Ruimteschip

Ik dacht dus even snel afscheid te nemen en fijn in mijn auto te springen naar onbekende horizonten maar ik was weer zo dom om niet naar mijn intuïtie te luisteren. Anders dan andere vakanties ben ik op dit moment heel blij om mijn koffer te pakken en op weg te gaan naar het avontuur van de dag, want morgen ga ik al naar huis, en ik snak naar fijne koffie. Als ik op het terras nog een paar regeltjes aan het schrijven ben, wordt mijn aandacht getrokken door een vrouw die vanaf haar balkon naar me staat te roepen. “Je vous envite pour une café chez moi!”, roept ze. O nee toch, denk ik. Ik roep terug dat ik over 10 minuten vertrek. “5 minutes!”, roept ze terug, en dat ze me beneden komt halen. Ik begrijp al weer dat er geen ontkomen aan is, en ik ben ook wel weer nieuwsgierig, dus ik zeg okee, en na de plichtplegingen en afscheid van de hoteleigenaar loop ik richting haar deur, waar ze me opwacht. “Ik zag u gisterenavond op het strand”, zei ze. “Ik heb het mooiste appartement van de hele rij, met uitzicht op zee, ik wil het u graag laten zien”. Het is me volstrekt niet duidelijk waarom, zit ze om een praatje verlegen? Wil ze me iets verkopen? Ik loop achter haar aan naar boven toe, benieuwd naar dat prachtige appartement dat ze me wil laten zien. Haar man is er niet, die komt hier ook niet vaak. Ze woont eigenlijk in Tunis, zegt ze, dit heeft ze er bij. Ze verhuurt het soms ook, en als ik ooit een plek zoek, dan ben ik hier welkom. Het verhaal is een beetje onsamenhangend en ik vraag me ineens af of het wel helemaal goed met haar gaat. (En om eerlijk te zijn: “straks word ik nog gegijzeld!”, maar dat schud ik snel van me af.) We komen binnen en ik zie iets dat lijkt op de binnenkant van een stacaravan. Kale meubels, witte tegels, zalmroze muren, geen gordijnen, dozen en tapijten opgestapeld tegen de muren, de eettafel vol met papieren en borden en bekers. Een schril contrast met waar ik net vandaan kom. “Mooi he?”, zegt ze, terwijl ze een plukje haar achter haar oor veegt. Iets triestigs hangt om haar heen. Inderdaad wel een enorm terras met een heerlijk uitzicht op zee. Witte plastic stoeltjes. “Ga zitten”, zegt ze terwijl ze een stoeltje voor me uitschuift. “Nee nee, j’ai un rendez-vous”, zeg ik, want ik moet de huurauto terugbrengen. Gelukkig snapt ze dat, en babbelend over haar leven leidt ze me langs de fotogalerij terug naar de deur terwijl ik via de foto’s haar hele familie leer kennen. Wat me ineens opvalt als ik zo achter haar aan loopt: die geur. Alcohol! En dit is geen schoonmaakalcohol. Het is 9:00 in de ochtend en mevrouw heeft er duidelijk al een paar op. Alcoholvrij land, tuurlijk, malaka’s!

Afijn al met al tien minuten later ben ik op weg. Ik ga vandaag een fijn stukje rijden, naar Kairouan en naar El Djem en ik twijfel nog even hoe ik zal rijden: over de péage naar El Djem, en dan door het binnenland via Kairouan terug naar Hammamet, of andersom en eerst de landweggetjes doen en dan over de péage terug naar het hotel. Ik besluit het laatste, dan kan ik op weg naar huis lekker het pedaal aanstampen. Ik rijd nog even langs de supermarkt om de olijfolie te halen die ik eigenlijk van de hoteleigenaar zou krijgen, maar die ik niet kreeg, en een overlevingspakketje voor als ik in de woestijn met panne kom te staan (ik weet het ik overdrijf weer schromelijk). Bij de kassa is er wat gedoe met afrekenen omdat de flessen drie voor de prijs van 1 zijn, maar ik er echt maar 1 wil, en dit op de een of andere manier oui non oui non maar niet duidelijk krijg, plotseling allemaal commotie en een chagrijnig mannetje gaat driftig tòch nog 2 flessen voor me halen, en dan laat ik het maar. Per ongeluk zeg ik “Çok güzel” in plaats van “Très gentil” en ineens breekt er een brede glimlach op zijn gezicht en lijkt het alsof hij gaat stralen: “Ah! Cést Türk!” en dan nog vanalles wat ik niet kan verstaan, maar kennelijk ben ik nu goedgekeurd en mag ik weg met m’n drie flessen die ik nooit meer op krijg. Was het maar wijn.

Het eerste stuk is al bijna 150km rijden. Halverwege de snelweg moet ik er af, het land in, het is kaal en droog en in de dorpjes waar ik doorheen kom is het een drukte van jewelste op deze zaterdagochtend. Omdat ik ergens ook nog verkeerd rij kost het me 2 uur om in de heiligste stad van de Maghreb aan te komen. Waarom wilde ik hier naar toe? Omdat A) het in bijna alle guided tours genoemd wordt en B) Paul Klee hier pas echt is begonnen te schilderen, vond hij zelf tenminste. Van de idyllische veelkleurige pracht en praal van zijn schilderijen zie ik weinig terug maar toch, het is een magnifiek gezicht: midden in de ‘moderne’ stad een hermetisch gesloten uitziende goudgele muur van ongeveer 2,5km die de zéker 1500 jaar oude medina omsluit, en die de vierde of tweede heiligste stad ter wereld is voor de moslims (verschillende ongevraagde meelopers vertellen me verschillende verhalen). Het is nog best lastig om de vroegere geschiedenis te achterhalen, want de islam heeft die gekaapt: alles vóór het jaar 670 is natuurlijk niet belangrijk, terwijl ik hier toch duidelijk romeinse pilaren zie. Wat dieper speurwerk levert op dat het inderdaad een byzantijnse plaats was, genaamd Kamouinia, verder niet een heel significante plaats, maar toch een bolwerk dat door de Arabieren gretig werd ingenomen. Ik rijd om de halve stad heen op zoek naar een parkeerplaats, de grote touringcars uit de toeristenplaatsen duiden me op een plekje aan de overkant van de weg, maar als ik sta te wachten om naar de overkant te rijden, komt er een schriele jongeman pal voor mijn auto staan zwaaien dat ik hier zó de medina in kan rijden en hier kan parkeren. Het lijkt me nogal onwaarschijnlijk, dat ik hier zomaar in mag als een olifant in een porseleinkast met die Suzuki, maar ik doe het tòch, wat me natuurlijk weer duur komt te staan, want het mannetje rent meteen achter me aan en blijft ook aan me kleven als ik de medina verder in wil lopen. “You should go this way”, zegt hij, één arm naar mij uitstekend en de andere naar de kant waar ik kennelijk heen moet. “This way is straight to the great mosque”, zegt hij en loopt alvast een stukje voor me uit. Als hij in de gaten krijgt dat ik een andere kant op loop, keert hij om en rent weer naar me toe. “Thank you, I like to walk alone”, zeg ik. “But it’s really difficult, I’m a cultural tourism student, I’m not a guide”, probeert hij, en het is nog knap moeilijk om hem van me af te schudden. Dat heeft ook totaal geen zin want één straat verder staat weer een ànder mannetje dat mij per sé naar the great mosque wil brengen. “Thank you, I would really like to walk alone”, zeg ik een paar keer. “No no no”, zegt hij, “it’s not a problem, I’m not a guide, it’s just my pleasure. This way!” “Ja, jouw pleasure misschien…”, denk ik, en “hoezo not a problem”. En ook deze schuifelt snel voor me uit, niet eens omkijkend, gewoon er van uitgaande dat ik er wel achter aan loop. Ik wil echter de andere kant op, richting de souk, maar kennelijk is dat niet de bedoeling, ik moet en zal naar de moskee! Een paar keer herhaalt zich dit tafereel: mannetje zegt dat hij me de weg wel laat zien naar de moskee, “het is nog maar een klein stukje!”, ik loop de andere kant op, mannetje rent achter me aan. Na een keer of vijf geeft hij het op. Daarna zijn het de verkopers die staan te roeptoeteren om mijn aandacht. Het is nog moeilijk om het echte oude Kairouan te ontdekken, hier waar het krioelt van de toeristen. Maar als je er een beetje door heen kan kijken is het prachtig: kronkelige smalle witte straatjes waar je helemaal in kan verdwalen want geen rechte pijl op te trekken, en toch voel je niet onveilig want je weet toch dat je op een gegeven moment weer tegen die muur aan loopt. En in die kleine winkeltjes waar binnen nauwelijks verlichting is, verschuilen zich allemaal kleine ateliers, of liever werkplaatsjes, die ik door de open deuren kan bekijken. Er zijn mannen en vrouwen leer aan het snijden, stof aan het weven, deeg aan het kneden, aan het naaien achter oude Singer naaimachines, en in de deuropening staan dan kleine tafeltjes waar de waren staan uitgestald. Helaas ook hier geen gezellige terrasjes die er uitnodigend genoeg uit zien voor een kop Nescafé. Als de zóveelste man me naar de moskee wil brengen, hou ik het voor gezien en ga ik richting auto, waar de eerste jongeman nu op de stoep naast een vriend in de schaduw zit. Hij doet geen moeite om op te staan, gelukkig. “You are a very nice person”, zegt hij. “Thank you, so are you, goodbye”, zeg ik.

