
Wat ik vandaag ga doen wordt al voor me bepaald want ik word wakker met een stampende migraine die zo’n beetje de hele dag bij me blijft. Nee, dat is niet door de wijn want maar twee glaasjes. Eerder door de stampende muziek die tot laat in de avond doorging en nog erger was, want nu had ook het naastgelegen hotel een “entertainment” avond en het leek wel alsof ze ieder steeds hun eigen muziek steeds harder zetten om de ander te overstemmen, waardoor iedereen in een omgeving van een kilometer getrakteerd werd op een melange van Tunesische muziek en Charles Aznavour, Pet Shop Boys en Millie Vanilli, tegelijkertijd. Dit is niet okee. Dit is helemaal niet okee. Dit kan zo niet langer. Ik moet hier weg. Vandaag weggaan daar is geen sprake van gezien de migraine, maar ik informeer bij de balie wel wat een huurauto kost. Geen denken aan dat ik het me nog moeilijk ga maken met het lokale vervoer, ik snak naar vrijheid en stilte. Zestig euro per dag, zegt de meneer, ongeveer twee keer het bedrag dat ik in gedachte had. “Maybe you have a smaller car?”, vraag ik met opgetrokken wenkbrauwen. Hij moet even bellen maar heeft er dan een voor 50€, prima, meteen afrekenen, contant in euro’s. Zo vroeg mogelijk graag. Om 08:00 kan ik hem ophalen. Nu hoef ik het alleen nog uit te houden tot morgenochtend. In bed ga ik op zoek naar een hotel, en dat vind ik, dichter bij Tunis, aan het strand, en toch is er niets omheen. Bij de recensies zegt iemand “The calm”, en ik boek het meteen.
Ik sta de volgende ochtend om stipt 8:00 aan de balie waar niemand iets van mijn reservering af weet, dus ze moeten even bellen. Bel maar, toe maar, het komt wel goed, denk ik, en dat is natuurlijk ook zo. Een gloepend nieuwe Suzuki Swift krijgt ik, en nu moet ik het dus zelf doen, en spontaan ben ik eigenlijk vergeten waarom ik zo aan het aarzelen was om hier een auto te huren en het land in te rijden in m’n eentje als vrouw. Je hebt er allerlei beelden bij, die helemaal niet kloppen, dat deden ze ook niet in Turkije, waarom hier wel? Tuurlijk is het druk en werkt het allemaal net iets anders maar ik blend al snel in en maak me de verkeersregels van het land snel eigen. Richtingaanwijzers: niet gebruiken. De rechter rijstrook: ook niet gebruiken. Gordel: niet nodig. Voorrang: wie het eerst komt. Rotonde: wie het eerste komt. Stoplicht: is meer een richtlijn. Snelheid: daar dus wel op letten want overal staan camera’s. Moeilijk rijden in Tunesië? Het is juist supermakkelijk!
Al snel ben ik Hammamet uit en zit ik op de westelijke provinciale weg naar Zaghouan, wat halverwege Thuburbo Majus bij El Fahs ligt. Het is heerlijk. Radio aan voor de lokale geluiden (Tunesische muziek is echt heel leuk!), beetje om me heen kijken, proberen te beschrijven hoe het land eruit ziet. Dat is nog best lastig. Ik wil eigenlijk vermijden om te zeggen “onbeschrijfelijke puinhoop”, of “wat een bende”, maar truth be told, het is een ongelofelijke bende, vanuit je bevoorrechte ogen. Sowieso alles naast de weg is een vrijplaats om maar alles van je af te flikkeren, en elke plek waar niet een huis staat is een vuilnisbelt. Maar het leeft. Er is muziek, kinderen lopen naar school met rugzakjes, meisjes zonder hoofddoeken staan in hun eentje langs de kant van de weg, wachtend op de louage of de bus naar school, kleine kuddes met schapenhoeders, vrouwen die boodschappen doen, mannen die fruit en groenten langs de weg verkopen, loslopende honden. Ik kom zelfs langs een soort bedoeïenenkamp met lage brede tenten van landbouwplastic en een stuk of twintig kamelen. Het landschap is glooiend, droog, maar groen. Olijfbomen zover het oog reikt. Tunesië is tweede of vierde ter wereld in de productie van olijfolie, afhankelijk of je mijn taxichauffeur of Moncef wilt geloven. Ik rijd en rijd, totdat er nauwelijks meer dorpjes zijn. Ik kan maar niet bepalen of ik nou vind dat dit een Afrikaans landschap is, totdat ik door een gebied kom waar de aarde rood en geel is en er bomen staan die ik alleen ken uit documentaires, en af en toe doet het zó Afrikaans aan dat het me niet zou verbazen als er een giraf de weg over zou steken, of een kudde gnoes. Maar laat ik niet overdrijven want daar moet ik nog 2000 kilometer voor rijden.
