Zodra ik kan

Overal waarschuwen ze je dat je twee dagen moet uittrekken voor het Vatican museum en de Sixtijnse kapel, dus ik was al heel streng voor mezelf geweest om ook hier een keuze te maken en in elk geval de Sixtijnse kapel te zien en misschien nog wat randverschijnselen zoals de stanza van Raphaël. Maar je snapt, het liep toch anders. Twee dagen? Hold my beer. Ik had natuurlijk al een kaartje voor de toegang met een gids, maar ik had een blaar op mijn hiel èn geen koffie gehad en terwijl ik in de rij op het overvolle plein mijn prachtige Georgina Masson stond te lezen, ging de hele zaak me zó geweldig tegen staan, dat ik mezelf voornam me niet aan al die conventie te storen en zodra ik kon aan die groep ging ontsnappen. De drukte was werkelijk enorm, want iederéén is geadviseerd om zo vroeg mogelijk te gaan om ‘de ergste drukte’ te ontlopen, dus iederéén staat om 8:00 uur al voor de ingang te dringen, al dan niet begeleid door een van de tientallen gidsen met gekleurde vlaggetjes. Die van ons had duidelijk óók nog geen koffie gehad en was ons nogal robot-achtig en chagrijnig aan het afwerken door de security heen. Dus toen we eenmaal binnen waren, speerde ik er vandoor. Ik liep door en door, struikelend langs allerlei schilderkunst en 16e eeuwse geografische kaarten van Danti, middeleeuwse Vlaamse tapijten, langs Vasari, Raphaël en Piero della Francesca, mozaïekvloeren en marmeren beelden, langs achteloze Chagalls, Van Goghs en Bacons, langs andere groepjes die allemaal slachtoffer waren van ellenlange uitleg in elke sala, en ik was blij dat me dat bespaard was gebleven. Snelwandelend, bijna rennend langs alle pracht en praal werd mijn ergernis over al deze paapse inhaligheid allengs al maar groter en groter, maar het einde was in zicht, zag ik aan de Ikea-achtige routebordjes (helaas geen short-cuts hier). Ik kwam om 8:54 aan bij een of andere extra kaartcontrole, dus alles moest weer uit de tas, en ik mocht niet verder, want ik mocht pas om 9:05 door die ene deur die geblokkeerd werd door twee security guards, dus ik stond, als enige in die kleine opzichtige barokke sala voor hun neus nog 10 minuten te dralen en mijn 800 pagina’s dikke Georgina Masson te lezen, maar glipte toen met een Amerikaans groepje toch mee naar binnen. Jij kleine rebel, zomaar twee minuten voor tijd naar binnen! Ik rende meteen door naar de Sixtijnse kapel, wat heel gek was, ik dacht, je komt daar door een enorme deur binnen, maar het waren allemaal piepkleine lage gangetjes en een klein deurtje. Meteen werd er geschreeuwd dat ik mijn CAMERA OFF, CAMERA OFF moest doen, okee scusiiiiiii dat ik besta, want je mag natuurlijk niet fotograferen, want dan wel weer heel mooi is. En ik was er. Om allerlei redenen had ik de tranen al weer in mijn ogen staan. Ik ging precies onder de ‘hand van god’ staan. Ik ben er, mama!

