Ruimteschip

Ik dacht dus even snel afscheid te nemen en fijn in mijn auto te springen naar onbekende horizonten maar ik was weer zo dom om niet naar mijn intuïtie te luisteren. Anders dan andere vakanties ben ik op dit moment heel blij om mijn koffer te pakken en op weg te gaan naar het avontuur van de dag, want morgen ga ik al naar huis, en ik snak naar fijne koffie. Als ik op het terras nog een paar regeltjes aan het schrijven ben, wordt mijn aandacht getrokken door een vrouw die vanaf haar balkon naar me staat te roepen. “Je vous envite pour une café chez moi!”, roept ze. O nee toch, denk ik. Ik roep terug dat ik over 10 minuten vertrek. “5 minutes!”, roept ze terug, en dat ze me beneden komt halen. Ik begrijp al weer dat er geen ontkomen aan is, en ik ben ook wel weer nieuwsgierig, dus ik zeg okee, en na de plichtplegingen en afscheid van de hoteleigenaar loop ik richting haar deur, waar ze me opwacht. “Ik zag u gisterenavond op het strand”, zei ze. “Ik heb het mooiste appartement van de hele rij, met uitzicht op zee, ik wil het u graag laten zien”. Het is me volstrekt niet duidelijk waarom, zit ze om een praatje verlegen? Wil ze me iets verkopen? Ik loop achter haar aan naar boven toe, benieuwd naar dat prachtige appartement dat ze me wil laten zien. Haar man is er niet, die komt hier ook niet vaak. Ze woont eigenlijk in Tunis, zegt ze, dit heeft ze er bij. Ze verhuurt het soms ook, en als ik ooit een plek zoek, dan ben ik hier welkom. Het verhaal is een beetje onsamenhangend en ik vraag me ineens af of het wel helemaal goed met haar gaat. (En om eerlijk te zijn: “straks word ik nog gegijzeld!”, maar dat schud ik snel van me af.) We komen binnen en ik zie iets dat lijkt op de binnenkant van een stacaravan. Kale meubels, witte tegels, zalmroze muren, geen gordijnen, dozen en tapijten opgestapeld tegen de muren, de eettafel vol met papieren en borden en bekers. Een schril contrast met waar ik net vandaan kom. “Mooi he?”, zegt ze, terwijl ze een plukje haar achter haar oor veegt. Iets triestigs hangt om haar heen. Inderdaad wel een enorm terras met een heerlijk uitzicht op zee. Witte plastic stoeltjes. “Ga zitten”, zegt ze terwijl ze een stoeltje voor me uitschuift. “Nee nee, j’ai un rendez-vous”, zeg ik, want ik moet de huurauto terugbrengen. Gelukkig snapt ze dat, en babbelend over haar leven leidt ze me langs de fotogalerij terug naar de deur terwijl ik via de foto’s haar hele familie leer kennen. Wat me ineens opvalt als ik zo achter haar aan loopt: die geur. Alcohol! En dit is geen schoonmaakalcohol. Het is 9:00 in de ochtend en mevrouw heeft er duidelijk al een paar op. Alcoholvrij land, tuurlijk, malaka’s!

Afijn al met al tien minuten later ben ik op weg. Ik ga vandaag een fijn stukje rijden, naar Kairouan en naar El Djem en ik twijfel nog even hoe ik zal rijden: over de péage naar El Djem, en dan door het binnenland via Kairouan terug naar Hammamet, of andersom en eerst de landweggetjes doen en dan over de péage terug naar het hotel. Ik besluit het laatste, dan kan ik op weg naar huis lekker het pedaal aanstampen. Ik rijd nog even langs de supermarkt om de olijfolie te halen die ik eigenlijk van de hoteleigenaar zou krijgen, maar die ik niet kreeg, en een overlevingspakketje voor als ik in de woestijn met panne kom te staan (ik weet het ik overdrijf weer schromelijk). Bij de kassa is er wat gedoe met afrekenen omdat de flessen drie voor de prijs van 1 zijn, maar ik er echt maar 1 wil, en dit op de een of andere manier oui non oui non maar niet duidelijk krijg, plotseling allemaal commotie en een chagrijnig mannetje gaat driftig tòch nog 2 flessen voor me halen, en dan laat ik het maar. Per ongeluk zeg ik “Çok güzel” in plaats van “Très gentil” en ineens breekt er een brede glimlach op zijn gezicht en lijkt het alsof hij gaat stralen: “Ah! Cést Türk!” en dan nog vanalles wat ik niet kan verstaan, maar kennelijk ben ik nu goedgekeurd en mag ik weg met m’n drie flessen die ik nooit meer op krijg. Was het maar wijn.

Het eerste stuk is al bijna 150km rijden. Halverwege de snelweg moet ik er af, het land in, het is kaal en droog en in de dorpjes waar ik doorheen kom is het een drukte van jewelste op deze zaterdagochtend. Omdat ik ergens ook nog verkeerd rij kost het me 2 uur om in de heiligste stad van de Maghreb aan te komen. Waarom wilde ik hier naar toe? Omdat A) het in bijna alle guided tours genoemd wordt en B) Paul Klee hier pas echt is begonnen te schilderen, vond hij zelf tenminste. Van de idyllische veelkleurige pracht en praal van zijn schilderijen zie ik weinig terug maar toch, het is een magnifiek gezicht: midden in de ‘moderne’ stad een hermetisch gesloten uitziende goudgele muur van ongeveer 2,5km die de zéker 1500 jaar oude medina omsluit, en die de vierde of tweede heiligste stad ter wereld is voor de moslims (verschillende ongevraagde meelopers vertellen me verschillende verhalen). Het is nog best lastig om de vroegere geschiedenis te achterhalen, want de islam heeft die gekaapt: alles vóór het jaar 670 is natuurlijk niet belangrijk, terwijl ik hier toch duidelijk romeinse pilaren zie. Wat dieper speurwerk levert op dat het inderdaad een byzantijnse plaats was, genaamd Kamouinia, verder niet een heel significante plaats, maar toch een bolwerk dat door de Arabieren gretig werd ingenomen. Ik rijd om de halve stad heen op zoek naar een parkeerplaats, de grote touringcars uit de toeristenplaatsen duiden me op een plekje aan de overkant van de weg, maar als ik sta te wachten om naar de overkant te rijden, komt er een schriele jongeman pal voor mijn auto staan zwaaien dat ik hier zó de medina in kan rijden en hier kan parkeren. Het lijkt me nogal onwaarschijnlijk, dat ik hier zomaar in mag als een olifant in een porseleinkast met die Suzuki, maar ik doe het tòch, wat me natuurlijk weer duur komt te staan, want het mannetje rent meteen achter me aan en blijft ook aan me kleven als ik de medina verder in wil lopen. “You should go this way”, zegt hij, één arm naar mij uitstekend en de andere naar de kant waar ik kennelijk heen moet. “This way is straight to the great mosque”, zegt hij en loopt alvast een stukje voor me uit. Als hij in de gaten krijgt dat ik een andere kant op loop, keert hij om en rent weer naar me toe. “Thank you, I like to walk alone”, zeg ik. “But it’s really difficult, I’m a cultural tourism student, I’m not a guide”, probeert hij, en het is nog knap moeilijk om hem van me af te schudden. Dat heeft ook totaal geen zin want één straat verder staat weer een ànder mannetje dat mij per sé naar the great mosque wil brengen. “Thank you, I would really like to walk alone”, zeg ik een paar keer. “No no no”, zegt hij, “it’s not a problem, I’m not a guide, it’s just my pleasure. This way!” “Ja, jouw pleasure misschien…”, denk ik, en “hoezo not a problem”. En ook deze schuifelt snel voor me uit, niet eens omkijkend, gewoon er van uitgaande dat ik er wel achter aan loop. Ik wil echter de andere kant op, richting de souk, maar kennelijk is dat niet de bedoeling, ik moet en zal naar de moskee! Een paar keer herhaalt zich dit tafereel: mannetje zegt dat hij me de weg wel laat zien naar de moskee, “het is nog maar een klein stukje!”, ik loop de andere kant op, mannetje rent achter me aan. Na een keer of vijf geeft hij het op. Daarna zijn het de verkopers die staan te roeptoeteren om mijn aandacht. Het is nog moeilijk om het echte oude Kairouan te ontdekken, hier waar het krioelt van de toeristen. Maar als je er een beetje door heen kan kijken is het prachtig: kronkelige smalle witte straatjes waar je helemaal in kan verdwalen want geen rechte pijl op te trekken, en toch voel je niet onveilig want je weet toch dat je op een gegeven moment weer tegen die muur aan loopt. En in die kleine winkeltjes waar binnen nauwelijks verlichting is, verschuilen zich allemaal kleine ateliers, of liever werkplaatsjes, die ik door de open deuren kan bekijken. Er zijn mannen en vrouwen leer aan het snijden, stof aan het weven, deeg aan het kneden, aan het naaien achter oude Singer naaimachines, en in de deuropening staan dan kleine tafeltjes waar de waren staan uitgestald. Helaas ook hier geen gezellige terrasjes die er uitnodigend genoeg uit zien voor een kop Nescafé. Als de zóveelste man me naar de moskee wil brengen, hou ik het voor gezien en ga ik richting auto, waar de eerste jongeman nu op de stoep naast een vriend in de schaduw zit. Hij doet geen moeite om op te staan, gelukkig. “You are a very nice person”, zegt hij. “Thank you, so are you, goodbye”, zeg ik.

Blij dat ik weer iets heb afgecheckt en wat dichter bij het einde van de dag ben, zet ik koers naar El Djem, iets meer dan 70km verderop, richting Monastir, waar ik met de beste wil van de wereld geen energie meer voor op kan brengen. Wat een heerlijke rit weer, met weer een heel ander landschap. Ik moet zelfs een stukje door de woestijn! Niet zo één met grote gele duinen natuurlijk, maar wel zo één waar niets is, een kale vlakte, en verderop een groot zoutmeer.

Ik rijd El Djem binnen vanuit het westen. Hoewel het best een grote plaats is, is er totaal geen hoogbouw. Ik kan mijn ogen eigenlijk bijna niet geloven als ik van deze afstand in de verte iets boven de huizen uit zie steken dat op een amfitheater lijkt. Dat is het niet, toch? Neeeeee. Toch? Dan lijken het weer flatgebouwen te zijn in het centrum. Maar hoe dichter ik bij kom, hoe beter ik de ronde vorm zie, de bogen. Het lijkt wel een ruimteschip, zo out of place, zo onwerkelijk is het contrast met de gebouwen in de directe omgeving. Een kroonjuweel in een te kleine plastic sieradendoos. Steeds dichterbij, wordt het steeds groter. Eerst zie ik het tussen de huizen van de smalle straatjes door, dan draai ik een wat bredere weg op en doemt hij aan het eind van de straat op. Wat een magnifiek gezicht! Het is een van de grootste amfitheaters die er bestaan (de grootse na het colosseum dacht ik), en in een prachtige conditie. Ik maak een foto van het theater en een kameel, en omdat er nu een kameel op staat moet ik ineens een dinar betalen aan het mannetje van de kameel, die die kameel daar natuurlijk niet voor niks heeft neergelegd. Alleen ik hàd geen dinars meer, dus ik liep maar snel weg en voelde me weer een slecht mens. Ik ben inmiddels ketskapot en moet mezelf echt dwingen om te besluiten toch maar het theater in te gaan, en daar heb ik een heel rondje om het theater heen voor nodig, plus langs de pinautomaat, om tot die beslissing te komen. Haal het maar weer uit je tenen, Jen. Ja je bent moe, ja je wilt naar huis, maar je komt hier nooit weer, dus je gáát! Maar wat me uiteindelijk – eerlijk is eerlijk – ècht over de streep trekt is dat er een museumpje bij is, met schone wc’s. En toch blij dat ik het gedaan heb natuurlijk, het is echt wel heel erg mooi. Het was niet druk, de toeristen gingen net vertrekken, de zon stond al laag waardoor de kleuren zacht werden en het geluid ook. Van binnen doet het helemaal enorm aan, ook in de hoogte. Ik zie (in mijn hoofd) om me heen van alle tijden mensen voorbij lopen, in witte en paarse toga’s, in grove wollen broeken, op blote voeten, van riet gevlochten slippers, met fibula’s bijeengebonden mantels, met leren buidels en pomanders hangend aan riemen, en er lopen leeuwen, paarden, kamelen, ezels, varkens en kippen. Op de tribune ga ik even water drinken en moed verzamelen om terug naar het hotel te rijden. Haast heb ik bepaald niet, als ik maar op tijd ben voor de transfer naar het vliegveld om 4:00. Het is meer dat ik nog een best eindje moet rijden. Als ik langs de kameel loop, stop ik even bij het meneertje. Ik geef hem maar gewoon de twee dinars die ik nu wèl heb. Ik krijg een gebaartje van dankbaarheid en ga dan de lange rit langs Monastir en Sousse over de peage beginnen. Muziekje aan en mijn zonden overdenken. En of ik het voor elkaar zal krijgen om met koffer en al een glas wijn mee naar de kamer te krijgen, of dat ik twee keer moet lopen.

Het is al een uur of zeven en donker als ik aan kom. Ik sleep mijn koffer uit de huurauto en lever de sleutel in bij de balie. Gelijk even navragen of ze iets weten van mijn transfer. En ja, hoera, ik sta op een lijst! Om 02:10 word ik al opgehaald! Ik word er helemaal vrolijk van. Het einde is in zicht. Ik gooi mijn koffer in mijn kamer op bed en loop direct weer helemaal terug naar de bar voor een glas wijn. “Waarom ga je ook naar een land waar wijn verboden is”, zegt een vriendin, “Ga volgende keer gewoon lekker naar Frankrijk.” “Of naar Chili”, zeg ik, “Argentinië, Zuid Afrika.” “Nou ja eigenlijk ieder land behalve…” Ook overdenk ik de andere dingen die deze vakantie compleet hadden kunnen maken. Vooral het koffieritueel, op een terrasje met mijn iPad, je kan hier als vrouw niet zomaar op een terrasje gaan zitten, en dat stond dan weer symbool voor allerlei andere dingen die ik hier als vrouw niet kan doen, zoals ‘s avonds in een stad als Tunis fijne restaurants uitzoeken, en zwemmen in zee op een moment dat het mij uitkomt. Nee, niet eens de wijn. Eigenlijk heb ik hier de hele ‘big five’ gemist (koffie, eten, wijn, stilte, zwemmen in zee) en van een big five naar een big zero is wel een heel grote kloof tussen mijn verwachtingen en de werkelijkheid.

Omdat ik zo blij ben dat ik naar huis ga, heb ik er gewoon plezier in dat wanneer ik op het balkon ga zitten schrijven, die teringherrie beneden weer begint. Alsof die de voorpret over het aanstaande vertrek naar huis nòg zoeter maakt. Ik heb verder niet zo heel veel in te pakken, en slapen kan me niet zoveel schelen nu, dus ik loop nog een keer of vier naar beneden voor wijn en zit verder lekker te schrijven, ironisch genoeg voor het eerst met een echt vakantiegevoel. Ik voel de wind van zee en zie de lichtjes van Hammamet en de haven, en eventjes heb ik het gevoel deel uit te maken van de hele wereld van zeevaarders, in hun onrustige bestaan van haven naar haven, van vuurtoren naar vuurtoren, navigerend door de geschiedenis, ’s nachts geleid door de poolster*, verlangend naar huis. Soms kom je ergens waar je de mores niet kent. Waar je prachtige dingen ziet maar het gevoel hebt dat je er nèt niet bij kan, iets houdt je tegen, om echt in de huid te kruipen van het land waar je bent. En dat is jammer, want achter al die belemmeringen ligt een prachtig, timide land, rijk aan historie, vol met mensen, cultuur, olijven en ja, wijngaarden, en andere geheimen die ik helaas niet meer ga ontrafelen. Waarschijnlijk tot niet meer ziens Tunesië. Maar wie weet.

