Kıdrak, Fethiye, Kadyanda


Zaterdag

Ik moet nog wennen aan alle geluiden, en zeker aan de geluiden van de meltemi die om een uur of twee een onaangekondigd bezoek brengt, en alle houten luiken doet rammelen of opentrekt, de stoelen over terras blaast, de parasol het zwembad in veegt en bovendien de pruimenboom zo heen en weer schudt dat het hele terras onder ligt. Needless to say, ik kan niet slapen. Ik blijf heen en weer lopen naar allerlei luiken om die dicht te trekken en ook het raampje in de badkamer zit los. Ik frommel er een handdoek tussen zodat het in elk geval geen lawaai meer maakt. Om 4:00 ga ik ten einde raad maar pruimen van het terras rapen. Er zitten een paar goeie bij en ik eet ze. Ze zijn heerlijk zoet en zacht zoals ik ze echt al jaren niet heb gegeten. Ik haal een schaaltje uit de keuken en leg de goede pruimen erin. Na een uurtje lijkt de wind wat te gaan liggen en doe ik nog een poging op te gaan slapen.

Ik besluit in elk geval dat dit een luie dag wordt. Ik douche in het zwembad, dat gelukkig verbazend weinig chloor bevat, en pas tegen een uur of 2 ga ik boodschappen doen en een beetje winkelen in het oude gedeelte van Fethiye. Ik neem lekker een mojito, koop een zachte hamamdoek, en duik een sieradenwinkeltje in, barstensvol met echt mooie dingen, aparte dingen, van lokale edelsmeden. Een aardige meneer helpt me en ik koop een zilveren ring met lichtgrijze mozaïekjes en een klein bloedkoraaltje. Hij laat de ring voor me op maat maken, op mijn Nederlandse maat, niet mijn Turkse maat want door de hitte zijn mijn vingers een maat groter. De man is rustig en vriendelijk en kijkt me over mijn bril heen open aan. Hij zijn beleefde manier van aanspreken doet me aan mijn vader denken.

Als ik terugkom besluit ik toch nog even te gaan zwemmen. Sinds een jaar rijd ik weer op dit vertrouwde weggetje, en het idee dat ik hier ben, en straks weer in dat heerlijke water lig, en hier nog een hele week heb, geeft me een intens dankbaar en tevreden gevoel, dat ik ook zo lang mogelijk probeer vast te houden. Ik ga niet naar mijn gebruikelijke parkeerplek (gebruikelijk, nou ja, waar ik de afgelopen paar jaar steeds parkeerde dus), maar onderaan de weg rechtsaf richting de laguna. Ik ben daar nog nooit eerder geweest terwijl dat het plaatje is waar Ölüdeniz bekend van is. Ik heb al bijna meteen spijt want ik moet door een slagboom en wordt beroofd van 25 lira en dan moet ik vervolgens nog een pokke-eind lopen, en in het water ligt de drijflijn al op 10 meter te waarschuwen dat ik daar niet voorbij mag zwemmen, terwijl je er al na drie slagen bent, en dat doe ik dus toch. Maar eerlijk is eerlijk, het is een mooi plekje en vanaf mijn zonnebedje zie ik de zon ondergaan. Door al het slaapgebrek val ik in slaap, want daar lukt slapen natuurlijk wèl.

Op de terugweg naar huis stop ik bij Küçük Ev Kebab om een broodje lamsvlees met sla mee te nemen.

Zondag

Als ik wakker word, check ik vandaag eerst even het nieuws en Twitter. Ik word er niet vrolijk van. Gisteren zijn er in Cihangir (Istanbul) problemen geweest waarbij traangas te pas kwam, de gay pride is geanulleerd, zegmaar verboden, en een alternatief platenzaakje werd aangevallen door een moslimfanaat. Ik stuur een berichtje naar Uğur om te zeggen hoe erg ik het vind. Voor normale mensen is dit een moeilijke en vreemde en onzekere tijd in Turkije. Mensen als Uğur lijden bovendien onder het feit dat Paypal in Turkije niet meer werkt. Buitenlandse bestellingen haken massaal af omdat het grootste deel van bestellingen uit het buitenland met Paypal wordt betaald. Vooral kleine ondernemingen en verkopers op eBay en Etsy en dergelijke lijden daaronder.

Tegen een uur of tien vind ik het welletjes en ik heb ontzettend veel zin om naar het strand te gaan. Het is nog geen tien minuten rijden en langs de kant staat een jongen te liften, waar ik voor stop. Hij moet ook naar Ölüdeniz. Want iedereen die hier staat te liften moet daar naar toe. Een paar honderd meter verder staat een meisje. Nemen we ook mee. Iets verderop nog een jongen, kan er ook nog bij. Allemaal naar Ölüdeniz, zij voor hun werk, ik voor mijn rust. Ik parkeer in het straatje achter Belzekiz Beach waar Ellen en ik drie jaar geleden verbleven. Bijna heel de dag lig ik op het strand en het is goed uit te houden. Het is wel een kiezelstrand en je moet er dus een bepaalde tolerantie voor opbouwen om zonder pijn en ergernis in het water te geraken. Die heb ik dus niet. Maar het water zelf maakt zo veel goed, het is heerlijk van temperatuur en dankzij de kiezels is het glas- en glashelder, en óók een voordeel van kiezels is dat niet heel je hebben en houwen onder het zand zit, je handdoek, je boek, je telefoon, je haar, je tenen, je bikini, je auto, je bed. Je schleppt die zooi allemaal niet mee naar huis, die kiezeltjes blijven waar ze horen, op het strand en niet in mijn bed. Ik vind het heerlijk, ik zeg geen nee tegen het strand op Vlieland, maar doe mij maar kiezels.

Intussen heeft mijn stalker me ook niet met rust gelaten. Ik laat de meeste berichtjes onbeantwoord. Als ik aan het eind van de middag bij Kumsal pide zit te eten stuurt hij me een berichtje, ‘I’m in Ölüdeniz, where are you?’ Met een locatie erbij. Ik zie dat hij 30 meter verderop is. Ik zeg ‘I’m having diner at Kumsal pide’. Ik denk bij mezelf, als ik dan een keer met hem moet eten om ervan af te zijn, dan maar hier en nu en dan kan ik daarna naar huis. Hij zegt ‘Zullen we daarna even wat gaan drinken.’ Ik zeg: ‘Nee, hierna ga ik naar huis om te schrijven’. ‘Hoe laat ben je klaar?’ Vraagt hij weer. Volgens mij hebben we dit allemaal al eens besproken jongen. Toch kan ik het niet over mijn hart verkrijgen om lelijk te doen en te zeggen dat ik hem gewoon echt niet ga ontmoeten. Op de een of andere manier hem ik een beetje medelijden met hem. Tegelijkertijd baal ik ervan dat ik nu hier ben en ik iemand moet gaan lopen ontlopen. Maar voor vanavond is het gelukkig niet aan de orde.

Maandag

Ik vertrek om vandaag naar Kıdrak plajı te gaan, een strandje iets verderop, waar je wel voor moet betalen, maar waar verder niemand is en waar niet honderden strandstoelen staan. Halverwege Ölüdeniz loopt een jongen met een rugzak te zweten in de brandende zon. Ik stop voorbij hem en vraag of hij een lift wil. “No, I’m just looking for the Lykia Yolu”, zegt hij. Het is een Turkse jongen die perfect Engels spreekt, ik schatte hem eerst in als een scandinaviër. Ik geef hem een jaar of twintig en heb medelijden met hem en vraag me af wat hem bezielt om in deze hitte met zware bepakking die trail op te gaan. Maar ik ben ook blij dat ik hem kan helpen, want hij loopt nu helemaal naar beneden, en hij heeft de afslag gemist, anders zou hij helemaal terug omhoog moeten lopen en het is hier akelig steil. Ik heb me vorige jaar de pokke gezocht naar het begin van het pad, bovendien moest daar eerste hulp worden verleend aan mijn bloedende ledematen bij het naastgelegen hotel, dus ik weet precies waar het is. De jongen twijfelt even of deze blonde toerist echt wel weet waar ze het over heeft, want hij had het aan Turkse mensen gevraagd die hier wonen en die zeiden dat hij verder moest lopen. Maar toch stapt hij in en ik vertel hem van mijn zoektocht van vorig jaar en het feit dat ik er 10 km gerend heb. Ik rij een kilometer ofzo terug en sla het weggetje naar het Montana Pine Hotel in. Het Lykia pad staat hier nog helemaal niet aangegeven maar ik rij er zo op af en de jongen slaat een kreet van opwinding en opluchting als hij het gele toegangsbord ziet. “I’m so happy, thank you,” zegt hij. Leuk, weer iemand blij gemaakt vandaag. Voordat ik wegrij zeg ik, “Do you want me to take a picture of you with the sign?”, en dan is zijn dag ook weer compleet, en de mijne ook.

Het strand is vrijwel leeg, een lang en breed strand, vanaf mijn plek zie ik de eerste uren helemaal niemand. Het water is hier wat kouder, maar zo heerlijk, het strand is omgeven door hoge rotsen, je hoort de krekels, en het water, en verder niets. Het is gewoonweg heerlijk, maar ik lig wel aan te braden en ook onder mijn hamamdoek wordt het op een gegeven moment veel te heet.

Ik besluit naar huis te gaan en rij daarna nog even naar Fethiye. In de koele straatjes drink ik een mojito en nog een keer naar het sieradenwinkeltje, Feyza Gümüş ve Hediyelik (zilver en kadootjes). Er staat deze keer een blonde dame in de winkel, Feyza waarschijnlijk, en we knopen een gesprekje aan. Ze biedt me thee aan en vertelt me honderduit over waar ze vandaan komt. Als ze me vraagt waar in Istanbul ik verbleef, en ik Kadiköy zeg, Moda, slaakt ze een gilletje, want daar komt ze vandaan en ze heeft er een apartement. Het blijkt op loopafstand van mijn appartement te zijn. Ze vertelt me waar ik lekker kan eten in Fethiye, en ik heb het echt naar mijn zin en vind ook nog twee prachtige ringen. Ze zegt dat ze blij is met het gesprekje, want het is een heel slecht seizoen, en ze ziet de hele dag niemand. Als het zo doorgaat moet ze de winkel sluiten, en waarschijnlijk gaat ze dat dit jaar doen. Ze heeft een heel goed idee hoe het komt dat er zo weinig toeristen zijn dit seizoen, en dat komt niet door bomaanslagen. Na een ruim uur neem ik afscheid van haar, een van de ringen wordt nog op maat gemaakt en ga ik vandeweek wel een keer ophalen.

Ondertussen is ook mijn stalker weer wakker geworden en ik besluit hem nog één kans te geven, ik zeg tegen hem waar ik ben, dat ik zo ga eten en dat hij mee kan als hij wil. Wel nodig ik ook Alper uit die inmiddels ook in Ölüdeniz is neergestreken wat hij me op facebook heeft laten weten, zodat ik niet alleen met hem ben. Het antwoord dat ik krijg is of ik wel een uur kan wachten want hij houdt zich aan de oruç, dus hij mag pas eten na 20:35. Het moet toch gloeiende niet gekker worden. Ik loop me al weer mateloos te ergeren, ik heb al weer helemaal geen zin om mijn vrijheid op te geven en nu moet ik ook nog een uur wachten. Ik heb nu al geen zin meer. Ik laat hem naar de loungebar komen waar ik zit, niet zo sensitief van me misschien om iemand die aan de ramadan doet naar een loungebar te laten komen terwijl ik aan een mojito zit, maar het is goed hoor. Ik neem hem mee naar het restaurant dat Feyza heeft aanbevolen, Alper komt gelukkig ook en het is nog best gezellig. Ik ga me vooral vermaken als Alper aan Mehmet vraagt waarom hij wijn aan het drinken is terwijl hij zich aan de oruç houdt. En hem vervolgens uithoort over waarom hij zijn president zo geweldig vindt. Alpers ideeën staan haaks op die van Mehmet. Na het eten wil ik direct naar huis maar kennelijk heeft Mehmet nog een vriend uitgenodigd, pardon?, dus “My friend comes, we have to wait.” Volgens mij maak ik dat zelf wel uit en ik ben er inmiddels helemaal klaar mee dat deze jongeman mijn agenda bepaalt. Maar goed, de vriend komt, we drinken nog een kop koffie en het gesprek is best leuk. De vriend heeft een bedrijf dat schepen bouwt en hij laat me het laatste schip zien. Het is een hypermoderne versie van een gület. Praten over de botelarij is natuurlijk altijd leuk. Wat mij betreft is het nu echt tijd om te gaan en als Mehmet opstaat om te gaan betalen zegt de vriend tegen me “You are very beautiful, you look like Paris Hilton.” Ik verslik me in mijn laatste slok en schiet keihard in de lach. Volgens mij zijn die twee dingen een contradictio in terminis, hij wil me waarschijnlijk een compliment geven maar hij beseft zich niet dat hij me niet bepaald een plezier doet met die vergelijking. Ik zeg met een grijns tegen hem: “You should see me by daylight, I’m really ugly.” Hij lacht en begrijpt de hint tenminste en na de reeks diverse uitnodigingen voor vanalles en nog wat (kom eten in het Chinese restaurant van mijn broer, ga mee varen, we gaan morgen met vrienden uit, ga mee) nemen we afscheid. Ik vraag Mehmet waar hij heen gaat, hij zegt dat hij het niet weet, ik zeg, maar waar moet ik je afzetten dan, want je verwacht toch niet echt dat ik je mee naar huis neem? Ik ben er klaar mee. Hij zegt ‘Zet me maar af in het centrum’, wat ik doe en ik kan eindelijk maar huis.

Dinsdag

In deze verzengende hitte ben ik toch echt van plan om vandaag naar Kadyanda te gaan, het moet op ongeveer 40 minuten rijden liggen en aan de foto’s te zien moet het echt bijna zijn overgenomen door de natuur. Ik vertrek een beetje vroeg want ik wil vanmiddag ook nog even naar de grote dinsdagmarkt in Fethiye.

Ik ga lekker onderweg naar Üzümlü waar ik doorheen moet, en dat blijkt een schattig klein dorpje te zijn met prachtige oude huisjes. Zodra ik erdoorheen ben rijd ik door een groene smalle vallei waar aan weerszijden grote strakke villa’s staan met grote auto’s op de oprit. Kadyanda staat met bruine borden aangegeven, maar ik maak me nog geen zorgen. De weg is smal en slecht geasfalteerd en ik moet straks een klein weggetje linksaf en ik heb het vermoeden dat het er niet beter op gaat worden. Op het moment dat ik linksaf moet is het meteen duidelijk dat die veertig minuten vooral golden voor de verharde weg, maar niet voor het stuk waar ik nu op rijd. Ik moet nog 6 kilometer maar ik moet langzaam om de kuilen en keien heen slalommen, en ondertussen kom ik ook maar steeds hoger en hoger en hoger, wat bezielde die mensen om zo hoog te willen wonen en dan ook nog al die keien naar boven te schleppen om er huizen te bouwen? En tempels, en stadsmuren, en baden, en een forum en een amfitheater, zo blijkt. Op de weg ligt vooral grind en zand en ik voel de wielen af en toe wegglijden. Het is ook zo smal dat ik hardop aan het universum vraag of ik alsjeblieft niet voor iemand hoef uit te wijken want dat gaat niet. Ik kijk niet naar beneden met mijn hoogtevrees, het is al erg genoeg dat ik in de aankomende haarspeldbochten alleen maar lucht zie, en ik zie nu al op tegen de terugweg als ik wel naar beneden móet kijken.

Het gaat gelukkig goed totdat ik op het parkeerplaatsje aan kom en terwijl ik zwaai naar de twee bewakers op het eind van de weg afrijd, die ophoudt en daarna een abrupte daling maakt van drie meter. Aan de verschrikte gezichten van de twee mannen begrijp ik dat er iets niet klopt en op het laatste moment trap ik op de rem en door het zand schuivend kom ik net op tijd tot stilstand. Als ik uitstap is het verrassend koel. Ik sta inderdaad in een bos. In de schaduw is het heerlijk en op deze hoogte staat er ook een windje. Ik moet 5 lira betalen en de oudste van de twee zegt me dat ik dit pad hier kan volgen en dan kom ik vanzelf weer hier uit. Ik moet zeggen, gezien mijn afkeer van paden gaat deze er heel best mee door, en dat komt omdat het hele terrein verder onaangetast is, alles ligt er nog precies zo bij als het al honderden jaren doet, en het pad bestaat uit niet meer dan wat steentjes die aan weerszijden zijn neergelegd en de grootste oneffenheden zijn weggehaald. Grotendeels loopt het zelfs over de originele trappen, net als in Kayaköy. Het is puur bedoeld om de weg niet kwijt te raken, wat hier makkelijk kan en mij na 10 minuten al bijna overkomt omdat ik van dat pad afloop. Het is verder niet vereffend met zand of grind of tegels. Ik zie verschillende ruimtes met boogvormige daken boven de grond en de bergen dennennaalden uit steken waar donkere ruimtes onder schuilgaan. Onder een boom liggen de twee mannen een dutje te doen en als ik langskom schrikken ze op. ‘Kal, kal’, zeg ik, ‘burada değilim’, blijf blijf, ik ben er niet. Ik moet eerst een heel stuk omhoog lopen, het hele terrein is bezaaid met half onder de grond liggende granieten en lichtstenen blokken. Ik zie nu ook dat het echt wel redelijk gevaarlijk is om van het pad af te gaan, want het stikt van de diepe putten, nou ja, waarschijnlijk loop ik over ingestorte huizen heen, waar soms water in staat en ongetwijfeld zitten er dan slangen. Op de grond liggen overal roestbruine aardewerk scherven van wat ik vermoed dat waterleidingen moeten zijn geweest. Ik passeer tientallen niet te definiëren muren en muurtjes, ruimtes, bogen, putten en vloeren. Vervolgens een imposante ruimte met veel deuropeningen die een bestuurlijk gebouw blijkt te zijn geweest. Ik ben bijna boven en de hitte slaat weer toe, het zweet gutst van mijn gezicht, rug, armen en benen en ik word constant bezocht door reusachtige horzels en vliegen maar ik weet dat er meer is en ik blijf met grote stappen naar boven klimmen. Ik beloof mezelf dat als ik gevonden heb wat ik zocht ik even mag gaan zitten en wat water drinken.

