Salammbô

Ik schrik er van dat het al donderdag is. Dat betekent nog maar drie dagen om èn alles te doen wat nog op mijn lijstje stond inclusief 500 km rijden, èn nog even te genieten en relaxen. Hm, misschien wil ik iets te veel.

Hier wakker worden was heerlijk, en ik was ook niet van plan om ook maar iets te doen, behalve luieren bij het zwembad en schrijven, en nog meer slapen. Ik kreeg een heerlijk ontbijt met een kruidig omelet, fruit, brood en koffie, en kon lekker schrijven, en na het ontbijt nam Skander de hoteleigenaar me mee op de tour door het huis. Elke kamer is bijzonder, en staat vol met objecten met een verhaal en een geschiedenis, spiegels, kamerschermen, tafeltjes, prachtige antieke lampen (een gemaakt met goud en kobalt, “I hope you have a good insurance”). In één van de kamers schrik ik van een kist die hij aanwijst. Dit is precies zo’n kist als wij nu nog in ons ouderlijk huis hebben staan, die mijn vader uit Perzië heeft meegenomen. “This box is more than 500 years old”, zegt Skander, “It’s made of wood and leather and has the same patterns as you see on the doors.” Ik geloof mijn ogen bijna niet. Onze “kist”, “De Kist”, die al langer in ons huis stond dan mijn zus en ik op de wereld, die altijd de bewaarplaats was voor de fotoboeken, kreeg ineens en heel andere betekenis. “We have a chest like this at home”, zeg ik. “You should take very good care of it”, zegt hij. Ik vraag mijn zus om wat foto’s op te sturen. “O yes”, zegt hij als ik ze laat zien, “You see this part? It’s leather, you should treat it with some vaseline.” Nooit geweten dat het leer was, maar ook nooit over nagedacht. Nu ik de verhalen van de deuren van de medina met diezelfde noppen, de Spaanse inquisitie en deze kisten met elkaar verbind, vraag ik me af wat de geschiedenis van die kist eigenlijk is. Hij zal geen duizend jaar oud zijn (toch?), maar alleen al dat mijn vader destijds in Iran al oog had voor zo iets moois, en misschien toen ook door iemand is verteld waarom hij zo bijzonder was, maakt dat ik er ineens heel heel anders naar kijk. Honderduit vertelt Skander me over waar de tegeltjes van gemaakt zijn, hoe hij aan deze tafels is gekomen die gemaakt zijn van de wortels van eucalyptusbomen, hoe de sculpturen met stadsgezichten zijn gemaakt van aangespoeld hout van schepen uit de tweede wereldoorlog en precies weergeven waar hij vandaan komt, het huis van zijn ouders, van zijn grootouders. Bij elk bijzonder ding vraagt hij hoe oud ik denk dat het is. Hij wijst naar het mozaïekje van de olijfboom: raad eens? 100 jaar? 200? Hij schud met zijn hoofd. “How do you even get all these things?”, vraag ik hem. “You can not just buy them”, zegt hij, “You have to know the right people, because this is all cultural heritage.”

De rest van de dag lummelen, schrijven en beetje verder lezen in Asfour (“Tunesië is onbesloten over wie ze is, wat ze wordt. Net als ik.”) en Flaubert’s Salammbo over Carthago waar volstrekt niet doorheen te komen is, maar wat móet, omdat hij de penvriend was van mijn literaire heldin George Sand (“Allons donc faire un tour à Carthage ou ailleurs”, trouwens hun levenslange briefwisseling begon nadat zij hem had gecomplimenteerd met het boek Salammbo). Sorry, ik probeer hier niet pedant te zijn, of misschien ook wel, maar idc, dit is een dagboek.

Toch ging ik er ook nog even uit om de buurt een beetje te verkennen bij daglicht, misschien een koffietentje te vinden (niet gelukt) en wat water en volkorenkoekjes te halen (wel gelukt). Ik weet helemaal niet wat ik verder nog zocht of verwachtte te kunnen vinden, maar ik vond het niet. De dorpjes hier omheen zijn nieuw en grijs, betonnen appartementenblokken in rechte straten die uitkomen op het plein met de moskee en de supermarkt. Cafétjes met alleen maar mannen op het terras. Maar het gaf niet, want ik kon terug naar mijn oase. Ik at ‘s avonds onder de gouden kroonluchter ook weer heerlijk van vers gevangen zeewolf met salade en zat nog laat op mijn terrasje om te schrijven, en toen de elektriciteit uitviel, en Skander me een olielampje kwam brengen, nog even in de loungestoel naar de sterren te kijken.