Iets meer dan 500 jaar geleden lag Michelangelo daar gedurende vier jaar op zijn rug op een stellage terwijl de verf in zijn ogen druppelde. Zijn opdrachtgever paus Julius II (niet te verwarren met die viespeuk van de Villa Giulia) liep hier in die jaren vanaf 1508 regelmatig te kijken of het al af was, en als hij dan aan de 33-jarige Michelangelo vroeg “Wanneer is het af?”, kreeg hij tot zijn grote ergernis steeds het antwoord “Zodra ik kan”. Dat was zo’n beetje het enige commentaar dat Michelangelo gaf. Toen hij in 1512 die vraag weer eens stelde en Michelangelo zei “Zodra ik kan”, schreeuwde Julius: “Moet ik je van die steiger laten gooien?!” Ook Bramante en Raphaël hebben hier gelopen en het werk half af gezien. De twee keer zo oude Bramante die een spuughekel aan Michelangelo had, had een sleutel van de kapel, en die gnieperd liet in de zomer van 1511 het half-afgemaakte werk van Michelangelo aan Raphaël zien, die toen bezig was met het privé-vertrek van Julius II, en om welke reden dan ook probeerde Raphaël toen een opdracht van Julius af te troggelen om het plafond zelf af te maken. Wonderlijk dat hij die ondanks het ongeduld van Julius toch niet heeft gekregen. Michelangelo werd trouwens al die tijd niet betaald. De paus was namelijk bezig om met goddelijke inspiratie oorlog te voeren tegen Bologna, dus Michelangelo kon nog jarenlang fluiten naar zijn geld. Dus ik stel me zo voor dat hij behoorlijk chagrijnig was, aangezien hij deze opdracht niet eens wìlde, omdat hij niet eens een schilder wàs, en hem überhaupt alleen maar aannam omdat hij eigenlijk in de slipstream een àndere opdracht probeerde te bemachtigen, namelijk een gigantisch grafmonument uitbikken voor die ouwe vrek. Maar om Bramante een hak te zetten maakte hij het zichzelf nòg moeilijker, aangezien de opdracht eigenlijk alleen een middenstuk betrof, maar hij uit zichzelf tegen Julius zei: “Weet je wat, laat mij die 900 vierkante meter van dat hele plafond maar doen”, wat Julius natuurlijk gretig aannam en waar Bramante niet van terug had. Afijn allemaal chagrijn en afgunst en intrige alom, dus ik voel toch een soort spirituele connectie met Michelangelo, het chagrijn drijft ook mij voort in deze afstotelijke vertoning van roomse hebzucht en graaierij (afgunst heb ik niet), maar in de beroemdste kapel ter wereld kom ik even helemaal tot rust. Ik wandel een beetje rond, zit even op de bankjes en probeer al het werk van het celestiale plafond in me op te nemen zodat ik later nog even verder kan lezen over wat ik heb gezien. Het is een heel intieme, kalme ruimte, veel kleiner dan ik dacht, het valt echt wel mee qua drukte hier (gek toch…), en als ik denk dat ik genoeg heb genoten van het werk van deze man, ga ik snel op zoek naar de uitgang, o, wat een genot, hier is het ineens héél stil, ik heb, na 50 minuten, het rustigste plekje van Rome gevonden: de uitgang van de Sixtijnse kapel om 9:25 uur ‘s ochtends. Ik sta dus binnen een uur nog eerder buiten dan de paus naast zijn bed waarschijnlijk. Dat heb ik toch niet heel onverdienstelijk gedaan, vind ik zelf.

Koffie is nu de eerste prio en die vind ik gelukkig twee straten verder op het terras van een rustig cafeetje, niemand is nu koffie aan het drinken want iedereen hier is naar het vaticaan aan het rennen, heerlijk zeg. Ik blijf hier lekker lang zitten met drie cappuccinos en een onwerkelijk lekkere apfelstrudel waar aan tafel een warme vanillesaus overheen wordt geschonken. Wat zit ik hier lekker te schrijven. Daarna besluit ik, voor ik een taxi ga nemen naar m’n hotel, om achterlangs toch nog even te kijken of ik op het Sint Pieterplein kan komen (waarom heet het eigenlijk niet Sint Petrusplein?), dan heb ik dat ook maar gedaan. Daar aangekomen is er natuurlijk niks aan, alleen de zuilengalerij is wel imposant, èn het idee dat hier vlak achter op een klein pleintje waar je niet kan komen en wat nu een soort parkeerplaatsje is, de apostel Petrus net als veel andere vervolgde christenen een vreselijke marteldood is gestorven. (Dat Petrus überhaupt in Rome is geweest wordt historisch betwist, maar vooral vanuit religieuze anti-roomse hoek door lieden die de bijbel gebruiken als de enige historische bron, omdat het daar niet in voorkomt.) De obelisk die nu midden op het sint pieterplein staat, stond (meen ik ergens gelezen te hebben, weet niet zeker) eerst op dàt pleintje, maar schijnt verplaatst te zijn en uiteindelijk door Bernini hier te zijn neergezet. Okee, saillant detail (ik ga toch maar weer even uitwijden), die executie van Petrus vond plaats onder Nero, ongeveer in het jaar 64, hetzelfde jaar als de grote brand van Rome. Het jaar van de dood van Petrus is niet helemaal zeker (64-68 AD), maar de vervolgingen van de christenen, die toen in Rome trouwens ‘die joden’ werden genoemd, begonnen vooral ná die grote brand, omdat de christenen daarvan de schuld kregen, terwijl er ook weer theorieën zijn dat Nero die brand zèlf is gestart omdat hij ruimte wilde creëren voor een nieuw paleis. Afijn, de kans is dus groot dat Petrus (net als wellicht ook Paulus) de grote brand van Rome zelf heeft meegemaakt, wilde ik maar zeggen.