Als ik dan eindelijk het stadion heb bereikt weet ik dat ik op het hoogste punt ben van wat ik wil zien en het is prachtig. Ik zie ineens dat het heel veel lijkt op het stadion van Arykanda waar ik vorig jaar met Jan was. De hele stad heeft net zo’n indeling. Dat doet me vermoeden dat er nog veel en veel meer verborgen gaat onder dit bos. Het stadion heeft maar aan één kant een lage tribune. De stenen van de tribune liggen nog bestwel op zijn plek. Ik blijf even staan om ze te bewonderen. Toch moet er ook nog een amfitheater zijn dus als ik genoeg heb rondgelummeld op de treden van het stadion vind ik het pad weer en begin ik terug te lopen door het bos. Als ik halverwege het pad ben doemt tussen de bomen in de diepte inderdaad het amfitheater op. Het is echt een complete ruïne en je vraagt je af hoe lang het nog duurt voordat het echt onherkenbaar is. Dwars erdoor heen groeien dennenbomen. Ik hoop niet dat iemand ze, nu ze hier toch staan, ooit weghaalt. Uiteindelijk neemt de natuur alles over. Maar op dit moment mag ik het nog zien. Ik moet ontzettend goed op mijn stappen passen want het pad is steil en smal. Ik geniet even van de tribunes van het amfitheater en vraag me af hoe het ooit is ingestort. Is het snel gegaan of langzaam? Waren er mensen, was het overdag of ’s nacht? En wat gebeurde er daarna? Mensen zullen zich eerste wel niet hebben bekommerd om het amfitheater, maar om hun families en hun eigen huizen. Het ziet er niet naar uit dat er ooit een poging is ondernomen om het weer op te bouwen, al moet ik denken aan de put met de mozaïeksteentjes die werden bewaard om de mozaïeken weer te herstellen, zou men de stad stad dan nooit weer hebben willen herbouwen? Of misschien hebben ze dat wel gedaan en toen ze klaar waren kwam er weer een aardbeving overheen misschien. Met al die vragen blijf ik zitten maar met de prachtige beelden ga ik door.

Beneden gekomen zit daar de oudste van de twee bewakers en ik zeg hem hoe prachtig en bijzonder ik het vind, onveranderd, onaangetast, natuurlijk, alleen een heel eenvoudig, natuurlijk pad. Trots vertelt hij me dat hij het zelf heeft aangelegd. Echt heel heel mooi, zeg ik tegen hem. Hij biedt me thee aan, maar ik bedankt vriendelijk en ik wens hem een fijne dag.

De auto heeft onder de bomen gestaan en is dus niet heter geworden dan hij al was, niettemin gutst het zweet me over de rug en ik ben blij als de airco aan kan. Nu moet ik die vreselijk weg af en naar beneden is nog erger dan naar boven want ik moet de hele tijd remmen, en ik voel de wielen onder me wegslippen. Godzijdank geen enkele tegenligger, ik ben toch zo’n bofkont, en na een half uur met 10km per uur bereik ik eindelijk weer een geasfalteerde weg.

Thuis spring ik lekker even in het zwembad en doe ik een piepklein dutje om maar niet weer meteen die hitte in te hoeven. Maar die markt zal vandaag vanwege de ramadan eerder zijn afgelopen en ik wil er toch even heen. Elke keer als ik hier ben moet ik even langs het mannetje met de houten lepels. Hij staat daar op het pad langs het kanaal, die paar jaren dat ik er kom bijna op dezelfde plek. Hij heeft geen stalletje maar legt zijn spullen zoals zoveel mensen, neer op twee omgekeerde dozen. Sommigen verkopen op deze manier net wat er uit hun tuin komt, peterselie en wortels, olijfolie in plastic waterflesjes van verschillende afmetingen, armbandjes van kralen, en deze man maakt dus lepels van hout. En ik moet ze kopen, elk jaar weer. Hij zal ergens in de zeventig zijn en hij staat altijd wel met een ander mannetje te kletsen. En als je meer dan een ding koopt, knijpt hij zijn ogen dicht om de rekensom te doen. En degene die met hem staat te praten is dan meestal eerder klaar met die rekensom, waarna er een soort grappige woordenwisseling ontstaat. Ik zoek ook deze keer weer een grote opscheplepel uit. Daarna pak ik nog twee spatels, altijd handig. Het mannetje dat erbij staat slaat nieuwsgierig die dame in dat witte jurkje gade en pakt van de omgekeerde doos een stamper op en biedt me die aan. Tegelijk zeggen we ‘sarımsak için’, voor knoflook. Die neem ik ook maar mee. Het mannetje zelf laat me een houten mes zien. Ik heb geen idee wat ik daarmee zou moeten snijden, maar natuurlijk wil ik dat ook hebben. Ik moet 18 lira, ongeveer 6 euro betalen voor vijf dingen. Het mannetje is volgens mij prima tevreden, en dus ben ik dat ook. Vervolgens loop ik door naar de tassen, want principes heb ik toch niet en elke keer als ik hier ben geweest denk ik, ik had die tas moeten kopen. Ik koop een witte en een blauwe voor veel te veel geld, maar het was zo warm, en ik wou eigenlijk alleen maar weg dus die deal moest snel worden gemaakt. Ik ga me meteen uit de voeten maken. Wel herinner ik me dat ik de koningsgraven nog nooit heb gezien en dat besluit ik dan toch nog maar even te doen.

Als ik daar aan kom is het hek dicht, er hangt een hangslot aan. ‘Kapalı mı?’ vraag ik aan een mannetje dat een meter verderop op een stoel zit te roken. Ja, gesloten. Als ik me omdraai om weg te gaan, verrek als het niet waar is, komt good cop ineens kijken. Kom maar, kom maar, gebaart hij, je mag nog wel even naar binnen. Het is acht uur geweest en langzaam loop ik naar boven. Er gaat een betonnen trap zonder leuning rechtstreeks naar het imposante voornaamste graf dat uitgehouwen uit de rotsen uitkijkt over Fethiye. Drie schildpadden kom ik onderweg tegen die me nieuwsgierig aankijken. Als ik tussen de kolommen van het graf even ga zitten en over Fethiye uitkijk dat nu baadt in het roze oranje licht van de ondergaande zon, krijg ik weer even dat geluksvoel: ik mag hier maar toch weer mooi zijn, helemaal alleen, op dit uur van de dag, in dit licht.

Onderaan de rots eet ik een heerlijke Anatolische köfte in het restaurant dat hetzelfde prachtige uitzicht heeft. Op de rekening staat geschreven: “I hope to see you again” met een smiley erbij. Thuis ga ik nog schrijven en kijk ik de wedstrijd Turkije-Tsjechië die eindigt in 2-0. Hier geen toeterende turken door de straat. Alles is rustig, en ik ook, want het was een mooie dag.

Laodikeia poging 2, Aphrodisias, Ovacık


Vrijdag

Ondanks het heerlijke bed in dit mooie hotel op deze gruwelijke plek in deze rare stad Denizli, word ik toch weer lekker vroeg wakker, maar voor even vind ik dat niet zo erg, want ik heb besloten vanochtend ook nog naar Laodikeia te gaan voordat ik vertrek naar Fethiye. Ik ben helemaal blij om aan de dag te beginnen want ik heb op Airbnb het buurhuis gevonden van het huisje waar Jan en ik vorig jaar waren en dat voor deze week vastgelegd. Ik hoef een week lang niet meer te regelen waar ik slaap, een heerlijk vooruitzicht. Ik moet alleen om 18:00 in Ovacık zijn voor de sleutel, het is 4-5 uur rijden vanaf Aphrodisias, en naar die plaats moet ik tenminste twee uur omrijden, en dan wil ik ook Laodikeia nog zien. Ik weet, het is een beetje een krapjes programma, maar dat heb je ervan als je je plannen door andere mensen in de war laat brengen.

Laodikeia ligt op 10 minuten rijden, dus vlakbij Denizli en ik neem aan de derde grote attractie van de stad. Het zal aanzienlijk minder bezoekers krijgen dan Pamukkale waar de toeristen met busladingen tegelijk worden afgezet, in elk geval zijn er op dit uur van de dag nog helemaal geen toeristen. Het is al wel weer heel erg heet, en in een houten stacaravan zitten vier bewakers in uniform iets te bewaken. Ze wijzen me dat ik verderop kan parkeren en betalen. 10 lira is de toegangsprijs en ik kan het immense terrein op. Ik loop over een marmeren weg van tientallen meters lang met een karrenspoor erin en links en rechts ervan afgebrokkelde muren van wat ooit winkeltjes zijn geweest. Zo ver ik kan kijken zie ik marmeren en lichtstenen gebouwen en rechts grote zuilenrijen aan de rand van een plein. Er schieten talloze hagedissen en krekels voor me weg. Ik loop in de hard oplopende hitte naar het einde van de weg en dan naar links, de heuvel op naar het hoogste punt. De plaats komt me erg schoon en georganiseerd over en als ik verder loop zie ik dat er behoorlijk veel mensen aan het werk zijn. Ik zie manshoge blokken nieuw marmer liggen en onder een groot zonnedoek zijn twee mannen bezig ze te zagen en te bewerken. Overal liggen op maat gezaagde gloednieuwe stukken die de leegtes moeten gaan opvullen.

Aan de ene kant begrijp ik de Turkse manier van restaureren: je kan duidelijk zien wat oud is en wat nieuw, en dat is precies de bedoeling. Het moeten geen Amerikaanse toestanden worden waar alles wordt nagebouwd en het zo echt mogelijk moet lijken en niemand meer echt van nep kan onderscheiden waardoor alles zijn waarde verliest. Maar het lijkt er wel op dat hier een hele stad wordt herbouwd en dat is wat mij betreft nu weer net nìet de bedoeling. Ik hou ervan dat er dingen aan de fantasie worden overgelaten en je gedwongen wordt zelf verder te denken. En ik hou er zeker niet van om dingen die honderden jaren en min of meer natuurlijk verloop van zaken hebben gekend, onherkenbaar te vernachelen. En dat is wat ze hier op grote schaal aan het doen zijn en ik ben zo blij dat ik het nog zo mag zien, al betekent het wel dat op elke foto een hijskraan staat, die blokken marmer van 2 ton dwars op twee zuilen legt, want het moet er wel oud uitzien, maar het op de oude manier te bouwen, dat is dan weer net teveel moeite.

Vanaf de top van de berg loop ik richting het grote amfitheater, je wordt er als het ware vanzelf naar toe geleid over de heuvels. In het gras staan grote lichtpaarse bloemen. Er ligt een slangenhuid opgekruld in het dorre gras. Ik wist niet dat ik daar ook nog voor op moest passen. Het amfitheater is net als de meeste amfitheaters uitgegraven uit de heuvel in plaats van erop gebouwd. Good thinking, zou je zeggen want dan kan het bij een aardbeving niet instorten. Niettemin ligt het er toch volledig ingestort en overwoekerd bij en dat maakt het voor mij dan weer zo mooi en interessant. Ik weet zeker dat dit over een jaar, misschien twee, een spiksplinternieuw amfitheater is waar ook weer concerten worden gegeven alsof geschiedenis nooit heeft plaatsgevonden. Misschien ben ik hier conservatief in maar bij dit soort dingen denk ik, haal gewoon af en toe wat onkruid weg en leave it verder the fuck alone.

Ook de christelijke kerk wordt gerestaureerd en omdat ik vanaf een alternatieve route aan ben komen lopen (duh) heb ik niet begrepen aan welke kant van het touw je nu wel en niet mag komen, en blijk ik me dus aan de yasak (verboden) kant te bevinden, waar ik wel degelijk na tien stappen door iemand word tegengehouden die uit het niets is verschenen en mij waarschijnlijk al vanaf dat ik het terrein opkwam gevolgd heeft (alhoewel, hij heeft me ook niet van het dak van die half ingestorte kapel afgejaagd, dus misschien is het toeval). Er ligt een zee aan mozaïekvloeren in de kerk, die met golfplaten overdekt is, en binnen zijn er glazen vloeren aangelegd waarover je via een weloverdachte route door de hele kerk kunt lopen, waarbij je om de paar stappen een bordje tegenkomt waarop geschreven staat waar je naar kijkt. Ik begrijp van mijn persoonlijke bewaker dat dit gedeelte kapalı, gesloten is. Grappig, hij doet hetzelfde als ik al een paar keer eerder heb meegemaakt. Eerst zeggen ze dat het gesloten is waarbij ze blik opzetten waarmee ze willen uitdrukken dat ze je nu gaan wegjagen, en vervolgens als je braaf omdraait om weg te gaan mag je er ineens tòch in. Een beetje good cop, bad cop in één zegmaar. De good cop zegt dus ineens dat ik er wel in mag, maar fotograferen is verboden. Ik snap niet waarom, flitsen is totaal niet nodig en wat zou er verder kunnen gebeuren. Maar ik laat het verder maar uit mijn hoofd. Verschillende vaklui zijn hard bezig de kerk op vakkundige wijze van alle originaliteit te ontdoen maar toch ben ik gefascineerd, en niet zozeer door de prachtige mozaïekvloeren als wel door het feit dat vloer een aantal hoogteverschillen heeft en op sommige plekken wel 30 of 40 cm in hoogte verspringt, een schrikbarend effect van een aardbeving. Ook is een een soort put met duizenden originele stukjes mozaïek erin, die al honderden jaren een soort verzamelput voor mozaïekstukjes is, en als zodanig gebruikt wordt om in de loop van de tijd de schade van aardbevingen te kunnen herstellen. De stukjes die loskwamen na een aardbevingen, werden dus hergebruikt. Wat een fascinerend idee.

In de verzengende hitte op deze morgen ben ik blij met de koelte van de overdekking maar ik moet snel verder, want ik moet uiterlijk om 18:00 de sleutel van het huisje ophalen. En als ik nog twee uur moet rijden naar Aphrodisias en 4 uur naar Ölüdeniz, wordt dat krapjes.

Een deel van de weg naar Aphrodisias is zegmaar weggehaald en daar had ik even geen rekening mee gehouden. Ik rijd hier kilometers lang gewoon op grof grind en dus halve snelheid. Aan het eind is men aan het asfalteren en ik merk hoe ik hier vanuit mijn werk naar kijk: hoever van te voren er wordt afgezet bijvoorbeeld, er staat hier 20 meter voor de asfalteertruck een mannetje met een rode vlag te zwaaien. Van een omleiding of afzetting is geen sprake. Hoe die mannen erbij staan is echt levensgevaarlijk, ik zie ook geen helmen of hesjes of veiligheidsschoenen oid.

Ik ben blij als ik eindelijk de afslag naar Aphrodisias vind die direct aan de weg ligt. Helaas is er een slagboom die niet open gaat en even ben ik bang dat het terrein ‘kapalı’ is, maar aan de overkant van de weg waar ik net vanaf kom, staat iemand in een uniform. Hij zegt dat ik er niet heen mag met de auto, maar ik mag de auto hier parkeren en dan mag ik plaatsnemen in die kar achter die trekker, die elke 5 of 10 minuten naar het terrein vertrekt. Ik begin een bang vermoeden te krijgen dat Aphrodisias helemaal niet zo’n ‘onontdekt’ pareltje is, vanwege de afgelegenheid, als er al openbaar vervoer naar toe is geregeld.

Gelukkig is er niemand anders en is de bestuurder van de trekker bereid om meteen te vertrekken. Als ik op het terrein aankom blijkt werkelijk alles al geïnstitutionaliseerd te zijn, tot aan de wc’s toe. Er is een museum, een cafe, een souvenirwinkel, een open tentoonstellingsruimte en ik heb nu al geen zin meer.

In de tentoonstellingsruimte blijken prachtige foto’s van Ara Güler te hangen, die deze na de ‘ontdekking’ in de jaren 70 heeft gemaakt van de omgeving. In het naastgelegen dorpje bijvoorbeeld, staat op het pleintje onder een boom een stenen bankje waar al eeuwenlang oude mannetjes ’s middags zitten te praten, dat bankje blijkt een eeuwenoude Griekse bank te zijn. In de huizen van de mensen zijn kapitelen te vinden die als tafel worden gebruikt of om een muur of vloer te ondersteunen. Ik koop een pakje ansichtkaarten met foto’s en sla museum en cafe over. Ik ben van plan om in sneltreinvaart over het terrein te gaan want ik zie nu al dat overal wandelpaden zijn aangelegd waar ik niet van plan ben op te blijven lopen en ik loop dan ook al snel een veldje op waar nog niets mee lijkt te zijn gedaan. Het veldje is helemaal zwart en lijkt kort geleden te zijn verbrand. In de zwarte as zie ik looppaadjes die ik hier maar wel liever even volg, want ik weet niet waar ik eigenlijk precies op sta en wat de kans op instorting is. Hoe verder ik loop, hoe meer granieten blokken en zuilen ik tegen kom. De blokken zijn ongeveer 2 meter lang en hebben een de vorm van een dak en ineens realiseer ik me dat ik op een begraafplaats sta. In de verweerde hoofdeinden zie ik onder het verbrande mos Griekse inscripties. Sommige versieringen zijn nog haarscherp en ik zie hoofden, kransen, vogels, vissen, druiventrossen.

