het hardst zouden zingen. Een stuk roze marmer ligt voor mijn voeten. Ik raap het op, draai het een paar keer door mijn vingers heen en leg het even verderop bovenop een blok graniet. Het terrein is niet zo groot, maar ik zie de structuur ervan door de chaos van omgevallen muren heen. Een straat, een plein, een tempel, dikke ronde muren van platte stenen en cement van wat op een kleine kerk lijkt. Het is geen woonplaats, blijkt als ik even later een informatiebord lees, maar een tempelcomplex voor Hecate. Als eerste kom ik op een ronde opening waar een paar zuilen omheen staan en een grote marmeren toegangspoort. Dit is de meest opvallende structuur van het terrein. Groot is het niet, maar omdat de zuilen in het rond staan en vanwege de hoge toegangspoort maakt het indruk. Er zijn verschillende trapjes naar beneden die naar een vierkante ruimte leiden, nou ja, ruimte is een groot woord, maar er liggen nog gebroken marmeren vloeren die een idee geven van een ruimte. In de vloeren zie ik tekens staan waarvan ik niet weet wat ze betekenen. Cirkels, vierkanten, kruisen met takjes eraan. Overal in de plaatsen waar ik geweest ben zie ik ze. De trappen hebben een deuk en zijn in zijn geheel verzakt. Ook hier steken overal resten van de roodbruine aardewerk waterleidingen boven de grond uit.

Langs de straat liggen hogere stoepen waar voeten van zuilen staan. Verderop staan een paar bomen die in hun groei hele blokken marmer mee naar boven hebben genomen, hun wortels om andere blokken hebben heengeslagen.

Af en toe sta ik even stil om om me heen te kijken, te genieten en me een voorstelling te maken van de dagelijkse bezoeken aan deze plek van aanbidding. Ondanks de hitte moet het in deze plaatsen overal fris zijn geweest, want er was overal stromend water, er waren goten en riolen en waterbassins.

Een groot deel van wat ik nu zie is enige tijd geleden uitgegraven, maar er wordt hier al een tijdje niet meer gewerkt en je ziet zo dat er nog veel meer onder de aarde verborgen moet liggen.

Na een uurtje ben ik redelijk voldaan en stap ik weer in de auto. Halverwege het knobbelige weggetje zie ik naast de weg nog een vreemde structuur liggen. Het lijkt een groot diep bad bad te zijn met een paar smalle pilaren erin. Er loopt een gootje naar toe en vanonder de stenen vandaan komt een stroompje fris water. Ik heb nog nooit zoiets gezien, het doet me denken aan een doopbad. Ik ben helemaal blij met deze kleine verrassing.

Ik ga nu doorrijden naar Milas, vlakbij het vliegveld, om iets te eten. Ik ben nog steeds veel te vroeg en okee dan, onderneem nog één poging voor een kleine andere antieke vindplaats, maar die is tevergeefs, want de plek op de kaart blijkt nu midden in een stuwmeer te liggen. Inmiddels is het trouwens ook te donker om echt nog iets te kunnen zien, dus ik rij drie keer het troosteloze Milas rond op zoek naar een autentiek restaurantje, dat ik uiteindelijk naast de snelweg vind. Turkije blijft me wat dat betreft verrassen. Als ik stop naast het restaurant Bacakcılar dat bestwel goed bezocht wordt, terwijl het nog geen tijd is voor de iftar, wacht een parkeerhulp op me om in te helpen met inparkeren (waarschijnlijk wilde hij het zelf doen), en krijg ik binnen een mooi tafeltje. Ik bestel een onduidelijk goddelijk lekker soepje, een piraz (bonensalade), een huisgemaakte ayran met schuim en iskender kebap en zit zo verschrikkelijk lekker te eten dat ik het niet eens erg vind dat er weer geen alcohol op de kaart staat terwijl we nog geen 20km van gomorra af zitten. Ook nog kemal paşa bestel ik als toetje en met water en kersensap erbij moet ik 40 lira betalen, ik schaam me er bijna voor.

Ik stap in mijn auto en rij naar het vliegveld. Ik ben zo gewend aan dit verkeer, met rechts inhalende mensen die dan voor je neus linksaf gaan, gewend aan het eten, de hitte, de geluiden, de geuren en ik ben benieuw hoe Jan het straks gaat ervaren. Nog een uurtje tot hij komt. Het is inmiddels helemaal donker en op de flighttracker kan ik zien dat hij geland is, en na drie weken heb ik hem eindelijk weer in mijn armen.