Blij dat ik weer iets heb afgecheckt en wat dichter bij het einde van de dag ben, zet ik koers naar El Djem, iets meer dan 70km verderop, richting Monastir, waar ik met de beste wil van de wereld geen energie meer voor op kan brengen. Wat een heerlijke rit weer, met weer een heel ander landschap. Ik moet zelfs een stukje door de woestijn! Niet zo één met grote gele duinen natuurlijk, maar wel zo één waar niets is, een kale vlakte, en verderop een groot zoutmeer.

Ik rijd El Djem binnen vanuit het westen. Hoewel het best een grote plaats is, is er totaal geen hoogbouw. Ik kan mijn ogen eigenlijk bijna niet geloven als ik van deze afstand in de verte iets boven de huizen uit zie steken dat op een amfitheater lijkt. Dat is het niet, toch? Neeeeee. Toch? Dan lijken het weer flatgebouwen te zijn in het centrum. Maar hoe dichter ik bij kom, hoe beter ik de ronde vorm zie, de bogen. Het lijkt wel een ruimteschip, zo out of place, zo onwerkelijk is het contrast met de gebouwen in de directe omgeving. Een kroonjuweel in een te kleine plastic sieradendoos. Steeds dichterbij, wordt het steeds groter. Eerst zie ik het tussen de huizen van de smalle straatjes door, dan draai ik een wat bredere weg op en doemt hij aan het eind van de straat op. Wat een magnifiek gezicht! Het is een van de grootste amfitheaters die er bestaan (de grootse na het colosseum dacht ik), en in een prachtige conditie. Ik maak een foto van het theater en een kameel, en omdat er nu een kameel op staat moet ik ineens een dinar betalen aan het mannetje van de kameel, die die kameel daar natuurlijk niet voor niks heeft neergelegd. Alleen ik hàd geen dinars meer, dus ik liep maar snel weg en voelde me weer een slecht mens. Ik ben inmiddels ketskapot en moet mezelf echt dwingen om te besluiten toch maar het theater in te gaan, en daar heb ik een heel rondje om het theater heen voor nodig, plus langs de pinautomaat, om tot die beslissing te komen. Haal het maar weer uit je tenen, Jen. Ja je bent moe, ja je wilt naar huis, maar je komt hier nooit weer, dus je gáát! Maar wat me uiteindelijk – eerlijk is eerlijk – ècht over de streep trekt is dat er een museumpje bij is, met schone wc’s. En toch blij dat ik het gedaan heb natuurlijk, het is echt wel heel erg mooi. Het was niet druk, de toeristen gingen net vertrekken, de zon stond al laag waardoor de kleuren zacht werden en het geluid ook. Van binnen doet het helemaal enorm aan, ook in de hoogte. Ik zie (in mijn hoofd) om me heen van alle tijden mensen voorbij lopen, in witte en paarse toga’s, in grove wollen broeken, op blote voeten, van riet gevlochten slippers, met fibula’s bijeengebonden mantels, met leren buidels en pomanders hangend aan riemen, en er lopen leeuwen, paarden, kamelen, ezels, varkens en kippen. Op de tribune ga ik even water drinken en moed verzamelen om terug naar het hotel te rijden. Haast heb ik bepaald niet, als ik maar op tijd ben voor de transfer naar het vliegveld om 4:00. Het is meer dat ik nog een best eindje moet rijden. Als ik langs de kameel loop, stop ik even bij het meneertje. Ik geef hem maar gewoon de twee dinars die ik nu wèl heb. Ik krijg een gebaartje van dankbaarheid en ga dan de lange rit langs Monastir en Sousse over de peage beginnen. Muziekje aan en mijn zonden overdenken. En of ik het voor elkaar zal krijgen om met koffer en al een glas wijn mee naar de kamer te krijgen, of dat ik twee keer moet lopen.

Het is al een uur of zeven en donker als ik aan kom. Ik sleep mijn koffer uit de huurauto en lever de sleutel in bij de balie. Gelijk even navragen of ze iets weten van mijn transfer. En ja, hoera, ik sta op een lijst! Om 02:10 word ik al opgehaald! Ik word er helemaal vrolijk van. Het einde is in zicht. Ik gooi mijn koffer in mijn kamer op bed en loop direct weer helemaal terug naar de bar voor een glas wijn. “Waarom ga je ook naar een land waar wijn verboden is”, zegt een vriendin, “Ga volgende keer gewoon lekker naar Frankrijk.” “Of naar Chili”, zeg ik, “Argentinië, Zuid Afrika.” “Nou ja eigenlijk ieder land behalve…” Ook overdenk ik de andere dingen die deze vakantie compleet hadden kunnen maken. Vooral het koffieritueel, op een terrasje met mijn iPad, je kan hier als vrouw niet zomaar op een terrasje gaan zitten, en dat stond dan weer symbool voor allerlei andere dingen die ik hier als vrouw niet kan doen, zoals ‘s avonds in een stad als Tunis fijne restaurants uitzoeken, en zwemmen in zee op een moment dat het mij uitkomt. Nee, niet eens de wijn. Eigenlijk heb ik hier de hele ‘big five’ gemist (koffie, eten, wijn, stilte, zwemmen in zee) en van een big five naar een big zero is wel een heel grote kloof tussen mijn verwachtingen en de werkelijkheid.

Omdat ik zo blij ben dat ik naar huis ga, heb ik er gewoon plezier in dat wanneer ik op het balkon ga zitten schrijven, die teringherrie beneden weer begint. Alsof die de voorpret over het aanstaande vertrek naar huis nòg zoeter maakt. Ik heb verder niet zo heel veel in te pakken, en slapen kan me niet zoveel schelen nu, dus ik loop nog een keer of vier naar beneden voor wijn en zit verder lekker te schrijven, ironisch genoeg voor het eerst met een echt vakantiegevoel. Ik voel de wind van zee en zie de lichtjes van Hammamet en de haven, en eventjes heb ik het gevoel deel uit te maken van de hele wereld van zeevaarders, in hun onrustige bestaan van haven naar haven, van vuurtoren naar vuurtoren, navigerend door de geschiedenis, ’s nachts geleid door de poolster*, verlangend naar huis. Soms kom je ergens waar je de mores niet kent. Waar je prachtige dingen ziet maar het gevoel hebt dat je er nèt niet bij kan, iets houdt je tegen, om echt in de huid te kruipen van het land waar je bent. En dat is jammer, want achter al die belemmeringen ligt een prachtig, timide land, rijk aan historie, vol met mensen, cultuur, olijven en ja, wijngaarden, en andere geheimen die ik helaas niet meer ga ontrafelen. Waarschijnlijk tot niet meer ziens Tunesië. Maar wie weet.

Tunisia: a generous terroir?

* De Feniciërs waren de eersten die de Kleine Beer gebruikten in de maritieme navigatie. De Grieken die gewend waren de Grote Beer te gebruiken, namen dit van ze over. De Kleine Beer bevat de poolster, waardoor de navigatie nauwkeuriger was.

Salammbô

Ik schrik er van dat het al donderdag is. Dat betekent nog maar drie dagen om èn alles te doen wat nog op mijn lijstje stond inclusief 500 km rijden, èn nog even te genieten en relaxen. Hm, misschien wil ik iets te veel.