Aan het eind van het officiële pad ligt het amfitheater waar ik op klim en zelfs achter terecht kan komen, en het is waarschijnlijk niet de bedoeling dat ik hier kom want er is niets aan gedaan. Het onkruid en gras staan zo hoog als ik zelf. Ik zie de toegangspoorten van verschillende verdiepingen tot het theater net boven de aarde uitsteken. Er lopen hier kleine paadjes naar beneden naar het dorp. Onder een van de bogen liggen een paar planken bij wijze van bank, en er liggen wat sigaretten en blikjes. Kennelijk is dit de hangout van de lokale jeugd. Naar boven klimmen is te steil en ik durf het niet aan. Ik wil nu alleen nog even het kerkje zien en klim via de binnenkant van het amfitheater naar benenden, loop over het podium terug naar het wandelpad. Daar kom ik twee mannen tegen met officieel uitziende pasjes om hun nek. Ze passeren me, overleggen dan even en komen dan op een drafje achter me aan. Of ze me de weg moeten wijzen? Nee hoor, dat is niet nodig, bedankt. Maar we doen het graag hoor, het is ons werk! Er zijn dus verder geen bezoekers, maar het terrein loopt wel vol met museumpersoneel, verkopers, gidsen, trekkerchauffeurs en weet ik wat al niet meer. Het komt over als nogal pijnlijk. De twee hebben alle tijd van de wereld, maar ik niet en het blijkt lastig om ze af te schudden. Als ik uiteindelijk doorloop, komt er eentje toch nog achter me aan gehold. Of ie even een selfie van hem en mij mag maken. Ja hoor, dat mag. Vrolijk loop ik weer verder. Ik kom langs een muur van de prachtigste opgestapelde kapitelen. Vervolgens langs een enorm plein dat een soort bad moet zijn geweest. Ik ga van het pad af en klim naar beneden, en loop langs de zijkant, waar nog resten van pilaren staan, naar het eind. Het is hier ontzettend nat en zie hier en daar aardewerk leidingen boven de grond uit steken. Het waterleidingsysteem moet hier gewoon nog onder liggen. Ik hoor naast me ineens een zacht geritsel en zie een slang van ongeveer een meter stilhouden. Als ik me beweeg om een foto te maken, ritselt hij een struik in. Dit is de eerste keer in mijn leven dat ik een slang in het wild zie. Als ik aan het eind ben gekomen zeg ik tegen mezelf dat ik nu ècht naar de uitgang moet en ik begin al een beetje te snelwandelen als ik mijn twee behulpzame vrienden ineens weer tegenkom en weer moet uitleggen dat ik echt niet hoef te weten wat waar is want ik weet heel goed wat waar is en waar ik naar toe wil en eigenlijk ben ik een ontzettend vervelend en ongezellig mens, dat alsmaar weet wat ze wil en dan ook helemaal niks anders wil, terwijl soms zo besluiteloos dat ik er gek van word. Gelukkig is er verder niemand bij me die zich aan mijn roteigenschappen kan ergeren. Ik vlucht snel naar de uitgang. Als het goed is kan ik weer op dat idiote karretje stappen met die trekker ervoor, maar er is niemand bij de trekker te zien. Er zit wel een groepje van zes man achter de gişe (ook zo’n lekker frans woord) te praten, maar die zijn natuurlijk niet van de trekkerij. Maar mij wordt beloofd dat de trekkerchauffeur zó komt. Nou wil ik verder geen oordeel vellen over de betekenis van het woord zó, dat zomaar van alles kan zijn, maar ik zie inmiddels een of andere medewerker op een motor aan komen racen en krijg toch een idee hoe het sneller kan. Ik stap op hem af, zeg dat ik graag naar mijn auto terug wil, trek mijn liefste gezicht erbij en vraag of hij me misschien even wil brengen. Ik ben nog niet uitgesproken of natuurlijk natuurlijk, buyurun buyurun, en ik spring bij de man achter op de kawasaki en in minder dan een minuut zit ik in mijn voorverwarmde auto. Gelukkig had ik de raampjes een stukje opgelaten.

Ik kan eindelijk aan het laatste, langste stuk van vandaag beginnen. Ik ben zo ontzettend moe, en vies, en ik snak naar rust en een douche en ik kan niet wachten om me te installeren in Ovacık. Op Spotify heb ik Turkse muziek opgezocht en bijna de hele weg luister ik heerlijk naar Pinhani. Ik geniet van de route en al het prachtigs van het veelzijdige landschap. Ik laat de verhuurder weten dat ik er om 18:00u ben, maar ik ben er om 17:00 al. Verhuurder, ook Mehmet toevallig, (“But you can call me Charlie.” Huh? Waarom zou ik je Charlie willen noemen als je Mehmet heet?) doet een rondje huis met me, geeft me zijn telefoonnummer en eindelijk ben ik alleen in dit heerlijke huisje. Ik loop een beetje rond om te verkennen. In de tuin staat een pruimenboom met rijpe pruimen eraan. Binnen is het koel en ik breng mijn spullen boven. De kleren die ik aan heb doe ik meteen in de wasmachine. Bij de buren is niemand aanwezig dus in mijn nakie laat ik me in het kleine zwembad zakken. Ik ben zo ontzettend dankbaar voor dit koele water, en de eenzaamheid, en de rijkdom van wat ik vandaag heb mogen meemaken, en het feit dat ik hier veilig ben aangekomen, ik ben niet eens groot genoeg om alles te bevatten. Vandaag verder even niets meer. Alleen hopelijk goed slapen.

Pamukkale, Hiërapolis, Laodikeia

Donderdag

Ik wil zo snel mogelijk weg uit dit vreselijke hotel en deze kille stad, maar ik moet eerst nog even een goed ontbijt nuttigen want de dag is lang vandaag, ik ga naar Denizli. Er is een ontbijtbuffet maar toch lopen er verschillende knipscharen heen en weer te rennen om van alles te brengen, wat in mijn optiek een redelijk nutteloze bezigheid is maar het zal wel iets met hospitality te maken hebben. Ik neem een Turks ontbijt met tomaten en olijven en ei en kaas en er is zelfs café au lait. Ik check nog even mijn berichtjes op de hotel wifi en er zit er ook eentje bij van Mehmet op couchsurfing, die voor de veertigste keer vraagt wanneer ik kom, terwijl ik hem ook al veertig keer heb verteld dat ik niet kom. Omdat ik totaal het punt voorbij ben dat ik ‘basic overnachten’ nog bij het avontuur vind horen. Ik vind het slaapgebrek maar ook het feit dat ik ’s avonds gewoon alleen wil zijn en wil kunnen schrijven en vroeg naar bed (proberen te) gaan prima redenen om een fijne slaapplaats uit te zoeken. Meaning: het fijnste hotel van de stad. Maar dat zeg ik er natuurlijk niet bij tegen Mehmet. Ik negeer het berichtje voor nu maar even.

Als mijn autosleutel uiteindelijk is gevonden, wordt mijn auto voorgereden en ik ben op weg. Toch wil ik voordat ik de stad uit rijd, zien of ik nog een mooie foto kan maken van zo’n straatje met de berg. De hele wijk die direct aan de berg vastligt is eigenlijk helemaal zo oud. Ik aarzel niet om de eerste de beste straat vanaf de hoofdstraat in te rijden. Ik wil er ook niet te veel tijd aan spenderen. Maar ik heb meteen geluk en parkeer mijn auto op een klein pleintje voor de moskee. Voor de zekerheid zet ik in Google maps een vlaggetje waar hij staat zodat ik snel de weg terug kan vinden. Het ene schilderachtige straatje na het andere komt om de hoek kijken en hier en daar neem ik foto’s. Voor een deur zitten twee oude dametjes te praten en nieuwsgierig naar me te kijken. Eentje roept iets naar me. Ik versta het niet meteen en dan herhaalt ze het nog een paar keer. Of ik een actrice ben. Ik loop naar ze toe en knoop een klein gesprekje aan. Nee, ik ben gewoon toerist. Waarom maak je foto’s van die oude rommel? Daar staat de moskee, die is toch veel mooier? Ik zeg ze dat ik die oude huizen juist mooi vind, ze hebben geschiedenis, en er is zoveel kleur, de huizen zijn van een verschoten geel, roze, blauw, groen. Het dametje met de hoofddoek, trouwens niet onder de kin geknoopt maar achter in haar nek, heet Remsiye en de andere zonder hoofddoek heet Hamire, als ik het goed heb verstaan. ‘Selfie, selfie’, roept Remsiye schaterend, en ze wijst op de plek tussen hen in. Hamire spreekt zelfs een beetje Engels. Ik vind het allemaal prachtig en ik hurk tussen hen in en maak een selfie van ons drieen. Ik had hem graag naar ze opgestuurd maar dan ga je weer moeilijk lopen doen met adressen en geen email enzo en daar heb ik dan weer even geen zin in of tijd voor. Ik ga op weg naar Denizli.

Het is zo’n 220 km rijden, google zegt 2u40 maar dat vermenigvuldig ik voor het gemak maar met twee. In Denizli wil ik eerst naar Pamukkale en Hiërapolis dat er aan vast moet liggen, dan naar het hotel, en dan eind van de dag nog naar Laodikeia. Maar het loopt allemaal anders.

Heel de weg ben ik aan het genieten, het schiet best lekker op, er zijn geen wegwerkzaamheden en zoals heel de tijd al na Istanbul is er hier geen kip op de weg, of eigenlijk dat dan weer juist wel, kippen, en andere boerderijdieren, maar echt maar een enkele andere auto. Je vraagt je af waar ze die fantastische wegen voor hebben aangelegd als toch niemand er gebruik van maakt. Een egotrip van de dienstdoende minister van verkeer? Als ik ongeveer tien kilometer van Denizli verwijderd ben, staat er op de rechter rijstrook een man in de brandende zon met een grote rugzak. Nu neem ik echt niet elke lifter mee, maar voor mensen met een grote rugzak in de brandende zon maak ik een uitzondering, die kan ik echt niet laten verpieteren, dus ik stop. De jongen stapt in en de rugzak blijkt een parachute te zijn, althans die meen ik te herkennen van Ölüdeniz, dus ik vraag ‘Bu paraşüt mü?’ en inderdaad het is een parachute en de jongen is komen vliegen vanaf Pamukkale, ‘so I’m on my way to Pamukkale’, zegt hij. ‘Me too’, zeg ik en hij is blij dat hij zo lucky is. Natuurlijk ontstaat er een gesprekje, zijn naam is Alper en hij is aan het trainen om tandemparachutist in Ölüdeniz te worden, waarvoor je 200 kilometer ofzo vliegafstand moet hebben. ‘I want to buy you some food when we get there’, zegt hij, en alhoewel ik er helemaal niet op zit te wachten dat iemand mijn plannen door de war gooit, wàs ik al van plan om iets te eten bij aankomst, dus okee dan, tegen hem zeg ik natuurlijk ‘yeah yeah great ofcourse!’ want je wil die jongen zijn vrolijke hospitality ook niet meteen de nek om draaien. Ik zeg hem dat ik zin heb in pide, want dat heb ik nog helemaal niet gehad deze twee weken, dus hij weet wel een goede pide zaak. Als we daar zitten vertel ik hem dat ik nog even antwoord moet geven aan iemand van couchsurfing, ook een parachutist by the way. ‘What’s his name? Vraagt Alper, ‘Maybe i know him’. ‘Tuurlijk’, denk ik bij mezelf. ‘Mehmet’, antwoord ik. ‘What does he look like, do you have a picture?’. Ik laat hem het profiel op couchsurfing zien. ‘Aahh, Mehmet C.’, roept Alper. ‘Ill give him a call’. ‘Neeee’, denk ik bij mezelf. ‘Sure’, zeg ik, ‘ask him if he wants some pide.’

Mehmet blijkt een gast van couchsurfing bij zich te hebben, Amy uit China. Eigenlijk is het nogal gezellig aan die tafel met vier van die verschillende mensen die door het toeval bij elkaar zijn gebracht. Daarbij komt dat ik een knalgeel shirt aan heb en amy een knalgele regenjas, dus samen zien we er uit als een paar kuikens. We vallen ook nogal op als twee ‘yellow chicks’. Alper staat erop voor alles te betalen en daar voel ik me niet prettig onder maar ik laat het gaan. Ik ben op een gegeven moment al aan het afscheid nemen als er tussen de Turken nog wat onderhandeld wordt en Mehmet en Amy doodleuk bij mij in de auto stappen want die hebben besloten met mij mee naar Pamukkale te gaan. ‘Neeeeee’, denk ik bij mezelf, ‘neeeee’, maar er is weinig aan te doen. Amy spreekt prima engels, Mehmet verrektes slecht maar hij praat honderduit. Ik doe vrolijk mee maar denk ondertussen alleen maar ‘hoe lang gaat deze grap duren?’ Als ik alleen was geweest was ik in een half uurtje over dat Pamukkale heen gedenderd en daarna heel efficiënt Hiërapolis uitgekamd, maar dat gaat nu niet. Er ontstaat een heel apart jojo-effect als je zo met zijn drieën bent, maakt niet uit of je elkaar kent. Op het moment dat ik ergens heen loop, aarzelen de andere twee of ze met me mee zullen lopen of ergens anders heen gaan, en die aarzeling voel ik en dan begin ik me af te vragen, moet ik nou op ze wachten? Waardoor ik automatisch afrem. Verschrikkelijk, wat irritant. Amy komt ongeveer tot mijn schouder en reist alleen, wat ik al opmerkelijk vind voor een Chinese, en ze praat gezellig mee en heeft een goed stel hersenen bij de hand. Onze gastheer vind het natuurlijk al lastig om zichzelf uit te drukken in het Engels maar ook intellectueel is het gesprek met hem ook niet echt uitdagend. Voortdurend blijft hij me uitnodigen voor vanalles en het is moeilijk om hem uit te leggen dat ik alleen reis, ik reis alleen Mehmet, alleen, dat betekent niet dat ik dus alle tijd van de wereld heb, ik begrijp dat je dat denkt, maar ik moet verder. Als ik vertel dat ik de dag daarna naar Fethiye ga, blijkt hij een huis in Fethiye te hebben en daar deze week heen te gaan. ‘Nee toch’, denk ik bij mezelf, en ik weet niet waarom, want ik ben niets aan deze jongen verplicht.

Gelukkig is Pamukkale verschrikkelijk, dus ik vind het niet zo erg dat ik het niet kan zien vanuit mijn eigen pure solitaire blik, alleen ik wil inmiddels allang weg, en dat stel blijft maar dralen. Mehmet jojoot tussen Amy en mij heen en weer als een soort kuikenhoeder die het nest bij elkaar probeert te houden. Ik ben me over de witte namaakbassins al terug aan het bewegen. Het is zo heet en ik draag nog steeds een lange broek. Een paar mannen zitten in het stromende lauwe bronwater, wat moet dat heerlijk zijn en ik overweeg een korte broek uit de auto te halen en er ook in te gaan zitten, en als ik alleen was geweest had ik het misschien gedaan, maar ik heb volstrekt geen zin om miss wet t-shirt te spelen waar mijn stalker bij is.

Ik erger me groen en geel aan het gedraal en weggaan kan niet want ik heb die twee mee naar boven genomen dus ik zet ze ook weer beneden af, maar het liefst had ik het nu op een drafje gezet. Ondertussen laat Amy, gekleed in haar gele regenjas met hoedje, ik snap niet hoe ze het uithoudt, zich in alle klassieke Facebook poses fotograferen en stort Mehmet allerlei oninteressante wetenswaardigheden over Pamukkale over me uit. Het is natuurlijk bronwater (niet, want dat ruikt niet naar chloor). Hier komen veel toeristen. De Grieken hebben er een stad op gebouw. Ik begin nu toch maar langzaam terug te lopen. Mehmet en Amy volgen me alsof ze toch aan dat elastiek zitten. In een van de basins staat een blond meisje in een bikini te poseren tegen de muur. Als mijn zus dit zou zien, zouden we elkaar aankijken en zeggen ‘voor de catalogus’ (en dan hebben we het dus niet over de Wehkamp). Mehmet echter vindt het allemaal prachtig en loopt als een dolle hond om me heen te springen en te vragen of ik het allemaal wel gezien heb terwijl van opgewondenheid nauwelijks uit zijn woorden komt waar hij ook nog zo hard bij grinnikt dat hij bijna in ademnood komt. Ik vind de situatie zo gênant dat ik door loop en de andere kant op kijk en niet reageer op Mehmet’s dierlijke pret. Wat is dit voor een gast? En belangrijker: hoe kom ik er zo snel mogelijk van af?

Ik heb er al helemaal geen reet zin meer in om Hiërapolis op te gaan. Het terrein is enorm en het moet spectaculair zijn maar ik zie al wel weer overal bordjes staan die je vertellen waar je naar staat te kijken en paden en paaltjes met lint ertussen dus voor mij hoeft het al niet meer in deze bloedverziekende hitte. Mehmet wijst op het romeins bad wat we toch gezien moeten hebben, ik ga er maar weer bij naar binnen, hopend op koelte, waarna ik in een ruimte kom die het midden houdt tussen de orchideehoeve en een restaurant in een dierentuin, er zit een soort zwembad in met planten erom heen en er staan plastic stoeltjes van de cafés en er zijn winkeltjes met souvenirs. Ik besterf het zowat. Amy maakt duizenden foto’s en alles duurt allemaal weer veels te lang.

Godzijdank komt er een eind aan de ellende en we lopen naar de auto. Ik heb inmiddels barstende koppijn. Laodikeia kan ik nu wel vergeten, ik wil alleen nog maar zo snel mogelijk naar mijn hotel. In de auto vraag ik waar ik Mehmet en Amy af moeten zetten. ‘We will go to the mountain and eat something’, zegt Mehmet. ‘No no, I’m going to the hotel now, I’m dropping you off.’ antwoord ik. ‘Tomorrow I have an exam at two o’clock but after that we can go have a drink or something’, zegt hij. ‘No I can’t, I’m leaving at 8’, zeg ik. Wat denkt die jongen wel niet?  Heeft ie het nu nog niet begrepen? Ik kan alleen maar denken, je hebt al een dagdeel en drie expedities voor me verknald, het is nu verdomme wel eens klaar. Bovendien verdraag ik het niet om nog een minuut langer dan nodig naar het gewauwel over zijn politieke opvattingen te luisteren, er is werkelijk geen zalf aan te strijken. Journalisten moeten de gevangenis in ja, omdat ze eerst allemaal aardige dingen over de regering zeiden, en nu niet meer. Zelfs voor mij, echt waar, ik ben er helemaal klaar mee.