Laatste dagen in Ovacık


Woensdag

Nu het tijdstip van schrijven is aangebroken merk ik dat ik echt begin te wennen aan deze plaats, want ik moet heel hard nadenken over wat ik woensdag allemaal gedaan heb. Heel erg weinig in elk geval. Zoals gewoonlijk veel te vroeg wakker en nog even blijven liggen. Koffie gezet van instantkoffie met gekookte melk uit de magnetron, want ik heb geen lucifers om het gas aan te steken en ook geen zin om een pannetje vuil te maken. Het wordt de heetste dag van de week en ik weet niet of ik het op het strand wel uit ga houden maar ik ga toch. Als ik de straat uitrij en linksaf wil slaan, staat bij cafe Friar Tuck de ober naar me roepen: ‘When are you coming?’, zoals elke keer als ik langsloop. ‘Maybe tomorrow’, zeg ik. ‘That means never’, zegt hij. Dat klopt. 

Ik rij naar beneden door de Atatürk Caddesi, de hoofdstraat van Ölüdeniz want elke hoofdstraat in Turkije heet Atatürk Caddesi, bij de rotonde linksaf en met met een helling van iets tussen de 7-10 graden slalommend naar beneden. Naar een paar bochten zie je vanaf deze hoogte de azuurblauwe zee beneden verschijnen en komt er een grote glimlach op je gezicht en als het goed is hangen er wel een paar paragliders in de lucht. Ik neem een bedje en inderdaad is het bijna niet uit te houden. Beetje lezen, beetje zwemmen, lezen, zwemmen en na een paar uur hou ik het echt niet meer uit. Feyza heeft me verteld dat het strand in Çalış veel fijner is, vanaf de ochtend staat er wind en er zijn restaurantjes cafeetjes aan het strand. Ik besluit dat ik me thuis even ga opfrissen en daar dan misschien nog even ga zwemmen en iets ga eten. Het opfrissen gebeurt in het zwembad want er komt geen water meer uit de kranen in huis. Ik app Yulya (contactpersoon voor de eigenaar) met het probleem en ze zegt dat ze het uit zal zoeken.

Çalış ligt nog iets boven Fethiye dus ik moet ietsje doorrijden en dan een plekje zoeken. Ik zie dat dit inderdaad een heel druk toeristisch gebied is en als je van hordes Engelsen houdt ook inderdaad heel gezellig. Alleen dat doe ik niet, van hordes van wat voor nationaliteit dan ook hou ik niet, daar discrimineer ik echt niet in, en meteen als ik mijn auto uitstap is het al mis, dat soort dingen voel ik meteen. Nou ja, in dit geval hóór ik het meteen want er staat iemand keihard Frank Sinatra te karaokeën. Waar ben ik nu weer beland. Ik heb nu al geen zin meer. Ik kom op een smalle boulevard met daar direct aan het supersmal strand met ook kiezels, maar op de een of andere manier ziet het er wat viezer uit. Het waait hier inderdaad als een dolle, niks van die rustige zee als in Ölüdeniz, ik was even vergeten dat als het waait dat wel lekker fris is maar het water dan ook meteen briesend over de boulevard nevelt. Maakt niet uit, we gaan hier gewoon eten dammit. Als ik vier stappen heb gezet proberen de eerste proppers me al naar binnen te sleuren. Met die proppers of verkopers moet je een beetje leren omgaan en je er vooral niet aan ergeren en serieus, ik erger me aan een hoop dingen, maar dit heb ik inmiddels wel afgeleerd, het heb geen nut. Het is echt heel normaal dat ze darling en my love tegen je zeggen en soms ook schatje, niet aan ergereren, doen ze bij iedereen. Het beste is om gewoon om al doorlopend ‘No thank you’, of ‘Maybe tomorrow’, of ‘Zaten yedim’ (ik heb al gegeten) te zeggen, of als ze vragen ‘Where are you from?’, iets van ‘Mereen’ of ‘Westeros’. Onthou echter dit: hou in elk geval de pas erin. Ik heb het ook afgeleerd om in het Turks te antwoorden want dat geeft maar aanleiding voor een gesprek. (Ja, waarom heb je anders Turks geleerd zou je zeggen, maar met sommige mensen ga je liever een gesprek aan dan andere, ik bedoel, twee dametjes op een pleintje zijn een leuker gesprek dan een ober die je een restaurant in wil trekken.) Eigenlijk heb ik er nogal voordeel van dat ik eruit zie als een toerist, ik heb het gevoel dat het negeren je dan minder wordt kwalijk genomen, of in elk geval jou met nog duizenden andere toeristen gelijkmatig kwalijk wordt genomen zodat het minder erg is. Ik bedenk hier meestal al overdag waar ik wil eten of dat ik misschien wat wil halen of laten bezorgen, dan kan je tenminste doelgericht op je restaurant af lopen. Alleen, Çalış ken ik niet dus ik zoek vooral iets met wifi en behoorlijke tafels en stoelen zodat ik kan schrijven. Ik ga uiteindelijk zitten maar overal aan de muur hangen Engelse voetbalsjaaltjes en ik wil zo snel mogelijk weg. 