Hier wakker worden was heerlijk, en ik was ook niet van plan om ook maar iets te doen, behalve luieren bij het zwembad en schrijven, en nog meer slapen. Ik kreeg een heerlijk ontbijt met een kruidig omelet, fruit, brood en koffie, en kon lekker schrijven, en na het ontbijt nam Skander de hoteleigenaar me mee op de tour door het huis. Elke kamer is bijzonder, en staat vol met objecten met een verhaal en een geschiedenis, spiegels, kamerschermen, tafeltjes, prachtige antieke lampen (een gemaakt met goud en kobalt, “I hope you have a good insurance”). In één van de kamers schrik ik van een kist die hij aanwijst. Dit is precies zo’n kist als wij nu nog in ons ouderlijk huis hebben staan, die mijn vader uit Perzië heeft meegenomen. “This box is more than 500 years old”, zegt Skander, “It’s made of wood and leather and has the same patterns as you see on the doors.” Ik geloof mijn ogen bijna niet. Onze “kist”, “De Kist”, die al langer in ons huis stond dan mijn zus en ik op de wereld, die altijd de bewaarplaats was voor de fotoboeken, kreeg ineens en heel andere betekenis. “We have a chest like this at home”, zeg ik. “You should take very good care of it”, zegt hij. Ik vraag mijn zus om wat foto’s op te sturen. “O yes”, zegt hij als ik ze laat zien, “You see this part? It’s leather, you should treat it with some vaseline.” Nooit geweten dat het leer was, maar ook nooit over nagedacht. Nu ik de verhalen van de deuren van de medina met diezelfde noppen, de Spaanse inquisitie en deze kisten met elkaar verbind, vraag ik me af wat de geschiedenis van die kist eigenlijk is. Hij zal geen duizend jaar oud zijn (toch?), maar alleen al dat mijn vader destijds in Iran al oog had voor zo iets moois, en misschien toen ook door iemand is verteld waarom hij zo bijzonder was, maakt dat ik er ineens heel heel anders naar kijk. Honderduit vertelt Skander me over waar de tegeltjes van gemaakt zijn, hoe hij aan deze tafels is gekomen die gemaakt zijn van de wortels van eucalyptusbomen, hoe de sculpturen met stadsgezichten zijn gemaakt van aangespoeld hout van schepen uit de tweede wereldoorlog en precies weergeven waar hij vandaan komt, het huis van zijn ouders, van zijn grootouders. Bij elk bijzonder ding vraagt hij hoe oud ik denk dat het is. Hij wijst naar het mozaïekje van de olijfboom: raad eens? 100 jaar? 200? Hij schud met zijn hoofd. “How do you even get all these things?”, vraag ik hem. “You can not just buy them”, zegt hij, “You have to know the right people, because this is all cultural heritage.”

De rest van de dag lummelen, schrijven en beetje verder lezen in Asfour (“Tunesië is onbesloten over wie ze is, wat ze wordt. Net als ik.”) en Flaubert’s Salammbo over Carthago waar volstrekt niet doorheen te komen is, maar wat móet, omdat hij de penvriend was van mijn literaire heldin George Sand (“Allons donc faire un tour à Carthage ou ailleurs”, trouwens hun levenslange briefwisseling begon nadat zij hem had gecomplimenteerd met het boek Salammbo). Sorry, ik probeer hier niet pedant te zijn, of misschien ook wel, maar idc, dit is een dagboek.

Toch ging ik er ook nog even uit om de buurt een beetje te verkennen bij daglicht, misschien een koffietentje te vinden (niet gelukt) en wat water en volkorenkoekjes te halen (wel gelukt). Ik weet helemaal niet wat ik verder nog zocht of verwachtte te kunnen vinden, maar ik vond het niet. De dorpjes hier omheen zijn nieuw en grijs, betonnen appartementenblokken in rechte straten die uitkomen op het plein met de moskee en de supermarkt. Cafétjes met alleen maar mannen op het terras. Maar het gaf niet, want ik kon terug naar mijn oase. Ik at ‘s avonds onder de gouden kroonluchter ook weer heerlijk van vers gevangen zeewolf met salade en zat nog laat op mijn terrasje om te schrijven, en toen de elektriciteit uitviel, en Skander me een olielampje kwam brengen, nog even in de loungestoel naar de sterren te kijken.

Ineens was het al weer vrijdagochtend en bij het ontbijt kwam ik in gesprek met het andere stel. Over wat we van Tunesië vonden en wat de plannen waren. Zij zouden na het ontbijt voor drie dagen naar de woestijn vertrekken, en ik naar het Bardo-museum, Sidi Bou Saïd en Carthago. En over hoe vriendelijk de mensen hier zijn, en dat mensen eigenlijk overal wel vriendelijk zijn, “Except the Germans”, zei de Duitse Steffi. “Nooo”, zei ik, “It’s the French who are the real bastards…. O, sorry, I hope you’re not French”, zei ik tegen haar vriend, terwijl ze beiden begonnen te lachen. “Actually I am French”, zei hij, “But you’re right.” Steffi bleek sociologie te hebben gestudeerd, en nu in Malta te werken bij een internetbedrijf ofzoïets, en voor ik wist kwam er (haar vriend was inmiddels vertrokken) een heel gesprek op gang. Over hoe vreselijk deze internettijd is, “Because the abundance of social media, people don’t know how to get real information, real knowledge anymore”, zegt ze, “They categorise every form of authority, whether it be government or science, as liars, and then all of a sudden they believe the earth is flat.” Over hoe we terecht komen in banen waar we eigenlijk helemaal niet voor hebben gekozen, en hoe moeilijk het is om erachter te komen wat je echt wilt, als je thuis nooit gestimuleerd bent om te onderzoeken waar je goed in bent en waar je hart ligt. En over het reizen, en over geen kinderen willen, en in dat half uurtje aan de ontbijttafel knoopten we heel onze levens aan elkaar. Toen ik het echt tijd vond om te vertrekken zei ik: “Steffi, I could talk to you for hours, it was an absolute delight.” “Yesss I think so too!”, zei ze lachend, “Can I give you a hug?” Met een hartelijke omhelzing namen we afscheid.

Onderweg naar het Bardo museum nam ik natuurlijk een verkeerde afslag waardoor ik in het centrum van Tunis terecht kwam, en in plaats van in de stress te schieten had ik er juist lol in om daar te rijden en mijn Suzuki overal tussen te proppen alsof het normaal was. Het Bardo museum is een absolute schatkamer van antieke geschiedenis, zover die schatten niet rond 1796 al zijn geroofd door de Nederlander Jean-Emile Humbert en nu in het Leidsch museum voor oudheden staan. Het is gehuisvest in een oud paleis van een van de Beys, in de 19e eeuw begonnen in een van de voormalige harems. Het Ottomaanse paleis zelf is al een lust voor het oog om door heen te lopen, laat staan de talloze mozaïekvloeren, beelden, steles en gebruiksvoorwerpen uit alle hoeken van Tunesië, zoals Thuburbo Majus, Bulla Regia, Haïdra en Carthago. Heerlijk. En zo lekker koel ook. Ook veel objecten uit de tijd van en na Constantijn, die me wat minder interesseert (omdat na alle verrichte studie dat al aanvoelt als de moderne tijd) maar wat wel weer leuk is om te zien, is dat hoe nieuwer het object, hoe slechter van artistieke kwaliteit. De oude romeinse mozaïeken zijn veel fijner en gedetailleerder, de portretten bijvoorbeeld veel waarheidsgetrouwer, na 500 AD beginnen ze steeds meer op cartoons te lijken. Ik word getroffen door een kleine stele met een nogal rudimentair mannetje erop met twee schaapjes, waarvan de romeinse tekst luidt: “Funerary stele of Marcus Licinius Fidelis from Lyon, who served as a cavalryman in the IIIrd Augusta Legio for 16 years and was buried at the age of 32. 1st century AD (before the year 75). Limestone. Ammaedara, Haïdra.” Waar de jonge Marcus aan dood is gegaan staat er niet bij. Stel je voor, op je 16e in dienst bij het Romeinse leger en vanuit Frankrijk wie weet waar heen gestuurd worden, om terecht te komen in Noord-Afrika en daar 16 jaar later te sterven. Er naast staan drie steles uit de eerste eeuw met teksten in Fenicisch schrift, en dat wist ik dan weer niet: dat dat schrift in die tijd nog gebruikt werd! (Achteraf bleek dit Tifinagh te zijn. Een vroeg schrift van de Touareg, dat heel erg op Fenicisch lijkt, en daar ook uit voort is gekomen.) Van de gids van een groepje Franse toeristen die ik even sta af te luisteren, hoor ik dat hier de Mona Lisa van het Bardo staat: een mozaïek met de enige bekende afbeelding van Vergilius ter wereld. Zo schuim ik de hele benedenetage af en loop naar boven waar een tijdelijke tentoonstelling staat over… Salammbo en Flaubert! Da’s mooi, nu hoef ik het boek niet meer te lezen.