In Zaghouan besluit ik er toch maar even op uit te gaan, om even wat extra paracetamol en water te kopen en rond te koekeloeren. Het is zo midden op de ochtend druk met iedereen die boodschappen doet. Zag ik daar niet een oude poort? Ja, midden op straat staat een ‘arc de triomphe’ in de steigers. Ik loop op goed geluk achter de arc de medina in en het is inderdaad weer zo schattig, wit met blauwe huisjes, oude deuren, bloemen, en de geur van geroosterd vlees. Oude mensen groeten me op straat. Het is wel heet. “Ja, Afrika hè”, zegt een vriendin. Maar ook mijn gids zei al dat het heet is voor de tijd van het jaar. Ik maak me een piepklein beetje zorgen over de rest van de dag, want de migraine is bijna maar nog niet helemaal weg, en nu heb ik ook ineens heel erge keelpijn, een snotneus en een licht hoofd. Ik speel zelfs met de gedachte dat als het erger wordt, ik echt niks hoef hè, ik mag zó doorrijden naar mijn nieuwe hotelletje, kan jou die oude steden schelen eigenlijk. Maar toch trekt het. En wat ben ik weer gelukkig eigenlijk, zo los van alles. Trouwens het oorspronkelijke schema had ik toch al losgelaten, want Moncef had gezegd: “Als je Dougga hebt gezien, dan hoef je niet nog eens anderhalf uur door te rijden naar Bulla Regia, alles wat je daar hebt, is mooier in Dougga.” Dus scheelde me drie uur rijden, wat op het eind van de dag heel goed uit zou komen, bleek.
Zo kachelde ik rustig door het prachtige landschap. Het was eigenlijk best een eind rijden, en Thuburbo Majus is pas op de helft van mijn dagtrip. Maar als ik er ben en ik stap de auto uit, valt er voor het eerst een oorverdovende stilte over me heen. Helemaal niets hoor ik, zelfs geen ruisende wind. Dit, in dat glooiende gele landschap, is zo prachtig dat ik, voor ik het terrein op loop even op een muurtje ga zitten met water.
Thuburbo Majus leert me nog iets. De romeinse steden hier lijken veel langer te zijn bewoond dan die ik in Turkije heb gezien. Bovenop en er dwars doorheen zie je verschillende bouwstijlen met verschillende materialen. Niet zodat de hele stad is gesloopt, maar meer dat men zich de plek eigen heeft gemaakt. Sowieso hebben de Afrikaanse Romeinse steden veel meer een lokaal karakter dan de Europese, lees ik. Het is verder niet heel spectaculair, en vooral erg heet, en ik heb mijn water in de auto laten liggen. Mijn hoofd bonst als een dolle maar ik zàl nog even naar het theater lopen, wat niet meer is dan een gat in de grond. Wat wel gek is: witte slakjes. Duizenden witte slakjes knersen onder mijn schoenen, en zitten als bloemen op de stengels van uitgedroogde planten. Nooit zoiets gezien. Onderweg terug naar de auto kom ik twee arbeiders tegen met kruiwagens. Ze knopen even een vriendelijk praatje aan. Zeggen dat de beelden die hier zijn gevonden nu in het Bardo-museum staan. Mooi, want daar wilde ik ook nog naar toe. Na wat verdere beleefdheden zeg ik dat ik doorga, en dan zegt een van de mannen: “Vous me donnez quelque chose”. Ik kijk hem niet begrijpend aan. “Argent”, zegt hij. Voor de geleverde diensten? Dat hij me heeft aangewezen waar ik net ben geweest? Ik ben echt compleet flabbergasted. Maar ik geef ze toch maar uit een soort schaamte 10TD (ong 3€) en loop dan met een grote boog om de andere aanwezige arbeiders heen terug.