Ineens was het al weer vrijdagochtend en bij het ontbijt kwam ik in gesprek met het andere stel. Over wat we van Tunesië vonden en wat de plannen waren. Zij zouden na het ontbijt voor drie dagen naar de woestijn vertrekken, en ik naar het Bardo-museum, Sidi Bou Saïd en Carthago. En over hoe vriendelijk de mensen hier zijn, en dat mensen eigenlijk overal wel vriendelijk zijn, “Except the Germans”, zei de Duitse Steffi. “Nooo”, zei ik, “It’s the French who are the real bastards…. O, sorry, I hope you’re not French”, zei ik tegen haar vriend, terwijl ze beiden begonnen te lachen. “Actually I am French”, zei hij, “But you’re right.” Steffi bleek sociologie te hebben gestudeerd, en nu in Malta te werken bij een internetbedrijf ofzoïets, en voor ik wist kwam er (haar vriend was inmiddels vertrokken) een heel gesprek op gang. Over hoe vreselijk deze internettijd is, “Because the abundance of social media, people don’t know how to get real information, real knowledge anymore”, zegt ze, “They categorise every form of authority, whether it be government or science, as liars, and then all of a sudden they believe the earth is flat.” Over hoe we terecht komen in banen waar we eigenlijk helemaal niet voor hebben gekozen, en hoe moeilijk het is om erachter te komen wat je echt wilt, als je thuis nooit gestimuleerd bent om te onderzoeken waar je goed in bent en waar je hart ligt. En over het reizen, en over geen kinderen willen, en in dat half uurtje aan de ontbijttafel knoopten we heel onze levens aan elkaar. Toen ik het echt tijd vond om te vertrekken zei ik: “Steffi, I could talk to you for hours, it was an absolute delight.” “Yesss I think so too!”, zei ze lachend, “Can I give you a hug?” Met een hartelijke omhelzing namen we afscheid.

Onderweg naar het Bardo museum nam ik natuurlijk een verkeerde afslag waardoor ik in het centrum van Tunis terecht kwam, en in plaats van in de stress te schieten had ik er juist lol in om daar te rijden en mijn Suzuki overal tussen te proppen alsof het normaal was. Het Bardo museum is een absolute schatkamer van antieke geschiedenis, zover die schatten niet rond 1796 al zijn geroofd door de Nederlander Jean-Emile Humbert en nu in het Leidsch museum voor oudheden staan. Het is gehuisvest in een oud paleis van een van de Beys, in de 19e eeuw begonnen in een van de voormalige harems. Het Ottomaanse paleis zelf is al een lust voor het oog om door heen te lopen, laat staan de talloze mozaïekvloeren, beelden, steles en gebruiksvoorwerpen uit alle hoeken van Tunesië, zoals Thuburbo Majus, Bulla Regia, Haïdra en Carthago. Heerlijk. En zo lekker koel ook. Ook veel objecten uit de tijd van en na Constantijn, die me wat minder interesseert (omdat na alle verrichte studie dat al aanvoelt als de moderne tijd) maar wat wel weer leuk is om te zien, is dat hoe nieuwer het object, hoe slechter van artistieke kwaliteit. De oude romeinse mozaïeken zijn veel fijner en gedetailleerder, de portretten bijvoorbeeld veel waarheidsgetrouwer, na 500 AD beginnen ze steeds meer op cartoons te lijken. Ik word getroffen door een kleine stele met een nogal rudimentair mannetje erop met twee schaapjes, waarvan de romeinse tekst luidt: “Funerary stele of Marcus Licinius Fidelis from Lyon, who served as a cavalryman in the IIIrd Augusta Legio for 16 years and was buried at the age of 32. 1st century AD (before the year 75). Limestone. Ammaedara, Haïdra.” Waar de jonge Marcus aan dood is gegaan staat er niet bij. Stel je voor, op je 16e in dienst bij het Romeinse leger en vanuit Frankrijk wie weet waar heen gestuurd worden, om terecht te komen in Noord-Afrika en daar 16 jaar later te sterven. Er naast staan drie steles uit de eerste eeuw met teksten in Fenicisch schrift, en dat wist ik dan weer niet: dat dat schrift in die tijd nog gebruikt werd! (Achteraf bleek dit Tifinagh te zijn. Een vroeg schrift van de Touareg, dat heel erg op Fenicisch lijkt, en daar ook uit voort is gekomen.) Van de gids van een groepje Franse toeristen die ik even sta af te luisteren, hoor ik dat hier de Mona Lisa van het Bardo staat: een mozaïek met de enige bekende afbeelding van Vergilius ter wereld. Zo schuim ik de hele benedenetage af en loop naar boven waar een tijdelijke tentoonstelling staat over… Salammbo en Flaubert! Da’s mooi, nu hoef ik het boek niet meer te lezen.