Niet later dan nodig ga ik onderweg naar Sidi Bou Saïd, wat me door elke Tunesiër is aanbevolen dus op het fomo-lijstje staat. En inderdaad, het is echt wel schattig. Een historische wijk boven het oude Carthago, eigenlijk een medina van Grieks wit-blauwe kronkelige straatjes met winkeltjes. Op de heuvel, aan het eind een prachtig uitzicht over de Golf van Tunis. Alleen, het hoofdstraatje is natuurlijk een complete tourist trap. Wat jammer is, want ik wilde hier wat spulletjes kopen, maar op de parkeerplaats die omrand is met kraampjes wordt er al van alle kanten in alle talen naar me geschreeuwd dat ik moet komen, alléén even kijken, nee ik heb hier iets héél bijzonders, één minuutje maar! Sommige verkopers lopen een stuk achter me aan. Ik merk dat de beste tactiek is om te zeggen dat ik een rendez-vous heb of dat ik het déja acheté heb. Als ik zo langs de eerste rij winkeltjes loop valt mijn oog op de talloze kleine toeristische mozaïekjes. Afbeeldingen in alle vormen en maten van dieren, appels, godinnen en…. olijfbomen. En wel exact dezelfde als die Skander me liet zien en die naast zijn zwembad hangen! Maláka, jij kleine mooiprater! Ineens trek ik dat hele antieke rariteitenkabinet in twijfel. 500 jaar oud… je moeder! Ik koop er voor mezelf ook maar eentje, als een leuke reminder hoe goedgelovig en naïef ik ben, en die kan mooi dienen als onderzetter. Ook val ik voor een nogal stoffige prachtige ketting met rode kraaltjes en een tazerzit (berber symbool) hanger die niet van zilver is. Hetzelfde symbool dat je in zwarte noppen terugziet op deuren van de medina’s en ook op de deur van mijn slaapkamer. Dáár ben ik echt blij mee, het is het mooiste kleine dingetje dat ik tegen ben gekomen, precies tijdens de ezan, waardoor ik het mannetje niet wilde storen dat met ogen dicht en een koptelefoon op bij zijn kraampje zat, zodat ik maar aan de buurman vroeg of ik hem wel kon storen. Wel een héle dag heb ik hem gedragen en er plezier van gehad, voordat ik hem verloor.

Ik vind ook een artistiek winkeltje waar het iets rustiger is en ik kan hier zonder opdringerige verkoper toch wat leuke handgemaakte niet-chinese dingen kopen. Op de terugwandeling eet ik een beignet, die een kruising is tussen een tulumba en een grote donut, en echt heerlijk is. Op het terrasje, onder de bomen, het eerste en énige terrasje dat ik tot nu toe heb gevonden waar niet alleen maar mannen zitten, wat dan wel weer te danken is aan de toeristen, bestel ik water en koffie, en verdomd, het is nog lekkere koffie ook! Dit is een heerlijk schrijfmomentje. De toeristen trekken aan mijn oog voorbij, ik zie hoe de handelaren pogingen blijven doen om mensen te laten blijven staan. “Wat een bestaan is dat toch”, denk ik. Op weg naar mijn auto zie ik nog wat textiel en laat me verleiden om een tuniek te kopen waar de verkoper 160TD voor wil hebben. Ik maak een gebaar dat dat echt te duur voor me is dus hij vraagt wat ik ervoor wil geven. “60”, zeg ik brutaal. “90”, zegt hij. Ik schud met mijn hoofd, “75”. Hij wil nog naar de 80 maar ik ben er klaar mee en maak aanstalten om weg te lopen. “Okeeokeeokee 75”, zegt hij en ik ga mee naar binnen om af te rekenen. Tegen het mannetje met het pin-apparaat zegt hij iets waarvan ik alleen versta “20%” en ik zie 90 dinar op het apparaat staan. “Non non non”, zeg ik, “ik betaal geen 90!” “Dat is commissie! Dat zijn bankkosten!”, roept hij nijdig. Uiteindelijk kan ik na wat toneelspel toch 75 afrekenen, en als ik bijna de winkel uit ben zegt hij: “Alors vous me donnez quelque chose”, voor speelgoed voor de kinderen. Waar heb ik dat eerder gehoord, met andere woorden geef me gewoon geld. Ik geef die malaka mijn laatste losgeld maar, al had ik liever gewoon geweld gebruikt maar ja, en loop eindelijk naar mijn auto.

Ik hoef alléén nog maar naar Carthago vandaag. En misschíen nog even langs de wijnwinkel, maar die is helaas al dicht vanwege de jumah. Carthago geeft zich ook niet makkelijk gewonnen, want midden in dit gebied staat het presidentiële paleis, en alle straten eromheen zijn afgezet en voorzien van zwaarbewapende militairen, zoals ik merk als ik per ongeluk bijna de parkeerplaats van de president op rijd. “O shit”, denk ik, “nu heb ik een probleem”. Ik word staande gehouden en moet mijn raampje open doen. Een gigantisch automatisch geweer zakt naar beneden en een vriendelijk gezicht kijkt me glimlachend aan. “U mag hier niet zijn”, zegt hij in het frans, “Wilt u even omkeren?”. Helemaal niet stuurs of bars, wat ik soort van verwachtte na de Turkse ervaringen. Ik ga me te buiten aan excuses, wat helemaal niet nodig is want duidelijk toerist, toch vraagt hij: “Vous etes touriste?” want, hij wijst naar de radio die nogal hard staat, u luistert naar die muziek? Ik krijg een grote goedkeurende grijns als ik zeg dat ik graag luister naar les voix tunisiennes, en met een klein zwaaitje kan ik vertrekken. Heel Carthago heb ik verder niet meer gezien los van de glimp vanuit mijn autoraampje. Met als uitzondering de haven, nu niet meer dan een overgroeide sloot, eens de grootste meest invloedrijke haven van het hele middellandse zeegebied en misschien wel de wereld, en daardoor toch heel indrukwekkend.

Ik had in de middag nog even in zee willen zwemmen, wat er heel deze week nog niet van is gekomen, en als ik terug ben is het al schemerig. De hoteleigenaar komt me tegemoet in de gang en ik zeg hem dat ik nog even in zee spring zolang het nog licht is. Snel trek ik mijn badpak aan, en een lange yogabroek en tuniek erover. Maar als ik het strand op kom is het echt al bijna donker, en 30 meter verderop zitten een paar lokale vissers, verder ben ik de enige. Nee, dit gaan we niet doen. Ik ga maar even zitten op mijn handdoek, toch even de nabijheid van de zee voelen, en contact maken met de aarde, en het universum, en mijn ouders. Wat had ik me graag willen onderdompelen. Maar het kan hier gewoon niet. Als ik terugloop zie ik Skander net naar buiten lopen met zijn blik op het strand. Als hij me ziet, draait hij direct weer om. Het lijkt wel alsof hij even wilde controleren of het wel goed ging met me. Ik vraag me af of ik me wel voldoende besef hoe raar het hier is, dat je als vrouw alleen bij zonsondergang gaat zwemmen in zee. Waarschijnlijk niet.

De dag zit er op. Ik eet nog in het hotel dat me verwent met vis en heerlijke pittige salades. Morgen terug naar hotel De Hel. Via een héél grote omweg.

Karma Makam

Wat ik vandaag ga doen wordt al voor me bepaald want ik word wakker met een stampende migraine die zo’n beetje de hele dag bij me blijft. Nee, dat is niet door de wijn want maar twee glaasjes. Eerder door de stampende muziek die tot laat in de avond doorging en nog erger was, want nu had ook het naastgelegen hotel een “entertainment” avond en het leek wel alsof ze ieder steeds hun eigen muziek steeds harder zetten om de ander te overstemmen, waardoor iedereen in een omgeving van een kilometer getrakteerd werd op een melange van Tunesische muziek en Charles Aznavour, Pet Shop Boys en Millie Vanilli, tegelijkertijd. Dit is niet okee. Dit is helemaal niet okee. Dit kan zo niet langer. Ik moet hier weg. Vandaag weggaan daar is geen sprake van gezien de migraine, maar ik informeer bij de balie wel wat een huurauto kost. Geen denken aan dat ik het me nog moeilijk ga maken met het lokale vervoer, ik snak naar vrijheid en stilte. Zestig euro per dag, zegt de meneer, ongeveer twee keer het bedrag dat ik in gedachte had. “Maybe you have a smaller car?”, vraag ik met opgetrokken wenkbrauwen. Hij moet even bellen maar heeft er dan een voor 50€, prima, meteen afrekenen, contant in euro’s. Zo vroeg mogelijk graag. Om 08:00 kan ik hem ophalen. Nu hoef ik het alleen nog uit te houden tot morgenochtend. In bed ga ik op zoek naar een hotel, en dat vind ik, dichter bij Tunis, aan het strand, en toch is er niets omheen. Bij de recensies zegt iemand “The calm”, en ik boek het meteen.