Het is iets van 8 uur als ik inderdaad weg kan en ik hoop dat ik nog op tijd ben om in Ölüdeniz bij zonsondergang een duik te nemen. De zon is om 20:20 helaas al onder maar die duik neem ik toch.

Als ik thuiskomt is er nog steeds geen water en ik app Yulya nog een keer. Vijf minuten later belt Mehmet dat hij over twintig minuten iemand langs stuurt. Moet je in Nederland eens om komen. Twintig minuten later staat er inderdaad een mannetje voor de deur die even gaat controleren of dit het enige huis is dat er last van heeft of dat het de hele straat is. Tien minuten later belt Mehmet me dat heel Ovacık zonder water zit. Op de heetste dag van de week heeft de gemeente zonder verdere opgaaf van reden besloten de kraan letterlijk dicht te draaien. Tuurlijk. Mehmet drukt me op het hart om vannacht om twaalf uur of één uur of twee uur even te checken, waarschijnlijk doet alles het dan wel weer, zo niet dan nemen ze morgen maatregelen richting de gemeente. Ik vind het allemaal prima, maar mijn vuile was zit in de wasmachine, de vuile vaat staat in de afwasmachine, en ik kan niet naar de wc dus. En uit de keuken en de badkamer komt een onheilspellend geluid van een drooglopende pomp ofzo, waar ik zeker niet doorheen ga slapen. Daar gaat mijn nachtrust weer verdomme. Ik tap een lege vijfliter waterfles vol met water uit het zwembad om in elk geval toch naar de wc te kunnen en installeer me met een glas wijn aan de keukentafel om naar Zwitserland-België oftewel İsvriç-Belçika te kijken op TRT3 en te schrijven. 

Om twee uur ’s nacht word ik wakker van een reservoir dat volloopt dus volgens mij heeft de gemeente in zijn eeuwige goedheid de kraan weer open gezet. 

Donderdag

De tijd van vertrek komt akelig dichtbij. Ik heb nog niets geregeld voor het verblijf als Jan komt, nog niet gepakt, opgeruimd of schoongemaakt en stel de hele tijd alles uit. Ik denk dat het vrijdag een latertje wordt. 

In ieder geval snak ik naar het strand en ik ga lekker van deze dag genieten in dit heerlijke dorp, waar het op dit moment zo rustig is. Ik heb daar gemengde gevoelens over. Natuurlijk is het heerlijk rustig overal, er zijn genoeg strandstoeltjes om te kiezen en je kan in alle cafés een fijn plekje uitzoeken. Maar ik weet ook hoe mensen hieronder lijden, verkopers zien hun inkomsten soms met 90% dalen en kunnen het hoofd niet boven water houden. Dus ik ‘geniet’ maar met mate van deze rust. Daarentegen is het een prima excuus om te winkelen en geld uit te geven, je wilt de lokale economie tenslotte en beetje steunen, tenminste, ik wel. 

Als het te heet wordt, ga ik naar huis en val in het zwembad om het zout er weer even uit te spoelen en een dutje te doen. Wel wil ik met zonsondergang nog een duik in zee nemen en ik besluit om dan maar even een salade te eten bij Friar Tuck op de hoek, waar ik vanwege zijn naam al met een grote boog omheen zou moeten lopen, maar het zit letterlijk bij mij op de hoek en ik heb geen zin meer om erover na te denken. Als ik het terras op loop kijkt de ober van zijn tafeltje op en zegt: “You came! You said tomorrow and here you are! Where would you like to sit.?”, waarna hij een stoel uittrekt aan de tafel waar híj zit, en er een berg uitgespuugde zonnebloempitschillen op tafel ligt. Prima joh, doen we dat toch. De gebruikelijke vragen volgen, waar komt je vandaan, woon je hier, heb je een Turkse vriend. En dan opmerkingen als: “You look so incredibly Dutch, your face, your eyes, your mouth.” en “What are you doing after” en “What is your facebook”? Ik zeg dat ik nog even met zonsondergang ga zwemmen en dan naar huis ga omdat ik dingen te doen heb. Hij zegt: “I wish I could go with you, I’m telling you, I wish I could go right now.” Nou, der is in elk geval niks mis met zijn arbeidsethos maar allemachtig wat is die gast doorzichtig en vol van zichzelf. Hij zegt: “Maybe at midnight if you want to go for a swim, come by and let me know and we’ll go swimming at night.” Ik zeg: “If I want to I will let you know.” “That means no”, zegt hij. En ja, dat klopt alweer. “You see, I know that European language, I live in Sweden most of the year, and that means no, you just don’t want to be unkind to me.” “Yes exactly”, zeg ik, “Very perceptive of you.” “But why not?”, vraagt hij. “Because I have things to do and my boyfriend would not like that very much”, zeg ik, en ik jou een ontzettende blaaskaak vind, denk ik erachteraan. Hij kijkt me een beetje vermoeid aan. “Did you have to bring up your boyfriend?”, vraagt hij. “And what kind of things?”, want ik ben alleen, dus wat kan ik in vredesnaam voor belangrijks te doen hebben. “I write”, zeg ik, “At night I write, about my month in Turkey.” “Are you gonna write about me now?”, vraagt hij. “I will change your name”, zeg ik grijnzend tegen hem, maar ik heb niet de indruk dat hem dat veel zou uitmaken.