Het kost me inmiddels ook volstrekt geen moeite meer om te zeggen dat ik geen zin meer heb om ergens heen te gaan, ik alleen wil zijn en ik wil schrijven. Hoezo alleen zijn? Hoezo schrijven? Wat moet je schrijven dan? Hoe laat ben je klaar?

Het kost me daarentegen nog bestwel veel moeite om hem en Amy en een vriend die ineens ook door mij opgehaald moest worden aan de andere kant van de stad, mijn auto uit te krijgen, maar eindelijk ben ik dan in mijn hotel. De bellboy schleppt mijn 30 kilo naar mijn kamer en ik bedankt hem met 5 lire, ik had even niet anders. Ik neem twee Turkse aspirines, een glas zelf meegebrachte wijn (ook hier geen alcohol in de minibar), de kamer is knisperend wit, nieuw, koel, betegeld (niet van die gore onduidelijke vloerbedekking), de badkamer van glanzend marmer met een douche waar wel tien mensen onder kunnen, en werkelijk waar, ik heb het nog nooit meegemaakt, zelfs de afstandbediening van de tv is schoon en durf ik zomaar aan te raken zonder huishoudfolie eromheen. Bij wijze van spreken.

Het enige verlangen dat ik nog heb is een kop fijne koffie. Als ik buiten kom, blijkt dat ik dat kan vergeten. Ik zie alleen twee zaakjes met tl-buizen en döner en je kan als regel aannnemen dat als er één van de twee aanwezig is, je er geen fijne koffie kan krijgen. Ik keer rechtstreek om om naar het hotel te gaan en zie in mijn ooghoek iemand naar me kijken. Ik steek direct de straat over recht naar het hotel en de persoon doet hetzelfde. Ik probeer nog af te buigen maar hij versnelt zijn pas en staat ineens voor me. Het blijkt de bellboy te zijn. ‘Kan ik je ergens mee helpen?’, vraagt hij met een vriendelijk jongensachtig gezicht. ‘Ja, ik zoek eigenlijk een zaakje waar ik een goede kop koffie kan krijgen’, zeg ik tegen hem. ‘Dat weet ik wel’, zegt hij, ‘Kijk, daar verderop bij dat gele licht? Daar is een shopping mall, daar kan je wel een kop koffie vinden.’ Verdomme. Hij steekt zijn hand naar me uit. Daarin ligt een zachte bal, ik kan niet goed thuisbrengen wat het is. Hij duwt hem nog iets naar me toe, ‘Voor jou’. Ik pak de bal verbaasd uit zijn hand, het is een soort stressbal, en voelt eerlijk gezegd aan als een borst. ‘Wat is het?’, vraag ik. ‘Een ballon met water’, zegt hij, ‘Als je die tegen iemand aangooit spat hij uit elkaar’. Soms maakt een kleine absurditeit je dag weer goed. Die fijne kop koffie heb ik nooit gevonden.

Naar Afyonkarahisar


Woensdag

Ik heb heerlijk geslapen in dit fantstische hotel, helaas maar tot een uur of zeven. Maar er zit geen ontbijt bij dus ik heb een mooi excuus om in dit leuke stadje een ontbijtje te gaan halen. Reizen is eigenlijk niets anders dan een verdringingsreeks van maar een paar vragen: wat wil ik zien, waar eet ik, waar slaap ik en met wie praat ik? Ik vraag aan de receptionist van vandaag waar ik een ontbijtje kan krijgen en verdomd als het niet waar is, ze stuurt me naar een “mall” voorbij de rotonde, ik hoef alleen maar de trambaan te volgen. Wat hèbben die mensen toch met malls? Eerlijk gezegd heb ik geen tijd meer voor avontuur want ik moet vandaag nog naar Çavdarhisar en vervolgens Afyonkarahisar, dus ik volg haar instructies maar. Over de troosteloze rotonde vind ik de al even troosteloze mall, en die is nog dicht, er staat alleen iemand de ramen te lappen. Ik zal hier toch wel ergens een ontbijtje kunnen krijgen? Als ik het de ramenlappende man vraag, kijkt hij me chagrijnig aan (zíjn ontbijt is waarschijnlijk al weer een halve dag geleden) en wijst voorbij het winkelcentrum, daar is een Starbucks. Er komt geen eind aan mijn ellende als ik daar maar naar binnen loop en ik neem me voor nooit meer aan hotelpersoneel ook maar iets te vragen over wat zich buiten het hotel afspeelt, daar zijn ze duidelijk niet voor opgeleid. Als ik terug loop gaan de winkels in de straat met de trambaan net open, en ik loop een winkel binnen en koop een enorme zwabberbroek en een allesverhullend truitje en ik twijfel een seconde over die hoofddoek, maar dat is me op dit moment nog net een brug te ver. Over bruggen gesproken, verder lopend besluit ik toch even een zijstraatje in te slaan wat volgens mij ook naar mijn hotel moet leiden, en aan het eind van het straatje sta ik ineens op een lieflijk bruggetje, omgeven door cafeetjes en patisserietjes, en ontbijtzaakjes. Ik ben op dat moment he-le-maal klaar met Eskişehir en ren terug naar het hotel, smijt mijn spullen in de koffer en vertrek. Ik zal je verder besparen hoe ik dat doolhof ben uitgekomen, terwijl ik gewoon precies zei wat de bellboy me vertelde, “justa go left, then go left and go”, daarbij zijn schouders optrekkend met zijn handen in de lucht, kin naar voren en mondhoeken naar beneden, zo van, het kan echt niet simpeler. Ik geef Eskişehir nog een kans en besluit naar het Şahane park te gaan dat een mooi uitzicht op de stad moet bieden. Ik weet niet of ik helemaal de goeie weg heb, maar ik kom in het oudste wijkje van Eskişehir terecht, met pastelkleurige vooroverhellende vakwerkhuisjes, en ik móet gewoon even uitstappen om rond te lopen en wat foto’s te maken. Voor de vorm ga ik even een piepklein minimarketje in en koop wat water en Pufs, koekjes met een soort negerzoen erop die ik hier per dozijn tegelijk insla. Als ik verder rijd, worden de straten en huisjes alleen maar kleiner en smaller, totdat ze zelfs niet eens meer bestraat zijn en ik ben zo intens aan het genieten van al dit prachtigs, dat ik heel langzaam rijd, en eigenlijk ook steeds méér wil zien. 

Ik realiseer me dat achter deze vervallenheid verhalen van armoede schuilgaan, of misschien ook niet, misschien een gewoon een levensstandaard waar de mensen aan zijn gewend, mensen die volstrekt geen behoefte hebben aan mijn visie op hun wereld. In elk geval weet ik dat ik geen vooroordelen wil hebben, maar er niet aan ontkom, om die tòch te hebben, omdat mijn eigen omstandigheden en verleden mijn hersenen nu eenmaal hebben geprogrammeerd. Nochtans, wat de mensen er zelf ook van moge denken, vind ik het prachtig, eerlijk, rauw, brengt het geschiedenis heel dichtbij. En geschiedenis laat je je dingen afvragen en uiteindelijk begrijpen, daarom vind ik het zo belangrijk, en zo mooi, en wil ik er zo graag dichtbij zijn. 

Zo plotseling als ik erin belandde, zo plotseling ben ik ook weer in een wijk met jaren 80 betonbunkers waarmee half Turkije ook is volgeplempt. Ik ben gelijk bij de ingang van het park beland, waar een afgebladderd wit hek omheen staat. Het doet me meteen denken aan van die verlaten speeltuinen in Tjechië, wàt een oostbloksfeer hangt hier. Er staat ook een Hollands aandoende molen, die herinnerde ik me inderdaad van fotos, maar ernaast staan Don Quichot en Sancho Panza, die nogal lafhartig naar molen Weltevree staan te wijzen. Het geheel doet me nogal potsierlijk aan, ik maak er een foto van maar denk ondertussen, wat ga ik in vredesnaam met een foto hiervan doen? Aan het park vastgeplakt zit een soort lunchroom met bloemetjesbekleding op de stoelen waar ondanks de ramazan toch een Turkse familie en een stelletje zitten te eten, en het ziet er naar uit dat ze hier wel een behoorlijke latte hebben, dus bestel ik er een, “ek shot ile”, met extra scheut koffie. 

Dan wordt het toch echt tijd om onderweg te gaan naar Çavdarhisar en dat is me waarlijk geen ongenoegen. 
Wat is de weg weer prachtig en afwisselend. Hoog, heuvelachtig, groen, rotsachtig en soms minuten lang alleen maar graan. Nergens saai en dor en steppe-achtig zoals ik had verwacht omdat ik veel te lang naar Google maps heb zitten te koekeloeren. Als ik de bergen in de verte zie kan ik niet anders denken dan ‘Hoe zijn mensen hier ooit gekomen? Hebben daar wel eens mensen gelopen? Kan je er lopen? Hoe kom je daar in vredesnaam overheen?’

De wegen zijn fantastisch, de richtingen zijn overal geweldig goed aangegeven, ik weet niet hoe het in de rest van het land is en dan bedoel ik bijvoorbeeld oost van Ankara, maar hier moet je wel heel stom zijn wil je verkeerd rijden. 

Çavdarhisar is alleen een beetje een uithoek en als ik er vlakbij ben houdt het ook een beetje op kwa echt doorgetrokken asfalt zegmaar, maar dat geeft niet, want ik weet dat ik nu na drie uur rijden vlak bij mijn doel ben, Aizonoi, een antieke vindplaats die wat mij betreft zijn weerga niet kent, en waar niemand komt, omdat het veel te afgelegen is. 

Als ik het dorp inrij, weet ik instinctief waar ik heen moet (toch ook wel weer dankzij google maps) en amper ben ik een weggetje ingeslagen of ik zie op een open plekje in het vervallen dorp een zuilencirkel staan. Ik parkeer mijn auto voor wat blijkt een romeinse brug te zijn. Ik word overweldigd door een geluksgevoel alsof iemand me overlaadt met kadootjes terwijl het mijn verjaardag niet is. Gewoon zomaar, iets leuks. 

Er is een klein torentje waar een stenen wenteltrapje in is, en ik ga er naar boven, al pas ik er amper in. Het is maar een meter of drie hoog en vanwege de hoogtevrees durf ik niet voluit op de rand te gaan zitten, maar vanaf de laatste trede heb ik toch een heel schattig uitzicht. 

De Romeinse brug is momenteel niet in gebruik maar is afgezet en wordt zo te zien gerestaureerd, dus ik maak veel foto’s en ben dankbaar dat ik dit nog mag zien voordat hij voor eeuwig wordt vernacheld. Een paar meter verderop staat een nieuw tijdelijk bruggetje en ik rij verder door het dorpje waar de tijd heeft stilgestaan, met huisjes die niet eens van hout zijn maar van een planken en rieten frames met klei. Als ik aan het eind van het kronkelige weggetje boven de krakkemikkige daken ineens een kolossale zuilenrij zie uittorenen, slaat mijn hart een slag over. Ik maak er een foto van maar ik weet dat het niet overkomt. 

Ik rij om het terrein heen naar de ingang en vraag me af waarom mensen hier weg zijn gegaan, ook uit het dorpje. Natuurlijk zijn de antieke steden vooral door aardbevingen verwoest, maar die waren er overal. Eigenlijk is dat ook het enige waar ik een beetje bang voor ben in dit land. Dat ik op de zevende verdieping van een hotel zit en er een aardbeving komt. 

Ik rijd het terrein op en in een portable cabin van 1 vierkante meter zitten maar liefst twee ge-uniformeerd bewakers. Ik weet niet waarom dat nodig is, want er is verder niemand, en er staat toch geen hek om het terrein dus je kan er van alle kanten vrij oplopen. Ik betaal 10 lire, krijg een kaart en mag doorlopen, al had ik dat toch wel kunnen doen. Er is verder niemand. Midden op het terrein staat een enorme tempel, waarvan drie zuilenrijen nog helemaal in tact zijn. Ik kan er zo naartoe lopen. Dat doe ik heel stil en langzaam. Ellen factimet me. Ik neem op. Ze is met Jop bij mijn moeder en het is heerlijk om ze even te zien. Jop gaat lachen als hij me ziet, wat een heerlijk gevoel en iedere keer ben ik een beetje trots. Ik kan mijn moeder en Ellen meteen laten zien waar ik voor sta. 

Als ik ze opgehangen heb, loop ik het hele terrein over. Ik kan zomaar die groteske tempel in, wat een machtig gevoel. Om me heen zie ik door het gras heen grote granieten blokken steken, resten van poorten, muren en galerijen, waar ooit mensen woonden, liepen, ooit gevallen, nooit meer opgebouwd.

Aan de andere kant van de weg ligt een lange straat met aan weerszijden resten van pilaren, en een amfitheater, alles ingestort en overwoekerd. Ik loop om alles heen, klim overal op, ook als ik me afvraag of het wel verstandig is want het ligt misschien al honderden jaren zo, maar eens komt de dag dat het spul nog verder verzakt en die 70 kilo pardon 59 kilo van mij zouden maar net eens de druppel kunnen zijn. 

Deze plaats is er echt een naar mijn hart, ik ben helemaal alleen, er zijn geen restauraties gaande behalve de oude brug verderop, waar mensen ook gewoon overheen moeten, het staat niet vol met bordjes met uitleg, paaltjes met lint waar je niet achter mag. De bouwwerken zelf zijn ook niet van topkwaliteit, het is graniet, geen marmer, en ik zie nergens inscripties of ingewikkelde beeldhouwwerken of friezen of iets dergelijks. Misschien niet zo’n heel rijk stadje dan, maar genoeg centrumfunctie om zo’n kolossaal amfitheater te hebben en zo’n tempel. 


Ik spendeer hier tenminste twee uur, Jan had allàng onder een boom naar zijn telefoon zitten koekeloeren, en dan vind ik het ook welletjes en ik vertrek naar Afyonkarahisar.
Ik hoef je niet te vertellen dat het ramadan is, en ik kom net op tijd in het deprimerende hotel aan om vanuit mijn raam op het plein voor het hotel te zien hoe er zich een rij vormt voor de neergezette tafels bestemd voor de iftar. Vooralsnog staat de rij stil, totdat ik zie dat de zon bijna achter de bergrug verdwijnt en alles langzaam in beweging komt. Ik ben hier in een zwartekousengebied, alleen maar hoofddoekjes, geen toeristen. Ik wilde hiernaar toe vanwege de berg. Midden in de stad staan een paar reusachtige bergen omhoog te priemen en op een daarvan staat een fort. Ik hoef daar niet op, maar wil graag de wijkjes zien die eromheen liggen en dus al eeuwenlang gedomineerd worden door dat fort. 

Het is echter al te laat om dat vanavond te doen en als ik nog iets wil eten moet dat snel gebeuren. Ik neem een snelle douche en ga naar buiten. Wàt een deprimerende stad is dit. Bovendien is de zon net onder dus er mag gegeten worden dus behalve Jenneke is heel Afyon op zoek naar een tafeltje en zit alles dus vol. De meest akelige, tl-verlichte snackbarretjes probeer ik maar de helft van de keren zitten die dan ook nog eens vol met alleen maar grijze mannen die me saggerijnig aankijken zodat ik me snel uit de voeten maak. Eindelijk vind ik een kebab-zaak van drie verdiepingen waar ze nog plek hebben, maar ik mag zelf geen tafeltje uitkiezen, een beetje rustig achterin waar ik onopvallend kan schrijven, nee, gaat u hier maar zitten, maar ik wil graag een beetje-, nee, gaat u hier maar zitten, in het midden van de zaak onder deze tl-buis waar iedereen uitgebreid naar u kan staren. Ik zie overigens meteen dat hier niet gezellig gegeten wordt, nee, hier wordt voedsel afgewerkt. Het lijkt me dat de iftar helemaal niet iets is om gezellig over te doen, je hebt de hele dag keihonger, je bent moe want vóór zonsopgang moet dat ontbijt ook al weggewerkt zijn, dus die maaltijd na zonsondergang is niet meer dan eindelijk voedsel krijgen, zo snel mogelijk zoveel mogelijk naar binnen werken en gaan slapen.

Het behoeft verder ook geen toelichting dat er in een omtrek van honderden kilometers geen alcohol te vinden is, in heel Afyon kan je dat sowieso vergeten, tijdens de ramadan al helemáál, zelfs niet in de minibar van het sneue hotel. Mijn humeur wordt er eerlijk gezegd niet beter op. Gelukkig kan ik nog wel een fijne latte krijgen en nog even Facetimen met Ellen en mijn schetige neefje. Ik vertrek daarna maar snel weer naar mijn wannabe business hotel met vouwen in de vloerbedekking, ik werp nog een blik op de mammoetberg en ik slaap gelukkig prima. 

Naar Eskişehir


Maandag

Vandaag is de laatste volle dag die ik heb en ik voel me een beetje verdrietig. Onbewust heb ik me ertegen verzet want ik heb nog niets geregeld om hier weg te komen, behalve de auto voor de komende weken. Ik moet nog een hotel zoeken in Eskişehir, een taxi regelen naar het Taskimplein, en nog beginnen met mijn spullen te pakken. Ik blijf maar uitstellen. 

Ik word zowat wanhopig van het slaapgebrek want weer wakker om 6:15, maar ik presteer het om om 9:30 in een dolmuş te zitten die rechtstreeks van mijn straat naar Bostancı gaat. Ik zit alleen in de dolmuş en heb dus een privétaxi, die me een leuke siteseeing tour geeft door Kadıköy en Fenerbahce. Er loopt een watergang door de wijk waar ook een jachthaven in ligt, en ik heb me laten vertellen dat door een of andere politiek vete, de gemeente weigert een rioolzuiveringsinstallatie aan te leggen, waardoor met name in de warmere maanden, zoals nu, de hele wijk stinkt als een open riool. Inderdaad is dat nu ook het geval het is verschrikkelijk wat een lucht hier hangt, en zelfs in mijn appartement kan ik het ruiken als de wind mijn kant op staat.