Ik sta de volgende ochtend om stipt 8:00 aan de balie waar niemand iets van mijn reservering af weet, dus ze moeten even bellen. Bel maar, toe maar, het komt wel goed, denk ik, en dat is natuurlijk ook zo. Een gloepend nieuwe Suzuki Swift krijgt ik, en nu moet ik het dus zelf doen, en spontaan ben ik eigenlijk vergeten waarom ik zo aan het aarzelen was om hier een auto te huren en het land in te rijden in m’n eentje als vrouw. Je hebt er allerlei beelden bij, die helemaal niet kloppen, dat deden ze ook niet in Turkije, waarom hier wel? Tuurlijk is het druk en werkt het allemaal net iets anders maar ik blend al snel in en maak me de verkeersregels van het land snel eigen. Richtingaanwijzers: niet gebruiken. De rechter rijstrook: ook niet gebruiken. Gordel: niet nodig. Voorrang: wie het eerst komt. Rotonde: wie het eerste komt. Stoplicht: is meer een richtlijn. Snelheid: daar dus wel op letten want overal staan camera’s. Moeilijk rijden in Tunesië? Het is juist supermakkelijk!

Al snel ben ik Hammamet uit en zit ik op de westelijke provinciale weg naar Zaghouan, wat halverwege Thuburbo Majus bij El Fahs ligt. Het is heerlijk. Radio aan voor de lokale geluiden (Tunesische muziek is echt heel leuk!), beetje om me heen kijken, proberen te beschrijven hoe het land eruit ziet. Dat is nog best lastig. Ik wil eigenlijk vermijden om te zeggen “onbeschrijfelijke puinhoop”, of “wat een bende”, maar truth be told, het is een ongelofelijke bende, vanuit je bevoorrechte ogen. Sowieso alles naast de weg is een vrijplaats om maar alles van je af te flikkeren, en elke plek waar niet een huis staat is een vuilnisbelt. Maar het leeft. Er is muziek, kinderen lopen naar school met rugzakjes, meisjes zonder hoofddoeken staan in hun eentje langs de kant van de weg, wachtend op de louage of de bus naar school, kleine kuddes met schapenhoeders, vrouwen die boodschappen doen, mannen die fruit en groenten langs de weg verkopen, loslopende honden. Ik kom zelfs langs een soort bedoeïenenkamp met lage brede tenten van landbouwplastic en een stuk of twintig kamelen. Het landschap is glooiend, droog, maar groen. Olijfbomen zover het oog reikt. Tunesië is tweede of vierde ter wereld in de productie van olijfolie, afhankelijk of je mijn taxichauffeur of Moncef wilt geloven. Ik rijd en rijd, totdat er nauwelijks meer dorpjes zijn. Ik kan maar niet bepalen of ik nou vind dat dit een Afrikaans landschap is, totdat ik door een gebied kom waar de aarde rood en geel is en er bomen staan die ik alleen ken uit documentaires, en af en toe doet het zó Afrikaans aan dat het me niet zou verbazen als er een giraf de weg over zou steken, of een kudde gnoes. Maar laat ik niet overdrijven want daar moet ik nog 2000 kilometer voor rijden.

In Zaghouan besluit ik er toch maar even op uit te gaan, om even wat extra paracetamol en water te kopen en rond te koekeloeren. Het is zo midden op de ochtend druk met iedereen die boodschappen doet. Zag ik daar niet een oude poort? Ja, midden op straat staat een ‘arc de triomphe’ in de steigers. Ik loop op goed geluk achter de arc de medina in en het is inderdaad weer zo schattig, wit met blauwe huisjes, oude deuren, bloemen, en de geur van geroosterd vlees. Oude mensen groeten me op straat. Het is wel heet. “Ja, Afrika hè”, zegt een vriendin. Maar ook mijn gids zei al dat het heet is voor de tijd van het jaar. Ik maak me een piepklein beetje zorgen over de rest van de dag, want de migraine is bijna maar nog niet helemaal weg, en nu heb ik ook ineens heel erge keelpijn, een snotneus en een licht hoofd. Ik speel zelfs met de gedachte dat als het erger wordt, ik echt niks hoef hè, ik mag zó doorrijden naar mijn nieuwe hotelletje, kan jou die oude steden schelen eigenlijk. Maar toch trekt het. En wat ben ik weer gelukkig eigenlijk, zo los van alles. Trouwens het oorspronkelijke schema had ik toch al losgelaten, want Moncef had gezegd: “Als je Dougga hebt gezien, dan hoef je niet nog eens anderhalf uur door te rijden naar Bulla Regia, alles wat je daar hebt, is mooier in Dougga.” Dus scheelde me drie uur rijden, wat op het eind van de dag heel goed uit zou komen, bleek.

Zo kachelde ik rustig door het prachtige landschap. Het was eigenlijk best een eind rijden, en Thuburbo Majus is pas op de helft van mijn dagtrip. Maar als ik er ben en ik stap de auto uit, valt er voor het eerst een oorverdovende stilte over me heen. Helemaal niets hoor ik, zelfs geen ruisende wind. Dit, in dat glooiende gele landschap, is zo prachtig dat ik, voor ik het terrein op loop even op een muurtje ga zitten met water.

Thuburbo Majus leert me nog iets. De romeinse steden hier lijken veel langer te zijn bewoond dan die ik in Turkije heb gezien. Bovenop en er dwars doorheen zie je verschillende bouwstijlen met verschillende materialen. Niet zodat de hele stad is gesloopt, maar meer dat men zich de plek eigen heeft gemaakt. Sowieso hebben de Afrikaanse Romeinse steden veel meer een lokaal karakter dan de Europese, lees ik. Het is verder niet heel spectaculair, en vooral erg heet, en ik heb mijn water in de auto laten liggen. Mijn hoofd bonst als een dolle maar ik zàl nog even naar het theater lopen, wat niet meer is dan een gat in de grond. Wat wel gek is: witte slakjes. Duizenden witte slakjes knersen onder mijn schoenen, en zitten als bloemen op de stengels van uitgedroogde planten. Nooit zoiets gezien. Onderweg terug naar de auto kom ik twee arbeiders tegen met kruiwagens. Ze knopen even een vriendelijk praatje aan. Zeggen dat de beelden die hier zijn gevonden nu in het Bardo-museum staan. Mooi, want daar wilde ik ook nog naar toe. Na wat verdere beleefdheden zeg ik dat ik doorga, en dan zegt een van de mannen: “Vous me donnez quelque chose”. Ik kijk hem niet begrijpend aan. “Argent”, zegt hij. Voor de geleverde diensten? Dat hij me heeft aangewezen waar ik net ben geweest? Ik ben echt compleet flabbergasted. Maar ik geef ze toch maar uit een soort schaamte 10TD (ong 3€) en loop dan met een grote boog om de andere aanwezige arbeiders heen terug.

Op naar Dougga nu. Ondanks dat ik moe ben, en het zo warm is (jaahaa) besluit ik toch om de scenic route te nemen die onder het Djebal Chehid gebergte heen leidt, om toch maar zoveel mogelijk van het land te kunnen zien, en ook om te voorkomen dat ik twee keer dezelfde route moet rijden, want de afstanden zijn al lang genoeg. Bij het dorpje ‘Nouvelle Dougga’ moet ik van de provinciale weg af en wordt het qua wegen wat meer een uitdaging. In het landschap zie ik af en toe stukken van wat lijkt op een aquaduct staan. Als ik er bijna ben moet ik een slingerend landweggetje op rijden en na een bocht stokt mijn adem letterlijk in mijn keel van het beeld dat ik zie: op de top van een heuvel in de verte steekt een enorme tempel uit. Ik ben nog best een eind weg maar zelfs vanaf hier al is het zicht op de stad -dus- letterlijk adembenemend. Eigenlijk is het dubbel, op dit moment. Ik wil zo graag naar mijn andere hotel, ik voel me zo slecht, het snot loopt me over de wangen, dus ik ben blij dat ik er eindelijk ben, maar ook: wat is het mooi! Vlakbij de ingang zit een restaurant. Ik besluit eerst koffie te gaan drinken inshallah als ze die hebben tenminste.