Tunisia: a generous terroir?

* De Feniciërs waren de eersten die de Kleine Beer gebruikten in de maritieme navigatie. De Grieken die gewend waren de Grote Beer te gebruiken, namen dit van ze over. De Kleine Beer bevat de poolster, waardoor de navigatie nauwkeuriger was.

Salammbô

Ik schrik er van dat het al donderdag is. Dat betekent nog maar drie dagen om èn alles te doen wat nog op mijn lijstje stond inclusief 500 km rijden, èn nog even te genieten en relaxen. Hm, misschien wil ik iets te veel.

Hier wakker worden was heerlijk, en ik was ook niet van plan om ook maar iets te doen, behalve luieren bij het zwembad en schrijven, en nog meer slapen. Ik kreeg een heerlijk ontbijt met een kruidig omelet, fruit, brood en koffie, en kon lekker schrijven, en na het ontbijt nam Skander de hoteleigenaar me mee op de tour door het huis. Elke kamer is bijzonder, en staat vol met objecten met een verhaal en een geschiedenis, spiegels, kamerschermen, tafeltjes, prachtige antieke lampen (een gemaakt met goud en kobalt, “I hope you have a good insurance”). In één van de kamers schrik ik van een kist die hij aanwijst. Dit is precies zo’n kist als wij nu nog in ons ouderlijk huis hebben staan, die mijn vader uit Perzië heeft meegenomen. “This box is more than 500 years old”, zegt Skander, “It’s made of wood and leather and has the same patterns as you see on the doors.” Ik geloof mijn ogen bijna niet. Onze “kist”, “De Kist”, die al langer in ons huis stond dan mijn zus en ik op de wereld, die altijd de bewaarplaats was voor de fotoboeken, kreeg ineens en heel andere betekenis. “We have a chest like this at home”, zeg ik. “You should take very good care of it”, zegt hij. Ik vraag mijn zus om wat foto’s op te sturen. “O yes”, zegt hij als ik ze laat zien, “You see this part? It’s leather, you should treat it with some vaseline.” Nooit geweten dat het leer was, maar ook nooit over nagedacht. Nu ik de verhalen van de deuren van de medina met diezelfde noppen, de Spaanse inquisitie en deze kisten met elkaar verbind, vraag ik me af wat de geschiedenis van die kist eigenlijk is. Hij zal geen duizend jaar oud zijn (toch?), maar alleen al dat mijn vader destijds in Iran al oog had voor zo iets moois, en misschien toen ook door iemand is verteld waarom hij zo bijzonder was, maakt dat ik er ineens heel heel anders naar kijk. Honderduit vertelt Skander me over waar de tegeltjes van gemaakt zijn, hoe hij aan deze tafels is gekomen die gemaakt zijn van de wortels van eucalyptusbomen, hoe de sculpturen met stadsgezichten zijn gemaakt van aangespoeld hout van schepen uit de tweede wereldoorlog en precies weergeven waar hij vandaan komt, het huis van zijn ouders, van zijn grootouders. Bij elk bijzonder ding vraagt hij hoe oud ik denk dat het is. Hij wijst naar het mozaïekje van de olijfboom: raad eens? 100 jaar? 200? Hij schud met zijn hoofd. “How do you even get all these things?”, vraag ik hem. “You can not just buy them”, zegt hij, “You have to know the right people, because this is all cultural heritage.”

De rest van de dag lummelen, schrijven en beetje verder lezen in Asfour (“Tunesië is onbesloten over wie ze is, wat ze wordt. Net als ik.”) en Flaubert’s Salammbo over Carthago waar volstrekt niet doorheen te komen is, maar wat móet, omdat hij de penvriend was van mijn literaire heldin George Sand (“Allons donc faire un tour à Carthage ou ailleurs”, trouwens hun levenslange briefwisseling begon nadat zij hem had gecomplimenteerd met het boek Salammbo). Sorry, ik probeer hier niet pedant te zijn, of misschien ook wel, maar idc, dit is een dagboek.

Toch ging ik er ook nog even uit om de buurt een beetje te verkennen bij daglicht, misschien een koffietentje te vinden (niet gelukt) en wat water en volkorenkoekjes te halen (wel gelukt). Ik weet helemaal niet wat ik verder nog zocht of verwachtte te kunnen vinden, maar ik vond het niet. De dorpjes hier omheen zijn nieuw en grijs, betonnen appartementenblokken in rechte straten die uitkomen op het plein met de moskee en de supermarkt. Cafétjes met alleen maar mannen op het terras. Maar het gaf niet, want ik kon terug naar mijn oase. Ik at ‘s avonds onder de gouden kroonluchter ook weer heerlijk van vers gevangen zeewolf met salade en zat nog laat op mijn terrasje om te schrijven, en toen de elektriciteit uitviel, en Skander me een olielampje kwam brengen, nog even in de loungestoel naar de sterren te kijken.

Ineens was het al weer vrijdagochtend en bij het ontbijt kwam ik in gesprek met het andere stel. Over wat we van Tunesië vonden en wat de plannen waren. Zij zouden na het ontbijt voor drie dagen naar de woestijn vertrekken, en ik naar het Bardo-museum, Sidi Bou Saïd en Carthago. En over hoe vriendelijk de mensen hier zijn, en dat mensen eigenlijk overal wel vriendelijk zijn, “Except the Germans”, zei de Duitse Steffi. “Nooo”, zei ik, “It’s the French who are the real bastards…. O, sorry, I hope you’re not French”, zei ik tegen haar vriend, terwijl ze beiden begonnen te lachen. “Actually I am French”, zei hij, “But you’re right.” Steffi bleek sociologie te hebben gestudeerd, en nu in Malta te werken bij een internetbedrijf ofzoïets, en voor ik wist kwam er (haar vriend was inmiddels vertrokken) een heel gesprek op gang. Over hoe vreselijk deze internettijd is, “Because the abundance of social media, people don’t know how to get real information, real knowledge anymore”, zegt ze, “They categorise every form of authority, whether it be government or science, as liars, and then all of a sudden they believe the earth is flat.” Over hoe we terecht komen in banen waar we eigenlijk helemaal niet voor hebben gekozen, en hoe moeilijk het is om erachter te komen wat je echt wilt, als je thuis nooit gestimuleerd bent om te onderzoeken waar je goed in bent en waar je hart ligt. En over het reizen, en over geen kinderen willen, en in dat half uurtje aan de ontbijttafel knoopten we heel onze levens aan elkaar. Toen ik het echt tijd vond om te vertrekken zei ik: “Steffi, I could talk to you for hours, it was an absolute delight.” “Yesss I think so too!”, zei ze lachend, “Can I give you a hug?” Met een hartelijke omhelzing namen we afscheid.

Onderweg naar het Bardo museum nam ik natuurlijk een verkeerde afslag waardoor ik in het centrum van Tunis terecht kwam, en in plaats van in de stress te schieten had ik er juist lol in om daar te rijden en mijn Suzuki overal tussen te proppen alsof het normaal was. Het Bardo museum is een absolute schatkamer van antieke geschiedenis, zover die schatten niet rond 1796 al zijn geroofd door de Nederlander Jean-Emile Humbert en nu in het Leidsch museum voor oudheden staan. Het is gehuisvest in een oud paleis van een van de Beys, in de 19e eeuw begonnen in een van de voormalige harems. Het Ottomaanse paleis zelf is al een lust voor het oog om door heen te lopen, laat staan de talloze mozaïekvloeren, beelden, steles en gebruiksvoorwerpen uit alle hoeken van Tunesië, zoals Thuburbo Majus, Bulla Regia, Haïdra en Carthago. Heerlijk. En zo lekker koel ook. Ook veel objecten uit de tijd van en na Constantijn, die me wat minder interesseert (omdat na alle verrichte studie dat al aanvoelt als de moderne tijd) maar wat wel weer leuk is om te zien, is dat hoe nieuwer het object, hoe slechter van artistieke kwaliteit. De oude romeinse mozaïeken zijn veel fijner en gedetailleerder, de portretten bijvoorbeeld veel waarheidsgetrouwer, na 500 AD beginnen ze steeds meer op cartoons te lijken. Ik word getroffen door een kleine stele met een nogal rudimentair mannetje erop met twee schaapjes, waarvan de romeinse tekst luidt: “Funerary stele of Marcus Licinius Fidelis from Lyon, who served as a cavalryman in the IIIrd Augusta Legio for 16 years and was buried at the age of 32. 1st century AD (before the year 75). Limestone. Ammaedara, Haïdra.” Waar de jonge Marcus aan dood is gegaan staat er niet bij. Stel je voor, op je 16e in dienst bij het Romeinse leger en vanuit Frankrijk wie weet waar heen gestuurd worden, om terecht te komen in Noord-Afrika en daar 16 jaar later te sterven. Er naast staan drie steles uit de eerste eeuw met teksten in Fenicisch schrift, en dat wist ik dan weer niet: dat dat schrift in die tijd nog gebruikt werd! (Achteraf bleek dit Tifinagh te zijn. Een vroeg schrift van de Touareg, dat heel erg op Fenicisch lijkt, en daar ook uit voort is gekomen.) Van de gids van een groepje Franse toeristen die ik even sta af te luisteren, hoor ik dat hier de Mona Lisa van het Bardo staat: een mozaïek met de enige bekende afbeelding van Vergilius ter wereld. Zo schuim ik de hele benedenetage af en loop naar boven waar een tijdelijke tentoonstelling staat over… Salammbo en Flaubert! Da’s mooi, nu hoef ik het boek niet meer te lezen.

Niet later dan nodig ga ik onderweg naar Sidi Bou Saïd, wat me door elke Tunesiër is aanbevolen dus op het fomo-lijstje staat. En inderdaad, het is echt wel schattig. Een historische wijk boven het oude Carthago, eigenlijk een medina van Grieks wit-blauwe kronkelige straatjes met winkeltjes. Op de heuvel, aan het eind een prachtig uitzicht over de Golf van Tunis. Alleen, het hoofdstraatje is natuurlijk een complete tourist trap. Wat jammer is, want ik wilde hier wat spulletjes kopen, maar op de parkeerplaats die omrand is met kraampjes wordt er al van alle kanten in alle talen naar me geschreeuwd dat ik moet komen, alléén even kijken, nee ik heb hier iets héél bijzonders, één minuutje maar! Sommige verkopers lopen een stuk achter me aan. Ik merk dat de beste tactiek is om te zeggen dat ik een rendez-vous heb of dat ik het déja acheté heb. Als ik zo langs de eerste rij winkeltjes loop valt mijn oog op de talloze kleine toeristische mozaïekjes. Afbeeldingen in alle vormen en maten van dieren, appels, godinnen en…. olijfbomen. En wel exact dezelfde als die Skander me liet zien en die naast zijn zwembad hangen! Maláka, jij kleine mooiprater! Ineens trek ik dat hele antieke rariteitenkabinet in twijfel. 500 jaar oud… je moeder! Ik koop er voor mezelf ook maar eentje, als een leuke reminder hoe goedgelovig en naïef ik ben, en die kan mooi dienen als onderzetter. Ook val ik voor een nogal stoffige prachtige ketting met rode kraaltjes en een tazerzit (berber symbool) hanger die niet van zilver is. Hetzelfde symbool dat je in zwarte noppen terugziet op deuren van de medina’s en ook op de deur van mijn slaapkamer. Dáár ben ik echt blij mee, het is het mooiste kleine dingetje dat ik tegen ben gekomen, precies tijdens de ezan, waardoor ik het mannetje niet wilde storen dat met ogen dicht en een koptelefoon op bij zijn kraampje zat, zodat ik maar aan de buurman vroeg of ik hem wel kon storen. Wel een héle dag heb ik hem gedragen en er plezier van gehad, voordat ik hem verloor.

Ik vind ook een artistiek winkeltje waar het iets rustiger is en ik kan hier zonder opdringerige verkoper toch wat leuke handgemaakte niet-chinese dingen kopen. Op de terugwandeling eet ik een beignet, die een kruising is tussen een tulumba en een grote donut, en echt heerlijk is. Op het terrasje, onder de bomen, het eerste en énige terrasje dat ik tot nu toe heb gevonden waar niet alleen maar mannen zitten, wat dan wel weer te danken is aan de toeristen, bestel ik water en koffie, en verdomd, het is nog lekkere koffie ook! Dit is een heerlijk schrijfmomentje. De toeristen trekken aan mijn oog voorbij, ik zie hoe de handelaren pogingen blijven doen om mensen te laten blijven staan. “Wat een bestaan is dat toch”, denk ik. Op weg naar mijn auto zie ik nog wat textiel en laat me verleiden om een tuniek te kopen waar de verkoper 160TD voor wil hebben. Ik maak een gebaar dat dat echt te duur voor me is dus hij vraagt wat ik ervoor wil geven. “60”, zeg ik brutaal. “90”, zegt hij. Ik schud met mijn hoofd, “75”. Hij wil nog naar de 80 maar ik ben er klaar mee en maak aanstalten om weg te lopen. “Okeeokeeokee 75”, zegt hij en ik ga mee naar binnen om af te rekenen. Tegen het mannetje met het pin-apparaat zegt hij iets waarvan ik alleen versta “20%” en ik zie 90 dinar op het apparaat staan. “Non non non”, zeg ik, “ik betaal geen 90!” “Dat is commissie! Dat zijn bankkosten!”, roept hij nijdig. Uiteindelijk kan ik na wat toneelspel toch 75 afrekenen, en als ik bijna de winkel uit ben zegt hij: “Alors vous me donnez quelque chose”, voor speelgoed voor de kinderen. Waar heb ik dat eerder gehoord, met andere woorden geef me gewoon geld. Ik geef die malaka mijn laatste losgeld maar, al had ik liever gewoon geweld gebruikt maar ja, en loop eindelijk naar mijn auto.

Ik hoef alléén nog maar naar Carthago vandaag. En misschíen nog even langs de wijnwinkel, maar die is helaas al dicht vanwege de jumah. Carthago geeft zich ook niet makkelijk gewonnen, want midden in dit gebied staat het presidentiële paleis, en alle straten eromheen zijn afgezet en voorzien van zwaarbewapende militairen, zoals ik merk als ik per ongeluk bijna de parkeerplaats van de president op rijd. “O shit”, denk ik, “nu heb ik een probleem”. Ik word staande gehouden en moet mijn raampje open doen. Een gigantisch automatisch geweer zakt naar beneden en een vriendelijk gezicht kijkt me glimlachend aan. “U mag hier niet zijn”, zegt hij in het frans, “Wilt u even omkeren?”. Helemaal niet stuurs of bars, wat ik soort van verwachtte na de Turkse ervaringen. Ik ga me te buiten aan excuses, wat helemaal niet nodig is want duidelijk toerist, toch vraagt hij: “Vous etes touriste?” want, hij wijst naar de radio die nogal hard staat, u luistert naar die muziek? Ik krijg een grote goedkeurende grijns als ik zeg dat ik graag luister naar les voix tunisiennes, en met een klein zwaaitje kan ik vertrekken. Heel Carthago heb ik verder niet meer gezien los van de glimp vanuit mijn autoraampje. Met als uitzondering de haven, nu niet meer dan een overgroeide sloot, eens de grootste meest invloedrijke haven van het hele middellandse zeegebied en misschien wel de wereld, en daardoor toch heel indrukwekkend.