Na 20 minuten komen we aan op Bostancı waar ik de boot neem naar Büyükada, een van de prinseneilanden. Ik vergeleek ze eerder met de waddeneilanden van Istanbul, maar die vergelijking gaat eigenlijk totaal niet op, in de verste verte niet. Er zijn wel strandjes, maar echt je wilt er niet dood liggen en wie wil er nu zwemmen in de Zee van Marmara? 

De eilanden zijn nogal rots- en heuvelachtig en doen wel een beetje aan Ibiza denken. De mensen ook, die gaan ineens heel bohemien lopen te doen als ze hier aankomen, bloemenkransjes op hun hoofd dragen en zo, geen gezicht. In de weekenden worden de eilanden overspoeld met Arabische toeristen, maar nu op deze maandagochtend is het rustig op de boot en ook als ik afstap zie ik maar weinig mensen lopen. In een zijstraat staan ongeveer 180 koetsjes met tweespan geparkeerd en ruikt het naar paardenmest. Deze karretjes zijn het reguliere openbaar vervoer op het eiland, maar ik breek nog liever een been dan dat ik in zo’n mal ding stap. Ik heb een punt uitgezocht waar ik heen wil lopen, maar als ik kriskras een paar straatjes heb doorgelopen, omhoog uiteraard, lijkt het erop dat ik dat niet ga redden. Aan het eind van de straat staat een phaeton zoals ze hier heten, en de 20-jarige menner vraagt waar ik heen wil. Ik ga maar gelijk overstag, wat heb je tenslotte aan principes, en ik wijs hem op google maps een oud Grieks klooster aan. 35 lira zal dat zijn en ik stap in. Als je denkt dat je dan lekker van het uitzicht kan genieten, nee dus, want die dingen zijn zo ontworpen dat het afdakje van dat malle ding je alle zicht ontneemt. Als je iets wil zien van het eiland moet je achterom kijken. Ondertussen vuurt de bestuurder allerlei vragen op me af: waar kom je vandaan? Ben je alleen? Heb je kinderen? Hoe oud ben je? En wijzend op zijn ringvinger: ben je niet getrouwd? Zo, dat heb je snel gezien, denk ik bij mezelf. Hij schaamt zich kennelijk nergens voor en ik lig helemaal dubbel als ik mijn leeftijd niet wil geven en hij me 29 geeft. Waarschijnlijk expres al tien jaar naar beneden bij gesteld, niet wetende dat hij me daarmee óók al een megacompliment had gegeven. Als hij míj 29 geeft, hoe jong moet híj dan wel niet zijn? Om er vanaf te zijn zeg ik dat ik net zo oud ben als zijn moeder (ouder waarschijnlijk, haha) en dan zijn we ongeveer op de plek waar ik wilde zijn. Hij staat erop om me te ‘helpen uitstappen’ wat erop neerkomt dat hij pontificaal in de weg gaat staan en de kans aangrijpt om me vol in de heupen vast te pakken. Gelukkig laat hij me dan ook wel gaan voordat ik hem op zijn bek sla, en ik loop een klein rondje om het terrein. Het is hier rustig en warm en ik hoor krekels en beneden schittert de Zee van Marmara. Ik hoef hier verder niet lang te blijven en we vertrekken weer naar beneden. Het hele eiland ruikt naar bloemen en de grootste villa’s staan tegen de berghelling geplakt. Ondertussen probeert de chauffeur me ervan te overtuigen dat ik met hem mee moet naar het strand en dan kunnen we samen wel even gaan zwemmen. Dat doen we dus maar even niet. Aan het eind mag ik 60 Lira aftikken, want ja, voor heen èn terug. Ik ga niet in discussie. Het is 12:00 uur en ik besluit hier even iets te eten en dan weer de boot terug te pakken. 

De hele kust staat vol met terrassen, honderden tafels staan er gedekt en klaar, maar er zit niemand en ik ga er dus ook niet zitten. Om een hoek vind ik een kantine-achtig zelfservice restaurant waar ik alleen wat lokale bevolking zie eten, dus mijn kostje is gekocht. Ik neem een gevulde paprika en een gevulde aubergine en man man wat is het weer simpel en heerlijk. 

De boottocht naar huis is ook weer fijn en ik wil nog even bij het Dolmabahce paleis langs maar ik was vergeten dat het maandag was en alles dus dicht is, dus in plaats daarvan drink ik koffie op het terras aan het water, ook goed. Om een uur of vijf ga ik naar huis. Het is de laatste boottocht over de Bosporus. Ik neem het geluid van het ruisende water en het beeld van de passerende vapurs op deze prachtige plek dringend in me op, ik ga dit ontzettend missen. 

Dinsdag 

Om 5:15 lig ik al weer naar het plafond te staren. Vier uur geslapen en ik moet vandaag nog ruim 300km rijden, dat is 6 uur rijden in dit land. Om 9:30 besluit ik nog een laatste ontbijtje te eten in Moda. Ik ben de hele ochtend verdrietig en als ik de laatste keer naar ‘huis’ loop, lopen de tranen over mijn wangen. Ik weet niet wat me zo aangrijpt, ik wil gewoon niet weg, ook al heb ik nog drie weken te gaan in dit heerlijke land. En ik ben natuurlijk gewoon een jankerd, laten we daar geen doekjes om winden. Het enige waar ik nog tegenop zie is niet zozeer rijden door Istanbul, maar die 30 kilo zware tassen van de vierde verdieping naar beneden te zeulen. Ik prop de laatste dingen er in en stofzuig het huis nog even. Een taxi vinden is op deze plek een makkie, ik sta al klaar met de app Bitaksi in mijn hand maar dat is helemaal niet nodig want ik sta nog niet op de stoep of er stopt er al een voor me. De hele weg naar Taksim keuvelen we in het Turks en een hij een beetje Engels. Hij vertelt me dat hij twee jaar lang een Belgische vriendin heeft gehad die hij heeft leren kennen in Bodrum, die ook in Istanbul is komen wonen en werken maar geen woord Turks sprak, lang niet zoals ik (glunder). “Iltifat için çok teşekkürler”, zeg ik, bedankt voor het compliment. Geen compliment, zegt hij, gewoon een feit. 

Ondertussen rijden we over die gigantische brug die Azië met Europa verbindt en word ik getrakteerd op een schitterend uitzicht over de Bospurus. Bijna een uur later moet ik 50 lire betalen (ongeveer 17 €) en sta ik voor de Avis om mijn Nissan Micra op te halen en kom ik er niet meer onderuit om me zelf in dat hysterische Istanbulse verkeer te gaan begeven. Maar zoals ik al zei, zolang je doet alsof er niks aan de hand is, is er eigenlijk ook niks aan de hand, en je moet ergens beginnen en met autorijden is dat met gas geven, dus ik hou de instructies van de Avis-meneer voor de eerste drie stoplichten in gedachte en geef gas. Links, rechtdoor, links, en daarna zien we wel weer. En ach, ik zie mensen om me heen heel relaxt met hun telefoons in hun hand met vijf breed over de driebaanswegen rijden, die maken zich verder ook niet druk, dus dat hoef ik ook niet te doen. Na het derde stoplicht heb ik geen idee meer maar zie ik “çevreyolu” staan, ik schat in dat dat rondweg betekent dus ik volg het maar. Na een tijdje staat er Ankara op en die richting moet ik voorlopig wel even uit. 
En het verkeer, daar moet je je gewoon een beetje op aanpassen. Ik wil echt niet lullig doen over het Turkse verkeer en er van die clichégrappen over gaan maken, maar het is wèl zo dat de Turken verrektes efficiënt gebruik maken van het wegennet. Op een driebaansweg kunnen bèst 6 autos naast elkaar rijden, zo kunnen er per slot van rekening toch twee keer zoveel òp, en als je met 2 miljoen mensen tegelijk naar huis moet is dat toch verrektes handig. En zolang je dat begrijpt, is er weinig aan de hand. Waar je verder voor moet oppassen, zijn de mensen die midden op de snelweg water staan te verkopen, of zakdoekjes, en verder de gehele rechter rijbaan is echt beter te vermijden. Waar je je in Nederland beter verdekt kan opstellen aan de rechterkant, is dat hier echt niet het geval, vanwege de korte invoegstroken en allerlei obstakels die zich daar zonder aankondiging ophouden, stalletje met meloenen, vrouw en kind die over willen steken, paard en wagen, dat soort dingen.

Het gaat me allemaal prima af in dit leuke makkelijke autootje met zonder schakelbak. Het kost me bijna twee uur om echt de stad helemaal uit te komen en ik vind makkelijk de weg naar Eskişehir. Het landschap is prachtig rotsachtig en groen en wordt later glooiend met graan, in de verte steken krijtachtige bergen de lucht in. 

In Eskişehir ben ik echter een uur aan het zoeken naar het hotel, het is een compleet doolhof van piepkleine eenrichtingverkeerstraatjes en ten einde raad bel ik uiteindelijk het hotel, en moet ik door een bellboy gered worden die bij me instapt en me naar het hotel loodst. Ik slaap vanavond in het Porsuk Boutique hotel, zoek het vooral even op, op booking, want wat een geweldig sfeervol Agatha Christie hotel, wat een heerlijke kamer met badjassen en slippertjes en een regendouche. Ook mijn 30 kilo bagage wordt voor me naar boven geschleppt, heerlijk. En wat een leuke stad, echt gezellig met dat kanaaltje erdoorheen en al die kleine bruggetjes. Straks even een kop koffie halen. Eerst even skypen met Ellen, kleine Jop slaapt in haar armen, moe van de koorts. 

Met al die leuke straatjes moet ik toch ergens wel een decent kop koffie kunnen krijgen, maar als ik het vraag bij de receptie, zegt hij: ‘There is a Starbucks about 1km from here.’ Dat gebeurt wel vaker, die mensen denken dat je Starbucks wilt en niet de lekkere lokale zaakjes, heel vreemd. Evengoed vind ik na enige zoek- en sluipwerk het keileuke Varuna Gezgin cafe, en blijf daar twee artistieke Turkse biertjes lang zitten schrijven tot het tijd is naar huis te gaan.

Achterafjes


Zaterdag

Aangezien Gülfidan vandeweek een keer heeft afgezegd heb ik nog een les van haar tegoed en die is vandaag om 12:00 uur. Lekker handig zo midden op de dag, ik heb nu al geen zin meer. Maar ik hou mezelf maar voor dat dit is waar ik hier voor kwam, dus we gaan het wel doen. Zoals bij alle andere lessen praten we de helft van de tijd over andere dingen in het Engels. Zo vertelt ze me over haar baan als lerares Spaans. En over of het beter is om in Spanje te gaan wonen. Ze denkt van niet, omdat ze er daar nooit helemaal bij zal horen, omdat er ‘moslim’ in haar paspoort staat. Ze denkt dat ze in Spanje voor wat betreft officiële aangelegenheden, anders zal worden behandeld, terwijl ze niet eens een ‘echte’ moslima is. Ik zeg haar dat dat volgens mij wel mee zal vallen, in Spanje ziet iedereen er Mediterraans uit zoals zij, en bovendien is de diversiteit van mensen kwa uiterlijk veel groter dan hier. Ik kan me niet voorstellen dat behandeling vanwege het feit dat ze in haar paspoort aangemerkt staat als moslim, of zelfs als ze moslim zou zijn, anders zou zijn. Volgens mij is de kans dat zij geaccepteerd wordt in spanje groter dan de kans dat ik geaccepteerd word in Turkije.

Ik geniet weer van de boottocht naar de andere kant en neem me voor op de terugweg een foto te maken van de Mavi Marmara die daar ligt.

Tegen 15:00 kom ik aan bij Istanbul Modern en ik weet niet wat ik had verwacht, maar de moderne kunst voelt als een frisse bries door mijn geest, excersize for the brain. Ik had graag aan iemand willen vragen welke nu het meest (of minst) vrij is in Turkije, de kunst of journalisme, en wat betekent dat dan voor de positie van de kunst? Maar er is niemand aan wie ik het durf te vragen, niettemin kom ik een uur later verfrist naar buiten. Ik verplicht mezelf nu ook naar galerie SALT Galata te gaan, die toch wel bekend staat als een van de belangrijkere galeries in dit deel van de stad. Ik besluit uit de tram te stappen bij Karaköy en Tersane Caddesi in te lopen en ik zie vrijwel direct dat ik hier helemaal niet wil zijn, en mijn moeder waarschijnlijk ook niet. Het moet vlakbij zijn, ik hoef alleen maar één straat naar rechts en dan is het daar al. Alleenalle straten naar rechts die ik zie zijn naargeestige van mens en zonlicht verlaten stegen waar de krotten vooroverhellen en alleen al daarom wil ik dit keer het risico echt niet nemen en hoop ik dat de volgende straat beter is. Ze worden echter alleen maar erger en zo langzamerhand loop ik steeds verder weg van mijn doel en is het ook al bijna half vijf, dus pak ik toch maar zo’n straatje en schuifel daar met rap tempo doorheen, denkend, ‘dit nooit weer’. Ik kom uit op de Dickensiaanse Bankalar Caddesi, en vind snel de galerie. Het was het alleen helaas allemaal niet waard, alleen de vaste tentoonstelling over de eerste Istanbulse bank (mede opgericht door Queen Victoria) is open, de kunstgalerie is gesloten. Okee, you win some, you loose some.

Ik heb nog één target voor vandaag en dat is eten bij Can Oba, een prijswinnende eigenwijze kok die in Eminönü een restaurantje moet hebben, nogal achterafjes, dus geheel naar mijn smaak. Het is een kantine-achtig tentje en terwijl ik een foto maak van een of andere award die aan de muur hangt, komt de ober die op Suares lijkt aanzetten met een trofee die moet bewijzen dat ik hier in 2016 ècht aan het goeie adres ben. Ik laat hem bepalen wat ik moet nemen en ik krijg vis met rood fruit en een toetje van een andere wereld in een uitgeholde grapefruit (greyfurt, ja je leest het goed, greyfurt in het Turks). Ik weet echt niet wat hier in zit maar het is verrukkelijk, en grappig en verrassend en zelfs na die vis met fruit laat ik hier geen druppel van staan. Dan vind ik het verder wel weer welletjes geweest en ga ik naar huis om in mijn bedje te kruipen.


Zondag
Voor het eerst ben ik om 9:30 al de deur uit, want ik heb nog maar twee dagen om al die uitgestelde dingen te doen. Bijvoorbeeld een echt Turks ontbijt eten in een ontbijtcafe, een fenomeen dat wij helemaal niet kennen, maar hier gaan mensen dus gewoon ergens ontbijten. Ik loop op aanwijzing van mijn landlady naar de andere kant van de kleine straatjes waar ik al ben geweest, dit moet een leuke wijk zijn. Ik moet daarvoor wel de drukke Söğütlü Çeşme Caddesi (ik ga niet eens beginnen met uitleggen hoe je dat uispreekt) met de trambaan over. Ik prik maar gewoon iets op Google maps deze keer en laat me daarheen begeleiden. Weer kom ik terecht in van die afzichtelijke straatjes waar alleen maar mannen lopen en voel ik me lichtelijk unheimisch, maar zolang je maar doet of er niks aan de hand is, is er feitelijk ook niks aan de hand, is mijn motto, en tot nu toe that’s working out fine. Ik ben wel al weer lichtelijk geïrriteerd, maar uiteindelijk worden de huizen iets lager, staat de zon er midden in en zie ik een patroon van oude en nieuwe gebouwen door elkaar te herkennen als een buurt waar geleefd wordt, die opgeknapt wordt, en ineens loop ik in een straat als die van een middelgroot Frans dorp en waar om de paar meter ook een hip koffiecafé zit en dan zit ik volgens mij goed. Bij Munch Mill neem ik een klassik kahvaltı en zit ik een klein uurtje te genieten van hier zijn. De echt oude houten huizen van zegmaar voor 1890 staan echt op instorten. Je kan het niet helpen je af te vragen of iemand nog om deze huizen geeft, of iemand er nog de eigenaar van is. Ik stel me voor dat ze van een oude familie zijn, misschien wel twintig keer overgeërfd totdat er een oude teyze (tante) is overgebleven die er zelf ook al niet meer woonde en de verre familie is vergeten dat er nog een oude teyze was met een ottomaans huis, of ze wisten het wel, maar het is in dermate staat van ontbinding dat het een fortuin zou kosten om het op te knappen. Op de meeste van die huizen hangen bordjes ‘girmek tehlikeli ve yasaktır’, naar binnen gaan is gevaarlijk en verboden. Projectontwikkelaars staan te trappelen om er vervolgens een appartementengebouw neer te zetten van vijf verdiepingen. Naast de ottomaanse gebouwen is deze buurt net als de buurt tussen Siraselviler en Istiklal doorspekt met Franse elementen uit de Belle Epoque. Frankrijk is hier het meest aanwezige Europese land, je ziet dat in de gebouwen, de boekhandels vol met franse literatuur en andere franse boeken, en de namen van sommige dingen, waar Jan en ik helemaal dubbel om kunnen liggen: kuaför, şoför, pötibör, apartman, şanjman, sosis. Ik weet helaas te weinig van de geschiedenis van deze tijd waarom er juist uit deze tijd zoveel Franse invloeden zijn. Ik weet alleen dat het na 1920 gruwelijk misging in de relaties met de vrije westerse landen.
Na het ontbijt wil ik de sleutel van Uğur in Cihangir gaan terugbrengen en loop ik de heuvel af richting de iskele. De zijstraten geven me prachtige doorkijkjes, beneden zie ik de Bosporus voorbij stromen, de straatjes geflankeerd door bomen de typische Turkse appartementen met balkonnetjes vanaf de eerste verdieping, en waar af en toe een houten ottomaans exemplaar tussen hangt te verkommeren. Ik kan niet ophouden met foto’s maken.