Op naar Dougga nu. Ondanks dat ik moe ben, en het zo warm is (jaahaa) besluit ik toch om de scenic route te nemen die onder het Djebal Chehid gebergte heen leidt, om toch maar zoveel mogelijk van het land te kunnen zien, en ook om te voorkomen dat ik twee keer dezelfde route moet rijden, want de afstanden zijn al lang genoeg. Bij het dorpje ‘Nouvelle Dougga’ moet ik van de provinciale weg af en wordt het qua wegen wat meer een uitdaging. In het landschap zie ik af en toe stukken van wat lijkt op een aquaduct staan. Als ik er bijna ben moet ik een slingerend landweggetje op rijden en na een bocht stokt mijn adem letterlijk in mijn keel van het beeld dat ik zie: op de top van een heuvel in de verte steekt een enorme tempel uit. Ik ben nog best een eind weg maar zelfs vanaf hier al is het zicht op de stad -dus- letterlijk adembenemend. Eigenlijk is het dubbel, op dit moment. Ik wil zo graag naar mijn andere hotel, ik voel me zo slecht, het snot loopt me over de wangen, dus ik ben blij dat ik er eindelijk ben, maar ook: wat is het mooi! Vlakbij de ingang zit een restaurant. Ik besluit eerst koffie te gaan drinken inshallah als ze die hebben tenminste.
“Turkish coffee?”, vraagt de meneer. Helemaal goed. Niet ga ik zitten of de meneer zet keiharde muziek aan. Dat is jammer. Erg jammer. Ik loop naar binnen om te vragen of het wat zachter mag, en dat doet hij, maar ik ben inmiddels allergisch voor alles dus ik doe niet langer dan nodig over die toch echt heerlijke koffie en ga lopen. Halverwege de oude stad kom ik erachter dat ik wéér mijn water vergeten ben. Mijn hoofd bonst. Het is heet. Teruglopen? Nee, ik ben hier maar een uurtje, ik overleef het wel. Ik tijger bijna het hele terrein af. Bij de tempel van Selene doe ik voor de zekerheid een klein gebedje en ik neem een steentje mee van de grond. Ook hier zie ik sporen van andere bewoning dan de Romeinen. Muren die zijn opgetrokken van stenen en puin die niet bij elkaar passen, bijvoorbeeld met afgebroken Romeinse teksten afgewisseld met stenen van een andere kleur. Er is een bestwel groot theater met 27 rijen waarvan het podium ook nog voor een groot deel overeind staat. Even sta ik midden op het podium te kijken naar waar ooit een paar honderd mensen hebben gezeten. Ik kan hier ook allerlei kleine lage gangetjes in lopen die er onder door lopen. Terwijl ik een foto probeer te maken van de grote tempel komt er weer zo’n meneertje naar me toe lopen, en zegt dat ik beter dáár een foto kan maken, onder die boog door. Ik voel hem al weer aan komen en zeg dankjewel en negeer hem verder. Hij blijft gewoon staan kijken naar wat ik doe en loop zo’n beetje achter me aan als ik weg loop. Ik loop vlak langs twee duitsers en doe alsof ik daar ergens een foto maak, in de hoop dat hij daaraan blijf kleven en ik verder kan, en dat lukt. Teruggekomen bij de parkeerplaats knikt de aanwezige beambte vriendelijk naar me. “J’ai bien gardé votre voiture”, zegt hij. “Ah, merci”, zeg ik en open mijn auto. Hij blijft me een beetje nakijken. “O, nu moet ik hem zeker ook weer betalen”, denk ik. Maar inmiddels zit ik al en dat grapje met die tuinmannen in Thuburbo zit me ook nog dwars dus ik doe net of ik het niet begrijp en rij vriendelijk zwaaiend weg. Ik heb er meteen spijt van. Shit, zo gáán de dingen nou een keer hier, en zóveel willen ze nou ook weer niet. Ik voel me meteen een slecht mens. Wat een vrek ben je toch. Trut.
Het is al een uur of vier. Er zou hier nog ergens een olijfgaard moeten zijn met een winkel waar ik olijfolie kan kopen, maar die blijkt dicht te zijn. Kan ik eindelijk weg nu dan? Geïnstalleerd voor de lange rit terug kijkt ik in de spiegel en schrik me rot. Mijn gezicht is paars. Niet rood, nee, paars! Ik ben een Feniciër geworden! Hoe kan dat nou, denk ik. Het grootste deel van de dag in de auto gezeten en als ik buiten was een hoed op gehad, en mijn voorhoofd ziet er óók uit of hij te lang in de Murex heeft gelegen. Moet ik me zorgen maken nu? Ik besluit maar van niet. Even lekker de airco aan en rustig worden.