Ik had in de middag nog even in zee willen zwemmen, wat er heel deze week nog niet van is gekomen, en als ik terug ben is het al schemerig. De hoteleigenaar komt me tegemoet in de gang en ik zeg hem dat ik nog even in zee spring zolang het nog licht is. Snel trek ik mijn badpak aan, en een lange yogabroek en tuniek erover. Maar als ik het strand op kom is het echt al bijna donker, en 30 meter verderop zitten een paar lokale vissers, verder ben ik de enige. Nee, dit gaan we niet doen. Ik ga maar even zitten op mijn handdoek, toch even de nabijheid van de zee voelen, en contact maken met de aarde, en het universum, en mijn ouders. Wat had ik me graag willen onderdompelen. Maar het kan hier gewoon niet. Als ik terugloop zie ik Skander net naar buiten lopen met zijn blik op het strand. Als hij me ziet, draait hij direct weer om. Het lijkt wel alsof hij even wilde controleren of het wel goed ging met me. Ik vraag me af of ik me wel voldoende besef hoe raar het hier is, dat je als vrouw alleen bij zonsondergang gaat zwemmen in zee. Waarschijnlijk niet.

De dag zit er op. Ik eet nog in het hotel dat me verwent met vis en heerlijke pittige salades. Morgen terug naar hotel De Hel. Via een héél grote omweg.

Karma Makam

Wat ik vandaag ga doen wordt al voor me bepaald want ik word wakker met een stampende migraine die zo’n beetje de hele dag bij me blijft. Nee, dat is niet door de wijn want maar twee glaasjes. Eerder door de stampende muziek die tot laat in de avond doorging en nog erger was, want nu had ook het naastgelegen hotel een “entertainment” avond en het leek wel alsof ze ieder steeds hun eigen muziek steeds harder zetten om de ander te overstemmen, waardoor iedereen in een omgeving van een kilometer getrakteerd werd op een melange van Tunesische muziek en Charles Aznavour, Pet Shop Boys en Millie Vanilli, tegelijkertijd. Dit is niet okee. Dit is helemaal niet okee. Dit kan zo niet langer. Ik moet hier weg. Vandaag weggaan daar is geen sprake van gezien de migraine, maar ik informeer bij de balie wel wat een huurauto kost. Geen denken aan dat ik het me nog moeilijk ga maken met het lokale vervoer, ik snak naar vrijheid en stilte. Zestig euro per dag, zegt de meneer, ongeveer twee keer het bedrag dat ik in gedachte had. “Maybe you have a smaller car?”, vraag ik met opgetrokken wenkbrauwen. Hij moet even bellen maar heeft er dan een voor 50€, prima, meteen afrekenen, contant in euro’s. Zo vroeg mogelijk graag. Om 08:00 kan ik hem ophalen. Nu hoef ik het alleen nog uit te houden tot morgenochtend. In bed ga ik op zoek naar een hotel, en dat vind ik, dichter bij Tunis, aan het strand, en toch is er niets omheen. Bij de recensies zegt iemand “The calm”, en ik boek het meteen.

Ik sta de volgende ochtend om stipt 8:00 aan de balie waar niemand iets van mijn reservering af weet, dus ze moeten even bellen. Bel maar, toe maar, het komt wel goed, denk ik, en dat is natuurlijk ook zo. Een gloepend nieuwe Suzuki Swift krijgt ik, en nu moet ik het dus zelf doen, en spontaan ben ik eigenlijk vergeten waarom ik zo aan het aarzelen was om hier een auto te huren en het land in te rijden in m’n eentje als vrouw. Je hebt er allerlei beelden bij, die helemaal niet kloppen, dat deden ze ook niet in Turkije, waarom hier wel? Tuurlijk is het druk en werkt het allemaal net iets anders maar ik blend al snel in en maak me de verkeersregels van het land snel eigen. Richtingaanwijzers: niet gebruiken. De rechter rijstrook: ook niet gebruiken. Gordel: niet nodig. Voorrang: wie het eerst komt. Rotonde: wie het eerste komt. Stoplicht: is meer een richtlijn. Snelheid: daar dus wel op letten want overal staan camera’s. Moeilijk rijden in Tunesië? Het is juist supermakkelijk!

Al snel ben ik Hammamet uit en zit ik op de westelijke provinciale weg naar Zaghouan, wat halverwege Thuburbo Majus bij El Fahs ligt. Het is heerlijk. Radio aan voor de lokale geluiden (Tunesische muziek is echt heel leuk!), beetje om me heen kijken, proberen te beschrijven hoe het land eruit ziet. Dat is nog best lastig. Ik wil eigenlijk vermijden om te zeggen “onbeschrijfelijke puinhoop”, of “wat een bende”, maar truth be told, het is een ongelofelijke bende, vanuit je bevoorrechte ogen. Sowieso alles naast de weg is een vrijplaats om maar alles van je af te flikkeren, en elke plek waar niet een huis staat is een vuilnisbelt. Maar het leeft. Er is muziek, kinderen lopen naar school met rugzakjes, meisjes zonder hoofddoeken staan in hun eentje langs de kant van de weg, wachtend op de louage of de bus naar school, kleine kuddes met schapenhoeders, vrouwen die boodschappen doen, mannen die fruit en groenten langs de weg verkopen, loslopende honden. Ik kom zelfs langs een soort bedoeïenenkamp met lage brede tenten van landbouwplastic en een stuk of twintig kamelen. Het landschap is glooiend, droog, maar groen. Olijfbomen zover het oog reikt. Tunesië is tweede of vierde ter wereld in de productie van olijfolie, afhankelijk of je mijn taxichauffeur of Moncef wilt geloven. Ik rijd en rijd, totdat er nauwelijks meer dorpjes zijn. Ik kan maar niet bepalen of ik nou vind dat dit een Afrikaans landschap is, totdat ik door een gebied kom waar de aarde rood en geel is en er bomen staan die ik alleen ken uit documentaires, en af en toe doet het zó Afrikaans aan dat het me niet zou verbazen als er een giraf de weg over zou steken, of een kudde gnoes. Maar laat ik niet overdrijven want daar moet ik nog 2000 kilometer voor rijden.

In Zaghouan besluit ik er toch maar even op uit te gaan, om even wat extra paracetamol en water te kopen en rond te koekeloeren. Het is zo midden op de ochtend druk met iedereen die boodschappen doet. Zag ik daar niet een oude poort? Ja, midden op straat staat een ‘arc de triomphe’ in de steigers. Ik loop op goed geluk achter de arc de medina in en het is inderdaad weer zo schattig, wit met blauwe huisjes, oude deuren, bloemen, en de geur van geroosterd vlees. Oude mensen groeten me op straat. Het is wel heet. “Ja, Afrika hè”, zegt een vriendin. Maar ook mijn gids zei al dat het heet is voor de tijd van het jaar. Ik maak me een piepklein beetje zorgen over de rest van de dag, want de migraine is bijna maar nog niet helemaal weg, en nu heb ik ook ineens heel erge keelpijn, een snotneus en een licht hoofd. Ik speel zelfs met de gedachte dat als het erger wordt, ik echt niks hoef hè, ik mag zó doorrijden naar mijn nieuwe hotelletje, kan jou die oude steden schelen eigenlijk. Maar toch trekt het. En wat ben ik weer gelukkig eigenlijk, zo los van alles. Trouwens het oorspronkelijke schema had ik toch al losgelaten, want Moncef had gezegd: “Als je Dougga hebt gezien, dan hoef je niet nog eens anderhalf uur door te rijden naar Bulla Regia, alles wat je daar hebt, is mooier in Dougga.” Dus scheelde me drie uur rijden, wat op het eind van de dag heel goed uit zou komen, bleek.

Zo kachelde ik rustig door het prachtige landschap. Het was eigenlijk best een eind rijden, en Thuburbo Majus is pas op de helft van mijn dagtrip. Maar als ik er ben en ik stap de auto uit, valt er voor het eerst een oorverdovende stilte over me heen. Helemaal niets hoor ik, zelfs geen ruisende wind. Dit, in dat glooiende gele landschap, is zo prachtig dat ik, voor ik het terrein op loop even op een muurtje ga zitten met water.

Thuburbo Majus leert me nog iets. De romeinse steden hier lijken veel langer te zijn bewoond dan die ik in Turkije heb gezien. Bovenop en er dwars doorheen zie je verschillende bouwstijlen met verschillende materialen. Niet zodat de hele stad is gesloopt, maar meer dat men zich de plek eigen heeft gemaakt. Sowieso hebben de Afrikaanse Romeinse steden veel meer een lokaal karakter dan de Europese, lees ik. Het is verder niet heel spectaculair, en vooral erg heet, en ik heb mijn water in de auto laten liggen. Mijn hoofd bonst als een dolle maar ik zàl nog even naar het theater lopen, wat niet meer is dan een gat in de grond. Wat wel gek is: witte slakjes. Duizenden witte slakjes knersen onder mijn schoenen, en zitten als bloemen op de stengels van uitgedroogde planten. Nooit zoiets gezien. Onderweg terug naar de auto kom ik twee arbeiders tegen met kruiwagens. Ze knopen even een vriendelijk praatje aan. Zeggen dat de beelden die hier zijn gevonden nu in het Bardo-museum staan. Mooi, want daar wilde ik ook nog naar toe. Na wat verdere beleefdheden zeg ik dat ik doorga, en dan zegt een van de mannen: “Vous me donnez quelque chose”. Ik kijk hem niet begrijpend aan. “Argent”, zegt hij. Voor de geleverde diensten? Dat hij me heeft aangewezen waar ik net ben geweest? Ik ben echt compleet flabbergasted. Maar ik geef ze toch maar uit een soort schaamte 10TD (ong 3€) en loop dan met een grote boog om de andere aanwezige arbeiders heen terug.

Op naar Dougga nu. Ondanks dat ik moe ben, en het zo warm is (jaahaa) besluit ik toch om de scenic route te nemen die onder het Djebal Chehid gebergte heen leidt, om toch maar zoveel mogelijk van het land te kunnen zien, en ook om te voorkomen dat ik twee keer dezelfde route moet rijden, want de afstanden zijn al lang genoeg. Bij het dorpje ‘Nouvelle Dougga’ moet ik van de provinciale weg af en wordt het qua wegen wat meer een uitdaging. In het landschap zie ik af en toe stukken van wat lijkt op een aquaduct staan. Als ik er bijna ben moet ik een slingerend landweggetje op rijden en na een bocht stokt mijn adem letterlijk in mijn keel van het beeld dat ik zie: op de top van een heuvel in de verte steekt een enorme tempel uit. Ik ben nog best een eind weg maar zelfs vanaf hier al is het zicht op de stad -dus- letterlijk adembenemend. Eigenlijk is het dubbel, op dit moment. Ik wil zo graag naar mijn andere hotel, ik voel me zo slecht, het snot loopt me over de wangen, dus ik ben blij dat ik er eindelijk ben, maar ook: wat is het mooi! Vlakbij de ingang zit een restaurant. Ik besluit eerst koffie te gaan drinken inshallah als ze die hebben tenminste.

“Turkish coffee?”, vraagt de meneer. Helemaal goed. Niet ga ik zitten of de meneer zet keiharde muziek aan. Dat is jammer. Erg jammer. Ik loop naar binnen om te vragen of het wat zachter mag, en dat doet hij, maar ik ben inmiddels allergisch voor alles dus ik doe niet langer dan nodig over die toch echt heerlijke koffie en ga lopen. Halverwege de oude stad kom ik erachter dat ik wéér mijn water vergeten ben. Mijn hoofd bonst. Het is heet. Teruglopen? Nee, ik ben hier maar een uurtje, ik overleef het wel. Ik tijger bijna het hele terrein af. Bij de tempel van Selene doe ik voor de zekerheid een klein gebedje en ik neem een steentje mee van de grond. Ook hier zie ik sporen van andere bewoning dan de Romeinen. Muren die zijn opgetrokken van stenen en puin die niet bij elkaar passen, bijvoorbeeld met afgebroken Romeinse teksten afgewisseld met stenen van een andere kleur. Er is een bestwel groot theater met 27 rijen waarvan het podium ook nog voor een groot deel overeind staat. Even sta ik midden op het podium te kijken naar waar ooit een paar honderd mensen hebben gezeten. Ik kan hier ook allerlei kleine lage gangetjes in lopen die er onder door lopen. Terwijl ik een foto probeer te maken van de grote tempel komt er weer zo’n meneertje naar me toe lopen, en zegt dat ik beter dáár een foto kan maken, onder die boog door. Ik voel hem al weer aan komen en zeg dankjewel en negeer hem verder. Hij blijft gewoon staan kijken naar wat ik doe en loop zo’n beetje achter me aan als ik weg loop. Ik loop vlak langs twee duitsers en doe alsof ik daar ergens een foto maak, in de hoop dat hij daaraan blijf kleven en ik verder kan, en dat lukt. Teruggekomen bij de parkeerplaats knikt de aanwezige beambte vriendelijk naar me. “J’ai bien gardé votre voiture”, zegt hij. “Ah, merci”, zeg ik en open mijn auto. Hij blijft me een beetje nakijken. “O, nu moet ik hem zeker ook weer betalen”, denk ik. Maar inmiddels zit ik al en dat grapje met die tuinmannen in Thuburbo zit me ook nog dwars dus ik doe net of ik het niet begrijp en rij vriendelijk zwaaiend weg. Ik heb er meteen spijt van. Shit, zo gáán de dingen nou een keer hier, en zóveel willen ze nou ook weer niet. Ik voel me meteen een slecht mens. Wat een vrek ben je toch. Trut.

Het is al een uur of vier. Er zou hier nog ergens een olijfgaard moeten zijn met een winkel waar ik olijfolie kan kopen, maar die blijkt dicht te zijn. Kan ik eindelijk weg nu dan? Geïnstalleerd voor de lange rit terug kijkt ik in de spiegel en schrik me rot. Mijn gezicht is paars. Niet rood, nee, paars! Ik ben een Feniciër geworden! Hoe kan dat nou, denk ik. Het grootste deel van de dag in de auto gezeten en als ik buiten was een hoed op gehad, en mijn voorhoofd ziet er óók uit of hij te lang in de Murex heeft gelegen. Moet ik me zorgen maken nu? Ik besluit maar van niet. Even lekker de airco aan en rustig worden.

Ik passeer een paar groentestalletjes langs de weg en besluit even te vragen of ze misschien olijfolie hebben, met mijn paarse hoofd. De twee oude mannetjes die er zitten spreken geen frans dus met handen en voeten en het enige woord dat ik in het berber weet: zitoun, begrijpen ze het en brengen me een fantaflesje met de groene olie. Ik moet 25 dinar betalen. Als ik al weer aan het rijen ben besef ik me dat ik 7€ voor 300ml olijfolie heb betaald. Ik moet glimlachen, dat is karma…

Het is een lange rit, die ook helemaal door Tunis heen leidt, in de spits, en via allerlei omleidingen die niet in Google staan want il y a des traveaux partout en inmiddels ook in het donker. Het hotel ligt in een gebied waarvoor ik ook nog door een bos heen moet. Ik ben flink aan het balen dat het zo laat is geworden, toch weer onderschat hoe groot de afstanden zijn. Stel dat ik ook nog naar Bulla Regia was gereden… blij dat ik dat ik dat niet heb gedaan!

