Pecorino en parmigiana

Dinsdag
Ik had dus eigenlijk al helemaal geen zin meer. Ik had alles al een beetje uitbestudeerd, dacht ik. En ik zou om 3:45 op moeten staan, ook al geen zin in. En dat hele end rijden naar Charleroi. What was I thinking. Maar ik zal dat hele eind overslaan, ik ben er. En nou nou nou wat zit ik hier lekker op het terrasje van het hotel op kopsteentjes tussen de gigantische olijfbomen bij de ingang van wat eens de Academia degli Arcadi was, hierachter moet een groot park liggen (Janiculum) en onderaan de straat rechts moet het centrum van Trastevere op een paar minuten lopen zijn. Ik heb honger en een tartaartje besteld. Toen ik eindelijk op het vliegveld in de trein was gestapt kreeg ik een soort van rust, even lekker om me heen kijken en een hard oordeel vellen over de toestand van wat ik om me heen zag. Wat een bende. Vervallen stations met afgebrokkelde platforms, vervallen fabrieken, vervallen huizen en werkelijk o-ver-al grafitti. Maar ook veel groen en in de verte bomen die ik niet ken, en cipressen. Ik hou helemaal niet van gedichten maar eentje ken ik er uit mijn hoofd en die ga ik je nu vertellen.

Wij rijden met de trein naar het zuiden
De peppels vallen van ons weg
De molens en de meidoornheg
Die langs de spoorbaan is gelegen

En….
Snelt glanzende de eerste rij
Cipressen aan ons oog voorbij
Gelijk een groep marathonlopers

Met de beste wil van de wereld heb ik me nooit die eerste regel van het tweede couplet kunnen herinneren ook al heb ik hem een paar keer opgezocht en ook weet ik niet meer wie de dichter was, en ik geloof dat het over de Provence ging, niet over Italië, en feitelijk rijd ik naar het oosten en niet naar het zuiden, maar toch vind ik het bij dit landschap passen en schiet het me automatisch te binnen terwijl ik hier zo in dit lokale treintje zit. Dat woord marathonloper valt ineens heel gek uit de toon en past eigenlijk helemaal niet bij de sfeer die die twee middelste regels oproepen, dat paars-oranje beeld van Zuid-Frankrijk. En het heeft eigelijk zelf het ritme van vijf cipressen die voorbij snellen. Geen idee ook waarom me dat gedicht altijd bij is gebleven, behalve dat ik het van een wonderlijk eenvoudige schoonheid vind, ook al is het eigenlijk helemaal niet mooi, maar iets met het ritme ofzo. Afijn.

Na de trein nam ik natuurlijk toch maar een taxi in plaats van de Lime fiets want het was berg òp, bleek, en daar had ik natuurlijk geen zin in, want hartstikke moe. Toen ik op de taxi stond te wachten, werd ik aangesproken door een nogal morsig uitziend stel dat me eerst van top tot teen bekeek, alsof ze daaraan konden zien of ik Engels sprak, en toen aan mij vroeg of ik wist hoe ze met de bus of de tram naar het centrum konden komen. Ik was totaal niet van plan om mijn taxi met ze te delen en ik stond me af te vragen waarom je aan een andere toerist moest vragen hoe ergens te komen, heb je dan je huiswerk niet gedaan. Ik zei: “There on the other side of this square is a bus stop with time-tables, you’ll probably find out more there.” Toen ik met de taxi weg reed, zag ik ze net uít een bus stappen, dus die time-tables hadden ze kennelijk niet gevonden.

De taxichauffeur had ik graag even willen uithoren, hij was verder vriendelijk en sprak gelukkig ook een beetje Engels maar veel kwam er helaas niet niet uit toen ik hem naar zijn nieuwe premier vroeg. ‘Ah Georgia Meloni! Good!’, zei hij, en daar bleef het verder bij.

Na wat overbodige afslagen die ik maar verder door de vingers zag draaiden we na 10 minuten een allerliefst pleintje op met grote bomen en koelte en het hotel tussen een oude stadsmuur en de ingang van dat park. Mijn kamer is fijn en modern en klein en koel met ramen die op het pleintje uitkijken. Ik heb meteen ruzie met de douche die ik niet aan krijg, hij doet gewoon niks, hoe ik er ook aan draai of op druk. Ergernis terwijl ik me aankleed en weer naar beneden loop om Jamal de Indische bellboy om hulp te vragen. De knop moet gewoon schuin omhoog, okee. Ik trek daarna een linnen broek aan en een t-shirtje en op m’n teenslippers ga ik lekker op het pleintje zitten om de reis even van me af te laten vallen en een beetje energie op te doen voor de food tour die ik straks ga doen door de wijk. Heerlijk zit ik daar, ik heb nog ruim de tijd dus ik zit gewoon lekker niks te doen, nou ja, schrijven dus met de eerste romeinse Aperol spritz. Ik kan zelfs nog een half uurtje slapen op de kamer.