Ik passeer een paar groentestalletjes langs de weg en besluit even te vragen of ze misschien olijfolie hebben, met mijn paarse hoofd. De twee oude mannetjes die er zitten spreken geen frans dus met handen en voeten en het enige woord dat ik in het berber weet: zitoun, begrijpen ze het en brengen me een fantaflesje met de groene olie. Ik moet 25 dinar betalen. Als ik al weer aan het rijen ben besef ik me dat ik 7€ voor 300ml olijfolie heb betaald. Ik moet glimlachen, dat is karma…
Het is een lange rit, die ook helemaal door Tunis heen leidt, in de spits, en via allerlei omleidingen die niet in Google staan want il y a des traveaux partout en inmiddels ook in het donker. Het hotel ligt in een gebied waarvoor ik ook nog door een bos heen moet. Ik ben flink aan het balen dat het zo laat is geworden, toch weer onderschat hoe groot de afstanden zijn. Stel dat ik ook nog naar Bulla Regia was gereden… blij dat ik dat ik dat niet heb gedaan!
Ik had gezegd tegen de gastheer van Dar El Makam dat ik rond 18-19 er zou zijn, denkende dat wordt een uur of 4-5, maar klokslag 19:00 sta ik voor de poort. Ik word meteen verwelkomd, en als ik binnenkom… een oase. O, dit is onwerkelijk. Wat heb ik hiernaar verlangd. En o, wat is dit voor paleis? Aan de buitenkant zou je het niet zeggen. In het donker reed ik door een vervallen terrein met veel grijs beton en onafgemaakte huizen en bergen afval, maar hier aan het eind, vlakbij het strand, staan grote strakke witte villa’s. Hoe modern het van buiten is, zo traditioneel van binnen. Traditioneel is misschien niet het goede woord want het is nieuw, maar de eigenaar die me nu binnenleidt, vertelt me dat hij al twintig jaar antieke objecten verzamelt en inderdaad, het kan zich meten met een museum. Alle muren worden gesierd door eeuwenoude deuren, de deuren die ik overal in de medina zag, ook in de totaal vervallen huizen die niet meer opgeknapt kunnen worden omdat er geen auto door de straatjes past die de bouwmaterialen kan brengen. Honderden jaren oude deuren loshangend met gaten erin geboord waar een zwaar hangslot doorheen hangt. Hier hangen deuren aan de muur die net zo oud of ouder zijn. De ruimte waar ik binnen kom is een binnentuin met olijfbomen en overal die gekleurde tegeltjes, allemaal verschillende, sommige meer dan 500 jaar oud. Ik ben van de hel teruggekomen, en ben nu in de wachtruimte van de hemel. “Vous avez choisi une bonne chambre”, zegt mijn gasteer, terwijl hij de deur voor me open doet. Het is een hemels grote kamer, helemaal in dezelfde stijl ingericht. Boven het bed prijkt een antieke houten omlijsting. Een deur naar een groot terras dat uitzicht biedt, tussen de huizen door, op zee. Het is heerlijk. “Est-ce que vous voulez prendre le diner chez nous?”, vraagt hij. Maar al te graag! Ik mag zelfs nog even het zwembad in voordat ik me omkleed. En ook het zwembad is helemaal stijlvol ingericht. Marmer en oud hout langs de muren, met kleine mozaïekjes van olijfbomen.
Na een snelle douche in die even zo mooie badkamer, krijg ik in de kleine eetzaal wat de pot schaft: spaghetti a la puttanesca, met een salade van tomaten, olijven (zoooo lekker), komkommer en tonijn. Ik krijg er een groene virgin cocktail bij van iets van munt en citroen. Om wijn vraag ik niet eens meer. Er zijn nog twee andere gasten, een donkere jongeman en een Europees uitziend meisje (nou ja, ze blijkt 30 te zijn) die afwisselend frans en engels met elkaar spreken. Verder is het stil. Morgen krijg ik een kleine tour de la maison, belooft de gastheer, als ik dat wil. Maar eerst slapen. Nee, eerst nog een glaasje wijn die ik had meegebracht, waar ik héél zuinig mee doe zodat ik morgen ook nog wat heb, en wat schrijven op het terras met alleen het geluid van krekels en de zee, en dan heerlijk slapen. Ja, ook dit is karma.