“Turkish coffee?”, vraagt de meneer. Helemaal goed. Niet ga ik zitten of de meneer zet keiharde muziek aan. Dat is jammer. Erg jammer. Ik loop naar binnen om te vragen of het wat zachter mag, en dat doet hij, maar ik ben inmiddels allergisch voor alles dus ik doe niet langer dan nodig over die toch echt heerlijke koffie en ga lopen. Halverwege de oude stad kom ik erachter dat ik wéér mijn water vergeten ben. Mijn hoofd bonst. Het is heet. Teruglopen? Nee, ik ben hier maar een uurtje, ik overleef het wel. Ik tijger bijna het hele terrein af. Bij de tempel van Selene doe ik voor de zekerheid een klein gebedje en ik neem een steentje mee van de grond. Ook hier zie ik sporen van andere bewoning dan de Romeinen. Muren die zijn opgetrokken van stenen en puin die niet bij elkaar passen, bijvoorbeeld met afgebroken Romeinse teksten afgewisseld met stenen van een andere kleur. Er is een bestwel groot theater met 27 rijen waarvan het podium ook nog voor een groot deel overeind staat. Even sta ik midden op het podium te kijken naar waar ooit een paar honderd mensen hebben gezeten. Ik kan hier ook allerlei kleine lage gangetjes in lopen die er onder door lopen. Terwijl ik een foto probeer te maken van de grote tempel komt er weer zo’n meneertje naar me toe lopen, en zegt dat ik beter dáár een foto kan maken, onder die boog door. Ik voel hem al weer aan komen en zeg dankjewel en negeer hem verder. Hij blijft gewoon staan kijken naar wat ik doe en loop zo’n beetje achter me aan als ik weg loop. Ik loop vlak langs twee duitsers en doe alsof ik daar ergens een foto maak, in de hoop dat hij daaraan blijf kleven en ik verder kan, en dat lukt. Teruggekomen bij de parkeerplaats knikt de aanwezige beambte vriendelijk naar me. “J’ai bien gardé votre voiture”, zegt hij. “Ah, merci”, zeg ik en open mijn auto. Hij blijft me een beetje nakijken. “O, nu moet ik hem zeker ook weer betalen”, denk ik. Maar inmiddels zit ik al en dat grapje met die tuinmannen in Thuburbo zit me ook nog dwars dus ik doe net of ik het niet begrijp en rij vriendelijk zwaaiend weg. Ik heb er meteen spijt van. Shit, zo gáán de dingen nou een keer hier, en zóveel willen ze nou ook weer niet. Ik voel me meteen een slecht mens. Wat een vrek ben je toch. Trut.

Het is al een uur of vier. Er zou hier nog ergens een olijfgaard moeten zijn met een winkel waar ik olijfolie kan kopen, maar die blijkt dicht te zijn. Kan ik eindelijk weg nu dan? Geïnstalleerd voor de lange rit terug kijkt ik in de spiegel en schrik me rot. Mijn gezicht is paars. Niet rood, nee, paars! Ik ben een Feniciër geworden! Hoe kan dat nou, denk ik. Het grootste deel van de dag in de auto gezeten en als ik buiten was een hoed op gehad, en mijn voorhoofd ziet er óók uit of hij te lang in de Murex heeft gelegen. Moet ik me zorgen maken nu? Ik besluit maar van niet. Even lekker de airco aan en rustig worden.

Ik passeer een paar groentestalletjes langs de weg en besluit even te vragen of ze misschien olijfolie hebben, met mijn paarse hoofd. De twee oude mannetjes die er zitten spreken geen frans dus met handen en voeten en het enige woord dat ik in het berber weet: zitoun, begrijpen ze het en brengen me een fantaflesje met de groene olie. Ik moet 25 dinar betalen. Als ik al weer aan het rijen ben besef ik me dat ik 7€ voor 300ml olijfolie heb betaald. Ik moet glimlachen, dat is karma…

Het is een lange rit, die ook helemaal door Tunis heen leidt, in de spits, en via allerlei omleidingen die niet in Google staan want il y a des traveaux partout en inmiddels ook in het donker. Het hotel ligt in een gebied waarvoor ik ook nog door een bos heen moet. Ik ben flink aan het balen dat het zo laat is geworden, toch weer onderschat hoe groot de afstanden zijn. Stel dat ik ook nog naar Bulla Regia was gereden… blij dat ik dat ik dat niet heb gedaan!

Ik had gezegd tegen de gastheer van Dar El Makam dat ik rond 18-19 er zou zijn, denkende dat wordt een uur of 4-5, maar klokslag 19:00 sta ik voor de poort. Ik word meteen verwelkomd, en als ik binnenkom… een oase. O, dit is onwerkelijk. Wat heb ik hiernaar verlangd. En o, wat is dit voor paleis? Aan de buitenkant zou je het niet zeggen. In het donker reed ik door een vervallen terrein met veel grijs beton en onafgemaakte huizen en bergen afval, maar hier aan het eind, vlakbij het strand, staan grote strakke witte villa’s. Hoe modern het van buiten is, zo traditioneel van binnen. Traditioneel is misschien niet het goede woord want het is nieuw, maar de eigenaar die me nu binnenleidt, vertelt me dat hij al twintig jaar antieke objecten verzamelt en inderdaad, het kan zich meten met een museum. Alle muren worden gesierd door eeuwenoude deuren, de deuren die ik overal in de medina zag, ook in de totaal vervallen huizen die niet meer opgeknapt kunnen worden omdat er geen auto door de straatjes past die de bouwmaterialen kan brengen. Honderden jaren oude deuren loshangend met gaten erin geboord waar een zwaar hangslot doorheen hangt. Hier hangen deuren aan de muur die net zo oud of ouder zijn. De ruimte waar ik binnen kom is een binnentuin met olijfbomen en overal die gekleurde tegeltjes, allemaal verschillende, sommige meer dan 500 jaar oud. Ik ben van de hel teruggekomen, en ben nu in de wachtruimte van de hemel. “Vous avez choisi une bonne chambre”, zegt mijn gasteer, terwijl hij de deur voor me open doet. Het is een hemels grote kamer, helemaal in dezelfde stijl ingericht. Boven het bed prijkt een antieke houten omlijsting. Een deur naar een groot terras dat uitzicht biedt, tussen de huizen door, op zee. Het is heerlijk. “Est-ce que vous voulez prendre le diner chez nous?”, vraagt hij. Maar al te graag! Ik mag zelfs nog even het zwembad in voordat ik me omkleed. En ook het zwembad is helemaal stijlvol ingericht. Marmer en oud hout langs de muren, met kleine mozaïekjes van olijfbomen.

Na een snelle douche in die even zo mooie badkamer, krijg ik in de kleine eetzaal wat de pot schaft: spaghetti a la puttanesca, met een salade van tomaten, olijven (zoooo lekker), komkommer en tonijn. Ik krijg er een groene virgin cocktail bij van iets van munt en citroen. Om wijn vraag ik niet eens meer. Er zijn nog twee andere gasten, een donkere jongeman en een Europees uitziend meisje (nou ja, ze blijkt 30 te zijn) die afwisselend frans en engels met elkaar spreken. Verder is het stil. Morgen krijg ik een kleine tour de la maison, belooft de gastheer, als ik dat wil. Maar eerst slapen. Nee, eerst nog een glaasje wijn die ik had meegebracht, waar ik héél zuinig mee doe zodat ik morgen ook nog wat heb, en wat schrijven op het terras met alleen het geluid van krekels en de zee, en dan heerlijk slapen. Ja, ook dit is karma.

Paarse olifant

“Waar is ie toch?” Vraag ik me honderd keer af. Een tijdje terug had ik hem nog in mijn handen, de kaart die papa me stuurde uit Tunis. Er stond een kameel op, tegen een strak blauwe lucht. Hij had er op geschreven: “Wat dacht je wat?”, maar ik begreep niet wat hij ermee bedoelde. Ging hij nou werkelijk zelf op een kameel zitten? Ik was denk ik 14 of 15, en ik weet nog dat ik gebiologeerd was door de arabische tekst op de kaart zelf en op de postzegel en het stempel. Ik ging driftig aan het vertalen. Zo had ik snel door hoe je de cijfers van 1 tot 10 in het arabisch schreef, maar daar bleef het ook bij. Arabisch bleek toch wel erg lastig. Ik ben een beetje bang dat ik die kaart toch heb weggegooid, wat ik toch wel jammer vind, nu ik zelf naar Tunis vlieg, en straks in zijn voetsporen loop. En niet alleen die van hem, maar ook die van Hannibal, en Hadrianus, en Dido, en Scipio Africanus de jongere, die Carthago uiteindelijk in 146 BC definitief in de as legde.

En als ik Assassins Creed Odyssey zit te spelen, al weken lang elk vrij moment dat ik heb, komt Kassandra terecht in een verfbedrijf, en zegt: “O maláka, that smell! Who knew dye so foul would be so expensive?” Staande tussen bergen Murex-schelpen.