Niet later dan nodig ga ik onderweg naar Sidi Bou Saïd, wat me door elke Tunesiër is aanbevolen dus op het fomo-lijstje staat. En inderdaad, het is echt wel schattig. Een historische wijk boven het oude Carthago, eigenlijk een medina van Grieks wit-blauwe kronkelige straatjes met winkeltjes. Op de heuvel, aan het eind een prachtig uitzicht over de Golf van Tunis. Alleen, het hoofdstraatje is natuurlijk een complete tourist trap. Wat jammer is, want ik wilde hier wat spulletjes kopen, maar op de parkeerplaats die omrand is met kraampjes wordt er al van alle kanten in alle talen naar me geschreeuwd dat ik moet komen, alléén even kijken, nee ik heb hier iets héél bijzonders, één minuutje maar! Sommige verkopers lopen een stuk achter me aan. Ik merk dat de beste tactiek is om te zeggen dat ik een rendez-vous heb of dat ik het déja acheté heb. Als ik zo langs de eerste rij winkeltjes loop valt mijn oog op de talloze kleine toeristische mozaïekjes. Afbeeldingen in alle vormen en maten van dieren, appels, godinnen en…. olijfbomen. En wel exact dezelfde als die Skander me liet zien en die naast zijn zwembad hangen! Maláka, jij kleine mooiprater! Ineens trek ik dat hele antieke rariteitenkabinet in twijfel. 500 jaar oud… je moeder! Ik koop er voor mezelf ook maar eentje, als een leuke reminder hoe goedgelovig en naïef ik ben, en die kan mooi dienen als onderzetter. Ook val ik voor een nogal stoffige prachtige ketting met rode kraaltjes en een tazerzit (berber symbool) hanger die niet van zilver is. Hetzelfde symbool dat je in zwarte noppen terugziet op deuren van de medina’s en ook op de deur van mijn slaapkamer. Dáár ben ik echt blij mee, het is het mooiste kleine dingetje dat ik tegen ben gekomen, precies tijdens de ezan, waardoor ik het mannetje niet wilde storen dat met ogen dicht en een koptelefoon op bij zijn kraampje zat, zodat ik maar aan de buurman vroeg of ik hem wel kon storen. Wel een héle dag heb ik hem gedragen en er plezier van gehad, voordat ik hem verloor.