Ik facetime even met mijn moeder, die helemaal niet rooms is, alleen misschien in figuurlijke zin (nee hoor, grapje mama), en het voelt wel bijzonder om haar dit even te kunnen laten zien en ik ben blij dat ik haar even zie en met haar kan babbelen. In de talloze vreselijke souvenirwinkeltjes doe ik lekker even wat schandalige inkopen (in opdracht van mijn moeder een marmeren beeldje van Spinario voor mijn zus) en pak dan de taxi naar het hotel om even te douchen en een beetje te rusten voordat ik aan de rest van de dag begin.

Die dag leidt me te voet naar beneden, het Tiber-eiland over, naar de joodse wijk die hier gewoon het getto heet (antico ghetto ebraico), waar ik een paar dingen wil zien, schilpadfontein, teatro Marcello, de straatjes van de joodse wijk, en ik wil ergens een restaurantje zoeken en koshere gefrituurde artisjok eten. Ik ben echt aan het slenteren, Georgina Masson leidt me langs een paar prachtige plekjes die ik anders nooit had ontdekt, tot onderaan het Teatro Marcello, dat twee jaar voor zijn dood geopend werd door keizer Augustus (en genoemd naar zijn neefje) toen er nog geen 70 jaar sprake was van een Colosseum, en dat waarschijnlijk toen, naast het Pantheon, een van de meest opzienbarende gebouwen van Rome was, aangezien de Romeinen dit soort theaters eerst maar een onzedelijke bedoening vonden, totdat ze het lucratieve perspectief ervan begonnen in te zien. Dit was een van de eerste drie in Rome. Ik vind één steen die een beetje uitsteekt waar ik op ga zitten en lekker ga lezen en wat water drinken. Dan wandel ik de joodse wijk in waar ik uitgebreid rondloop en koop in een antiekwinkeltje een kettinkje met ‘chai’, en ik vind ook een kosher restaurantje met uitzicht op de Portico d’Ottavia (de zus van Augustus, die weer getrouwd was met Marcus Antonius, die op zijn beurt weer een scheve schaats reed met Cleopatra, en daar een paar jaar later ook zelfmoord mee pleegde, je zou er een serie over kunnen maken, o wacht…). Op deze plek was honderden jaren een vismarkt, waar halverwege de 16e eeuw onder lagen visafval de beroemde Hellenistische Medici Venus tevoorschijn moet zijn gekomen die nu in het Uffizi staat. Ja ik schrijf dit allemaal zo op en waarschijnlijk ben je als lezer allang afgehaakt, maar ik vind al die feitjes dus bijzonder wetenswaardig. En Rome is wel één groot knooppunt waar allemaal van die interessante historische roddel samenkomt. Het is ongeveer 16:00, belachelijke tijd om te eten, maar ja, de keuken is kennelijk open, ik heb honger, en bijna niemand eet rond deze tijd dus ik heb weer geluk, met een proseccootje erbij. Eindelijk eet ik die gefrituurde artisjok, man man man wat een genot, en ook een salade met koshere gegrilde kip met truffel en sinaasappel. De dag is al bijna weer voorbij, morgen naar huis, het is nog ietsje te vroeg om terug naar het hotel te gaan, dus ik besluit na wat geslenter om toch nog maar even voor de vorm om het Colosseum heen te fietsen, en dat is uiteindelijk nog best een heel mooi fietstochtje in het ondergaande zonlicht. Verder is het Colosseum gewoon lelijk. Maar ik heb het gezien.

Op dat fijne terras van het hotel drink ik nog lekker een wijntje en zit heerlijk te schrijven, straks koffertje pakken en wat verlang ik naar huis. Wat een rotstad. Zodra ik kan naar huis. Veel te veel toeristen. En toch heb ik wel genoten. Mede dankzij Georgina Masson. Nou, arrivederci ciao ciao dan maar.