Ik had gezegd tegen de gastheer van Dar El Makam dat ik rond 18-19 er zou zijn, denkende dat wordt een uur of 4-5, maar klokslag 19:00 sta ik voor de poort. Ik word meteen verwelkomd, en als ik binnenkom… een oase. O, dit is onwerkelijk. Wat heb ik hiernaar verlangd. En o, wat is dit voor paleis? Aan de buitenkant zou je het niet zeggen. In het donker reed ik door een vervallen terrein met veel grijs beton en onafgemaakte huizen en bergen afval, maar hier aan het eind, vlakbij het strand, staan grote strakke witte villa’s. Hoe modern het van buiten is, zo traditioneel van binnen. Traditioneel is misschien niet het goede woord want het is nieuw, maar de eigenaar die me nu binnenleidt, vertelt me dat hij al twintig jaar antieke objecten verzamelt en inderdaad, het kan zich meten met een museum. Alle muren worden gesierd door eeuwenoude deuren, de deuren die ik overal in de medina zag, ook in de totaal vervallen huizen die niet meer opgeknapt kunnen worden omdat er geen auto door de straatjes past die de bouwmaterialen kan brengen. Honderden jaren oude deuren loshangend met gaten erin geboord waar een zwaar hangslot doorheen hangt. Hier hangen deuren aan de muur die net zo oud of ouder zijn. De ruimte waar ik binnen kom is een binnentuin met olijfbomen en overal die gekleurde tegeltjes, allemaal verschillende, sommige meer dan 500 jaar oud. Ik ben van de hel teruggekomen, en ben nu in de wachtruimte van de hemel. “Vous avez choisi une bonne chambre”, zegt mijn gasteer, terwijl hij de deur voor me open doet. Het is een hemels grote kamer, helemaal in dezelfde stijl ingericht. Boven het bed prijkt een antieke houten omlijsting. Een deur naar een groot terras dat uitzicht biedt, tussen de huizen door, op zee. Het is heerlijk. “Est-ce que vous voulez prendre le diner chez nous?”, vraagt hij. Maar al te graag! Ik mag zelfs nog even het zwembad in voordat ik me omkleed. En ook het zwembad is helemaal stijlvol ingericht. Marmer en oud hout langs de muren, met kleine mozaïekjes van olijfbomen.

Na een snelle douche in die even zo mooie badkamer, krijg ik in de kleine eetzaal wat de pot schaft: spaghetti a la puttanesca, met een salade van tomaten, olijven (zoooo lekker), komkommer en tonijn. Ik krijg er een groene virgin cocktail bij van iets van munt en citroen. Om wijn vraag ik niet eens meer. Er zijn nog twee andere gasten, een donkere jongeman en een Europees uitziend meisje (nou ja, ze blijkt 30 te zijn) die afwisselend frans en engels met elkaar spreken. Verder is het stil. Morgen krijg ik een kleine tour de la maison, belooft de gastheer, als ik dat wil. Maar eerst slapen. Nee, eerst nog een glaasje wijn die ik had meegebracht, waar ik héél zuinig mee doe zodat ik morgen ook nog wat heb, en wat schrijven op het terras met alleen het geluid van krekels en de zee, en dan heerlijk slapen. Ja, ook dit is karma.

Paarse olifant

“Waar is ie toch?” Vraag ik me honderd keer af. Een tijdje terug had ik hem nog in mijn handen, de kaart die papa me stuurde uit Tunis. Er stond een kameel op, tegen een strak blauwe lucht. Hij had er op geschreven: “Wat dacht je wat?”, maar ik begreep niet wat hij ermee bedoelde. Ging hij nou werkelijk zelf op een kameel zitten? Ik was denk ik 14 of 15, en ik weet nog dat ik gebiologeerd was door de arabische tekst op de kaart zelf en op de postzegel en het stempel. Ik ging driftig aan het vertalen. Zo had ik snel door hoe je de cijfers van 1 tot 10 in het arabisch schreef, maar daar bleef het ook bij. Arabisch bleek toch wel erg lastig. Ik ben een beetje bang dat ik die kaart toch heb weggegooid, wat ik toch wel jammer vind, nu ik zelf naar Tunis vlieg, en straks in zijn voetsporen loop. En niet alleen die van hem, maar ook die van Hannibal, en Hadrianus, en Dido, en Scipio Africanus de jongere, die Carthago uiteindelijk in 146 BC definitief in de as legde.

En als ik Assassins Creed Odyssey zit te spelen, al weken lang elk vrij moment dat ik heb, komt Kassandra terecht in een verfbedrijf, en zegt: “O maláka, that smell! Who knew dye so foul would be so expensive?” Staande tussen bergen Murex-schelpen.

Kleine waarschuwing: de volgende alinea kan je gerust overslaan want is weer een ongecontroleerde historische feitjesdiarree. Hier ga ik me de rest van reis ook schuldig aan maken, ik zeg het maar vast.

Mijn speurwerk voorafgaand aan de reis ging alle kanten op. De oorsprong lag natuurlijk in Turkije, waarvan ik al bezig was de geschiedenis uit te melken van Selcuken tot Ottomanen tot Pontus tot Galaten tot Grieken en Romeinen, maar steeds verder terug in de tijd tot aan Hettieten, een machtig mysterieus volk dat pas rond 1910 werd ontdekt, het enige volk dat het serieus wist op te nemen tegen de Egyptenaren. Ergens kom je dan ook Alexander de Grote tegen, die in Klein Azië in twee of drie veldslagen het Perzische rijk te gronde wist te richten. En toen maar gelijk doorstootte naar de rest van de Levant, en onderweg naar Egypte Tyre (Libanon) maar even meenam, dat een eiland was maar waar hij zijn tijd nam om maar gewoon een dijk aan te leggen om het in te nemen. Waarom was het zo belangrijk? Vanwege de strategische positie. Maar oorspronkelijk was Tyre óók een van de hoofdsteden van de Feniciërs. Feniciërs, wie waren dat eigenlijk. Zo gaat dat dus in mijn hoofd. Dan moet ik ineens weten waar Hannibal eigenlijk die olifanten vandaan haalde (blijkt uit zuidelijker Afrika en ook uit India!). En nu ben ik hier, in Carthago (waar Alexander de Grote nooit is geweest), waar verder niets is terug te vinden van Feniciërs, maar dat maakt niet uit. Maar wat ook bijzonders is, behalve het alfabet dat we in heel het westen aan deze mensen te danken hebben, om maar een klein dingetje te noemen, is dat de Feniciërs eigenlijk helemaal geen volk waren. Ze hadden niet een koning of keizer (het was dus ook geen koninkrijk of keizerrijk), ze deelden niet echt een religie die anders was dan de rest van de wereld en er zijn ook niet echt kenmerken bekend van de vormgeving van potjes en kruikjes en andere gebruiksvoorwerpen. Er was ook geen eigen taal. Er zijn niet eens inhoudelijke geschriften van ze bekend behalve facturen en inventarislijsten. Kortom alles wat een volk een volk maakt, was er eigenlijk niet. Het is dus nogal een wonder dat we überhaupt van deze beschaving weten, ware het niet dat ze wel werden beschreven door àndere volkeren waar we nog wèl geschriften van hebben, en bijvoorbeeld het feit dat de Grieken er toch een naam voor hadden: phoenix, verwijzend naar de kleur paars, zo’n beetje datgene waar de Feniciërs wel uniek in waren: het produceren van de kleur paars. De meest kostbare kleur voor stoffen, voor een gram kleurstof is vijftig kilo Murex-schelpen nodig, en eenieder die in een paars gewaad liep sinds duizend-weetikwat voor Christus, was iemand van aanzien.

Het armbandje van het hotel dat ik nu tot mijn grote gêne om mijn pols draag is ook paars, maar ik heb niet het minste gevoel dat dit me enig aanzien oplevert, eerder het tegenovergestelde en ik heb direct associaties met een enkelband. Ik heb een hotel uitgekozen dat in al mijn behoefte moet voorzien de komende week, zodat, mocht ik me echt nergens toe kunnen zetten, ik in elk geval niet doodga van de honger. Maar ik heb al snel door dat dit hotel ervoor gaat zorgen dat ik veel weg ben, dus dat is goed.

Alleen, het kost me op dit moment nog extreem veel moeite om ook maar mijn hotelkamer te verlaten. Ik ben zo geschrokken van het hotel en de omgeving dat ik die liever helemaal niet meer zie en van ellende lig ik lang liever in foetushouding opgekruld in bed naar mijn ipad te staren. Na aankomst en vanochtend na het ontbijt waagde ik me even buiten het hotelcomplex om een supermarktje te vinden voor wat hapjes en een fles wijn op de kamer, maar al wat ik liep door dit enorme hysterische hotelgebied, geen supermarkt, geen hapjes, geen wijn. Wel schaarsgeklede toeristen gemengd met bijna volledig bedekte arabische toeristen, een pretpark (Carthago-land, je verzint het niet), met neon lampjes verlichte koetsjes die voorzien zijn van een speaker voor de oproep tot het gebed, hier en daar een zeldzaam restaurant (want iedereen eet toch al in het hotel), frituurlucht en hard rijdende taxi’s. Al mijn nachtmerries in één stad bij elkaar. Als ik aan een Nederlands stel vraag of zij misschien een supermarkt in de buurt weten, zegt de vrouw: “Nou, wij zeiden net tegen elkaar, er zijn hier helemaal geen Nederlanders!” “Tadaa, hier ben ik”, zeg ik. Maar ze weten me ook te vertellen dat hier geen supermarkten zijn. En al helemáál geen wijn. Terug op de kamer kreeg ik helemaal de schrik om het hart toen ik zag dat er een glitterend podium werd opgebouwd op de binnenplaats. “O shit”, dacht ik, “entertainment!” En het inferno brak om 20:00 al los en hield niet meer op tot 23:00. Ik weet niet of ik meer schade aan mijn trommelvliezen heb opgelopen door de muziek of door de oordoppen die ik zo hard mogelijk aan stampte en toch niet hielpen. De hel die lawaai heet. Niet te doen gewoon.

En daar komt bij, ik wàs al moe. Zo moe dat ik diep moet graven om me maar te herinneren hoe ik dit ook al weer deed, reizen en mooie plekken zien, want ze zijn toch echt niet vanzelf naar me toe gekomen de afgelopen jaren. Ga ik een taxi nemen of een auto huren, met de bus of de louage, of een combinatie? Ga ik überhaupt wel met een gids door de medina lopen in die hitte meteen op de eerste dag? Ook heb ik werkelijk alle verkeerde kleding meegenomen, bijvoorbeeld maar 1, te dikke, spijkerbroek, en allemaal linnen bloezen, wat veel te heet is. Drie korte broeken die ik hier niet ga dragen, en maar 1 t-shirt.

Mijn drang om te vluchten uit dit hot-hel wint het gelukkig zodat ik wel in beweging móet komen, en ik bestel ‘s ochtends bij de receptie maar meteen een taxi voor vanmiddag. Met vooruitziende blik had ik meteen voor dag 1 al een gids geboekt, want ik zag het al weer gebeuren dat ik anders mijn bed niet uit zou komen. Zo word ik om 13:00 opgehaald. De chauffeur is een jonge gast die zijn talen spreekt. Automatisch begin ik in het Frans, wat ik gek genoeg de hele tijd doe terwijl het hier helemaal niet nodig is want de meeste mensen spreken prima Engels. Hij excuseert zich eerst voor zijn paars-zwarte vinger, hij heeft geprobeerd hem schoon te maken, maar het lukte niet, en nu wil hij hem het liefste afhakken. Ik was even afgeleid denk ik want de betekenis van het verhaal gaat langs me heen. “I’m glad to get out of here” zeg ik tegen hem, “This place is crazy”. “You think THIS place is crazy?”, vraagt hij. “Well yes, did you take a look? There are horse carriages with neon lighting”, zeg ik. De hele weg hoor ik hem zo’n beetje uit over het land, over wijn en olijven, toerisme en geschiedenis, en laat hij me liedjes horen van Tunesische zangers, tijdens het rijden druk op zijn telefoon scrollend naar het volgende nummer. Ondanks zijn leeftijd weet hij me ook nog bestwel veel te vertellen, zelfs over parfum. En ik kan hem ook nog even de les lezen over de Feniciërs en Carthago, en de kleur paars. Al gauw bereiken we de buitenwijken van Tunis. Overal wordt aan de weg gewerkt, wat alleen maar bijdraagt aan de chaos die hier verkeer heet. “So you wanted to see the real Tunisia huh? This is it”, zegt hij een beetje smalend, want hij denkt natuurlijk dat ìk denk, dat hier iedereen op een kameel rijdt en in een tent in de woestijn woont. “Believe me it’s the same everywhere”, zeg ik (elke taxichauffeur ter wereld die klaagt over het verkeer krijgt van mij hetzelfde antwoord). Hij zet me netjes af precies bij de moskee waar de gids me op komt halen om de medina in te gaan.

Dat is Moncef, een tengere man van een jaar of 70 die geboren is in het Andalusische deel van de medina. Moncef geeft me een hand en meteen valt me op dat hij een zwarte vinger heeft. En op het moment dat ik het vraag, weet ik ineens waarvan. “Elections”, bevestigt hij, “we have to put our finger in ink to prevent us from voting twice.” Alhoewel ik weet dat er hier weinig onduidelijkheid is over wie hier de baas is, vraag ik hem toch wat hij vindt van de uitslag, maar een echt antwoord krijg ik niet, al herken ik wel wat narrigheid, maar ik begrijp dat hij zich niet al te expliciet wil uitspreken. “It’s an election, but there is no choice”, zegt hij. Alle oppositie is ook deze keer weer of gevangen gezet, of te onbeduidend om een deuk in een pakje boter te slaan, of op andere wijze uitgeschakeld. Op de muren in de stad zijn rasters voor kieslijsten geverfd, maar er is er maar 1 beplakt. Hij vraagt of ik hier alleen ben, en het valt me op dat het me nu een keer of drie, vier gevraagd is, maar geen enkele keer ervoer ik een soort oordeel, en geen enkele keer werd er dóórgevraagd, waarom dan, wat op andere reizen altijd wel het geval was. Hier in Tunesië: geen oordeel, gewoon een constatering, en door. Heel netjes. Toch zeg ik nu tegen Moncef: “My dad worked here when I was 15 years old .” “I’m sure your dad is very proud of you now”, zegt Moncef, en ineens raakt me dat heel diep.

Inmiddels lopen we door de nauwe straatjes van de wit-met-blauw-en-gele medina. Het is er heerlijk koel. Het ruikt er òf naar kattenpis, òf naar neroli, jasmijn en andere heerlijke spa-geuren. De medina is meer dan 1000 jaar oud en voor een groot deel opgebouwd met bouwmateriaal uit de oude romeinse stad van Carthago, en dat kan je terugzien aan de hoeken van veel huizen die ondersteund worden door romeinse pilaren. Meest kenmerkend zijn de gele deuren met zwarte stippen. De stippen hebben allemaal een betekenis. Wat ik veel terug zie komen zijn davidssterren, christelijke kruizen, vissen en de stippen die Berbervrouwen op hun voorhoofd hebben, ik ben de naam vergeten. Zo’n beetje op elke hoek die een nieuw idyllisch straatje onthult, trekt Moncef mijn telefoon uit mijn handen en staat er op om een foto van me te maken, die ik achteraf natuurlijk weer allemaal verwijder. Alhoewel de straatjes piepklein zijn, gaan achter verschillende deuren ware paleizen schuil. Een van die markante geel-zwarte deuren, van de spa Dar El Jeld, mogen we in lopen. We stappen meteen een diepe frisse oranjebloesemgeur binnen die niet alleen in de wachtruimte hangt maar overal in dit paleis. De binnenplaats is stil en koel en is een frisse groene tuin met overal moderne kunst en artistiek aardewerk. Op de muren kleurige tegeltjes met geometrische motieven die me doen denken aan het Alhambra, maar ook aan Istanbul. De galerij die uitkijkt over de tuin geeft toegang tot de suites. Het hele paleis is nu een spa met hotel, en in de zomer verblijven hier sjeiks uit de emiraten, vertelt Moncef. Overal waar we komen, groet men hem vriendelijk. Kriskras lopen we door het “Turkse deel” van de medina waar vroeger de families van de Bey’s woonden, en steken dan over naar de Andalusische wijk, waar hij zelf vandaan komt. Het was me al opgevallen dat ik de term ‘Andalusisch’ vaak tegen kom. Moncef vertelt me waarom, en ook waarom je al die religies zo vertegenwoordigd ziet in de historische wijken: de Spaanse inquisitie. Deze wijken zijn grotendeels gebouwd rond de tijd dat alle niet-katholieken uit Spanje werden verdreven in de 15e eeuw. Die streken neer op veel plaatsen in Noord-Afrika. Machtig interessant allemaal weer.