Ik vind ook een artistiek winkeltje waar het iets rustiger is en ik kan hier zonder opdringerige verkoper toch wat leuke handgemaakte niet-chinese dingen kopen. Op de terugwandeling eet ik een beignet, die een kruising is tussen een tulumba en een grote donut, en echt heerlijk is. Op het terrasje, onder de bomen, het eerste en énige terrasje dat ik tot nu toe heb gevonden waar niet alleen maar mannen zitten, wat dan wel weer te danken is aan de toeristen, bestel ik water en koffie, en verdomd, het is nog lekkere koffie ook! Dit is een heerlijk schrijfmomentje. De toeristen trekken aan mijn oog voorbij, ik zie hoe de handelaren pogingen blijven doen om mensen te laten blijven staan. “Wat een bestaan is dat toch”, denk ik. Op weg naar mijn auto zie ik nog wat textiel en laat me verleiden om een tuniek te kopen waar de verkoper 160TD voor wil hebben. Ik maak een gebaar dat dat echt te duur voor me is dus hij vraagt wat ik ervoor wil geven. “60”, zeg ik brutaal. “90”, zegt hij. Ik schud met mijn hoofd, “75”. Hij wil nog naar de 80 maar ik ben er klaar mee en maak aanstalten om weg te lopen. “Okeeokeeokee 75”, zegt hij en ik ga mee naar binnen om af te rekenen. Tegen het mannetje met het pin-apparaat zegt hij iets waarvan ik alleen versta “20%” en ik zie 90 dinar op het apparaat staan. “Non non non”, zeg ik, “ik betaal geen 90!” “Dat is commissie! Dat zijn bankkosten!”, roept hij nijdig. Uiteindelijk kan ik na wat toneelspel toch 75 afrekenen, en als ik bijna de winkel uit ben zegt hij: “Alors vous me donnez quelque chose”, voor speelgoed voor de kinderen. Waar heb ik dat eerder gehoord, met andere woorden geef me gewoon geld. Ik geef die malaka mijn laatste losgeld maar, al had ik liever gewoon geweld gebruikt maar ja, en loop eindelijk naar mijn auto.

Ik hoef alléén nog maar naar Carthago vandaag. En misschíen nog even langs de wijnwinkel, maar die is helaas al dicht vanwege de jumah. Carthago geeft zich ook niet makkelijk gewonnen, want midden in dit gebied staat het presidentiële paleis, en alle straten eromheen zijn afgezet en voorzien van zwaarbewapende militairen, zoals ik merk als ik per ongeluk bijna de parkeerplaats van de president op rijd. “O shit”, denk ik, “nu heb ik een probleem”. Ik word staande gehouden en moet mijn raampje open doen. Een gigantisch automatisch geweer zakt naar beneden en een vriendelijk gezicht kijkt me glimlachend aan. “U mag hier niet zijn”, zegt hij in het frans, “Wilt u even omkeren?”. Helemaal niet stuurs of bars, wat ik soort van verwachtte na de Turkse ervaringen. Ik ga me te buiten aan excuses, wat helemaal niet nodig is want duidelijk toerist, toch vraagt hij: “Vous etes touriste?” want, hij wijst naar de radio die nogal hard staat, u luistert naar die muziek? Ik krijg een grote goedkeurende grijns als ik zeg dat ik graag luister naar les voix tunisiennes, en met een klein zwaaitje kan ik vertrekken. Heel Carthago heb ik verder niet meer gezien los van de glimp vanuit mijn autoraampje. Met als uitzondering de haven, nu niet meer dan een overgroeide sloot, eens de grootste meest invloedrijke haven van het hele middellandse zeegebied en misschien wel de wereld, en daardoor toch heel indrukwekkend.

Ik had in de middag nog even in zee willen zwemmen, wat er heel deze week nog niet van is gekomen, en als ik terug ben is het al schemerig. De hoteleigenaar komt me tegemoet in de gang en ik zeg hem dat ik nog even in zee spring zolang het nog licht is. Snel trek ik mijn badpak aan, en een lange yogabroek en tuniek erover. Maar als ik het strand op kom is het echt al bijna donker, en 30 meter verderop zitten een paar lokale vissers, verder ben ik de enige. Nee, dit gaan we niet doen. Ik ga maar even zitten op mijn handdoek, toch even de nabijheid van de zee voelen, en contact maken met de aarde, en het universum, en mijn ouders. Wat had ik me graag willen onderdompelen. Maar het kan hier gewoon niet. Als ik terugloop zie ik Skander net naar buiten lopen met zijn blik op het strand. Als hij me ziet, draait hij direct weer om. Het lijkt wel alsof hij even wilde controleren of het wel goed ging met me. Ik vraag me af of ik me wel voldoende besef hoe raar het hier is, dat je als vrouw alleen bij zonsondergang gaat zwemmen in zee. Waarschijnlijk niet.

De dag zit er op. Ik eet nog in het hotel dat me verwent met vis en heerlijke pittige salades. Morgen terug naar hotel De Hel. Via een héél grote omweg.