De wolf en de splinter

Ik had zo vast en heerlijk geslapen dat ik eigenlijk helemaal niet van plan was om er uit te komen de rest van de dag, maar ik had natuurlijk een kaartje voor het Musei Capitolini om 10:00 uur, dus de wekker ging af om 7:30 zodat ik nog een beetje kon snoezen. Om een uur of 9:00 na het ontbijt op dat lieflijke terras stapte ik op de fiets. Nou, dat is een hoofdstuk apart. Het stikt in deze stad werkelijk van de elektrische fiets- en step-aanbieders en in Rotterdam gebruik ik ook de Lime wel eens, en die hebben ze hier dus ook, niet te geloven op elke hoek van de straat staan er wel een paar dus over het vervoer hoef ik me helemaal geen zorgen te maken, dat wil zeggen dat het beschikbaar is. Het is helemaal tof want op de fiets zie je in korte tijd zoveel meer, maar of het echt tof en verstandig is om hier te gaan fietsen is een ander verhaal want natuurlijk totaal geen fietspaden te bekennen en voor je het weet beland je op een soort snelweg die allemaal tunnels in gaat. Maar goed ik deed het toch, ik wist hoe ik ongeveer moest rijden maar was eigenlijk meer bezig met het ontwijken van al het andere verkeer dan dat ik om me heen kon kijken. Op een gegeven moment dacht ik, toch maar even checken waar ik eigenijk ben, en ik bleek pal naast het Largo Argentina te staan, wat ik toch al even wilde bekijken, dus dat kwam mooi uit, alleen het was helemaal afgezet met doeken omdat het werd gerestaureerd dus feitelijk zag ik er nog weinig van. Dit kleine pleintje met antieke resten is de afgelopen jaren een opvang voor zwerfkatten geweest, en dat was dus niet waarom ik het wilde bezoeken, maar omdat deze totaal vervallen plek de plaats is waar Julius Caesar is vermoord, en ik het compleet onbegrijpelijk vind dat het zo is verwaarloosd en verloederd en niemand er oog voor lijkt te hebben, maar afijn dus nu restauratie. Het heeft iets magisch toch, zo’n plek, met zo’n belangrijke geschiedenis met allemaal intriges en verraad met gigantische consequenties voor de geschiednis van het Romeinse rijk. Een opvangplek voor zwerfkatten. Heel gek.

Daarna was het nog maar een paar honderd meter met doodsverachting naar het plein voor het Musei Capitolini, waar ik die fiets ergens neerzette en verder naar boven ging lopen, over de trappen en het plein die Michelangelo had ontworpen. Bovenaan, voor het Palazzo Senatorio wordt de bezoeker herinnerd aan de twee riviergoden van de Nijl en de Tiber, alleen is die van de Tiber met die nogal fallische Griekse hoorn van overvloed in zijn hand, eigenlijk de god van de Tigris, afkomstig uit de voormalige thermen van Constantijn (die van Constantinopel) van hier vlakbij, en hier na wat omzwervingen door Michelangelo heen gesleept. Als ik het lees in de Georgina ben ik weer even een paar seconden terug naar een zonsondergang in 2018. Wat bestaat mijn leven toch uit merkwaardige cirkeltjes. Het plein stond al vol met toeristen, maar het was nog vroeg dus ik liep even door naar de achterkant van het gebouw, waar je inderdaad een fantastisch uitzicht hebt over het Forum Romanum en in de verte het Colosseum waar ik allemaal niet heen ga.

Eenmaal binnen, merk ik dat de drang al weer een beetje afneemt. Er zijn twee of drie dingen die ik echt graag wil zien, en ik registreer de rest maar half, er moet hier nog veel meer te zien zijn (‘Stervende Galliër’ van de hand van een Griekse beeldhouwer uit Aphrodisias, Aydın) maar ik heb al geen geduld meer vandaag, het is nog geen 12:00 en het is al op. Maar die drie dingen heb ik gezien, een paar van de belangrijkste beelden uit de hele kunstgeschiedenis: de wolf, Medusa en Spinario, het bronzen beeldje van een jongen die een splinter uit zijn voet trekt. (Mijn moeder en zus zagen een exemplaar van dit beeldje in het Prado, en ik in het Uffizi, en de grote vraag was: welke is het origineel? Hoogstwaarschijnlijk zijn ze dat geen van drieën maar is deze de oudste kopie, mogelijk het origineel, omdat hij van brons is en uit de eerste eeuw.) En het gigantische hoofd van Constantijn, dat op de binnenplaats moet staan, naast zijn even gigantische voeten. En eenmaal op de binnenplaats is de toon meteen gezet want ze zijn net die dingen aan het optakelen, er staan allemaal kranen en stellages omheen, er is weer geen foto van te maken, dus ik ga maar door naar de wolf en Spinario, en die staan óók niet waar ze moeten staan namelijk in zaal 8 en 9, dus ik loop lichtelijk in paniek heen en weer tussen de ingang en zaal 8 en 9, en vraag het dan uiteindelijk maar aan een of andere medewerker en die zegt dat ik gewoon de zalen moet volgen en dat het dan goed komt. Dus ik doe dat, en dan kom ik inderdaad terecht in de ronde zaal met het glazen dak, en daar staan ze allemaal, het bronzen beeld van Marcus Aurelius, de wolf, en Spinario, nog een gigantisch bronzen beeld van Constantijn (ze hebben er drie, kennelijk) en nog wat andere fratsen. Alleen het jammere is, van welke hoek je ook een foto wilt maken, en staat altijd een knalblauwe pilaar op. Waarom denken ze daar niet aan? Waarom gewoon niet alles zwart verven zonder reflecterende achtergronden zodat je als toerist óók een beetje een mooie foto kan maken zonder je eigen reflectie erop met je spijkerbroek en sneakers, en blauwe pilaren?