Ik ben ruim op tijd voor de zonsondergang op het strand en installeer me op mijn handdoek. Niemand zit meer op de stoelen, dat mag niet meer na 18:00, maar verschillende Turkse gezinnen zitten nog op het strand in het zachte avondlicht. Het wordt schemerig en de lucht kleurt oranje en roze boven de bergen. Als ik in het water lig probeer ik aan niets anders te denken dan dit moment. Alsof ik er zoveel mogelijk van wil verzamelen, voor als ik in de toekomst het nog eens nodig heb om het terug te halen. Ik heb ooit eens gelezen dat water ouder is dan de zon. Ons lichaam bestaat voor 60% uit water. Dat betekent dus dat ons eigen lichaam voor 60% ouder is dan de zon. En dat mijn tranen die zich hier vermengen met het zeewater altijd al deel van elkaar hebben uitgemaakt, zelfs nog voordat die nu ondergaande zon bestond, en in elk geval de rest van mijn leven met elkaar verbonden zullen zijn. 

Vrijdag 
Ik kom het huis maar niet uit. Het is ’s morgens vroeg al bloedverziekend heet, de deuren en ramen blijven dicht, dan is het in huis nog een beetje te doen. Je merkt dat je lijf zich moet aanpassen, je ademt lucht in die warmer is dan je eigen lichaamstemperatuur, ik heb buikpijn, ben licht in mijn hoofd en er staan de hele dag druppeltjes op mijn armen en de rug van mijn handen. Ook zijn er nieuwe buren gearriveerd, dus het is gedaan met de naaktloperij. 

Het is maar een uurtje of vier rijden naar het vliegveld van Bodrum dus ik vraag aan Mehmet of ik morgen tot een uur of 15:30 in het huis kan blijven en dat kan. Dat betekent dat ik nog een hele dag heb. Ik moet alleen vandaag nog even naar Feyza om mijn ring op te halen. 

Ik breng de laatste volle dag intens genietend op het strand door. Een beetje zwemmen, koffie drinken bij Cloud 9 waar je de paragliders voor je neus ziet landen, beetje winkelen, ik koop nog een tas voor mijn moeder, in de hoop dat ik die voorbij de douane in Nederland gesmokkeld kan krijgen, en weer terug naar mijn strandbedje, meer dan de helft van de strandstoelen is leeg. Richting de baai ligt een gigantisch zwart zeiljacht van wel een meter of dertig voor anker, twee zwarte masten, zwarte zeilen. Er staat weinig wind maar er is wel wat deining zodat in en uit het water lopen op de kiezels aanvoelt alsof je op legoblokjes loopt, maar wat is het water heerlijk, en blauw. 

Op tijd ga ik terug om me even om te kleden en de ring te gaan ophalen. Ik besluit de pot honing uit Istanbul aan Feyza te geven. Als ik aankom staat ze net met een paar mensen te praten dus ik wacht even in de winkel. Ze komt binnen en poseert even voor me met haar vingers wijzend naar haar haar. Er zit een streng paars in en het is geknipt. “How do you like it?”, vraagt ze. Ik vind het natuurlijk allemaal hartstikke leuk en ik krijg thee. Ik breng weer zeker een uur met haar door in die winkel, ze moet zich zo onderhand wel gaan afvragen hoe ze van me af komt, dus op het eind geef ik haar de Istanbulse honing en bedank haar voor de gezelligheid en de thee. Wat een fijne mensen. 

Ik ga door naar Sezai, het andere restaurant dat ze me had aanbevolen en eet daar heerlijk verschillende kleine visgerechtjes met een glas goddelijke witte wijn, en met mijn ipad naast me. Dit is mijn laatste avond alleen en ik realiseer me hoe makkelijk het alleen eten is geworden. Ik voel me veel minder opgelaten en het is zoveel makkelijker geworden om de blikken te negeren en me op mijn eigen bezigheden te concentreren. Ik ben alleen ja, ik schrijf ja, dit ben ik. Klaar.

Ik ben te laat voor de zonsondergang op het strand, dus ik rij maar gelijk door naar huis, want alles moet nog worden gepakt en er moet nog worden geschreven. Morgen nog een paar uurtjes.