Ook had Moncef onthouden dat ik vooral op zoek ben naar Tunesische parfum, en inderdaad duwt hij me in een van die priegelige straatjes een koel winkeltje in, dat iets weg heeft van een middeleeuwse apotheek. De wanden zijn van plafond tot vloer ingericht met kleine flesjes in alle denkbare oriëntaalse vormen. Het ruikt er allicht heerlijk, en alsof hij wel begrijpt dat we hier eventjes zoet zullen zijn, neemt Moncef plaats op een bankje en laat mij over aan de verkoper van Maison du Jasmin. Het is wel een klein beetje ingericht op het toerisme, wat ik ze niet kwalijk neem, want op de toonbank zie ik vooral veel flesjes staan met ‘Poison’, ‘Miss Dior’, ‘Crystal Noir’ enz. Als hij vraag wat mijn favoriete parfum is, kap ik dat meteen maar af, en zeg dat ik niet geïnteresseerd ben in merken, maar juist op zoek ben naar Tunesië. De man lacht en geeft me een knikje, loopt naar achteren (goed teken) en komt terug met een houten doos met allemaal pure parfumolie. De ene nog heerlijker dan de andere. Tunesië is een van de hoofdleveranciers van jasmijn voor de parfumindustrie, dus ik kies in elk geval die, en natuurlijk oranjebloesem, ‘Nuit de Carthage’ (oh!) en witte bougainville (oohh!) die hier overal de straatjes siert. Als we de winkel verlaten merk ik dat ik best moe begin te worden. Blij dat ik de kortste rondleiding heb gekozen.

Natuurlijk eerst nog een bezoek aan de moskee, met een van een winkel geleende hoofddoek, die me ‘heel goed staat’ volgens Moncef. Van daar gaat het rap bergafwaarts, want ik was al moe, maar ik moet nog naar het dak van Tunis waar al die instagram foto’s worden gemaakt, en die pal boven een tapijtwinkel ligt waar ik óók word in geduwd, en waar Moncef óók gaat zitten. “Nee toch”, denk ik, “nu moet ik zeker weer tapijten gaan kopen.” En inderdaad de verkoper begint meteen driftig een verhaal af te steken over de vrouwen die deze tapijten maken, die allemaal uniek zijn en allemaal een verhaal vertellen. Een voor één trekt hij allemaal tapijten van de stapels die hij allemaal openvouwt en voor me op de vloer legt, totdat er een hele berg aan kleurrijke kilims tot over mijn tenen ligt. Met een verwachtingsvolle blik ratelt de verkoper maar door, “We ship them free to Europe too!” Ze zijn mooi, maar ook niet goedkoop, formaat badkamerkleedje iets van €200. Hoe gaan we dit doen. Hoe gaan we deze elephant in the room tekkelen. In geen 200 jaar ben ik van plan om een tapijt te kopen dus het is tijd om een eind te maken aan dit toneelspel. “Let me think about it, maybe I’ll come back later this week”, lijkt me de meest praktische oplossing. “Inshallah”, zegt hij.

De jongen met de taxi staat al te wachten als we terug komen op het oostblokachtige Place de la Kasba. “Jij weet zeker niet een supermarkt hier waar ze wijn verkopen?”, vraag ik hem als we ons in de spits terug begeven naar mijn decadentiekamp. “Yes yes, ofcourse, I will take you there”, zegt hij, “But please don’t tell anyone, because my boss is very religious, I will lose my job.” Ik zeg nog dat hij me niet hoeft te brengen, maar hij wil er niet van horen. Nou, hier een fles wijn kopen is op z’n zachts gezegd niet gezellig gemaakt. We draaien ergens achter een supermarkt een kaal parkeerplaatsje op bij een loods met deuren die voorzien zijn van afgebladderde tralies. Binnen een toonbank over de hele breedte waar vier mannen achter staan die je de wijn geven uit de rekken achter hen. Wil je rood of wit? En dan pakken ze er gewoon een. Ze hebben maar vier soorten maar het lijkt erop dat je daar niet eens uit mag kiezen. Maar het maakt niet uit, het is Tunesische rode wijn, ik neem voor de zekerheid maar twee flessen mee. In een zwart zakje krijg je ze mee want o mijn god stel dat iemand je met wijn over straat ziet lopen. “Because it’s a drug”, zegt de taxi-jongen. Jammer toch eigenlijk dat deze mensen deze duizenden jaren oude traditie ook kwijtraken.

Terug op de kamer neem ik eerst een douche en ga dan op het balkon zitten met een glas Vieux Magon, en man man màn! wat is ie lekker. Ik ben kapot. Het waait hard op het balkon maar het is nog steeds warm en vochtig. De muziek begint al weer pompend de avondlucht te vullen. Ik moet nog gaan eten, maar alles in me verzet zich om mijn kamer te verlaten. Eerste dag overleefd. Wat nu?

Zodra ik kan

Overal waarschuwen ze je dat je twee dagen moet uittrekken voor het Vatican museum en de Sixtijnse kapel, dus ik was al heel streng voor mezelf geweest om ook hier een keuze te maken en in elk geval de Sixtijnse kapel te zien en misschien nog wat randverschijnselen zoals de stanza van Raphaël. Maar je snapt, het liep toch anders. Twee dagen? Hold my beer. Ik had natuurlijk al een kaartje voor de toegang met een gids, maar ik had een blaar op mijn hiel èn geen koffie gehad en terwijl ik in de rij op het overvolle plein mijn prachtige Georgina Masson stond te lezen, ging de hele zaak me zó geweldig tegen staan, dat ik mezelf voornam me niet aan al die conventie te storen en zodra ik kon aan die groep ging ontsnappen. De drukte was werkelijk enorm, want iederéén is geadviseerd om zo vroeg mogelijk te gaan om ‘de ergste drukte’ te ontlopen, dus iederéén staat om 8:00 uur al voor de ingang te dringen, al dan niet begeleid door een van de tientallen gidsen met gekleurde vlaggetjes. Die van ons had duidelijk óók nog geen koffie gehad en was ons nogal robot-achtig en chagrijnig aan het afwerken door de security heen. Dus toen we eenmaal binnen waren, speerde ik er vandoor. Ik liep door en door, struikelend langs allerlei schilderkunst en 16e eeuwse geografische kaarten van Danti, middeleeuwse Vlaamse tapijten, langs Vasari, Raphaël en Piero della Francesca, mozaïekvloeren en marmeren beelden, langs achteloze Chagalls, Van Goghs en Bacons, langs andere groepjes die allemaal slachtoffer waren van ellenlange uitleg in elke sala, en ik was blij dat me dat bespaard was gebleven. Snelwandelend, bijna rennend langs alle pracht en praal werd mijn ergernis over al deze paapse inhaligheid allengs al maar groter en groter, maar het einde was in zicht, zag ik aan de Ikea-achtige routebordjes (helaas geen short-cuts hier). Ik kwam om 8:54 aan bij een of andere extra kaartcontrole, dus alles moest weer uit de tas, en ik mocht niet verder, want ik mocht pas om 9:05 door die ene deur die geblokkeerd werd door twee security guards, dus ik stond, als enige in die kleine opzichtige barokke sala voor hun neus nog 10 minuten te dralen en mijn 800 pagina’s dikke Georgina Masson te lezen, maar glipte toen met een Amerikaans groepje toch mee naar binnen. Jij kleine rebel, zomaar twee minuten voor tijd naar binnen! Ik rende meteen door naar de Sixtijnse kapel, wat heel gek was, ik dacht, je komt daar door een enorme deur binnen, maar het waren allemaal piepkleine lage gangetjes en een klein deurtje. Meteen werd er geschreeuwd dat ik mijn CAMERA OFF, CAMERA OFF moest doen, okee scusiiiiiii dat ik besta, want je mag natuurlijk niet fotograferen, want dan wel weer heel mooi is. En ik was er. Om allerlei redenen had ik de tranen al weer in mijn ogen staan. Ik ging precies onder de ‘hand van god’ staan. Ik ben er, mama!

Iets meer dan 500 jaar geleden lag Michelangelo daar gedurende vier jaar op zijn rug op een stellage terwijl de verf in zijn ogen druppelde. Zijn opdrachtgever paus Julius II (niet te verwarren met die viespeuk van de Villa Giulia) liep hier in die jaren vanaf 1508 regelmatig te kijken of het al af was, en als hij dan aan de 33-jarige Michelangelo vroeg “Wanneer is het af?”, kreeg hij tot zijn grote ergernis steeds het antwoord “Zodra ik kan”. Dat was zo’n beetje het enige commentaar dat Michelangelo gaf. Toen hij in 1512 die vraag weer eens stelde en Michelangelo zei “Zodra ik kan”, schreeuwde Julius: “Moet ik je van die steiger laten gooien?!” Ook Bramante en Raphaël hebben hier gelopen en het werk half af gezien. De twee keer zo oude Bramante die een spuughekel aan Michelangelo had, had een sleutel van de kapel, en die gnieperd liet in de zomer van 1511 het half-afgemaakte werk van Michelangelo aan Raphaël zien, die toen bezig was met het privé-vertrek van Julius II, en om welke reden dan ook probeerde Raphaël toen een opdracht van Julius af te troggelen om het plafond zelf af te maken. Wonderlijk dat hij die ondanks het ongeduld van Julius toch niet heeft gekregen. Michelangelo werd trouwens al die tijd niet betaald. De paus was namelijk bezig om met goddelijke inspiratie oorlog te voeren tegen Bologna, dus Michelangelo kon nog jarenlang fluiten naar zijn geld. Dus ik stel me zo voor dat hij behoorlijk chagrijnig was, aangezien hij deze opdracht niet eens wìlde, omdat hij niet eens een schilder wàs, en hem überhaupt alleen maar aannam omdat hij eigenlijk in de slipstream een àndere opdracht probeerde te bemachtigen, namelijk een gigantisch grafmonument uitbikken voor die ouwe vrek. Maar om Bramante een hak te zetten maakte hij het zichzelf nòg moeilijker, aangezien de opdracht eigenlijk alleen een middenstuk betrof, maar hij uit zichzelf tegen Julius zei: “Weet je wat, laat mij die 900 vierkante meter van dat hele plafond maar doen”, wat Julius natuurlijk gretig aannam en waar Bramante niet van terug had. Afijn allemaal chagrijn en afgunst en intrige alom, dus ik voel toch een soort spirituele connectie met Michelangelo, het chagrijn drijft ook mij voort in deze afstotelijke vertoning van roomse hebzucht en graaierij (afgunst heb ik niet), maar in de beroemdste kapel ter wereld kom ik even helemaal tot rust. Ik wandel een beetje rond, zit even op de bankjes en probeer al het werk van het celestiale plafond in me op te nemen zodat ik later nog even verder kan lezen over wat ik heb gezien. Het is een heel intieme, kalme ruimte, veel kleiner dan ik dacht, het valt echt wel mee qua drukte hier (gek toch…), en als ik denk dat ik genoeg heb genoten van het werk van deze man, ga ik snel op zoek naar de uitgang, o, wat een genot, hier is het ineens héél stil, ik heb, na 50 minuten, het rustigste plekje van Rome gevonden: de uitgang van de Sixtijnse kapel om 9:25 uur ‘s ochtends. Ik sta dus binnen een uur nog eerder buiten dan de paus naast zijn bed waarschijnlijk. Dat heb ik toch niet heel onverdienstelijk gedaan, vind ik zelf.

Koffie is nu de eerste prio en die vind ik gelukkig twee straten verder op het terras van een rustig cafeetje, niemand is nu koffie aan het drinken want iedereen hier is naar het vaticaan aan het rennen, heerlijk zeg. Ik blijf hier lekker lang zitten met drie cappuccinos en een onwerkelijk lekkere apfelstrudel waar aan tafel een warme vanillesaus overheen wordt geschonken. Wat zit ik hier lekker te schrijven. Daarna besluit ik, voor ik een taxi ga nemen naar m’n hotel, om achterlangs toch nog even te kijken of ik op het Sint Pieterplein kan komen (waarom heet het eigenlijk niet Sint Petrusplein?), dan heb ik dat ook maar gedaan. Daar aangekomen is er natuurlijk niks aan, alleen de zuilengalerij is wel imposant, èn het idee dat hier vlak achter op een klein pleintje waar je niet kan komen en wat nu een soort parkeerplaatsje is, de apostel Petrus net als veel andere vervolgde christenen een vreselijke marteldood is gestorven. (Dat Petrus überhaupt in Rome is geweest wordt historisch betwist, maar vooral vanuit religieuze anti-roomse hoek door lieden die de bijbel gebruiken als de enige historische bron, omdat het daar niet in voorkomt.) De obelisk die nu midden op het sint pieterplein staat, stond (meen ik ergens gelezen te hebben, weet niet zeker) eerst op dàt pleintje, maar schijnt verplaatst te zijn en uiteindelijk door Bernini hier te zijn neergezet. Okee, saillant detail (ik ga toch maar weer even uitwijden), die executie van Petrus vond plaats onder Nero, ongeveer in het jaar 64, hetzelfde jaar als de grote brand van Rome. Het jaar van de dood van Petrus is niet helemaal zeker (64-68 AD), maar de vervolgingen van de christenen, die toen in Rome trouwens ‘die joden’ werden genoemd, begonnen vooral ná die grote brand, omdat de christenen daarvan de schuld kregen, terwijl er ook weer theorieën zijn dat Nero die brand zèlf is gestart omdat hij ruimte wilde creëren voor een nieuw paleis. Afijn, de kans is dus groot dat Petrus (net als wellicht ook Paulus) de grote brand van Rome zelf heeft meegemaakt, wilde ik maar zeggen.

Ik facetime even met mijn moeder, die helemaal niet rooms is, alleen misschien in figuurlijke zin (nee hoor, grapje mama), en het voelt wel bijzonder om haar dit even te kunnen laten zien en ik ben blij dat ik haar even zie en met haar kan babbelen. In de talloze vreselijke souvenirwinkeltjes doe ik lekker even wat schandalige inkopen (in opdracht van mijn moeder een marmeren beeldje van Spinario voor mijn zus) en pak dan de taxi naar het hotel om even te douchen en een beetje te rusten voordat ik aan de rest van de dag begin.

Die dag leidt me te voet naar beneden, het Tiber-eiland over, naar de joodse wijk die hier gewoon het getto heet (antico ghetto ebraico), waar ik een paar dingen wil zien, schilpadfontein, teatro Marcello, de straatjes van de joodse wijk, en ik wil ergens een restaurantje zoeken en koshere gefrituurde artisjok eten. Ik ben echt aan het slenteren, Georgina Masson leidt me langs een paar prachtige plekjes die ik anders nooit had ontdekt, tot onderaan het Teatro Marcello, dat twee jaar voor zijn dood geopend werd door keizer Augustus (en genoemd naar zijn neefje) toen er nog geen 70 jaar sprake was van een Colosseum, en dat waarschijnlijk toen, naast het Pantheon, een van de meest opzienbarende gebouwen van Rome was, aangezien de Romeinen dit soort theaters eerst maar een onzedelijke bedoening vonden, totdat ze het lucratieve perspectief ervan begonnen in te zien. Dit was een van de eerste drie in Rome. Ik vind één steen die een beetje uitsteekt waar ik op ga zitten en lekker ga lezen en wat water drinken. Dan wandel ik de joodse wijk in waar ik uitgebreid rondloop en koop in een antiekwinkeltje een kettinkje met ‘chai’, en ik vind ook een kosher restaurantje met uitzicht op de Portico d’Ottavia (de zus van Augustus, die weer getrouwd was met Marcus Antonius, die op zijn beurt weer een scheve schaats reed met Cleopatra, en daar een paar jaar later ook zelfmoord mee pleegde, je zou er een serie over kunnen maken, o wacht…). Op deze plek was honderden jaren een vismarkt, waar halverwege de 16e eeuw onder lagen visafval de beroemde Hellenistische Medici Venus tevoorschijn moet zijn gekomen die nu in het Uffizi staat. Ja ik schrijf dit allemaal zo op en waarschijnlijk ben je als lezer allang afgehaakt, maar ik vind al die feitjes dus bijzonder wetenswaardig. En Rome is wel één groot knooppunt waar allemaal van die interessante historische roddel samenkomt. Het is ongeveer 16:00, belachelijke tijd om te eten, maar ja, de keuken is kennelijk open, ik heb honger, en bijna niemand eet rond deze tijd dus ik heb weer geluk, met een proseccootje erbij. Eindelijk eet ik die gefrituurde artisjok, man man man wat een genot, en ook een salade met koshere gegrilde kip met truffel en sinaasappel. De dag is al bijna weer voorbij, morgen naar huis, het is nog ietsje te vroeg om terug naar het hotel te gaan, dus ik besluit na wat geslenter om toch nog maar even voor de vorm om het Colosseum heen te fietsen, en dat is uiteindelijk nog best een heel mooi fietstochtje in het ondergaande zonlicht. Verder is het Colosseum gewoon lelijk. Maar ik heb het gezien.