Als ik met de boot aan de andere kant kom, loop ik direct naar boven die verrekte 96 treden op, dan hebben we dat maar gehad. Ik neem nog even een douche want het is bloedverziekend heet en ik loop nog steeds in een lange, zij het scheurde spijkerbroek, ik begrijp niet hoe die mensen het uithouden, werkelijk niemand loopt in een korte broek. Ik hang mijn kleren even over een stoel voor het open raam en geniet nog even van de douche, van het appartement, ga nog even op het bed liggen, ik geef de planten op het terras nog even water wat ik Uğur had beloofd, drink nog een glas wijn, en dan is het tijd om een kop koffie te halen in het verborgen wijkje hier beneden. Ik zeg je, de informatie die je krijgt van de eigenaren van die Airbnb apartementen is van onschatbare waarde. Als ik de straat van de tramhalte oversteek en weer een paar hoekjes omsla, loop ik ineens in het meest schattige, romantische en gezellige wijkje dat ik tot nu toe heb gezien. De hele straat is overdekt met een dak van groen waar zonnestralen doorheen priemen. Hier en daar ertussen hangen lampionnetjes. Overal zijn cafeetjes en restaurantje die allemaal vol lijken te zitten. Bij ‘LOL coffee roasters’ neem ik een latte met citroencake. Als ik even later achter de wijk langs het water naar de tram loop, staan de straten vol met statige Franse gebouwen, die nu worden verbouwd en waar luxe hotels in gaan komen.

Vandaag speelt Turkije tegen Croatië (ik moet het even zeggen, dat is Hırvistan in het Turks, amazing). Ik voel me vreemd, ik ben nog steeds moe en voor het eerst heb ik het gevoel dat als ik hier toch niet permanent kan blijven, ik dan meteen ook wel een beetje klaar ben met Istanbul. Ik sta inmiddels op het drukke kruispunt van Karaköy waar boten en trams samenkomen, aan het begin van de Galatabrug en ik kan maar niet besluiten wat te doen. Dat uitgestelde lijstje vervolmaken en naar de Valens Su Kemeri (watergordel, oftewel aquaduct) gaan, of ergens een biertje gaan drinken waar ik naar snak en de wedstrijd bekijken. Besluiteloos sta ik te dralen bij een bushalte. Ik app Jan maar even om dit reusachtige probleem voor te leggen en die zegt, er komen nog wel meer wedstrijden die je kan bekijken maar dat aquaduct zie je niet zo snel meer. Okee, dan wordt het dat verrekte aquaduct. Ik heb nu al geen zin meer. Ik stap uit de tram op Aksaray en moet dan 10 minuten lopen over die godsgruwelijke Atatürk blv, een troosteloze snelweg waar in de jaren 70 hele antieke wijken voor zijn gesloopt. Zouden daar toen ook zulke protesten tegen zijn geweest?

Aan het einde wacht echter mijn beloning en eindelijk sta ik onder dat megalomane Romeinse bouwwerk dat overal bovenuit steekt en na duizenden jaren nog steeds met een autoritaire blik op de stad neerkijkt. Ervóór ligt een heerlijk koel parkje waar mensen in het gras liggen te lezen, mannen op bankjes zitten te kletsen en kinderen op driewielertjes rondrijden. Tot mijn verbazing zie ik hoog bovenop het aquaduct een vrouw lopen. Het lijkt een toerist te zijn. Ik wist niet dat het mogelijk was op erop te komen dus ik ga op zoek naar een opgang, maar die vind ik niet. Echter de betreffende dame zie ik even later in het parkje in mijn richting lopen. Ze wordt vergezeld door een man en een vrouw. Strooien hoedjes, een gebloemd tuinpak, Engels, schat ik in. Ik vraag haar hoe ze bovenop is gekomen en ze vertelt dat er geen trap is, maar ze verderop aan het eind via de muur en een boom naar boven is geklommen, “so if you like a bit of climb, it’s doable.” “Do you think it’s allowed?” Vraag ik haar, beetje stomme vraag. “Well this is Turkey you know, you can get away with anything” zegt ze lachend. Met enig drama denk ik bij mezelf, mensen zijn hier volgens mij ook voor minder gearresteerd, maar ik besluit het er toch op te wagen en maar te kijken hoe ver ik kom voordat iemand me wegstuurt, of arresteert. Ik moet eerst een rommelige verwaarloosde uithoek van het park over tijgeren en ik heb nu al spijt van mijn beslissing. De operatie afbreken daar is echter geen sprake van dus sta ik een paar seconden later tegen een naar mij overhellende muur te koekeloeren waar half een boom overheen groeit. Ik sla mijn tas om mijn nek en zet mijn ene voet in een gat in de muur, en de andere tussen twee takken van de boom terwijl ik me aan mijn handen omhoog hijs. Op momenten als dit lijkt het alsof een ander deel van mij buiten mezelf treedt en mij met de armen over elkaar geslagen skeptisch gadeslaat terwijl ik deze volkomen belachelijk ogende actie onderneem, die kinderen van een jaar of 8 zou passen maar niet een vrouw van middelbare leeftijd in een witte broek. Als ik halverwege de muur ben herinner ik me ook opeens weer dat ik hoogtevrees heb, wat de kans van slagen van deze missie al helemaal niet groter maakt. Opeens hoor ik stemmen en wat gescharrel boven me en daar staan drie jongens van een meer boomklimachtige leeftijd, en een van hen steekt grijnzend zijn hand naar me uit. Ik geef hem eerst mijn tas (slimme zet Jen) (maar vertrouwen, vertrouwen) en pak dan zijn hand en hij trekt me dat laatste stukje omhoog. De drie ritselen gewiekst naar beneden en ik sta daar, alleen, met mijn tas, op deze moloch van een romeinse landmark. Hij is ongeveer 6 meter breed schat ik. Hij loopt langzaam omhoog en in de verte zie ik treden. Het verbaast me dat er hier bovenop gewone lelijke grijze keukentegels liggen van een jaar of veertig oud, geen antieke baksteentjes ofzo. Moed verzamelend begin ik ernaar toe te lopen, aangestoken door de opmerking van de Engelse vrouw over de “extraordinary view”. Ik loop nu hoog boven het park. Sommige mensen kijken omhoog. Het begint me steeds zwaarder te vallen. Ik zie dat de trap in de verte ook echt niet meer is dan dat, een smalle trap van ongeveer twintig treden, zonder armleuning. Plotseling krijg ik het Spaans benauwd. In geen duizend jaar ga ik die trap op, dus waarom zou ik er dan heen lopen? Ik kijk om me heen, het uitzicht is overweldigend mooi, maar niet mooier dan vanaf het dak van de Mısır Çarşı, en ik heb ook nog het probleem op te lossen van hoe hier vanaf te geraken. En dan die tegeltjes…. het valt me toch een beetje tegen, allemaal. En feitelijk sta ik hier, dus missie geslaagd, dus ik mag wel terug van mezelf.

Naar beneden blijkt gelukkig een stuk makkelijk dan omhoog, zij het dat ik mijn witte broek nu van voor tot achteren door het stof en gruis en mos heb gehaald.

Ik herinner me ook dat hierachter nog een aardig wijkje moet zijn en ookal heb ik volstrekt nergens meer zin in behalve een ijskoud glas Efes, ik besluit toch nog maar even een stukje door te lopen en dan linksaf te slaan. Weer loop ik langs die godsgruwelijke Atatürk boulevard, alles is grijs en beton en donker, weer geen vrouwen op straat te zien en ik loop hier in mijn witte gescheurde spijkerbroek onder de moddervlekken. En er ìs geen straat naar links, en al was die er wèl, dan vind ik daar nòg geen ijskoude Efes, want dit is de streng gelovige wijk Fatih. Mezelf vervloekend loop ik te mompelen, ‘En nú ben ik er klaar mee. Ik ga nú verdomme een taxi nemen.’ Maar verderop zie ik allemaal mensen linksaf slaan, en ja, dan moet je wel. Ik loop maar achter ze aan. Alleen gaan zij dan ineens weer rechtsaf en mijn richtinggevoel zegt duidelijk dat ik door moet lopen, dus daar luister ik danook naar, en plotseling hoor ik geroezemoes en ruik ik kruiden en vlees en dan loop ik ineens in een ketsdruk straatje met vlees- en kruidenwinkels die overspoeld worden door mensen die praten en schreeuwen en druk gebaren door elkaar. Ik loop ineens in een andere wereld onder dit bladerendak en voor het eerst heb ik echt het gevoel dat ik in het oosten ben (ookal ben ik aan de Europese kant). Ik weet niet hoe laat het is (behalve hoog tijd voor een biertje) maar ik neem aan dat er inkopen wordt gedaan voor de iftar, de ramadanmaaltijd. Rijen en rijen koeien en schapen hangen in de open winkels waar het vlees vers van afgesneden wordt. Terwijl ik erlangs loop ruik ik kruiden, bloed, honing, brood, noten. Ik kom op een bescheiden pleintje met aan de ene kant winkels en aan de andere kant cafes, met hier en daar een televisie waar de wedstrijd op te zien is en waar alleen maar mannen zitten. Het is stervensdruk maar om de een of andere reden stoort deze drukte me helemaal niet. Ik voel me meer lichtelijk ontroerd dat ik dit mag zien, deze voorbereidingen op de maaltijd van de dag, in deze tijd, op deze plek, met deze mensen, die hier gewoon wonen alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Misschien komt het omdat er niemand op me let, of begin ik eraan te wennen? Ik weet het niet. Ik loop een paar rondjes om het groene marktplein heen dat aan een kant begrensd wordt door het aquaduct waar ik net op heb gestaan. Koop een pot honing bij de honingwinkel, goed idee Jen, ga lekker met nog meer zware dingen zeulen. Ik heb genoeg gezien en gevoeld en ga terug met de boot van 18:00.

Boten zijn een onlosmakelijk onderdeel van reizen met het ov in Istanbul. Als ik een tip mag geven als je naar Istanbul gaat: koop bij een krantenkiosk in de buurt van een iskele een Istanbul kaart (Istanbul kartı), laad hem op voor 50 lire en je kan er de hele week mee. Elk ritje kost je 2 lire, kort of lang, metro, vapur, funiculer, maakt niet uit. Het reizen met de ferries is ook ongelofelijk makkelijk, het kan echt niet misgaan, tenzij je niet kan lezen. Als je naar Eminönü wilt stap je naar binnen waar Eminönü boven de deur staat en that’s it. Er is wel wat verschil tussen een ‘vapur’ (groot) en een ‘motor’ (klein)(maar nog steeds heel groot, ik zie eigenlijk het verschil niet), die laatste brengen je onder de Galatabrug door aan de kant van de Gouden Hoorn, de eerste aan de kant van de Bosporus. Scheelt 2 minuten lopen. De tram kan ook niet makkelijker: er is maar een lijn. First-timers in Istanbul raad ik aan om in de buurt van een tramstation te verblijven, die rijdt langs alle dingen die je een eerste keer wilt zien en alle aansluitpunten voor het ov. Mijn appartement in Cihangir was op 5 minuten lopen van tramstation Tophane, ideaal. Metro en bussen heb ik niet gebruikt, aan bussen heb ik een hekel en waarom de metro gebruiken als je zoveel lol hebt in trams en dolmuşes en boten? De app die ik gebruik is Trafi, iets anders heb je werkelijk niet nodig, vul in waar je bent (evt toegang tot locatie geven) en waar je heen wilt en welke vervoermiddelen je wil gebruiken (geen bus, geen metro dus) en hij geeft precies aan waar je over x minuten kan vertrekken. De dolmuş betaal je trouwens niet met de Istanbul kartı, maar contant. 3 lire per rit, maakt niet uit waar naar toe.

Inmiddels ben ik godzijdank weer thuis en kan ik even lekker douchen en facetimen met Jan voordat ik even ga eten. Het is niet zozeer dat ik wil eten als wel intussen een moord kan begaan voor dat biertje dus ik wil er nog even uit. Ik vind een visrestaurant náást wat blijkt het beste visrestaurant van Kadıköy te zijn (jammer) maar tanrı’ya şükür, godzijdank, er is bier. Aan tafel schrijf ik verder terwijl ik eet. De ober vraagt me af en toe iets en ik antwoord in het Turks. Hij vraagt of ik alleen ben, en complimenteert me met mijn Turks. Hij vraagt me of hij me moet helpen met het snijden van vis, maar ik vertel hem dat mijn vader en opa vissers waren en ik dat prima zelf kan. Wat een aardige behulpzame man.

Hoe behulpzaam blijkt ook een half uurtje later als ik nog even een boodschap doe bij de Migros en hij ineens voor mijn neus staat. Kan ik je helpen? Wat zoek je? Het Turkse woord voor pedaalemmerzakken springt me niet direct voor de geest, dus ik zeg onbeholpen ‘temizlemek için bir şey’, iets om schoon te maken. Hij springt voor me uit door de paden en als ik heb gepakt wat ik nodig heb, blijft hij nog steeds voor me staan te dralen. Hij zegt iets, vraagt iets, ik snap het niet meteen, totdat hij een drinkgebaar maakt en ik ‘bira, kahve’ versta. Shit, hij vraagt me midden in de Migros uit. Dit lijkt me toch echt geen beleefdheidsaanbod en het lijkt toch echt wel de bedoeling dat ik dit aanneem, maar toch bedank ik maar beleefd en zeg dat ik naar huis ga. Binnen 0,5 seconden is hij verdwenen en ik vind het een beetje sneu voor hem en best wel moedig, om zomaar zo’n Hollandse midden in de Migros mee uit te vragen.

Ik ben inmiddels best wel moe en die Efes helpt ook niet echt voor de frisheid van geest, dus ik ben blij dat ik even later weer thuis ben en mijn bedje in kan kruipen, mijn micro-ontdekkingszucht weer even verzadigd.

Random living

Melekler dürümevi, Denizler kitapevi, Nederlandse ambassade, Ara cafe

Woensdag
Tot een uur of drie blijft ik in het apartement rondhangen. Ik voel me slecht omdat ik zo verschrikkelijk kort slaap. Ik besluit na mijn les die om 16:30 begint en waar ik vandaag al helemaal geen zin meer in heb, naar Cihangir te gaan en daar te blijven. Voor die tijd moet ik van mezelf naar buiten. Ik besluit wat te gaan eten bij Yanyali Fehmi restaurant. Ik denk dat ik het wel uit mijn hoofd kan vinden. Niet dus. Uiteindelijk ga ik willekeurig wat straatjes links en rechts in. Ik verwacht op een gegeven moment wel de straat met de tramrails tegen te komen, maar die komt niet. Het maakt me ook eigenlijk niet uit. Ik heb nu vooral trek ik een kop koffie, tijd om te eten heb ik eigenlijk toch niet. Het stikt hier van de cafeetjes en restaurantjes, alleen ik wil een tafel hebben om mijn ipad op te leggen, en niet zo’n dwergtafeltje waar iedereen hier aan zit op dwergstoeltjes waarvan de zitting 20cm boven de grond hangt en waar je dus een houding moet aannemen die het midden houdt tussen hurken en zitten. Ik heb geen idee waar ik ben en mijn mobiele wifi heeft het ook begeven. Als ik een cafe zie met een normale leestafel, installeer ik me daar met een latte en een tatlısı uit een jampotje. Dat vind ik eigenlijk wel weer genoeg avontuur voor vandaag. Het is niet elke dag feest.

Donderdag

Ondertussen aan de praktische kant, morgen is de laatste les van Gülfidan. Vandaag komt ze om 17:30 pas, dat betekent dat ik de hele dag heb om in Beyoglu rond te lopen.
Eigenlijk kan je niet spreken van ‘lessen’, we hebben gewoon een gesprek in het Turks met veel Engels erdoorheen. Omdat het een leuke vrouw is zijn de gesprekken gewoon ook heel leuk en soms praten we gewoon verder in het Engels. Ook Gülfidan is een van die neohippies, is me binnen een paar minuten duidelijk. Alleen vertelt ze me dat er echt een naam voor is, dat mensen ‘like us’ zich atatürkçiler noemen, aanhangers van wat Atatürk volgens hen ècht heeft bedoeld. Ze is 39, niet getrouwd, heeft geen kinderen en vertelde me als donorklinieken in Turkije legaal waren geweest, ze dan misschien wel een kind had gehad. Als donorklinieken legaal waren geweest? Steeds als ik denk dat het niet gekker kan, kan het toch echt wel gekker. Gülfidan vertelde me ook dat Erdogan vandaag in een toespraak heeft gezegd dat vrouwen die geen kinderen hebben, geen echte vrouwen zijn. Misschien moet ik mijn paspoort even aan laten passen. Ondertussen als het onderwerp is behandeld vuurt Gülfidan in het Turks vragen op me af en het is een soort Russisch roulette of ik de vraag begrijp of niet. Zoals wij ook doen, slikken de Turken ook de helft van de klinkers in. Wat heb je vandaag gedaan? Wat ga je hierna doen? Wat voor werk heb je? Wat heb allemaal bezocht? Wat vind je van Kadıköy? Ben je daar en daar geweest? Ik probeer zo lang mogelijke antwoorden te geven en af en toe vraag ik haar even een woord. Als ik fouten maak corrigeert ze me en herhaal ik het. Ik kan niet zeggen dat ik na deze week echt een zinnig gesprek kan hebben, maar ik merk dat het steeds makkelijker gaat.