Okee we moeten dus verzamelen op de Piazza Mastai, waar, volgens het Latijnse opschrift op de gevel, Pius IX in 1863 een sigarettenfabriek liet bouwen die er uit ziet als een regeringspaleis. Op de Lime fiets ben ik er natuurijk 20 minuten te vroeg dus ik kan lekker even rondlopen en de sfeer proeven. Ik zie dat de kleur hier zwart is, iedereen -van de locals dan- draagt zwarte kleren en jassen ondanks dat het 26 graden is. Allemaal supernetjes, je voelt je meteen weer een toeristische slons in je spijkerbroek met gympen, gelukkig maakt het hier niet zoveel uit tussen de toeristen die allemaal net zo gekleed zijn als ik. Op de bankjes rondom de fontijn beginnen zich wat andere toeristen te verzamelen en ik zoek de gids die hier ook zou moeten zijn met een geel vlaggetje. Dat blijkt natuurlijk na een kwartier toch natuurlijk de jongen te zijn met die gele envelop die hier al een tijdje rondloopt dus ik maak maar meteen even kennis met de anderen uit het kleine groepje dat zich om hem heen verzamelt. Twee leren, vier Amerikanen en een Australische. De 20-jarige student-gids Christiano vertelt dat hij uit Sicilië komt, dus ik heb mooi meteen gespreksstof met hem als we naar ons eerste restaurantje lopen. Hij vraagt waar in Sicilië ik ben geweest en ik zeg: “I drove all over the island but I started in Catania…” “Aaahhh Catania, thats where I’m from, what did you think?”, roept hij uit en ik antwoord naar waarheid dat ik het echt de mooiste stad op het eiland vond. Dus ik heb al meteen weer punten verdiend. Die ben ik ook weer kwijt als ik vertel dat ik ook een food tour heb gedaan in Palermo, want Palermo is natuurlijk de nemesis van Catania, en waag het niet om de arancini van Palermo te vergelijken met de arancini van Rome of Catania, en ik word ook nog even overhoord over wat het verschil dan is, wat ik weet, want die in Catania is amandelvormig met rijst en ragout, en deze is rond met rijst en mozzarella, meer een soort kaassoufflé in de vorm van een grote bitterbal.

Of we wijn lusten. Dat laat ik me geen twee keer zeggen. We slenteren lekker door de wijk Trastevere, die echt wel heel mooi en barok is, het pad kruisend met nonnen en in zwarte soutanes geklede priesters.

Het is verder al met al best gezellig ook al loop ik weer ongemakkelijk te zijn in een groepje, de Ierse mevrouw is zo lief, de halve weg lopen we te kletsen en missen de helft van het verhaal, en ook de Australische vrouw die ook alleen reist vertelt over haar omzwervingen, en met de Amerikanen gaat het over de ‘bad rep’ van Amerikanen maar dit stel is heel leuk, ze zijn net verhuisd van Ohio naar Massachusetts (zal wel, geen idee) en zij is ‘in between jobs’ en wil nooit meer op kantoor werken en hij heeft zijn baan opgezegd om carpenter te worden, terwijl hij eigenijk kok is, en jarenlang heeft gewerkt zonder 1 dag vakantie voor 11 $ per uur. We wandelen verder langs allerlei kleine verrukkelijke tratoriaatjes waar we gevoerd worden met lekkere hapjes, iets van dun gesneden varkensvlees op bruschetta-achtige brood, een soort hachee soep, en natuurlijk pecorino en parmigiana, mijn god wat zijn die lekker. Trouwens nooit het verschil geweten, nu dus wel, namelijk dat pecorino veel zouter is en van schapenmelk is gemaakt en ik nooit meer iets anders over de pasta wil. “O really”, zegt de als een rugbyspeler uitziende Amerikaan, “I didn’t know pecorino came from Italy”, en ik voel een soort slecht leedvermaak in me opkomen maar ik onderdruk de glimlach. De tour eindigt helaas in een gelateria, ik probeer nog te ontsnappen maar helaas houdt Christiano me scherp in de gaten zodat ik tegen heug en meug een ijsje eet, het is wel lekker, as they go objectief gezien, maar gelukkig is dit ook het einde, want ik ben nu echt helemaal af en kapot, dus ik ben blij dat ik iedereen gedag kan zeggen en naar m’n hotel kan lopen. Nog één wijntje doe ik daar, heerlijk achter mijn ipadje in het donker op het terras, onder de terrasverwarming terwijl het nog steeds 23 graden is, en dan slapen als een os.