Op dat fijne terras van het hotel drink ik nog lekker een wijntje en zit heerlijk te schrijven, straks koffertje pakken en wat verlang ik naar huis. Wat een rotstad. Zodra ik kan naar huis. Veel te veel toeristen. En toch heb ik wel genoten. Mede dankzij Georgina Masson. Nou, arrivederci ciao ciao dan maar.

De wolf en de splinter

Ik had zo vast en heerlijk geslapen dat ik eigenlijk helemaal niet van plan was om er uit te komen de rest van de dag, maar ik had natuurlijk een kaartje voor het Musei Capitolini om 10:00 uur, dus de wekker ging af om 7:30 zodat ik nog een beetje kon snoezen. Om een uur of 9:00 na het ontbijt op dat lieflijke terras stapte ik op de fiets. Nou, dat is een hoofdstuk apart. Het stikt in deze stad werkelijk van de elektrische fiets- en step-aanbieders en in Rotterdam gebruik ik ook de Lime wel eens, en die hebben ze hier dus ook, niet te geloven op elke hoek van de straat staan er wel een paar dus over het vervoer hoef ik me helemaal geen zorgen te maken, dat wil zeggen dat het beschikbaar is. Het is helemaal tof want op de fiets zie je in korte tijd zoveel meer, maar of het echt tof en verstandig is om hier te gaan fietsen is een ander verhaal want natuurlijk totaal geen fietspaden te bekennen en voor je het weet beland je op een soort snelweg die allemaal tunnels in gaat. Maar goed ik deed het toch, ik wist hoe ik ongeveer moest rijden maar was eigenlijk meer bezig met het ontwijken van al het andere verkeer dan dat ik om me heen kon kijken. Op een gegeven moment dacht ik, toch maar even checken waar ik eigenijk ben, en ik bleek pal naast het Largo Argentina te staan, wat ik toch al even wilde bekijken, dus dat kwam mooi uit, alleen het was helemaal afgezet met doeken omdat het werd gerestaureerd dus feitelijk zag ik er nog weinig van. Dit kleine pleintje met antieke resten is de afgelopen jaren een opvang voor zwerfkatten geweest, en dat was dus niet waarom ik het wilde bezoeken, maar omdat deze totaal vervallen plek de plaats is waar Julius Caesar is vermoord, en ik het compleet onbegrijpelijk vind dat het zo is verwaarloosd en verloederd en niemand er oog voor lijkt te hebben, maar afijn dus nu restauratie. Het heeft iets magisch toch, zo’n plek, met zo’n belangrijke geschiedenis met allemaal intriges en verraad met gigantische consequenties voor de geschiednis van het Romeinse rijk. Een opvangplek voor zwerfkatten. Heel gek.

Daarna was het nog maar een paar honderd meter met doodsverachting naar het plein voor het Musei Capitolini, waar ik die fiets ergens neerzette en verder naar boven ging lopen, over de trappen en het plein die Michelangelo had ontworpen. Bovenaan, voor het Palazzo Senatorio wordt de bezoeker herinnerd aan de twee riviergoden van de Nijl en de Tiber, alleen is die van de Tiber met die nogal fallische Griekse hoorn van overvloed in zijn hand, eigenlijk de god van de Tigris, afkomstig uit de voormalige thermen van Constantijn (die van Constantinopel) van hier vlakbij, en hier na wat omzwervingen door Michelangelo heen gesleept. Als ik het lees in de Georgina ben ik weer even een paar seconden terug naar een zonsondergang in 2018. Wat bestaat mijn leven toch uit merkwaardige cirkeltjes. Het plein stond al vol met toeristen, maar het was nog vroeg dus ik liep even door naar de achterkant van het gebouw, waar je inderdaad een fantastisch uitzicht hebt over het Forum Romanum en in de verte het Colosseum waar ik allemaal niet heen ga.

Eenmaal binnen, merk ik dat de drang al weer een beetje afneemt. Er zijn twee of drie dingen die ik echt graag wil zien, en ik registreer de rest maar half, er moet hier nog veel meer te zien zijn (‘Stervende Galliër’ van de hand van een Griekse beeldhouwer uit Aphrodisias, Aydın) maar ik heb al geen geduld meer vandaag, het is nog geen 12:00 en het is al op. Maar die drie dingen heb ik gezien, een paar van de belangrijkste beelden uit de hele kunstgeschiedenis: de wolf, Medusa en Spinario, het bronzen beeldje van een jongen die een splinter uit zijn voet trekt. (Mijn moeder en zus zagen een exemplaar van dit beeldje in het Prado, en ik in het Uffizi, en de grote vraag was: welke is het origineel? Hoogstwaarschijnlijk zijn ze dat geen van drieën maar is deze de oudste kopie, mogelijk het origineel, omdat hij van brons is en uit de eerste eeuw.) En het gigantische hoofd van Constantijn, dat op de binnenplaats moet staan, naast zijn even gigantische voeten. En eenmaal op de binnenplaats is de toon meteen gezet want ze zijn net die dingen aan het optakelen, er staan allemaal kranen en stellages omheen, er is weer geen foto van te maken, dus ik ga maar door naar de wolf en Spinario, en die staan óók niet waar ze moeten staan namelijk in zaal 8 en 9, dus ik loop lichtelijk in paniek heen en weer tussen de ingang en zaal 8 en 9, en vraag het dan uiteindelijk maar aan een of andere medewerker en die zegt dat ik gewoon de zalen moet volgen en dat het dan goed komt. Dus ik doe dat, en dan kom ik inderdaad terecht in de ronde zaal met het glazen dak, en daar staan ze allemaal, het bronzen beeld van Marcus Aurelius, de wolf, en Spinario, nog een gigantisch bronzen beeld van Constantijn (ze hebben er drie, kennelijk) en nog wat andere fratsen. Alleen het jammere is, van welke hoek je ook een foto wilt maken, en staat altijd een knalblauwe pilaar op. Waarom denken ze daar niet aan? Waarom gewoon niet alles zwart verven zonder reflecterende achtergronden zodat je als toerist óók een beetje een mooie foto kan maken zonder je eigen reflectie erop met je spijkerbroek en sneakers, en blauwe pilaren?

Na dit van mijn lijstje te hebben afgestreept ga ik op zoek naar een stil plekje dat ik vind in een steegje achter een kerkje, om even te bellen met het thuisfront. De rest van de middag vergeet ik eigelijk wat ik wilde doen en loop maar gewoon rond in de oude wijk van Rome, zit een half uurtje op een piepklein pleintje cappuccinos te drinken en te schrijven, en kom daarna al wandelend en passant toch langs het Pantheon, Piazza Navona en Campo di Fiori. Achter het Pantheon zit een mannetje oude koperen potten in stukken te knippen en daar sieraden van te maken. Ik zie een prachtige hanger liggen en dat lijkt me nou net het perfecte souvenir. Hij vraagt met wat gebaren of hij er een ringetje aan moet maken en met allerlei gereedschap maakt hij er ter plekke een ringetje aan. Dit is echt weer heerlijk. Oude mannetjes die dingen maken. Op elk van die pleinen waar ik langsloop, pak ik Georgina Masson er even bij om te kijken of ik geen belangrijke dingen mis, alhoewel ik haar advies om toch beslist even in het Pantheon naar binnen te gaan in de wind sla, gezien de rijen. Ik ben verder lichtelijk besluiteloos, ik zou eigenlijk copieus gaan eten, maar daar heb ik helemaal geen zin meer in, en als ik een fiets zie staan besluit ik om maar meteen naar Villa Giulia te gaan waar het Etruskisch Museum zit. Dat blijkt echt een doodgevaarlijke hellerit te zijn in dat verkeer, die ook nog behoorlijk lang is, veel langer dan ik dacht, op enig moment moet ik de Tiber oversteken, en als ik iets verderop weer naar de andere kant wil dan kan dat niet omdat er ineens paaltjes staan. Ik til die fiets er gewoon overheen, klootzakken, mij krijgen ze niet. De Villa Giulia is echt heerlijk, op een heuvel, koel, er is een grote tuin en schaduw, dat heeft die ouwe viespeuk toch mooi weten te bouwen (er wordt gesuggereerd dat het aan de bouwer van dit optrekje, Paus Julius III met zijn obscene levensstijl te danken is dat het verplichte celibaat werd ingesteld). Ik neem hier even lekker de tijd om bij te komen voordat ik naar binnen ga. Binnen is het ook fantastisch, ik kan wel zeggen het fijnste museum tot nu toe hier in Rome, beroemde Etruskische kunst en weer zoveel om te leren en thuis mee verder te gaan. En, een relatief schone wc.

De stress slaat wel een beetje toe als mijn telefoon bijna leeg is en ik nog terug moet naar Trastevere, waar ik m’n telefoon voor nodig heb want anders een uur lopen. Ik besluit eerst maar een stuk de kant van de Tiber op te lopen en dan een brug over, ik probeer daar ergens een taxi te regelen maar geeneen taxichauffeur heeft kennelijk zin om de rit te accepteren. Dan toch maar een fiets, dat lukt gelukkig wel, maar nu moet ik dus wéér dat verkeer in met die fiets, óók nog helemaal langs het vaticaan wat echt verschrikkelijk is. En dan nog iets, op zowat alle straten liggen dus die kopsteentjes, en dat is niet echt lekker fietsen, maar allá, je bent een Hollandse of niet. Al met al lukt het om thuis te komen. Eventjes douchen en telefoon opladen en eventjes een koffie op het terras en dan toch maar weer naar beneden lopen om te eten, ik ben eigenlijk te moe voor wat dan ook dus het wordt toch eten in Trastevere, met allemaal voetbal types in de straten en ik moet veels te lang wachten maar de rigatoni con coda alla vaccinara (geen idee wat het is maar daarom juist) is echt geweldig lekker. Ik strompel terug naar de hotelkamer met mijn bloedende hielblaar en slaap gelukkig wel weer fantastisch.

Pecorino en parmigiana

Dinsdag
Ik had dus eigenlijk al helemaal geen zin meer. Ik had alles al een beetje uitbestudeerd, dacht ik. En ik zou om 3:45 op moeten staan, ook al geen zin in. En dat hele end rijden naar Charleroi. What was I thinking. Maar ik zal dat hele eind overslaan, ik ben er. En nou nou nou wat zit ik hier lekker op het terrasje van het hotel op kopsteentjes tussen de gigantische olijfbomen bij de ingang van wat eens de Academia degli Arcadi was, hierachter moet een groot park liggen (Janiculum) en onderaan de straat rechts moet het centrum van Trastevere op een paar minuten lopen zijn. Ik heb honger en een tartaartje besteld. Toen ik eindelijk op het vliegveld in de trein was gestapt kreeg ik een soort van rust, even lekker om me heen kijken en een hard oordeel vellen over de toestand van wat ik om me heen zag. Wat een bende. Vervallen stations met afgebrokkelde platforms, vervallen fabrieken, vervallen huizen en werkelijk o-ver-al grafitti. Maar ook veel groen en in de verte bomen die ik niet ken, en cipressen. Ik hou helemaal niet van gedichten maar eentje ken ik er uit mijn hoofd en die ga ik je nu vertellen.

Wij rijden met de trein naar het zuiden
De peppels vallen van ons weg
De molens en de meidoornheg
Die langs de spoorbaan is gelegen

En….
Snelt glanzende de eerste rij
Cipressen aan ons oog voorbij
Gelijk een groep marathonlopers

Met de beste wil van de wereld heb ik me nooit die eerste regel van het tweede couplet kunnen herinneren ook al heb ik hem een paar keer opgezocht en ook weet ik niet meer wie de dichter was, en ik geloof dat het over de Provence ging, niet over Italië, en feitelijk rijd ik naar het oosten en niet naar het zuiden, maar toch vind ik het bij dit landschap passen en schiet het me automatisch te binnen terwijl ik hier zo in dit lokale treintje zit. Dat woord marathonloper valt ineens heel gek uit de toon en past eigenlijk helemaal niet bij de sfeer die die twee middelste regels oproepen, dat paars-oranje beeld van Zuid-Frankrijk. En het heeft eigelijk zelf het ritme van vijf cipressen die voorbij snellen. Geen idee ook waarom me dat gedicht altijd bij is gebleven, behalve dat ik het van een wonderlijk eenvoudige schoonheid vind, ook al is het eigenlijk helemaal niet mooi, maar iets met het ritme ofzo. Afijn.

Na de trein nam ik natuurlijk toch maar een taxi in plaats van de Lime fiets want het was berg òp, bleek, en daar had ik natuurlijk geen zin in, want hartstikke moe. Toen ik op de taxi stond te wachten, werd ik aangesproken door een nogal morsig uitziend stel dat me eerst van top tot teen bekeek, alsof ze daaraan konden zien of ik Engels sprak, en toen aan mij vroeg of ik wist hoe ze met de bus of de tram naar het centrum konden komen. Ik was totaal niet van plan om mijn taxi met ze te delen en ik stond me af te vragen waarom je aan een andere toerist moest vragen hoe ergens te komen, heb je dan je huiswerk niet gedaan. Ik zei: “There on the other side of this square is a bus stop with time-tables, you’ll probably find out more there.” Toen ik met de taxi weg reed, zag ik ze net uít een bus stappen, dus die time-tables hadden ze kennelijk niet gevonden.

De taxichauffeur had ik graag even willen uithoren, hij was verder vriendelijk en sprak gelukkig ook een beetje Engels maar veel kwam er helaas niet niet uit toen ik hem naar zijn nieuwe premier vroeg. ‘Ah Georgia Meloni! Good!’, zei hij, en daar bleef het verder bij.

Na wat overbodige afslagen die ik maar verder door de vingers zag draaiden we na 10 minuten een allerliefst pleintje op met grote bomen en koelte en het hotel tussen een oude stadsmuur en de ingang van dat park. Mijn kamer is fijn en modern en klein en koel met ramen die op het pleintje uitkijken. Ik heb meteen ruzie met de douche die ik niet aan krijg, hij doet gewoon niks, hoe ik er ook aan draai of op druk. Ergernis terwijl ik me aankleed en weer naar beneden loop om Jamal de Indische bellboy om hulp te vragen. De knop moet gewoon schuin omhoog, okee. Ik trek daarna een linnen broek aan en een t-shirtje en op m’n teenslippers ga ik lekker op het pleintje zitten om de reis even van me af te laten vallen en een beetje energie op te doen voor de food tour die ik straks ga doen door de wijk. Heerlijk zit ik daar, ik heb nog ruim de tijd dus ik zit gewoon lekker niks te doen, nou ja, schrijven dus met de eerste romeinse Aperol spritz. Ik kan zelfs nog een half uurtje slapen op de kamer.