Ook heb ik gisteren een auto geregeld. Tot mijn schrik was de prijs van de auto die ik had uitgezocht met 900 tl gestegen (300€) dus ik moest op zoek naar een kleinere en heb nu de kleinste klasse. Dinsdag haal ik hem om 14:00 op om naar Eskişehir te rijden. Ik heb nu al geen zin. Afgezien van deze pokkedrukte voel ik me prima in Istanbul. Als ik een beetje normaal zou slapen zou ik zelfs nog iets van de stad kunnen zien, haha. Het voelt echt een beetje als Rotterdam. Noord, zegmaar 🙂

Vrijdag

Voor iemand die zo voorbereid is ben ik anders behoorlijk besluiteloos en ik ben heel de ochtend aan het lanterfanten en bedenken wat ik zal gaan doen voordat ik om 11:30 de deur uitkom en de boot neem naar Beşiktaş. De dag zal waarschijnlijk toch weer heel anders uitpakken dus wat maakt het uit. In elk geval ga ik eerst naar RentnConnect op Taksim om mijn mobiele apparaatje om te ruilen tegen een lichtgewicht 4G apparaatje. Aangezien de ferry bij het maritiem museum stopt, besluit ik daar ook nog maar even naar binnen te gaan. Misschien heb ik iets gemist, maar ik zie alleen maar twee hallen met antieke houten schepen. Daarna loop ik achter het Dolmabahçe paleis onder de bomenrij langs (weet je nog Jan?) en het valt me op dat het overal stikt van de politie. Het voelt goed om een soort business purpose te hebben, ik ga even een zakelijke boodschap doen. Ik mag er dan misschien uitzien als een schaap op vakantie, maar ik hoor er toch een beetje bij, bij het werkende volk. Inderdaad zie je op de drukke toeristische plekken nauwelijks westerse toeristen, helemaal niet eigenlijk. Toevallig liep ik net achter twee Duitse meisjes, maar daar blijft het bij. Aan de rechterkant doemt het nieuwe Beşiktaş stadion op en ik denk even dat al die politie daar misschien iets mee te maken heeft, maar dan hoor ik dichtbij ineens de ezan en wordt het druk op straat. De ruimte voor de moskee is bezaaid met volk, het is natuurlijk vrijdag, en hier staan tussen de twintig en dertig politieauto’s omheen opgesteld en krioelt het van de politie. Voor de moskee buiten liggen kleden op de grond en zitten mensen geknield. Mannen die naar binnen willen worden gefouilleerd door vier politieagenten die de ingang blokkeren. Het tafereel doet me heel even denken aan Staphorst op zondagochtend maar deze mensen laten me wèl door. (Later bleek dat op dat moment de president in die moskee zat.) Op het Taksimplein neem ik afslag Siraselviler straat en vind ik het kantoor van RentnConnect. Ik stap zo’n jaren tachtig gebouw in met een marmeren hal met koperkleurige trapleuningen en rookglas spiegels. Het kantoor is een beetje Pied Piper, met overal strakke doosjes van RentnConnect en weer zo’n ongeschoren hipster achter een bureautje. Aan al die doosjes te zien doet hij het bestwel goed en ik hoop voor hem dat hij deze toerisme crash een beetje overleeft. Ik krijg een hypermodern 4g apparaatje en stap weer op.

Op weg naar Istiklal duik ik een zijstraatje in en eet ik bij Melekler dürümevi (dürüm huis Engelen) waar ik dürüm eet (dus) en şalgam suyu bestel, geen idee weer wat dat is, en deze keer is het mis, het blijkt een naar zeep smakende zoute bieten- of rode wortelsap te zijn. Vandaar dat die ober zo begon te grijnzen. Mij best, ik neem er toch maar gewoon een fantaatje bij.

Het duurt allemaal weer veels te lang en Istiklal is veels te leuk en met veel winkels die afleiden zo ben ik ondertussen dus al drie keer voorbij Mısır Apartman gelopen waar Galeri Nev zou moeten zitten, maar het gebouw is zo arrogant onuitnodigend dat ik al helemáál geen zin meer heb om naar binnen te gaan. Ik sla weer zo’n aantrekkelijk straatje in waar het zonlicht niet komt en dat te smal is voor een auto, waar allemaal kleine cafeetjes zitten en op de stoepen allemaal bergjes hipsters met elkaar zitten te kletsen en me nastaren, twijfelend of ze me nu even op weg moeten helpen terug naar de toeristenstraat, maar bij nader inzien zie ik er toch niet verdwaald genoeg uit. Ben ik wel, maar op de een of andere manier kom ik toch uit bij Ara Cafe, genoemd naar Ara Güler, Istanbul’s en misschien wel Turkije’s beroemdste fotograaf van het stads- en straatleven. Wat Orhan Pamuk met woorden doet, doet hij met foto’s, al zo’n 75 jaar lang sinds begin vorige eeuw. Kort geleden heeft hij zich de woede op de hals gehaald van een deel van zijn fans door een portret te fotograferen van Erdogan. In zijn verdediging kan worden gezegd dat hij sinds Atatürk alle presidenten van Turkije heeft gefotografeerd, zonder uitzondering. Kennelijk was zijn overweging dat deze er dan ook bij hoort.

Het café is prachtig, gezellig, stijlvol met grote zwartwitfoto’s aan de muren. Het heeft iets heerlijk jazzigs Frans, en de koffie is geweldig. Ik zit aan een tafeltje dat half op de stoep staat onder een glas met gietijzeren afdakje, en terwijl ik zit te schrijven komt er een meisje naast me staan van een jaar of zeven. Ze heeft een pakje zakdoekjes in haar hand en kijkt me met grote bruine ogen recht aan. Het is echt een aanbiddelijk piepklein meisje met een bruin glad haar en een beeldig gezichtje. Eerst begint ze in onbegrijpelijk Turks tegen met te praten. “Hayır teşekkürler”, zeg ik tegen haar, nee bedankt. “One lira”, zegt ze in het Engels tegen me. “No thank you”, zeg ik weer. Ze legt haar ragfijne handje op mijn arm en speelt met mijn horloge alsof ze mijn zusje is, even trekt dat horloge haar aandacht, want er staat een zebra op. Dan kijkt ze me weer aan en kantelt haar hoofd een beetje en zegt weer “One lira”. Het is alsof ze in die paar seconden met die paar handelingen een zusterschap heeft willen opbouwen en die nu wil verzilveren. “Zaten hayır dedim”, zeg ik tegen haar, ik heb al nee gezegd. De man naast mij is minder geduldig, trekt aan haar arm en maakt een wuifgebaar, ‘ga weg’. Dat komt me ineens heel frappant over. De mannen hier kruipen op hun knieën door de straat om de vrije katten te verzorgen, hebben standaard een paar eetlepels droge korrels in hun zak voor de verschillende katten die ze onderweg nog mochten tegenkomen, bouwen in de winter kleine huisjes voor ze van karton, afwasteiltjes en een ouwe trui, waar dan in de lente weer vijf kittens uit tevoorschijn komen, die ook allemaal weer worden verzorgd, maar dit beeldschone kleine meisje dat een pakje zakdoekjes probeert te verkopen, wordt hardhandig weggejaagd. Istanbul lijkt niet van menselijke bedelaars te houden.

Gülfidan komt vandaag om 18:00 dus ik heb nog een paar uur te tijd om drie galerieën en een museum te bezoeken, ik ben hoopvol dat dit gaat lukken binnen twee uur, min een uur reistijd. Ik hoef alleen maar even heel efficiënt de weg te vinden en dan heel efficient door de collecties heen te browsen door heel doelgericht mijn strategie toe te passen namelijk als ik mocht kiezen wat zou ik dan mee naar huis willen nemen? Alleen sta ik dan ineens voor de Nederlandse ambassade en terwijl ik daar een foto van sta te nemen omdat die vlag daar zo mooi vrijheid staat uit te wapperen, zie ik daar daarnaast een antiquariaat, en in de etalage liggen een paar boeken over Holland uit de 19e, en wat handgemaakte sieraden, en dan moet ik natuurlijk even naar binnen. Het heet Denizler Kitapevi, Boekhandel de Zeeën. Binnen ligt op tafel een gigantisch boek met foto’s van Ara Güler dat ik eigenlijk best wil hebben, maar het ziet eruit alsof het 20 kilo weegt dus in plaats daarvan vraag ik de mevrouw naar de sieraden in de etalage. Ze pakt ze en zet ze naast me neer om te passen. Als ik een ring wil pakken wijst ze naar mijn horloge en raakt daarbij even mijn arm aan. Dat is de tweede keer vandaag dat een vrouw mijn arm aanraakt en naar die stomme zebra kijkt. Ze lacht erbij en zegt dat het een grappig horloge is. De ringen zijn rood of groen, liefde of hoop. Ik kies een rode uit die om mijn middelvinger past, want hoop is toch een kansloze missie en verlaat de winkel.

Ik wilde eigenlijk zeggen dat ik niet van souvenirs hou, maar ik hou wel van souvenirs, ik ben er stapelgek op, vooral als ik het kan gebruiken of dragen en ze voor zoveel uitleg vatbaar zijn, in dit geval de stad, de zee, het reizen en het zwerven, dat allemaal in mijn bloed zit. Gek genoeg kom ik ook elke keer mijn vader tegen. In het geluid van de meeuwen, de drukte van aankomende vapurs, de vrachtschepen die ik hier zie varen, de geur van vis in elke haven, en in de houten notenkraker in de vorm van een haring die ik kocht in een antiekwinkel tegenover het Museum van de Onschuld.

Langs de zijkant van de nederlandse ambassade loop ik naar beneden door een straatje dat zo leeg en vervallen is dat ik er niet vrijwillig voor zou kiezen, maar ik moet richting Istanbul Modern. Halverwege besef ik me echter dat het me nooit gaat lukken om dat in het kwartier te doen dat ik nog over heb, dus ik ga toch maar op mn gemak naar de iskele.

Ik ben ruim op tijd voor mijn lerares, maar ik ben inmiddels zo moe, dat ik halverwege het gesprek afbreek. Ik lig om 21:00 op bed en lees nog wat maar val vrij snel in slaap.

Het dak van Istanbul


De vapur ruikt naar pijptabak, een geur die me bekend voorkomt en die me ook doet denken aan een gedicht van Jan Prins over (en genaamd) Rotterdam waar me de tranen van in de ogen schieten elke keer als ik het lees. Pijptabak, opa, Willemstad Curacao, Istanbul. Het waait flink en ik heb mijn hoody meegenomen. Gisteren kon ik niet slapen van de buikpijn en van de kou. Om 01:00 stond ik op om Emine’s apartement ondersteboven te keren opzoek naar pijnstillers, onderstussen de hele tijd ‘Sorry, sorry’ zeggend voor het feit dat ik door haar spullen heen ging. Ik vond iets dat Projezik heette, ik googlede het en kon alleen Turkse bijsluiters vinden. Uit de vertaling bleek dat het iets was voor reumatische pijn en menstruatiepijn. Aangezien ik de connectie tussen die twee niet helemaal begreep, nam ik ze maar niet en besloot ik de pijn maar te ondergaan vannacht. Ik greep een extra deken en probeerde te slapen. Om twee uur ging ik de tweede deken halen en toen leek het eindelijk te lukken. Helaas werd ik om 6:45 al weer wakker en schijtchaggerijnig, excusez le mot.

Het feit dat mijn lerares om 14:00 komt, stelt me voor het probleem dat ik vooraf een keuze moet maken in wat ik op een dag ga doen. Als ik naar de overkant wil moet ik dat vroeg doen om op tijd terug te kunnen zijn. Vanochtend was ik duidelijk te moe om iets te doen. Om 7:00 zet ik koffie en ga in bed liggen met Orhan Pamuk in mijn handen. Ik zie pretentieuze pseudointellectuele kunstroutes vanochtend al helemaal niet zitten maar herinner me wat buurman Özgür gisteren vertelde over de oude poort achter de Mısır Çarşı (Egyptische kruidenmarkt). Na de koffie voel ik me iets beter en dit lijkt me wel een overzichtelijk tripje.

Een half uurtje later wandel ik naar beneden richting iskelesi.
Voor het begrip: gisteren zou ik dus die pretentieuze kunstdag doen, weer naar de overkant en Istanbul Modern en een paar galeries die ik had opgezocht, want ik was voorbereid. Maar omdat de bloemetjesgordijnen flinterdun zijn, lag ik om 6:15 al weer met de ogen open in het stralende zonlicht. Ik krijg te weinig slaap. Ik bleef nog een uur liggen. Dan kan ik dat blogje van de dag ervoor wel even afmaken. Ik zet koffie en met elk uur dat verstrijkt stel ik mijn plannen een beetje bij. Omdat het kan. Ik heb rust nodig. En Turkije is in het dagelijks leven bij uitstek een ‘because we can’ land. De hele ochtend ben ik aan het lanterfanten in huis. Ik zit heerlijk koffie te drinken en bij mijn raampje te te schrijven. Ik moet er uiteindelijk toch even uit van mezelf. Ik ‘woon’ vlakbij de leukste straatjes van Moda en ik ben er nog niet eens geweest. Het is warm maar ik zie niemand op straat met een korte broek lopen, waarvan ik er zeven bij me heb terwijl maar twee lange gescheurde spijkerbroeken. Op de trap kom ik de buurman tegen. Die nodigt me spontaan uit voor een borrel. Ik ben er nog steeds niet achter in hoeverre het nou de bedoeling is dat je dit aanneemt, maar vooralsnog bedank ik.

Het is gelukkig niet zo druk en ondanks de ramazan zie ik mensen gewoon eten op de terrassen. Ik loop direct Güneşli Bahçe (zonnige tuin) straat in omdat ik weet dat het daar stikt van de groentekraampjes en restaurantjes. Ik loop naar het eind en heb ook al gespot waar ik straks even gevulde mosselen en baklava ga halen. Ik struin even bij een tweedehands boekwinkel met veel Franse boeken uit de 18e eeuw, en bij Çiya ga ik naar binnen, ik heb gelezen dat die de lekkerste kebab moet hebben, en nog onder de indruk van gisterenavond denk ik nog helemaal aan niks anders. Ik bestel de Çiya Kebab en Sumac şerbeti, geen idee wat dat is maar daarom juist. Ik krijg in dunne reepjes sesambrood gerold vlees met walnoot, met een tomaatje, pepertje en witte kaas in het midden en weer eet ik dit bord leeg alsof ik een week niet heb gegeten, zo lekker. Ik beloof dat ik niet elke keer ga vertellen wat ik eet, maar dit is pas dag drie of strict genomen in termen van maaltijden dag twee en ik ben nog onder de indruk van al dat andere eten. Tijdens het eten consulteer ik wat vriendinnen over het aannemen van uitnodigingen van Turkse buren, dat wil zeggen buurmannen, en er is een aanzienlijk verschil tussen die twee, en aangezien de meeste zeggen dat ik Turkse mannen niet moet vertrouwen, moet ik dat maar niet doen dan.

Echter ik heb bestwel zin in een biertje en het is nog zo vroeg, en voor de deur van mijn gebouw staat de jonge hipster buurman weer, dus allah, we nemen bij Dimo om de hoek even een biertje, dat wil zeggen ik een biertje en hij een Cola light vanwege ramazan.

Buurman Özgür is puntje bij paaltje nogal verlegen maar binnen 0 seconden gaat het gesprek over politiek en Galatasaray en breekt het ijs. Ook hij waarschuwt me trouwens dat ik Turkse mannen niet moet vertrouwen. Buurman blijkt een 29-jarige hipster behorende tot het geheime genootschap dat spreekt in termen van “wij” tegen “hem”. Ik heb het nu al een paar keer meegemaakt, er is hier hier een apart slag mensen dat ik inmiddels schaar onder het ‘underground resistance’ genootschap, die een bepaalde taal hanteren waaruit je kan afleiden dat ze tot dezelfde sociale groep behoren. Ze kennen elkaar niet, maar hebben het altijd over ‘wij’ (biz) waarmee ze alle mensen bedoelen die tegen tegen ‘hem’ zijn. Gezi Park speelt hierin een grote rol, elke keer komt het weer naar boven in de gesprekken. Als het Gezi wordt genoemd in het gesprek, kan je er gif op innemen dat je aan het praten met met een member of this unmentioned society. Deze mensen hebben duidelijk bepaalde kenmerken met elkaar gemeen: jong, intelligent, houden van kunst, geschiedenis, wetenschap, zijn een beetje ‘quirky’, zijn eigenlijk allemaal een beetje van de hipster society, wat ik eigenlijk allemaal nogal belachelijk en arrogant vind, sorry jonges, ik ben echt te oud voor die hipster fratsen, maar toch. Zo heeft mijn ‘landlady’ bijvoorbeeld een gasmasker en heavy duty bouwbril in de badkamer hangen, hèt symbool van deze naamloze sub-maatschappij: gasmaskers = Gezi park protests. Ze hangen er een beetje artistiekerig bij, maar ze hebben ook iets van baby, I’m ready to go. Zo van, je zal maar even snel een gasmasker nodig hebben, toch? Dan hangen ze voor het grijpen in de badkamer, boven de strijkplank of naast de boodschappentassen en het kattengrit. Wat zo ongelofelijk aansprekend is, is de beheerste overtuiging en de serene passie die deze mensen hebben voor wat er gebeurt in hun land, en hoezeer ze het ermee oneens zijn. Allemaal zijn ze overigens negatief over de toekomst, ze hebben de stellige overtuiging dat things will get worse before they get better. Ze hebben allemaal een je ne sais quoi over zich, een Bob Dylan-achtige weemoed is wel de meest in het oog springende eigenschap, maar tegelijkertijd een sterke overtuiging dat wat er nu gebeurt, niet goed is. Ze zeggen dat het merendeel van de mensen die nu op de huidige partij stemt, dit vooral doet uit angst om hun baan, hun inkomen te verliezen, of gewoon omdat ze niet beter weten. Zelf denk ik dat traditie, manipulatie van de media en intensieve framing (wat je voorheen zou bestempelen als propaganda) een grote rol spelen. Anyway, ik kan er uren over doorgaan.

Ook nu is het gesprek met Özgür doorspekt met politiek en ‘wij’-termen. (Sorry mam, het gaat toch weer over politiek.) Op het moment dat er mensen naast ons komen zitten, gaat ons stemvolume omlaag. Ik ben me er ineens van bewust dat ik moet letten op wat ik zeg, en tegelijkertijd komt het me een beetje overdreven over. Maar ik zie dat Özgür ook zo reageert, dus ik pas mijn tone of voice onmiddellijk aan. Daarentegen hebben we het ook over de wetenswaardigheden van Galatasaray en de awkward ET-baby van Wesley en Yolanthe, en reizen in het algemeen en Fethiye en de Lykia Yolu in het bijzonder. Na het bier lopen we naar Kemal Usta Waffles op het einde van Moda Caddesi voor een zondige wafel met bergen fruit en siroop en andere overdadige shit en ik vraag hem waarom hij geen alcohol drinkt met de ramazan maar evengoed wel zo’n wafel eet. Ik zie het verschil niet, qua zondigheid.

