
Ik dacht dus even snel afscheid te nemen en fijn in mijn auto te springen naar onbekende horizonten maar ik was weer zo dom om niet naar mijn intuïtie te luisteren. Anders dan andere vakanties ben ik op dit moment heel blij om mijn koffer te pakken en op weg te gaan naar het avontuur van de dag, want morgen ga ik al naar huis, en ik snak naar fijne koffie. Als ik op het terras nog een paar regeltjes aan het schrijven ben, wordt mijn aandacht getrokken door een vrouw die vanaf haar balkon naar me staat te roepen. “Je vous envite pour une café chez moi!”, roept ze. O nee toch, denk ik. Ik roep terug dat ik over 10 minuten vertrek. “5 minutes!”, roept ze terug, en dat ze me beneden komt halen. Ik begrijp al weer dat er geen ontkomen aan is, en ik ben ook wel weer nieuwsgierig, dus ik zeg okee, en na de plichtplegingen en afscheid van de hoteleigenaar loop ik richting haar deur, waar ze me opwacht. “Ik zag u gisterenavond op het strand”, zei ze. “Ik heb het mooiste appartement van de hele rij, met uitzicht op zee, ik wil het u graag laten zien”. Het is me volstrekt niet duidelijk waarom, zit ze om een praatje verlegen? Wil ze me iets verkopen? Ik loop achter haar aan naar boven toe, benieuwd naar dat prachtige appartement dat ze me wil laten zien. Haar man is er niet, die komt hier ook niet vaak. Ze woont eigenlijk in Tunis, zegt ze, dit heeft ze er bij. Ze verhuurt het soms ook, en als ik ooit een plek zoek, dan ben ik hier welkom. Het verhaal is een beetje onsamenhangend en ik vraag me ineens af of het wel helemaal goed met haar gaat. (En om eerlijk te zijn: “straks word ik nog gegijzeld!”, maar dat schud ik snel van me af.) We komen binnen en ik zie iets dat lijkt op de binnenkant van een stacaravan. Kale meubels, witte tegels, zalmroze muren, geen gordijnen, dozen en tapijten opgestapeld tegen de muren, de eettafel vol met papieren en borden en bekers. Een schril contrast met waar ik net vandaan kom. “Mooi he?”, zegt ze, terwijl ze een plukje haar achter haar oor veegt. Iets triestigs hangt om haar heen. Inderdaad wel een enorm terras met een heerlijk uitzicht op zee. Witte plastic stoeltjes. “Ga zitten”, zegt ze terwijl ze een stoeltje voor me uitschuift. “Nee nee, j’ai un rendez-vous”, zeg ik, want ik moet de huurauto terugbrengen. Gelukkig snapt ze dat, en babbelend over haar leven leidt ze me langs de fotogalerij terug naar de deur terwijl ik via de foto’s haar hele familie leer kennen. Wat me ineens opvalt als ik zo achter haar aan loopt: die geur. Alcohol! En dit is geen schoonmaakalcohol. Het is 9:00 in de ochtend en mevrouw heeft er duidelijk al een paar op. Alcoholvrij land, tuurlijk, malaka’s!
Afijn al met al tien minuten later ben ik op weg. Ik ga vandaag een fijn stukje rijden, naar Kairouan en naar El Djem en ik twijfel nog even hoe ik zal rijden: over de péage naar El Djem, en dan door het binnenland via Kairouan terug naar Hammamet, of andersom en eerst de landweggetjes doen en dan over de péage terug naar het hotel. Ik besluit het laatste, dan kan ik op weg naar huis lekker het pedaal aanstampen. Ik rijd nog even langs de supermarkt om de olijfolie te halen die ik eigenlijk van de hoteleigenaar zou krijgen, maar die ik niet kreeg, en een overlevingspakketje voor als ik in de woestijn met panne kom te staan (ik weet het ik overdrijf weer schromelijk). Bij de kassa is er wat gedoe met afrekenen omdat de flessen drie voor de prijs van 1 zijn, maar ik er echt maar 1 wil, en dit op de een of andere manier oui non oui non maar niet duidelijk krijg, plotseling allemaal commotie en een chagrijnig mannetje gaat driftig tòch nog 2 flessen voor me halen, en dan laat ik het maar. Per ongeluk zeg ik “Çok güzel” in plaats van “Très gentil” en ineens breekt er een brede glimlach op zijn gezicht en lijkt het alsof hij gaat stralen: “Ah! Cést Türk!” en dan nog vanalles wat ik niet kan verstaan, maar kennelijk ben ik nu goedgekeurd en mag ik weg met m’n drie flessen die ik nooit meer op krijg. Was het maar wijn.