Okee we moeten dus verzamelen op de Piazza Mastai, waar, volgens het Latijnse opschrift op de gevel, Pius IX in 1863 een sigarettenfabriek liet bouwen die er uit ziet als een regeringspaleis. Op de Lime fiets ben ik er natuurijk 20 minuten te vroeg dus ik kan lekker even rondlopen en de sfeer proeven. Ik zie dat de kleur hier zwart is, iedereen -van de locals dan- draagt zwarte kleren en jassen ondanks dat het 26 graden is. Allemaal supernetjes, je voelt je meteen weer een toeristische slons in je spijkerbroek met gympen, gelukkig maakt het hier niet zoveel uit tussen de toeristen die allemaal net zo gekleed zijn als ik. Op de bankjes rondom de fontijn beginnen zich wat andere toeristen te verzamelen en ik zoek de gids die hier ook zou moeten zijn met een geel vlaggetje. Dat blijkt natuurlijk na een kwartier toch natuurlijk de jongen te zijn met die gele envelop die hier al een tijdje rondloopt dus ik maak maar meteen even kennis met de anderen uit het kleine groepje dat zich om hem heen verzamelt. Twee leren, vier Amerikanen en een Australische. De 20-jarige student-gids Christiano vertelt dat hij uit Sicilië komt, dus ik heb mooi meteen gespreksstof met hem als we naar ons eerste restaurantje lopen. Hij vraagt waar in Sicilië ik ben geweest en ik zeg: “I drove all over the island but I started in Catania…” “Aaahhh Catania, thats where I’m from, what did you think?”, roept hij uit en ik antwoord naar waarheid dat ik het echt de mooiste stad op het eiland vond. Dus ik heb al meteen weer punten verdiend. Die ben ik ook weer kwijt als ik vertel dat ik ook een food tour heb gedaan in Palermo, want Palermo is natuurlijk de nemesis van Catania, en waag het niet om de arancini van Palermo te vergelijken met de arancini van Rome of Catania, en ik word ook nog even overhoord over wat het verschil dan is, wat ik weet, want die in Catania is amandelvormig met rijst en ragout, en deze is rond met rijst en mozzarella, meer een soort kaassoufflé in de vorm van een grote bitterbal.

Of we wijn lusten. Dat laat ik me geen twee keer zeggen. We slenteren lekker door de wijk Trastevere, die echt wel heel mooi en barok is, het pad kruisend met nonnen en in zwarte soutanes geklede priesters.

Het is verder al met al best gezellig ook al loop ik weer ongemakkelijk te zijn in een groepje, de Ierse mevrouw is zo lief, de halve weg lopen we te kletsen en missen de helft van het verhaal, en ook de Australische vrouw die ook alleen reist vertelt over haar omzwervingen, en met de Amerikanen gaat het over de ‘bad rep’ van Amerikanen maar dit stel is heel leuk, ze zijn net verhuisd van Ohio naar Massachusetts (zal wel, geen idee) en zij is ‘in between jobs’ en wil nooit meer op kantoor werken en hij heeft zijn baan opgezegd om carpenter te worden, terwijl hij eigenijk kok is, en jarenlang heeft gewerkt zonder 1 dag vakantie voor 11 $ per uur. We wandelen verder langs allerlei kleine verrukkelijke tratoriaatjes waar we gevoerd worden met lekkere hapjes, iets van dun gesneden varkensvlees op bruschetta-achtige brood, een soort hachee soep, en natuurlijk pecorino en parmigiana, mijn god wat zijn die lekker. Trouwens nooit het verschil geweten, nu dus wel, namelijk dat pecorino veel zouter is en van schapenmelk is gemaakt en ik nooit meer iets anders over de pasta wil. “O really”, zegt de als een rugbyspeler uitziende Amerikaan, “I didn’t know pecorino came from Italy”, en ik voel een soort slecht leedvermaak in me opkomen maar ik onderdruk de glimlach. De tour eindigt helaas in een gelateria, ik probeer nog te ontsnappen maar helaas houdt Christiano me scherp in de gaten zodat ik tegen heug en meug een ijsje eet, het is wel lekker, as they go objectief gezien, maar gelukkig is dit ook het einde, want ik ben nu echt helemaal af en kapot, dus ik ben blij dat ik iedereen gedag kan zeggen en naar m’n hotel kan lopen. Nog één wijntje doe ik daar, heerlijk achter mijn ipadje in het donker op het terras, onder de terrasverwarming terwijl het nog steeds 23 graden is, en dan slapen als een os.

If you want a rainbow, you have to put up with the rain

Ik kan mezelf maar moeilijk losrukken van mijn telefoon, ipad en vooral de fantastische gids van Georgina Masson over Rome, die ik al in mijn bezit had toen ik op de Bergsingel woonde en misschien wel in Dordrecht, sinds ik afgelopen woensdag in een opwelling een vliegticket naar Rome boekte. Die paarse stergids is 822 pagina’s dik en heeft alle verhuizingen en Marie Kondo acties overleefd, omdat hij zo prachtig is, en ik ooit en steeds maar weer het verlangen had om naar Rome te gaan, maar dat er nooit van was gekomen, en ik begrijp nu waarom. Het is te veel, Rome. Uitstellen, uitstellen. Je zou denken dat als je zo’n honger hebt naar antieke geschiedenis, dat de eerste plek is waar je naar toe zou moeten gaan, maar het tegendeel is juist waar, het is de laatste plek, niet in de zin van Rome en dan sterven (ja ik weet het is Napels en dan sterven, trouwens dat gezegde is er niet omdat Napels zo geweldig was, maar omdat ze het vuilnis niet ophaalden en het er zo smerig was dat je dood zou gaan van de stank) want ik ben nog niet van plan om te sterven, maar (ja deze zin wordt wel heel lang, maar cazzo mene) omdat als je zo’n plaats bezoekt en ook in de tussentijd, je steeds meer kennis opdoet, de tijd altijd te kort is om alles te zien dat je wilt zien, en je dus heel zorgvuldig moet kiezen wàt je wit zien, en daar heel lang over na moet denken. Ik heb maar 3 dagen in Rome, eigenlijk maar 2, belachelijk natuurlijk, maar dat noodzaakt me tegelijkertijd mooi om een thema te kiezen, en dat is gelukt. Eigenlijk twee thema’s: Augustus, en ondergronds Rome of liever, de watervoorziening en de aquaducten. Het voordeel van het kiezen van thema’s is dat je een heleboel dingen meteen links kan laten liggen, zoals het Colosseum en het Forum Romanum en Vaticaanstad (Ok, met als uitzondering de sixtijnse kapel, waar ik ook al een gids voor hebt geboekt om 8:00 uur ‘s ochtends). Het wordt dan ietsje makkelijker om een paar highlights op een dag te kiezen en dan te kijken of je dat kan lopen of dat er vervoer geregeld moet worden en waar je dan eet en naar de wc kan. Uiteindelijk kom je dan toch tot de conclusie dat je teveel hooi op je vork hebt genomen en alsnog de helft afvalt en de twee dagen in een zucht voorbij zijn.

In de afgelopen twee dagen heb ik al weer meer geleerd over het Romeinse rijk dan ooit daarvoor, te beginnen met het feit dat niet Julius Caesar maar Augustus de eerste self-made keizer van Rome was, nooooooooit geweten, want er wàs daarvoor helemaal geen keizer, alleen een potentaat, maar via allerlei politiek gekonkel, slim herverdelen van taken en functies, uitdelen van gunsten, reorganisaties, ‘buiten beter’-acties, interims, talentenprogramma’s, uitbreiden van takenpakketten en toekennen van nieuwe functies daaraan, tadaa, ineens is er een keizerspost beschikbaar en laten we daar nou toevallig een geschikte kandidaat voor in huis hebben. Augustus wordt omschreven als een heerser onder wie de gouden eeuw van Rome ontstond, die stabiliteit en vrede bracht in het Romeinse rijk, al is het zover ik kan beoordelen wel te danken aan zijn meer behoudende doch wel strategische inzet van militaire middelen en het doelgericht uitschakelen van zowel mede- als tegenstanders, dat het zo ver gekomen is. Maar ja, “If you want a rainbow, you have to put up with the rain”, schijnt hij te hebben gezegd. Over zijn weldaden wordt uitgewijd onder andere op de ‘Res Gestae divi Augusti’, waarvan het gek genoeg minder bekende maar meest complete nog bestaande in marmer gebikte exemplaar vandaag de dag nog te vinden in is Ankara, het bestrijkt een hele muur, aan de Sarıbağ Sokak nummer 31. Augustus is een mooi uitgangspunt. Hij kende ook Cicero, die eigenlijk een beetje lafhartig aan de kant van de moordenaars van zijn adoptievader (en oudoom) Julius Caesar had gestaan. Cicero had een droom gehad over een jongeman die het rijk zou verenigen. Toen hij op een dag met Caesar terugkeerde van een of andere heidag en bij aankomst de tiener Octavius ontmoette, zei hij: “Kijk nou, daar hebben de jongen.” Afijn allemaal intriges die ik je voor nu zal besparen. Het is gewoon fijn om een ijkpunt te hebben want als je niet onderlegd bent, wat ik niet ben, is de kaart van de Romeinse heersers een compleet doolhof. Ze heten allemaal anders dan ze eigenlijk heten en ze hebben ook allemaal dezelfde namen, het lijkt wel of er maar tien namen bestonden, Julius, Antonius, Agrippa, Marcus, Nero en nog een paar. In de hele stamboom van 4 generaties tussen Julius Caesar en Augustus zitten al 20 Julius Caesars en 15 Octaviussen (en een paar Octavia’s), en als je niet weet dat Augustus eigenlijk Octavius heette kan je wel ophouden met zoeken. Dus succes daarmee.

Anyway, omslachtig verhaal om te zeggen dat ik dus naar Rome ga, en ik soort-van-ben-voorbereid, maar het loopt vast allemaal anders.

Sea Me, see you

Typisch weer zo’n een-na-laatste dag, ja, ik wil er echt nog wat van maken, maar wàt, ik weet het niet, ik kan maar niet besluiten en ik ben natuurlijk obsceen lui en zodoende lig ik om 10:00 nog in bed. Die verrekte funiculer dan? Weinig zin in, in de hitte. En ik moet ook nog wat Turks geld opmaken want natuurlijk weer veel te veel gewisseld voor de laatste twee dagen. Nou ja, waar dat beter te doen dan bij een van die schandelijk overpriced beachclubs op een van de kleine strandjes van het schiereiland bij Fethiye (ik weet nog steeds niet of het een naam heeft, het is een klein schiereiland aan de noordkant van het grotere westelijke schiereiland). Dat geeft me ook de gelegenheid om nog even uit te stappen bij Kayaköy alleen dat doe ik natuurlijk weer niet want veels te heet. Het is in elk geval wel een supermooie tocht van een half uurtje door de bergen en een soort vallei, waar prachtige oude huizen staan verspreid tussen de oleanders en ik kan bijna wel huilen van hoe graag ik er hier een zou kopen, het uitzicht is zo mooi, het is relatief koel, en stil, en groen, en de zonsondergang gaat hier precies tussen de bergen door. Stukken van de weg zijn helemaal niet bestraat of geasfalteerd, een keer mis ik mijn afslag compleet omdat het een onooglijk onzichtbaar zijweggetje is, ik check wel twee keer of het klopt, maar het klopt.

Ik weet niet wat ik precies verwachtte, nou ja in elk geval niet deze drukte en misschien een iets kleiner, minder georganiseerd strandje ofzo, maar als gast van de Sea Me beachclub kan je in elk geval riant onder de bomen parkeren. Bij binnenkomst betaal je entree, je kan dan kiezen voor het vip-gedeelte met houten stoelen en parasols of het “gewóne” nog steeds overpricete gedeelte voor de paupers als ik, als ik het zo zie zijn ze allebei even druk, dus ik doe maar de gewone. Meteen als je onder de rieten ingangtunnel het strand oploopt word je opgewacht door een garson die verder de hele tijd zo’n beetje als een butler aan je blijft kleven. Koray heet hij, Goray, zegt hij dus ik versta het eerst niet. “Koray Avcı gibi mi?” “Yes, like the singer”, lacht hij. Ik bestel meteen een meloen-munt-aarbei sorbet, en krokante midye en een bruschetta. “I’m sorry, the system is a little slow”, zegt hij typend op zijn apparaatje. “No problem”, zeg ik, “Ben de çok yavaşım bugün” dus hij moet alweer lachen. Het is verder echt wel gezellig, mooie hout-met-rieten parasolletje, nette moderne grijze ligstoelen van staal met nylon met een steigerhouten tafeltje ertussen en een aardewerk prullenbakje. Er is zand, kan me niet voorstellen dat dat hier van nature ligt, dus knap gedaan. Er staat een heerlijke windje aan deze kant van het eiland. Wel weer allemaal ballenlijnen, waarachter een paar jachten die voor anker liggen (zou ik ook doen), maar het water is gewoonweg prachtig, eerst een strook turkoise, dan diep azuurblauw en weer kraak en kraakhelder. Ik neem meteen al een duik om lekker af te koelen. Ik heb wel een beetje spijt dat ik niet het VIP-gedeelte heb gekozen, waar me met een blik op mijn ‘tek başıma’ hoofd fijnzinnig bij werd verteld dat het adult only was, want inderdaad krijsende kinderen ohne Ende, en er komt harde muziek vanaf de jachten en de andere ‘publieke’ helft van het strand waar je ook waterfietsen en kanoos en seabobs kan huren (het is me nog steeds een raadsel waarom je hier nergens kleine zeilbootjes kan huren, lijkt me toch een gat in de markt). Tegen een uur of 18:30 hou ik het voor gezien. Gezien de ‘hesap’ mag ik voor straf vanavond niet meer uit eten, maar dat geeft niet want ik heb thuis nog vanalles dat op moet, bananen, doritos, brood, kaas en gin.

Thuis begin ik alvast met wat schoonmaak en inpakken, ik wil vanavond in elk geval koffer beneden klaarleggen met zo goed als alles erin. Ik pak er alvast wat reiskleren voor morgen uit en ik doe een wasje. Alles is hier werkelijk in een uurtje droog. Ik check alvast in, zorg dat ik weet waar m’n paspoort is, en probeer mijn paniekaanval te onderdrukken.

Om ongeveer twaalf uur ‘s nachts word ik wakker omdat mijn bed schudt. Ik wil het eerst niet geloven, ben ik wakker? Ja ik ben wakker. Is dit echt? Beweegt het of droom ik? Heel stil blijf ik liggen en tel de seconden. Het beweegt, het wiegt, alsof iemand er met een voet tegenaan duwt. Is dit een aardbeving? Bij die vraag schiet ik niet eens in paniek, alsof ik het alleen maar probeer vast te stellen. Ik ben ook helemaal niet van plan om mijn bed uit te komen, al lig ik me wel te bedenken wat de snelste weg naar buiten zou zijn, mocht het erger worden. Het balkon, of toch de trap? Dertig seconden tel ik, dan is het weg. Ik check de earthquake-app. Ik zie precies op dit moment een 2.2 aardbevinkje in de Egeïsche Zee bij Bodrum. Het is wel volkomen onwaarschijnlijk dat ik dat heb gevoeld, dat zullen ze in Bodrum niet eens hebben gevoeld, maar hoe toevallig is het dat het precies op hetzelfde moment gebeurt. Ik maak er een screenshot van. Niemand gaat me toch geloven maar whatever. Na dit bevreemdende evenement val ik weer net zo makkelijk in slaap, wat gek is want aardbevingen zijn hier mijn grootste angst.