Kleine waarschuwing: de volgende alinea kan je gerust overslaan want is weer een ongecontroleerde historische feitjesdiarree. Hier ga ik me de rest van reis ook schuldig aan maken, ik zeg het maar vast.

Mijn speurwerk voorafgaand aan de reis ging alle kanten op. De oorsprong lag natuurlijk in Turkije, waarvan ik al bezig was de geschiedenis uit te melken van Selcuken tot Ottomanen tot Pontus tot Galaten tot Grieken en Romeinen, maar steeds verder terug in de tijd tot aan Hettieten, een machtig mysterieus volk dat pas rond 1910 werd ontdekt, het enige volk dat het serieus wist op te nemen tegen de Egyptenaren. Ergens kom je dan ook Alexander de Grote tegen, die in Klein Azië in twee of drie veldslagen het Perzische rijk te gronde wist te richten. En toen maar gelijk doorstootte naar de rest van de Levant, en onderweg naar Egypte Tyre (Libanon) maar even meenam, dat een eiland was maar waar hij zijn tijd nam om maar gewoon een dijk aan te leggen om het in te nemen. Waarom was het zo belangrijk? Vanwege de strategische positie. Maar oorspronkelijk was Tyre óók een van de hoofdsteden van de Feniciërs. Feniciërs, wie waren dat eigenlijk. Zo gaat dat dus in mijn hoofd. Dan moet ik ineens weten waar Hannibal eigenlijk die olifanten vandaan haalde (blijkt uit zuidelijker Afrika en ook uit India!). En nu ben ik hier, in Carthago (waar Alexander de Grote nooit is geweest), waar verder niets is terug te vinden van Feniciërs, maar dat maakt niet uit. Maar wat ook bijzonders is, behalve het alfabet dat we in heel het westen aan deze mensen te danken hebben, om maar een klein dingetje te noemen, is dat de Feniciërs eigenlijk helemaal geen volk waren. Ze hadden niet een koning of keizer (het was dus ook geen koninkrijk of keizerrijk), ze deelden niet echt een religie die anders was dan de rest van de wereld en er zijn ook niet echt kenmerken bekend van de vormgeving van potjes en kruikjes en andere gebruiksvoorwerpen. Er was ook geen eigen taal. Er zijn niet eens inhoudelijke geschriften van ze bekend behalve facturen en inventarislijsten. Kortom alles wat een volk een volk maakt, was er eigenlijk niet. Het is dus nogal een wonder dat we überhaupt van deze beschaving weten, ware het niet dat ze wel werden beschreven door àndere volkeren waar we nog wèl geschriften van hebben, en bijvoorbeeld het feit dat de Grieken er toch een naam voor hadden: phoenix, verwijzend naar de kleur paars, zo’n beetje datgene waar de Feniciërs wel uniek in waren: het produceren van de kleur paars. De meest kostbare kleur voor stoffen, voor een gram kleurstof is vijftig kilo Murex-schelpen nodig, en eenieder die in een paars gewaad liep sinds duizend-weetikwat voor Christus, was iemand van aanzien.

Het armbandje van het hotel dat ik nu tot mijn grote gêne om mijn pols draag is ook paars, maar ik heb niet het minste gevoel dat dit me enig aanzien oplevert, eerder het tegenovergestelde en ik heb direct associaties met een enkelband. Ik heb een hotel uitgekozen dat in al mijn behoefte moet voorzien de komende week, zodat, mocht ik me echt nergens toe kunnen zetten, ik in elk geval niet doodga van de honger. Maar ik heb al snel door dat dit hotel ervoor gaat zorgen dat ik veel weg ben, dus dat is goed.

Alleen, het kost me op dit moment nog extreem veel moeite om ook maar mijn hotelkamer te verlaten. Ik ben zo geschrokken van het hotel en de omgeving dat ik die liever helemaal niet meer zie en van ellende lig ik lang liever in foetushouding opgekruld in bed naar mijn ipad te staren. Na aankomst en vanochtend na het ontbijt waagde ik me even buiten het hotelcomplex om een supermarktje te vinden voor wat hapjes en een fles wijn op de kamer, maar al wat ik liep door dit enorme hysterische hotelgebied, geen supermarkt, geen hapjes, geen wijn. Wel schaarsgeklede toeristen gemengd met bijna volledig bedekte arabische toeristen, een pretpark (Carthago-land, je verzint het niet), met neon lampjes verlichte koetsjes die voorzien zijn van een speaker voor de oproep tot het gebed, hier en daar een zeldzaam restaurant (want iedereen eet toch al in het hotel), frituurlucht en hard rijdende taxi’s. Al mijn nachtmerries in één stad bij elkaar. Als ik aan een Nederlands stel vraag of zij misschien een supermarkt in de buurt weten, zegt de vrouw: “Nou, wij zeiden net tegen elkaar, er zijn hier helemaal geen Nederlanders!” “Tadaa, hier ben ik”, zeg ik. Maar ze weten me ook te vertellen dat hier geen supermarkten zijn. En al helemáál geen wijn. Terug op de kamer kreeg ik helemaal de schrik om het hart toen ik zag dat er een glitterend podium werd opgebouwd op de binnenplaats. “O shit”, dacht ik, “entertainment!” En het inferno brak om 20:00 al los en hield niet meer op tot 23:00. Ik weet niet of ik meer schade aan mijn trommelvliezen heb opgelopen door de muziek of door de oordoppen die ik zo hard mogelijk aan stampte en toch niet hielpen. De hel die lawaai heet. Niet te doen gewoon.

En daar komt bij, ik wàs al moe. Zo moe dat ik diep moet graven om me maar te herinneren hoe ik dit ook al weer deed, reizen en mooie plekken zien, want ze zijn toch echt niet vanzelf naar me toe gekomen de afgelopen jaren. Ga ik een taxi nemen of een auto huren, met de bus of de louage, of een combinatie? Ga ik überhaupt wel met een gids door de medina lopen in die hitte meteen op de eerste dag? Ook heb ik werkelijk alle verkeerde kleding meegenomen, bijvoorbeeld maar 1, te dikke, spijkerbroek, en allemaal linnen bloezen, wat veel te heet is. Drie korte broeken die ik hier niet ga dragen, en maar 1 t-shirt.

Mijn drang om te vluchten uit dit hot-hel wint het gelukkig zodat ik wel in beweging móet komen, en ik bestel ‘s ochtends bij de receptie maar meteen een taxi voor vanmiddag. Met vooruitziende blik had ik meteen voor dag 1 al een gids geboekt, want ik zag het al weer gebeuren dat ik anders mijn bed niet uit zou komen. Zo word ik om 13:00 opgehaald. De chauffeur is een jonge gast die zijn talen spreekt. Automatisch begin ik in het Frans, wat ik gek genoeg de hele tijd doe terwijl het hier helemaal niet nodig is want de meeste mensen spreken prima Engels. Hij excuseert zich eerst voor zijn paars-zwarte vinger, hij heeft geprobeerd hem schoon te maken, maar het lukte niet, en nu wil hij hem het liefste afhakken. Ik was even afgeleid denk ik want de betekenis van het verhaal gaat langs me heen. “I’m glad to get out of here” zeg ik tegen hem, “This place is crazy”. “You think THIS place is crazy?”, vraagt hij. “Well yes, did you take a look? There are horse carriages with neon lighting”, zeg ik. De hele weg hoor ik hem zo’n beetje uit over het land, over wijn en olijven, toerisme en geschiedenis, en laat hij me liedjes horen van Tunesische zangers, tijdens het rijden druk op zijn telefoon scrollend naar het volgende nummer. Ondanks zijn leeftijd weet hij me ook nog bestwel veel te vertellen, zelfs over parfum. En ik kan hem ook nog even de les lezen over de Feniciërs en Carthago, en de kleur paars. Al gauw bereiken we de buitenwijken van Tunis. Overal wordt aan de weg gewerkt, wat alleen maar bijdraagt aan de chaos die hier verkeer heet. “So you wanted to see the real Tunisia huh? This is it”, zegt hij een beetje smalend, want hij denkt natuurlijk dat ìk denk, dat hier iedereen op een kameel rijdt en in een tent in de woestijn woont. “Believe me it’s the same everywhere”, zeg ik (elke taxichauffeur ter wereld die klaagt over het verkeer krijgt van mij hetzelfde antwoord). Hij zet me netjes af precies bij de moskee waar de gids me op komt halen om de medina in te gaan.