Het eerste stuk is al bijna 150km rijden. Halverwege de snelweg moet ik er af, het land in, het is kaal en droog en in de dorpjes waar ik doorheen kom is het een drukte van jewelste op deze zaterdagochtend. Omdat ik ergens ook nog verkeerd rij kost het me 2 uur om in de heiligste stad van de Maghreb aan te komen. Waarom wilde ik hier naar toe? Omdat A) het in bijna alle guided tours genoemd wordt en B) Paul Klee hier pas echt is begonnen te schilderen, vond hij zelf tenminste. Van de idyllische veelkleurige pracht en praal van zijn schilderijen zie ik weinig terug maar toch, het is een magnifiek gezicht: midden in de ‘moderne’ stad een hermetisch gesloten uitziende goudgele muur van ongeveer 2,5km die de zéker 1500 jaar oude medina omsluit, en die de vierde of tweede heiligste stad ter wereld is voor de moslims (verschillende ongevraagde meelopers vertellen me verschillende verhalen). Het is nog best lastig om de vroegere geschiedenis te achterhalen, want de islam heeft die gekaapt: alles vóór het jaar 670 is natuurlijk niet belangrijk, terwijl ik hier toch duidelijk romeinse pilaren zie. Wat dieper speurwerk levert op dat het inderdaad een byzantijnse plaats was, genaamd Kamouinia, verder niet een heel significante plaats, maar toch een bolwerk dat door de Arabieren gretig werd ingenomen. Ik rijd om de halve stad heen op zoek naar een parkeerplaats, de grote touringcars uit de toeristenplaatsen duiden me op een plekje aan de overkant van de weg, maar als ik sta te wachten om naar de overkant te rijden, komt er een schriele jongeman pal voor mijn auto staan zwaaien dat ik hier zó de medina in kan rijden en hier kan parkeren. Het lijkt me nogal onwaarschijnlijk, dat ik hier zomaar in mag als een olifant in een porseleinkast met die Suzuki, maar ik doe het tòch, wat me natuurlijk weer duur komt te staan, want het mannetje rent meteen achter me aan en blijft ook aan me kleven als ik de medina verder in wil lopen. “You should go this way”, zegt hij, één arm naar mij uitstekend en de andere naar de kant waar ik kennelijk heen moet. “This way is straight to the great mosque”, zegt hij en loopt alvast een stukje voor me uit. Als hij in de gaten krijgt dat ik een andere kant op loop, keert hij om en rent weer naar me toe. “Thank you, I like to walk alone”, zeg ik. “But it’s really difficult, I’m a cultural tourism student, I’m not a guide”, probeert hij, en het is nog knap moeilijk om hem van me af te schudden. Dat heeft ook totaal geen zin want één straat verder staat weer een ànder mannetje dat mij per sé naar the great mosque wil brengen. “Thank you, I would really like to walk alone”, zeg ik een paar keer. “No no no”, zegt hij, “it’s not a problem, I’m not a guide, it’s just my pleasure. This way!” “Ja, jouw pleasure misschien…”, denk ik, en “hoezo not a problem”. En ook deze schuifelt snel voor me uit, niet eens omkijkend, gewoon er van uitgaande dat ik er wel achter aan loop. Ik wil echter de andere kant op, richting de souk, maar kennelijk is dat niet de bedoeling, ik moet en zal naar de moskee! Een paar keer herhaalt zich dit tafereel: mannetje zegt dat hij me de weg wel laat zien naar de moskee, “het is nog maar een klein stukje!”, ik loop de andere kant op, mannetje rent achter me aan. Na een keer of vijf geeft hij het op. Daarna zijn het de verkopers die staan te roeptoeteren om mijn aandacht. Het is nog moeilijk om het echte oude Kairouan te ontdekken, hier waar het krioelt van de toeristen. Maar als je er een beetje door heen kan kijken is het prachtig: kronkelige smalle witte straatjes waar je helemaal in kan verdwalen want geen rechte pijl op te trekken, en toch voel je niet onveilig want je weet toch dat je op een gegeven moment weer tegen die muur aan loopt. En in die kleine winkeltjes waar binnen nauwelijks verlichting is, verschuilen zich allemaal kleine ateliers, of liever werkplaatsjes, die ik door de open deuren kan bekijken. Er zijn mannen en vrouwen leer aan het snijden, stof aan het weven, deeg aan het kneden, aan het naaien achter oude Singer naaimachines, en in de deuropening staan dan kleine tafeltjes waar de waren staan uitgestald. Helaas ook hier geen gezellige terrasjes die er uitnodigend genoeg uit zien voor een kop Nescafé. Als de zóveelste man me naar de moskee wil brengen, hou ik het voor gezien en ga ik richting auto, waar de eerste jongeman nu op de stoep naast een vriend in de schaduw zit. Hij doet geen moeite om op te staan, gelukkig. “You are a very nice person”, zegt hij. “Thank you, so are you, goodbye”, zeg ik.