‘s Ochtends (het huis staat nog overeind) weer verlammende besluiteloosheid. Nog meer dingetjes in koffer proppen, reistas voor morgen klaarleggen. En wat ga ik doen met deze dag. tot een uur of acht heb ik nog, tegen tienen wil ik ongeveer gaan rijden. Nee, ik vertik het om die funiculer in te stappen want toch hoogtevrees, en ik ben daar boven al geweest en het gaat vast weer allemaal veels te lang duren. Waar droom ik het meeste van als ik thuis ben? Snorkelen. Okee dan wordt het dus snorkelen. Ik besluit om daarvoor maar naar Kıdrak te gaan, dat heeft zand en een wat rotsachtigere kust en als het goed is nog minder mensen. Ik drink nog een kop koffie en eet een avocado toast op de boulevard, op het dak van Tiger, waar ik een fenomenaal uitzicht op het strand heb. Wat ben ik toch een mazzelkont, wat ben ik toch een pechvogel, wat ben ik toch op de verkeerde plek geboren, wat ben ik ineens verdrietig, niet doen, niet doen, niet sentimenteel worden nu. Maar ik heb vakantie, mag ik even sentimenteel zijn? Straks thuis moet ik weer met de kop schudden en sterk zijn en weer dealen met alle werkshit. Zolang ik nog hier ben en alleen, hoef ik me voor niemand normaal te houden en mag ik me aanstellen zoveel ik wil. Vandaag op de dag af is het exact 9 jaar geleden dat ik hier met mijn zus óók de laatste dag doorbracht. Toen wist ik nog niet wat dit land me allemaal aan zou doen, me zou gaan geven, toen wist ik nog niet dat ik 9 jaar later al zoveel van dit land zou zien en van zijn geschiedenis zou weten, en zelfs een beetje de taal zou spreken. Toen wist ik nog niet dat dit land mij als een dief in de nacht van mijn hart zou ontdoen, dat dat de toegangsprijs zou zijn, en dat het me zou verpesten met allerlei onhaalbare dromen over de toekomst waar ik dan de rest van het jaar mee opgezadeld zit.

Kıdrak is inderdaad heet, heel heet. Zó heet dat ik letterlijk twee tenen verbrand waar nu dikke blaren onder zitten waarvan er een open is gegaan. Beter dat dit nú gebeurt, op de dag dat ik naar huis ga, want hoe, hóe zou je over die kokende kiezeltjes en dat zinderende zand moeten lopen met brandblaren onder m’n tenen. Het water is gelukkig fan-tas-tisch, dus het maakt helemaal niet uit dat er beneden me niets te zien is op een paar onverstoorbare witte vissen na. Gewoon lekker dobberen en af en toe naar beneden duiken, oppassen dat ik niet onder de overhellende rotsen terecht kom, hier ergens moet een ingang zijn naar een grot, die aan de bovenkant kant een opening heeft, zal ik…? Maar natuurlijk veel te gevaarlijk. Ik hou het hier eigenlijk maar een uurtje uit, dit strand is niet te doen zonder parasol. Ik twijfel of ik nog ergens ga eten maar geen zin meer in.

In het huis heb ik dan ook tijd genoeg om te lanterfanten, op mijn gesteengrilde tenen een dromerig rondje langs de sinaasappelbomen en de rozen te lopen, en de afvalzakjes te verzamelen, koffers in de auto te leggen, kadootjes neer te zetten en een briefje te schrijven met Google Translate, wat ik natuurlijk nog wel even moet corrigeren, want mijn Turks is kennelijk beter dan dat van Google, zie ik met mijn zelfingenomen hoofd. Voor de vrouw van de eigenaar laat ik een tasje van Ayşe achter, met Ayşe’s instagram-naam erbij, misschien dat Ayşe er dan een nieuwe volger bij heeft. Achteraf blijkt dat de twee elkaar al kennen (je verzint het niet), en van beide krijg ik lieve bedankjes.

De eigenaar komt rijkelijk laat naar het huis om de sleutel op te halen met zijn hele familie. Vader, moeder, oom en tante hebben allemaal schoonmaakspullen in de hand waarvan ik denk, ‘die ga je niet nodig hebben’ aangezien ik de helft van het huis niet heb gebruikt en verder zo’n beetje al mijn sporen heb uitgepoetst. Het valt me nu pas op dat alle keren dat hij langs kwam steeds buiten bleef staan en niet het huis met mij inliep en zelfs buiten nog steeds 3 meter afstand bewaarde, ook nu weer, en ineens bedenk ik me dat in de islam een vrouw niet alleen mag zijn met een vreemde man, en ik ga ineens mijn gangen na of ik niet iets ongepasts heb gedaan, ook al heb ik er steeds op gelet niet in mijn bikini te lopen als hij langs kwam om de rozen water te geven. Na allerlei hartelijke woorden van hem en de familie stap ik eindelijk in het donker in de auto. Nu moet ik ‘s nachts naar Antalya rijden, aan de ene kant niet zo fantastisch, maar terwijl ik met ongeveer 70km/u door de bergen rijd over die weg die helemáál geen snelweg is, wat ik had verwacht, ben ik blij dat het donker is zodat ik niet al die afgronden zie waar ik weer langs kom. En ik ben natuurlijk weer véél te vroeg op het vliegveld, ik moet nog zeker 2 uur wachten voordat de incheckbalie ook maar open gaat, my god wat duurt dat lang, ik probeer de tijd maar een beetje te doden met Netflix op de bankjes van een fastfoodketen, waar ook allemaal piloten en stewardessen zitten, sommige slapen met hun hoofd op de tafel. Het is weer gedaan. Ik kan me niet voorstellen hoe snel de tijd is gegaan. See you Turkije, het was me weer een genoegen.

The tears of Anatolia

Geen elektriciteit. Daar kom ik achter als ik een (nieuw) pannetje melk wil opzetten en het gasfornuis niet aanspringt, dat ik de avond van te voren heb staan poetsen. “Nu heb ik hem serieus gemold”, denk ik. Wat nog steeds een beetje gek is, want je moet een gasfornuis toch kunnen poetsen zonder dat hij er meteen mee uitscheidt. Maar de koelkast blijft ook donker. En nee, de lichten doen het niet. Ik app de eigenaar. Waarschijnlijk een lokaal probleem, als het niet overgaat komt hij even kijken. Overal zijn ze hier aan de weg bezig zoals ik al zei. Dus er zal wel een kabeltje zijn geraakt ergens. Gelukkig zijn telefoon en ipad al opgeladen vannacht. Hij komt even kijken maar vooral om te zeggen dat het de schuld is van de belediye, en dat hij even zal bellen om te kijken of hij er wat aan kan doen.

Ik vertrek tegen 12:00 richting Fethiye om te gaan winkelen. In de auto is het 39 graden, en het is pas mei. Het plan, dat wil zeggen het idee waar ik me uiteindelijk toch nooit aan hou, is om de vroege middag in Fethiye te besteden en dan de late middag misschien tot zonsondergang op het strand te liggen. Tegen de tijd dat ik in Fethiye aankom vergaat me al weer meteen alle lust om te gaan winkelen, want natuurlijk veel te warm. En ik heb de laatste dagen ook een beetje zorgwekkende duizelingen in de loop van de dag, alsof ik bijna flauw ga vallen van de honger, die al tegen het eind van de ochtend begint en die ik helemaal niet ken aangezien ik er nooit last van heb dat ik niet ontbijt. Maar ja het is bij mij thuis ook geen 39 graden in mei. Meteen maar even eten dan vlakbij de Paspatur markt, ik bestel een tosti bij een koffiehuis en krijg die met allerlei toeters en bellen waar ik niet om heb gevraagd maar die ik dan toch weer allemaal op eet. Friet voor het ontbijt, bij de koffie, nou ja, kan het schelen. Er komt een groepje van vier vrouwen aan en er wordt allemaal moeilijk gedaan met het schuiven met tafeltjes dus ik zeg: “Kom maar hier zitten, ik ga wel even aan de bar zitten, ik ben toch alleen”, aangezien ik een tafeltje van vier bezet zit te houden. Nee, nee, nee, gebaren de obers. Ja, ja, ja, zeg ik en ik loop al met friet en al naar de bar. De vier vrouwen gaan al aan het tafeltje zitten als de helft van mijn spullen (ipad, zonnebril, mayonaise) er nog op liggen. Ze zeggen helemaal niks, geen dankjewel ofzo, ze kijken me niet eens aan. Niet dat dat hóeft, maar toch. Eigenlijk wel dus. Als ik met m’n cappuccino dan ga zitten, lacht de ober naar me, “Thank you, I love you”. Ik hoor de vrouwen Russisch praten, dus ik heb gelijk al weer een vooroordeel.

Tja en toen zou ik dus winkelen, maar ik weet werkelijk niet wat ik nog wil kopen, dus voor de vorm loop ik naar Ferza’s winkeltje, even kijken of ze me nog herkent, alleen ze is er niet, haar man wel die ik toen ook heb ontmoet, maar hij lijkt me niet te herkennen. “If there is a ring you like, I can have it made to your size if you like”. “Yes, you did that for me about five years ago”, zeg ik. Hij kijkt me even aan en zegt: “I may have altzheimers soon, forgive me, I don’t remember”. “We all will, probably”, zeg ik tegen hem, als een soort van misplaatst medeleven. Er komen natuurlijk duizenden toeristen hier binnen dus natuurlijk kan je je die ene dan niet herinneren. “I will have a look around if that’s ok”, wat natuurlijk ‘buyurun’ is. Al het zilver hier komt uit Turkije en de meeste sieraden zijn door Turkse ontwerpers gemaakt. Ik kan hier wel een uur doorbrengen omdat ik volstrekt niet het vermogen heb om een keuze te maken als dat on the spot moet, al ging het om pindakaas, en al hingen er maar 3 dingen. Ik vraag uiteindelijk naar de prijs van een ketting met neolithische figuren, die wordt gewogen op een schaaltje, waarmee de prijs wordt bepaald aan de hand van het gewicht van het zilver, en die valt me dan toch net iets te hoog uit (€200), ook al is hij prachtig. “These figures are from eh..”, begint hij te vertellen. “Göbeklitepe?”, vraag ik (neolithische plaats namelijk), maar neen dat is het niet, “Çorum”, zegt hij. “Ah, Hattuşaş?”, vraag ik. Dat was het óók niet precies, maar dat is natuurlijk meteen wel weer de cue voor een gesprek over reizen in Turkije, want waarom ken ik die plaatsen? Hij zegt dat hij die plaatsen graag wil gaan bezoeken als hij met pensioen gaat. Ik denk onwillekeurig, “Ga nu, wat anders is het misschien te laat”, denkend aan alle “restauraties” en ontgravingen die nu plaatsvinden, en ook aan de opmerking die hij maakte over zijn altzheimer. In het boek The Tears of Anatolia (Anadolu’nun Gözyaşları) lees ik precies wat ik al die jaren al heb gedacht, de Turken zijn ondanks alle pogingen tot restauraties nog steeds niet doordrongen van hun eigen geschiedenis en van de waarde van al deze schatten en het feit dat ze daar zelf onlosmakelijk deel van uitmaken, daaruit voortkomen. Zelfs mijn intellectuele vriendin Elif zei eens over antieke steden tegen me: “They all look the same.” De restauratiewerken lijken er alleen maar te zijn voor toeristische doeleinden, maar als je willekeurig wie op straat vraagt of ze wel eens naar Efes of Priene of desnoods in godsnaam dan maar naar Aspendos zijn geweest is het antwoord ‘O, daar wil ik ook nog wel eens een keer naar toe’. Yaşar Yılmaz beschrijft het briljant: “The fact that our intellectuals […] still lack this awareness is thought-provoking. One of the reasons is […] the understanding that our history is limited to 1071.” Dat wil zeggen, de geschiedenislessen die op school worden gegeven gaan niet verder terug dan 1071, de slag van Malazgirt, waarin de Selcuken een einde maakten aan het Byzantijnse rijk, en dat eigenlijk gezien wordt als het begin van het Turkse rijk, terwijl dat het begin helemaal niet was! De Anatolische cultuur bestond al duizenden jaren daarvoor, ook toen Hellenistische, Griekse, Romeinse, Perzische besturen er het bewind voerden. De teksten op de marmeren zuilen en kolommen mogen dan Hellenistisch of Latijn zijn, maar 95% van de bevolking was zoals overal ter wereld analfabeet, en het brood werd gebakken door Anatoliërs, het zijde, de katoen en de wol geweven door Anatoliërs, de stenen gehouwen door Anatoliërs, het goud en zilver gesmeed, het hout gekapt en bewerkt, de wijn geproduceerd, het graan verbouwd, de olijfolie geperst, elk element van het dagelijks leven kwam uit de handen van Anatoliërs. Trouwens ook vele grote denkers en wetenschappers (Diogenes, Aristoteles, Homerus, ‘s werelds eerste historicus Herodotus, enz. En niet te vergeten Sinterklaas) waren Anatoliërs. “Limiting our history to 1071 has severed our connection with the past, and rendered our society rootless, insensitive to the past, like having a shallow history.” Al die jaren dat ik hier ben, voel ik al aan dat de Turken zich niet verbonden voelen met de antieke steden als zijnde hun eigen geschiedenis. En nu lees ik hier waarom.

Ik kies een ander kettinkje en een paar oorbelletjes uit. Bij het afrekenen zegt hij, “I’ll give this money to my wife, she owns the shop”, en ik zeg dat hij haar de hartelijke groeten moet doen.

Het is volgens de Clio nu 42 graden, ik ga snel naar huis om het elektriciteitsprobleem te checken, en dat is gelukkig verholpen. Het is al weer een uur of drie dus ik grabbel snel wat strandspullen bij elkaar om heerlijk naar beneden te rijden. Het is zaterdag, en toch is dit deel van het strand bijna leeg. Het valt me ineens ook op dat er niet meer 4 rijen met stoelen staan, maar wel 7 of 8. Niet dat het wat uitmaakt, er is toch niemand, maar de constatering dat het hier kwa ruimte meer op Bodrum begint te lijken zit me niet helemaal lekker. Maar dat mag vandaag helemaal de pret niet drukken. Dit tijdstip is fantastisch kwa afkoelen, al is het nog steeds bloedverziekend heet, dus ik lig grotendeels onder de parasol. Om de een of andere reden lopen de jongens aan wie je moet betalen me steeds voorbij terwijl ze wel met mijn buren links en rechts afrekenen, totdat ik toch dat kleine rode lintje aan mijn parasol zie hangen, het teken dat de mensen die hier voor mij lagen al hadden betaald voor dit strandbedje. Dus ik roep ze toch maar even om te zeggen dat ik niet betaald heb, ja, ik kan natuurlijk ook gewoon niks zeggen, maar dat is me toch mijn eer te na, en bovendien, eergisteren heb ik óók al niks betaald (voor dat kleine uurtje), en bovendien, ik hou al negen jaar bij wat ik voor een strandbedje moet betalen, alsof dat een soort variabele is voor hoe de economie van het land ervoor staat ofzo, op de een of andere manier vind ik dat dan weer machtig fascinerend. En nu wil ik het dus weten ook. Het interesseert je vast geen zak, maar ik ga het je natuurlijk toch vertellen. In 2013 was het 14TL (€4,70), in 2017 18TL (€3), in 2018 30TL (€3,75), en nu 80TL (€5). Gek toch. Van 14 naar 30 naar 80 lire, en van €4,7 naar €5 in negen jaar. Anyway die jongens vinden het helemaal schappelijk van mij dat ik toch nog betaal en dat is dan ook weer fijn, dat het even acknowledged wordt, niet zoals die Russische dames bij het ontbijt zegmaar.

Ik lig daar tot eer uur of zeven denk ik, dan loop ik naar het terras boven van Kumsal Pide voor een cocktail en pide, alleen ze hebben geen cocktail dus ik bestel maar verse jus d’orange (portakal suyu) en een tequila en ik maak er zelf een. Die pide daar had ik eigenlijk geeneens zin in, maar ik had weer vlekken voor mijn ogen ookal had ik geen honger, en geen zin om iets anders te zoeken.

Thuis alles in de was gegooid en nog lekker even in het donker het zwembad in, en buiten koud gedoucht en onder de grote beer en de rest van de sterrenhemel mijn haar gewassen. Nog één dag. Niet in paniek raken nu.