Özgür weet me verder te vertellen dat er vlak achter de Egyptische Markt in Fatih een antieke houten deur is die toegang geeft tot een geheim.
En dat is waar ik vandaag heen ga. Op Google maps heeft hij me laten zien waar het is, dus het is een piece of cake om vanaf de vapur de weg te vinden naar Çakmakçılar straat. De antieke houten deur staat open en is behangen met truitjes en tshirts, zoals deze hele buurt behangen is met alles dat men wil verkopen. Özgür heeft me verteld dat ik gewoon naar binnen moet gaan, er is daar een mannetje, die moet je 1 lira betalen en dan doet hij binnen een deur voor je open. Ik loop door de houten deur een soort courtyard op. Aan de rechter kant zie ik een donkere stenen trap. Automatisch ga ik er naar toe en loop de trap op. Ik weet niet wat me beweegt, het is een donkere stenen trap waar verder niemand te zien is. Ik loop naar boven en kom in een donkere stenen galerij met een rond plafond, als de galerij van een klooster. Een paar mensen zijn aan het werk in de ruimtes aan de zijkant, verder is er niemand. Alles is zo oud, dat ik wel moet doorlopen. Ik wil zoveel mogelijk van deze verborgen schat zien voordat iemand me wegstuurt. Ik heb het gevoel dat ik gewoon moet doorgaan tot iemand me tegenhoudt. Aan het eind van de gang gebeurt dat ook, er staat ineens een mannetje voor me dat iets tegen me zegt in het Turks waar ik alleen het woord ‘kapalı’ van oppik, ‘gesloten’. ‘Kapalı mı?’, vraag ik met een teleurgestelde blik. Gelukkig zegt het mannetje meteen dat voor 5 lira hij me er wel in wil laten. Dat aanbod beantwoord ik met een dankbare knik en hij gaat me voor, die donkere gang in en ik volg hem. Na een paar bochten en trapjes komen we bij een zware houten deur van een paar honderd jaar oud, hij opent deze en laat mij binnen, duidelijk niet van plan om mee te gaan. Hij wijst de trap op, dat ik naar boven moet gaan en hij trekt aan een palletje van het slot om te laten zien hoe ik het van binnen open moet maken. Daarna doet hij de deur achter me dicht en draait die op slot. “Okeeejjjjj”, denk ik, “Dan zal ik maar naar boven gaan he?” Ik volg de uitgesleten stenen trap naar boven, het wordt steeds lichter en plotseling sta ik bovenop het dak van een eeuwenoude markt, tussen de kleine koepeldaken, met uitzicht over de wijk Fatih, de Suleymaniye moskee, de Gouden Hoorn, Galatabrug, Galatatoren, de wijk Beyoğlu. Niemand is hier, alleen ik. Ik loop voorzichtig rond op de eeuwenoude koepels en kijk om me heen, geniet van het uitzicht, luister naar de geluiden die uit de stad omhoogkomen. De oude baksteentjes komen hier en daar onder de lagen cement vandaan. Hier ligt bitumen, daar tegels, verderop zijn de gaten met cement gedicht. Het waait en ik ga een paar minuten op een van de koepels zitten. Hier geen verkoopwaar of schreeuwende verkopers, dit is de achterkant van de markt, de achterkant van Istanbuls drukke straatleven. Wat ongelofelijk dat ik dit nou weer mag meemaken.

Als ik opsta om terug te gaan staat er aan de andere zijde van de courtyard op een plat dak een mannetje naar me te zwaaien. Hij gebaart dat ik om moet lopen. Ik begrijp niet zo goed waarheen dus ik zwaai maar gedag. Als ik beneden aankom, staat hij op me te wachten, en wenkt dat ik mee moet komen, en vraag me niet waarom, maar ik doe het maar. Het mannetje is een kop kleiner dan ik en snelwandelt met korte pasjes richting een hoek van de courtyard, steeds achteromkijkend of ik nog volg. We gaan een nog donkerdere gang in, en slalommen nog meer stenen trapjes op die soms zo donker zijn dat ik niet eens kan zien waar ik mijn voeten zet. Totdat we aankomen op het platte dak vanwaar hij zojuist naar me stond te zwaaien. Inderdaad, ook hier een briljant uitzicht over deze wereldstad. Trots staat hij te zwaaien naar alles dat je vanaf hier kan zien. Aan de overkant van het dak is nog weer een kleine deur. Hij zegt ‘Ik ga nu thee halen’, dus ik neem aan dat ik ben uitgenodigd voor de thee. Er is eigenlijk niet eens sprake van dat ik dat zou afwijzen, dus ik ga maar naar binnen. Ik kom in een piepklein huiskamertje en mag op de bank gaan zitten. De tv staat uiteraard aan. Ik krijg thee en die drink ik met suiker. Het mannetje heet Murat, en ik heet voor het gemak maar even Jen. Murat praat honderduit en ik versta er maar flarden van. Ik vraag hem naar de bomaanslag gisteren, hier in de buurt. Hij wijst naar de televisie en zegt dat er net twee uur geleden nog een PKK-aanslag is geweest in Mardin. Ik vraag of hij hier een winkel heeft. Hij zegt, dit is mijn winkel. De thee is inmiddels op, en ik sta op om weg te gaan. Ik had hem niet helemaal begrepen en vraag waar zijn winkel dan is. Hij steekt zijn arm uit naar de kleine ruimte ernaast. Die blijkt vol te staan met grote pannen en wokken die tegen de muren staan opgestapeld, en op een tafel staan een gietijzeren kooktoestel en verschillende potten verf. Nu begrijp ik de verschillende gekleurde bergjes wol die in de kamer lagen: deze man verft stoffen. In theatrale gebaren laat hij zien hoe hij dat doet: water koken (hij steekt zelfs het gastoestel even voor me aan), verf erbij, wol erin, roeren. Ergens ander in de gang beneden worden dan de stoffen gemaakt. Ik maak geen foto’s, op de een of andere manier voelt dat oneerbiedig aan, maar ik heb er nu wel spijt van.

Bij het weggaan gaan we ons te buiten aan beleefdheden en wijst hij me de weg terug. Het is aardedonker en ik moet met mijn iphone bijschijnen om niet op mijn bakkes te gaan. Gonzend van geluk neem ik de vapur naar huis.

Galerij boven de markt in Fatih

Follow the sun

 

Follow, follow the sun
and which way the wind blows
when this day is done

Breathe, breathe in the air
Set your intentions
Dream with care

Tomorrow is a new day for everyone
Brand new moon, brand new sun

So follow, follow the sun
the direction of the birds
the direction of love

Breathe, breathe in the air
cherish this moment
cherish this breath

Tomorrow is a new day for everyone
brand new moon, brand new sun

When you feel life coming down on you
like a heavy weight
When you feel this crazy society
adding to the strain
Take a stroll to the nearest waters edge
remember your place
Many moons have risen and fallen long, long before you came

So which way is the wind blowing
and what does your heart say?

So follow, follow the sun
and which way the wind blows
when this day is done…

 

– Xavier Rudd

Onschuld


Ik vond gisteren dat ik wel mocht uitslapen dus ik had de wekker om 9:30 gezet, maar ik werd om 7:15 (6:15) al wakker. Enigszins van de schrik bekomen had ik bedacht dat ik dit maar gewoon een relaxte dag moet maken zonder ‘bucketlistgerichte’ activiteiten, aangezien ik al één taak heb vandaag, en dat is de sleutel ophalen van het appartement van Uğur (spreek uit: Oe-oer) in Cihangir, Beyoğlu. Ik moet daar om 14:00 zijn. Eigenlijk had ik nu dus de wijk in willen gaan voor een ontbijtje maar de drukte van gisteren heeft me afgeschrikt, dus ik zet gewoon koffie en smeer een paar crackers met iets van Philadelphia-achtige kaas. Ik nuttig dat ontbijt afwisselend op de ene en de andere bank en aan het tafeltje bij het raam, omdat ik mijn draai nog niet kan vinden. Al die kamers ook… wel vier, ik ben het niet gewend. De hele ochtend loop ik achter mijn spullen aan, ik vergeet direct waar ik mijn telefoon, iPad, koffie, cracker, slippers heb gelaten en moet dan dus wel vier kamers checken. Het hele ochtendritueel duurt dan ook twee keer zo lang als normaal. Maar de zon schijnt, het is warm, de ramen staan open, de geluiden van Istanbul begeleiden het hele ritueel. Om 11:30 loop ik de deur uit richting iskele (bootstation).
Bij de kiosk haal ik een Istanbul kartı en met handen en voeten vraag ik of de verkoper hem ook op kan laden. Ik weet niet wat er mis is, maar van mijn Turks komt helemaal niets terecht, ik weet niet wàt er uit mijn mond komt, of misschien schijnt mijn truitje teveel door, ik weet het niet, maar niemand verstaat er een jota van. En waar ik voorheen dacht, alle Turken spreken toch Engels, nou, niet dus, op het moment dat je echt iets nodig hebt, spreekt er helemaal niemand Engels. En dan is het dus handig als je zuurgeleerde Turks er een beetje begrijpelijk uit komt, maar die moeite is dus klaarblijkelijk ook voor niks, want twee mannen kijken me aan alsof ze denken: “Dat mens probéért kennelijk iets in het Turks te zeggen, maar wat bedoelt ze in vredesnaam?” Pas als er een derde jonge gast aan te pas komt die meteen als vertaler inspringt, komt het goed. Istanbul kartı in de pocket, ik kan weer tien keer heen en weer met de vapur (spreek uit: wapoer).

Ik stap uit in Karaköy aan de noordkant van de Galatabrug en stap op de tram naar Tophane. Dat is precies aan het eind van Boğazkesen straat (“Strait cutter” straat, genaamd naar het afsnijden van de Bosporus waarmee de ottomanen Constantinopel veroverden in de 15e eeuw, maar letterlijk vertaald ook ‘neksnijder’, wat de straat waar ik nu doorheen loop net even die extra edge geeft). Het appartement van Uğur ligt in een zijstraat hiervan. Ik ben ontzettend vroeg, zodat ik lekker even door deze hippe buurt  kan struinen. Dat betekent trouwens wel dat ik deze straat helemaal uit moet lopen, of liever óp moet lopen, want ik heb inmiddels wel door dat je straten hier uitsluitend òp- of àfloopt. Bijna aan het eind ben ik toch redelijk buiten adem en ga ik zitten in een nis op de stoep, die het terras van een boho hipster koffiecafé blijkt te zijn die dan ook arrogant genoeg is dat je er dan ook echt alleen maar koffie kan krijgen. Nou ja, en water en thee. Een meisje voor me bestelt thee, en krijgt die met een instructie van drie minuten en een minizandlopertje erbij. Doe mij maar koffie dan, en water. Even vergeten dat ik geen geld bij me heb. “Geen probleem, betaal later maar,” zegt de hipster ober, terwijl hij een inderdaad goddelijke latte voor me neerzet, “verderop zit wel een pinautomaat.” Dat vertrouwen dat je moet geven in dit land, krijg je ook terug.

Op zoek naar de pinautomaat sta ik ineens op Istiklal straat. Uit nostalgie omdat ik hier twee jaar geleden met Jan liep, loop ik een stukje door. Voor de deur van het Galata Lyceum zijn twee banken opgesteld waar mensen op zitten met bordjes in hun handen. Op de grond ervoor worden nog meer bordjes neergelegd. Het zijn foto’s met namen en data eronder. Het zullen wel geen verjaardagen zijn. Ik loop er langzaam omheen om erachter te komen waar het over gaat zonder dat ik iemand hoef aan te spreken, maar ik kom er niet achter. Iets verderop staan een paar politieagenten te kijken. Terwijl ik de flarden woorden aan elkaar probeer te rijgen, wandel ik langzaam door en als ik weer om me heen kijk zie ik dat ik exact op de plek ben waar kort geleden een aanslag is gepleegd, waar drie toeristen omkwamen. Ik herken het aan het naambordje van een gemeentelijk politiebureau. Je ziet er niets meer van terug. Er kijkt niemand naar om. Ik krijg een heel licht unheimisch gevoel en vraag me soort van verplicht af of ik hier wel veilig ben. Ik draai me om en loop terug. Ik zie nu dat in het straatje achter de politieagenten, niet meer een paar politieagenten staan, maar inmiddels wel veertig of vijftig en er staan ook twee ME-bussen achter. Een seconde ben ik van plan een foto van ze te maken, maar besluit dat ik dat misschien maar beter even niet kan doen. Sterker nog, ik heb ineens het gevoel dat ik gewoon maar beter helemaal heel snel hier weg kan gaan. Ik loop terug naar ‘Coffee Lab’ (wil je iets hipsters starten, dan zet je er gewoon ‘Lab’ achter) en betaal de jongen, die zich ongetwijfeld al afvroeg of ik nog terugkwam. Van de demonstratie merk ik verder niets meer.

Ik eet nog even een hipster broodje in ‘Bite’ dat 45 minuten duurt om te maken, en loop dan naar het apartement van Uğur.  Bovenaan de 96 treden staat hij me breed grijnzend op te wachten. Ik krijg een glas water en een rondleiding. Hij zwaait de balkondeuren van de woonkamer open en daar ligt Galata over de heuvels gedrapeerd, met op 500 meter afstand de Galatatoren. Ook hier is het uitzicht sprookjesachtig, wat ben ik een bofferd. Uğur is de perfecte gastheer, ik mag alles gebruiken, overal voor bellen, dan komt hij meteen, en in de koelkast staan twee bakjes sütlaç, die moet ik lekker opeten met honing, ja, hij doet dat niet “because I’m working out, I have to watch my sugar intake”, maar ik ben kennelijk dik genoeg om wel suiker te eten. Ik vermoed dat hij gay is. Hij vertelt dat hij meerdere keren in Amsterdam is geweest, “ofcourse Amsterdam is the Mecca of everything!”, en dan weet ik het bijna wel zeker.

Ik vertrek vlak na hem om even boodschappen te doen bij Carrefour op Sıraselviler caddesi midden in Cihangir, en ik waan me in Parijs. Kleine straatjes, pleintjes met bomen, terrasjes. Voordat ik daar aankom neem ik wat willekeurige zijstraten en opeens sta ik voor het Museum of Innocence. Toch maar gelijk naar binnen ook al is het al eind van de middag. Dat is de beauty van alleen reizen, al die mooie dingentjes meteen kunnen doen. Ik ben ook helemaal in verrukking van het museum. Pamuk maakt een studie van het verbinden van woorden, betekenissen, herinneringen en objecten. Het museum bevat duizenden onschuldige objecten waar je anders niet naar om zou kijken maar in deze context vormen ze een verhaal, en hebben ze betekenis, en relateer je automatisch zijn objecten, en woorden, en betekenissen aan die van jezelf. Het hele museum is daardoor een kunstwerk en een ontroerende persoonlijke beleving in één.

Teruggekomen die 96 treden op zit ik nog lang op het terras te schrijven met een glas wijn. Tegen zonsondergang neem ik de ferry weer terug naar Kadıköy.

Als ik van de boot ben gestapt, loop ik toch maar even achter de meute aan richting het centrum. Mijn afkeer van mensenmassa’s zorgt ervoor dat ik de eerste de beste kebapzaak binnenloop en niet verder durf. Gelukkig betreft het hier Iskender kebapçı, sinds 1967 al in de kebap volgens het servetje, en zelfs de hele familie heet Iskenderoğlu, met die mensen moet je niet sollen, die weten wat ze doen. Alleen is dat geen Engels spreken dus met mijn kennelijk gebrekkig Turks zeg ik dat ik iets wil eten. Weer die verwarde blik, terwijl het me toch redelijk voordehandliggend lijkt wat ik hier kom doen op dit tijdstip van de dag net als de rest van de Kadıköyers. Ja ik weet het jongens, ik ben alleen, het is een beetje gek, maar een mens alleen moet toch ook eten? Als ik dan maar in het Engels vraag of ze een tafeltje voor me hebben wordt er geroepen naar degene in de bediening die wel Engels spreekt, en die wordt er dan bijgehaald. Het komt me over als nogal veel moeite, zeker als blijkt dat op het hele menu maar twee dingen staan, dus de kans op misverstanden over de bestelling is nagenoeg niet aanwezig.  Een hele portie, of 1,5 portie kebap, ik vind het allemaal prima, als ik hier maar zo snel mogelijk weg kan. Ik bestel een portie en water (geen alcohol op de kaart) en die worden binnen vijf minuten gebracht (allicht als ze toch de hele dag niks anders maken). De ober zet een bord geschaafd vlees voor me neer en schenkt voor mijn neus er uit de pan een restje heet braadvet overheen. Ik neem een hap brood en vlees en ik sta meteen op scherp: hoe kan dit? Hoe kàn dit zo lekker zijn? Ik zie er werkelijk niets bijzonders aan: tomaatje, groen paprikaatje, brood, vlees en witte kaas. Maar het is goddelijk, en ik had niet eens honger. Dat vlees is echt zo lekker. Het is amper gekruid, maar zacht, en de peper en boter maken alle vleessmaken los. Ik kan ook meteen niet meer ophouden met eten en heb spijt dat ik niet die 1,5 heb genomen. Binnen 10 minuten heb ik mijn bord leeg, eerlijk is eerlijk, ook omdat ik gewoon weg wil. Maar ik zie wel dat hier gewone mensen zitten, geen toeristen, ik hoor alleen maar Turks om me heen en ook al heb ik het gevoel dat ik er totaal niet bijhoor, het is prima, want het is ècht, en gewoon, en ik heb zojuist de kebapsummit van mijn leven bereikt, en dat is een prima verworvenheid voor vandaag.

Sütlaç met honing
Museum of Innocense