Blij dat ik weer iets heb afgecheckt en wat dichter bij het einde van de dag ben, zet ik koers naar El Djem, iets meer dan 70km verderop, richting Monastir, waar ik met de beste wil van de wereld geen energie meer voor op kan brengen. Wat een heerlijke rit weer, met weer een heel ander landschap. Ik moet zelfs een stukje door de woestijn! Niet zo één met grote gele duinen natuurlijk, maar wel zo één waar niets is, een kale vlakte, en verderop een groot zoutmeer.
Ik rijd El Djem binnen vanuit het westen. Hoewel het best een grote plaats is, is er totaal geen hoogbouw. Ik kan mijn ogen eigenlijk bijna niet geloven als ik van deze afstand in de verte iets boven de huizen uit zie steken dat op een amfitheater lijkt. Dat is het niet, toch? Neeeeee. Toch? Dan lijken het weer flatgebouwen te zijn in het centrum. Maar hoe dichter ik bij kom, hoe beter ik de ronde vorm zie, de bogen. Het lijkt wel een ruimteschip, zo out of place, zo onwerkelijk is het contrast met de gebouwen in de directe omgeving. Een kroonjuweel in een te kleine plastic sieradendoos. Steeds dichterbij, wordt het steeds groter. Eerst zie ik het tussen de huizen van de smalle straatjes door, dan draai ik een wat bredere weg op en doemt hij aan het eind van de straat op. Wat een magnifiek gezicht! Het is een van de grootste amfitheaters die er bestaan (de grootse na het colosseum dacht ik), en in een prachtige conditie. Ik maak een foto van het theater en een kameel, en omdat er nu een kameel op staat moet ik ineens een dinar betalen aan het mannetje van de kameel, die die kameel daar natuurlijk niet voor niks heeft neergelegd. Alleen ik hàd geen dinars meer, dus ik liep maar snel weg en voelde me weer een slecht mens. Ik ben inmiddels ketskapot en moet mezelf echt dwingen om te besluiten toch maar het theater in te gaan, en daar heb ik een heel rondje om het theater heen voor nodig, plus langs de pinautomaat, om tot die beslissing te komen. Haal het maar weer uit je tenen, Jen. Ja je bent moe, ja je wilt naar huis, maar je komt hier nooit weer, dus je gáát! Maar wat me uiteindelijk – eerlijk is eerlijk – ècht over de streep trekt is dat er een museumpje bij is, met schone wc’s. En toch blij dat ik het gedaan heb natuurlijk, het is echt wel heel erg mooi. Het was niet druk, de toeristen gingen net vertrekken, de zon stond al laag waardoor de kleuren zacht werden en het geluid ook. Van binnen doet het helemaal enorm aan, ook in de hoogte. Ik zie (in mijn hoofd) om me heen van alle tijden mensen voorbij lopen, in witte en paarse toga’s, in grove wollen broeken, op blote voeten, van riet gevlochten slippers, met fibula’s bijeengebonden mantels, met leren buidels en pomanders hangend aan riemen, en er lopen leeuwen, paarden, kamelen, ezels, varkens en kippen. Op de tribune ga ik even water drinken en moed verzamelen om terug naar het hotel te rijden. Haast heb ik bepaald niet, als ik maar op tijd ben voor de transfer naar het vliegveld om 4:00. Het is meer dat ik nog een best eindje moet rijden. Als ik langs de kameel loop, stop ik even bij het meneertje. Ik geef hem maar gewoon de twee dinars die ik nu wèl heb. Ik krijg een gebaartje van dankbaarheid en ga dan de lange rit langs Monastir en Sousse over de peage beginnen. Muziekje aan en mijn zonden overdenken. En of ik het voor elkaar zal krijgen om met koffer en al een glas wijn mee naar de kamer te krijgen, of dat ik twee keer moet lopen.