If you want a rainbow, you have to put up with the rain

Ik kan mezelf maar moeilijk losrukken van mijn telefoon, ipad en vooral de fantastische gids van Georgina Masson over Rome, die ik al in mijn bezit had toen ik op de Bergsingel woonde en misschien wel in Dordrecht, sinds ik afgelopen woensdag in een opwelling een vliegticket naar Rome boekte. Die paarse stergids is 822 pagina’s dik en heeft alle verhuizingen en Marie Kondo acties overleefd, omdat hij zo prachtig is, en ik ooit en steeds maar weer het verlangen had om naar Rome te gaan, maar dat er nooit van was gekomen, en ik begrijp nu waarom. Het is te veel, Rome. Uitstellen, uitstellen. Je zou denken dat als je zo’n honger hebt naar antieke geschiedenis, dat de eerste plek is waar je naar toe zou moeten gaan, maar het tegendeel is juist waar, het is de laatste plek, niet in de zin van Rome en dan sterven (ja ik weet het is Napels en dan sterven, trouwens dat gezegde is er niet omdat Napels zo geweldig was, maar omdat ze het vuilnis niet ophaalden en het er zo smerig was dat je dood zou gaan van de stank) want ik ben nog niet van plan om te sterven, maar (ja deze zin wordt wel heel lang, maar cazzo mene) omdat als je zo’n plaats bezoekt en ook in de tussentijd, je steeds meer kennis opdoet, de tijd altijd te kort is om alles te zien dat je wilt zien, en je dus heel zorgvuldig moet kiezen wàt je wit zien, en daar heel lang over na moet denken. Ik heb maar 3 dagen in Rome, eigenlijk maar 2, belachelijk natuurlijk, maar dat noodzaakt me tegelijkertijd mooi om een thema te kiezen, en dat is gelukt. Eigenlijk twee thema’s: Augustus, en ondergronds Rome of liever, de watervoorziening en de aquaducten. Het voordeel van het kiezen van thema’s is dat je een heleboel dingen meteen links kan laten liggen, zoals het Colosseum en het Forum Romanum en Vaticaanstad (Ok, met als uitzondering de sixtijnse kapel, waar ik ook al een gids voor hebt geboekt om 8:00 uur ‘s ochtends). Het wordt dan ietsje makkelijker om een paar highlights op een dag te kiezen en dan te kijken of je dat kan lopen of dat er vervoer geregeld moet worden en waar je dan eet en naar de wc kan. Uiteindelijk kom je dan toch tot de conclusie dat je teveel hooi op je vork hebt genomen en alsnog de helft afvalt en de twee dagen in een zucht voorbij zijn.

In de afgelopen twee dagen heb ik al weer meer geleerd over het Romeinse rijk dan ooit daarvoor, te beginnen met het feit dat niet Julius Caesar maar Augustus de eerste self-made keizer van Rome was, nooooooooit geweten, want er wàs daarvoor helemaal geen keizer, alleen een potentaat, maar via allerlei politiek gekonkel, slim herverdelen van taken en functies, uitdelen van gunsten, reorganisaties, ‘buiten beter’-acties, interims, talentenprogramma’s, uitbreiden van takenpakketten en toekennen van nieuwe functies daaraan, tadaa, ineens is er een keizerspost beschikbaar en laten we daar nou toevallig een geschikte kandidaat voor in huis hebben. Augustus wordt omschreven als een heerser onder wie de gouden eeuw van Rome ontstond, die stabiliteit en vrede bracht in het Romeinse rijk, al is het zover ik kan beoordelen wel te danken aan zijn meer behoudende doch wel strategische inzet van militaire middelen en het doelgericht uitschakelen van zowel mede- als tegenstanders, dat het zo ver gekomen is. Maar ja, “If you want a rainbow, you have to put up with the rain”, schijnt hij te hebben gezegd. Over zijn weldaden wordt uitgewijd onder andere op de ‘Res Gestae divi Augusti’, waarvan het gek genoeg minder bekende maar meest complete nog bestaande in marmer gebikte exemplaar vandaag de dag nog te vinden in is Ankara, het bestrijkt een hele muur, aan de Sarıbağ Sokak nummer 31. Augustus is een mooi uitgangspunt. Hij kende ook Cicero, die eigenlijk een beetje lafhartig aan de kant van de moordenaars van zijn adoptievader (en oudoom) Julius Caesar had gestaan. Cicero had een droom gehad over een jongeman die het rijk zou verenigen. Toen hij op een dag met Caesar terugkeerde van een of andere heidag en bij aankomst de tiener Octavius ontmoette, zei hij: “Kijk nou, daar hebben de jongen.” Afijn allemaal intriges die ik je voor nu zal besparen. Het is gewoon fijn om een ijkpunt te hebben want als je niet onderlegd bent, wat ik niet ben, is de kaart van de Romeinse heersers een compleet doolhof. Ze heten allemaal anders dan ze eigenlijk heten en ze hebben ook allemaal dezelfde namen, het lijkt wel of er maar tien namen bestonden, Julius, Antonius, Agrippa, Marcus, Nero en nog een paar. In de hele stamboom van 4 generaties tussen Julius Caesar en Augustus zitten al 20 Julius Caesars en 15 Octaviussen (en een paar Octavia’s), en als je niet weet dat Augustus eigenlijk Octavius heette kan je wel ophouden met zoeken. Dus succes daarmee.

Anyway, omslachtig verhaal om te zeggen dat ik dus naar Rome ga, en ik soort-van-ben-voorbereid, maar het loopt vast allemaal anders.