Dat is Moncef, een tengere man van een jaar of 70 die geboren is in het Andalusische deel van de medina. Moncef geeft me een hand en meteen valt me op dat hij een zwarte vinger heeft. En op het moment dat ik het vraag, weet ik ineens waarvan. “Elections”, bevestigt hij, “we have to put our finger in ink to prevent us from voting twice.” Alhoewel ik weet dat er hier weinig onduidelijkheid is over wie hier de baas is, vraag ik hem toch wat hij vindt van de uitslag, maar een echt antwoord krijg ik niet, al herken ik wel wat narrigheid, maar ik begrijp dat hij zich niet al te expliciet wil uitspreken. “It’s an election, but there is no choice”, zegt hij. Alle oppositie is ook deze keer weer of gevangen gezet, of te onbeduidend om een deuk in een pakje boter te slaan, of op andere wijze uitgeschakeld. Op de muren in de stad zijn rasters voor kieslijsten geverfd, maar er is er maar 1 beplakt. Hij vraagt of ik hier alleen ben, en het valt me op dat het me nu een keer of drie, vier gevraagd is, maar geen enkele keer ervoer ik een soort oordeel, en geen enkele keer werd er dóórgevraagd, waarom dan, wat op andere reizen altijd wel het geval was. Hier in Tunesië: geen oordeel, gewoon een constatering, en door. Heel netjes. Toch zeg ik nu tegen Moncef: “My dad worked here when I was 15 years old .” “I’m sure your dad is very proud of you now”, zegt Moncef, en ineens raakt me dat heel diep.

Inmiddels lopen we door de nauwe straatjes van de wit-met-blauw-en-gele medina. Het is er heerlijk koel. Het ruikt er òf naar kattenpis, òf naar neroli, jasmijn en andere heerlijke spa-geuren. De medina is meer dan 1000 jaar oud en voor een groot deel opgebouwd met bouwmateriaal uit de oude romeinse stad van Carthago, en dat kan je terugzien aan de hoeken van veel huizen die ondersteund worden door romeinse pilaren. Meest kenmerkend zijn de gele deuren met zwarte stippen. De stippen hebben allemaal een betekenis. Wat ik veel terug zie komen zijn davidssterren, christelijke kruizen, vissen en de stippen die Berbervrouwen op hun voorhoofd hebben, ik ben de naam vergeten. Zo’n beetje op elke hoek die een nieuw idyllisch straatje onthult, trekt Moncef mijn telefoon uit mijn handen en staat er op om een foto van me te maken, die ik achteraf natuurlijk weer allemaal verwijder. Alhoewel de straatjes piepklein zijn, gaan achter verschillende deuren ware paleizen schuil. Een van die markante geel-zwarte deuren, van de spa Dar El Jeld, mogen we in lopen. We stappen meteen een diepe frisse oranjebloesemgeur binnen die niet alleen in de wachtruimte hangt maar overal in dit paleis. De binnenplaats is stil en koel en is een frisse groene tuin met overal moderne kunst en artistiek aardewerk. Op de muren kleurige tegeltjes met geometrische motieven die me doen denken aan het Alhambra, maar ook aan Istanbul. De galerij die uitkijkt over de tuin geeft toegang tot de suites. Het hele paleis is nu een spa met hotel, en in de zomer verblijven hier sjeiks uit de emiraten, vertelt Moncef. Overal waar we komen, groet men hem vriendelijk. Kriskras lopen we door het “Turkse deel” van de medina waar vroeger de families van de Bey’s woonden, en steken dan over naar de Andalusische wijk, waar hij zelf vandaan komt. Het was me al opgevallen dat ik de term ‘Andalusisch’ vaak tegen kom. Moncef vertelt me waarom, en ook waarom je al die religies zo vertegenwoordigd ziet in de historische wijken: de Spaanse inquisitie. Deze wijken zijn grotendeels gebouwd rond de tijd dat alle niet-katholieken uit Spanje werden verdreven in de 15e eeuw. Die streken neer op veel plaatsen in Noord-Afrika. Machtig interessant allemaal weer.

Ook had Moncef onthouden dat ik vooral op zoek ben naar Tunesische parfum, en inderdaad duwt hij me in een van die priegelige straatjes een koel winkeltje in, dat iets weg heeft van een middeleeuwse apotheek. De wanden zijn van plafond tot vloer ingericht met kleine flesjes in alle denkbare oriëntaalse vormen. Het ruikt er allicht heerlijk, en alsof hij wel begrijpt dat we hier eventjes zoet zullen zijn, neemt Moncef plaats op een bankje en laat mij over aan de verkoper van Maison du Jasmin. Het is wel een klein beetje ingericht op het toerisme, wat ik ze niet kwalijk neem, want op de toonbank zie ik vooral veel flesjes staan met ‘Poison’, ‘Miss Dior’, ‘Crystal Noir’ enz. Als hij vraag wat mijn favoriete parfum is, kap ik dat meteen maar af, en zeg dat ik niet geïnteresseerd ben in merken, maar juist op zoek ben naar Tunesië. De man lacht en geeft me een knikje, loopt naar achteren (goed teken) en komt terug met een houten doos met allemaal pure parfumolie. De ene nog heerlijker dan de andere. Tunesië is een van de hoofdleveranciers van jasmijn voor de parfumindustrie, dus ik kies in elk geval die, en natuurlijk oranjebloesem, ‘Nuit de Carthage’ (oh!) en witte bougainville (oohh!) die hier overal de straatjes siert. Als we de winkel verlaten merk ik dat ik best moe begin te worden. Blij dat ik de kortste rondleiding heb gekozen.

Natuurlijk eerst nog een bezoek aan de moskee, met een van een winkel geleende hoofddoek, die me ‘heel goed staat’ volgens Moncef. Van daar gaat het rap bergafwaarts, want ik was al moe, maar ik moet nog naar het dak van Tunis waar al die instagram foto’s worden gemaakt, en die pal boven een tapijtwinkel ligt waar ik óók word in geduwd, en waar Moncef óók gaat zitten. “Nee toch”, denk ik, “nu moet ik zeker weer tapijten gaan kopen.” En inderdaad de verkoper begint meteen driftig een verhaal af te steken over de vrouwen die deze tapijten maken, die allemaal uniek zijn en allemaal een verhaal vertellen. Een voor één trekt hij allemaal tapijten van de stapels die hij allemaal openvouwt en voor me op de vloer legt, totdat er een hele berg aan kleurrijke kilims tot over mijn tenen ligt. Met een verwachtingsvolle blik ratelt de verkoper maar door, “We ship them free to Europe too!” Ze zijn mooi, maar ook niet goedkoop, formaat badkamerkleedje iets van €200. Hoe gaan we dit doen. Hoe gaan we deze elephant in the room tekkelen. In geen 200 jaar ben ik van plan om een tapijt te kopen dus het is tijd om een eind te maken aan dit toneelspel. “Let me think about it, maybe I’ll come back later this week”, lijkt me de meest praktische oplossing. “Inshallah”, zegt hij.

De jongen met de taxi staat al te wachten als we terug komen op het oostblokachtige Place de la Kasba. “Jij weet zeker niet een supermarkt hier waar ze wijn verkopen?”, vraag ik hem als we ons in de spits terug begeven naar mijn decadentiekamp. “Yes yes, ofcourse, I will take you there”, zegt hij, “But please don’t tell anyone, because my boss is very religious, I will lose my job.” Ik zeg nog dat hij me niet hoeft te brengen, maar hij wil er niet van horen. Nou, hier een fles wijn kopen is op z’n zachts gezegd niet gezellig gemaakt. We draaien ergens achter een supermarkt een kaal parkeerplaatsje op bij een loods met deuren die voorzien zijn van afgebladderde tralies. Binnen een toonbank over de hele breedte waar vier mannen achter staan die je de wijn geven uit de rekken achter hen. Wil je rood of wit? En dan pakken ze er gewoon een. Ze hebben maar vier soorten maar het lijkt erop dat je daar niet eens uit mag kiezen. Maar het maakt niet uit, het is Tunesische rode wijn, ik neem voor de zekerheid maar twee flessen mee. In een zwart zakje krijg je ze mee want o mijn god stel dat iemand je met wijn over straat ziet lopen. “Because it’s a drug”, zegt de taxi-jongen. Jammer toch eigenlijk dat deze mensen deze duizenden jaren oude traditie ook kwijtraken.

Terug op de kamer neem ik eerst een douche en ga dan op het balkon zitten met een glas Vieux Magon, en man man màn! wat is ie lekker. Ik ben kapot. Het waait hard op het balkon maar het is nog steeds warm en vochtig. De muziek begint al weer pompend de avondlucht te vullen. Ik moet nog gaan eten, maar alles in me verzet zich om mijn kamer te verlaten. Eerste dag overleefd. Wat nu?