Het is al een uur of zeven en donker als ik aan kom. Ik sleep mijn koffer uit de huurauto en lever de sleutel in bij de balie. Gelijk even navragen of ze iets weten van mijn transfer. En ja, hoera, ik sta op een lijst! Om 02:10 word ik al opgehaald! Ik word er helemaal vrolijk van. Het einde is in zicht. Ik gooi mijn koffer in mijn kamer op bed en loop direct weer helemaal terug naar de bar voor een glas wijn. “Waarom ga je ook naar een land waar wijn verboden is”, zegt een vriendin, “Ga volgende keer gewoon lekker naar Frankrijk.” “Of naar Chili”, zeg ik, “Argentinië, Zuid Afrika.” “Nou ja eigenlijk ieder land behalve…” Ook overdenk ik de andere dingen die deze vakantie compleet hadden kunnen maken. Vooral het koffieritueel, op een terrasje met mijn iPad, je kan hier als vrouw niet zomaar op een terrasje gaan zitten, en dat stond dan weer symbool voor allerlei andere dingen die ik hier als vrouw niet kan doen, zoals ‘s avonds in een stad als Tunis fijne restaurants uitzoeken, en zwemmen in zee op een moment dat het mij uitkomt. Nee, niet eens de wijn. Eigenlijk heb ik hier de hele ‘big five’ gemist (koffie, eten, wijn, stilte, zwemmen in zee) en van een big five naar een big zero is wel een heel grote kloof tussen mijn verwachtingen en de werkelijkheid.
Omdat ik zo blij ben dat ik naar huis ga, heb ik er gewoon plezier in dat wanneer ik op het balkon ga zitten schrijven, die teringherrie beneden weer begint. Alsof die de voorpret over het aanstaande vertrek naar huis nòg zoeter maakt. Ik heb verder niet zo heel veel in te pakken, en slapen kan me niet zoveel schelen nu, dus ik loop nog een keer of vier naar beneden voor wijn en zit verder lekker te schrijven, ironisch genoeg voor het eerst met een echt vakantiegevoel. Ik voel de wind van zee en zie de lichtjes van Hammamet en de haven, en eventjes heb ik het gevoel deel uit te maken van de hele wereld van zeevaarders, in hun onrustige bestaan van haven naar haven, van vuurtoren naar vuurtoren, navigerend door de geschiedenis, ’s nachts geleid door de poolster*, verlangend naar huis. Soms kom je ergens waar je de mores niet kent. Waar je prachtige dingen ziet maar het gevoel hebt dat je er nèt niet bij kan, iets houdt je tegen, om echt in de huid te kruipen van het land waar je bent. En dat is jammer, want achter al die belemmeringen ligt een prachtig, timide land, rijk aan historie, vol met mensen, cultuur, olijven en ja, wijngaarden, en andere geheimen die ik helaas niet meer ga ontrafelen. Waarschijnlijk tot niet meer ziens Tunesië. Maar wie weet.


* De Feniciërs waren de eersten die de Kleine Beer gebruikten in de maritieme navigatie. De Grieken die gewend waren de Grote Beer te gebruiken, namen dit van ze over. De Kleine Beer bevat de poolster, waardoor de navigatie nauwkeuriger was.