Na dit van mijn lijstje te hebben afgestreept ga ik op zoek naar een stil plekje dat ik vind in een steegje achter een kerkje, om even te bellen met het thuisfront. De rest van de middag vergeet ik eigelijk wat ik wilde doen en loop maar gewoon rond in de oude wijk van Rome, zit een half uurtje op een piepklein pleintje cappuccinos te drinken en te schrijven, en kom daarna al wandelend en passant toch langs het Pantheon, Piazza Navona en Campo di Fiori. Achter het Pantheon zit een mannetje oude koperen potten in stukken te knippen en daar sieraden van te maken. Ik zie een prachtige hanger liggen en dat lijkt me nou net het perfecte souvenir. Hij vraagt met wat gebaren of hij er een ringetje aan moet maken en met allerlei gereedschap maakt hij er ter plekke een ringetje aan. Dit is echt weer heerlijk. Oude mannetjes die dingen maken. Op elk van die pleinen waar ik langsloop, pak ik Georgina Masson er even bij om te kijken of ik geen belangrijke dingen mis, alhoewel ik haar advies om toch beslist even in het Pantheon naar binnen te gaan in de wind sla, gezien de rijen. Ik ben verder lichtelijk besluiteloos, ik zou eigenlijk copieus gaan eten, maar daar heb ik helemaal geen zin meer in, en als ik een fiets zie staan besluit ik om maar meteen naar Villa Giulia te gaan waar het Etruskisch Museum zit. Dat blijkt echt een doodgevaarlijke hellerit te zijn in dat verkeer, die ook nog behoorlijk lang is, veel langer dan ik dacht, op enig moment moet ik de Tiber oversteken, en als ik iets verderop weer naar de andere kant wil dan kan dat niet omdat er ineens paaltjes staan. Ik til die fiets er gewoon overheen, klootzakken, mij krijgen ze niet. De Villa Giulia is echt heerlijk, op een heuvel, koel, er is een grote tuin en schaduw, dat heeft die ouwe viespeuk toch mooi weten te bouwen (er wordt gesuggereerd dat het aan de bouwer van dit optrekje, Paus Julius III met zijn obscene levensstijl te danken is dat het verplichte celibaat werd ingesteld). Ik neem hier even lekker de tijd om bij te komen voordat ik naar binnen ga. Binnen is het ook fantastisch, ik kan wel zeggen het fijnste museum tot nu toe hier in Rome, beroemde Etruskische kunst en weer zoveel om te leren en thuis mee verder te gaan. En, een relatief schone wc.

De stress slaat wel een beetje toe als mijn telefoon bijna leeg is en ik nog terug moet naar Trastevere, waar ik m’n telefoon voor nodig heb want anders een uur lopen. Ik besluit eerst maar een stuk de kant van de Tiber op te lopen en dan een brug over, ik probeer daar ergens een taxi te regelen maar geeneen taxichauffeur heeft kennelijk zin om de rit te accepteren. Dan toch maar een fiets, dat lukt gelukkig wel, maar nu moet ik dus wéér dat verkeer in met die fiets, óók nog helemaal langs het vaticaan wat echt verschrikkelijk is. En dan nog iets, op zowat alle straten liggen dus die kopsteentjes, en dat is niet echt lekker fietsen, maar allá, je bent een Hollandse of niet. Al met al lukt het om thuis te komen. Eventjes douchen en telefoon opladen en eventjes een koffie op het terras en dan toch maar weer naar beneden lopen om te eten, ik ben eigenlijk te moe voor wat dan ook dus het wordt toch eten in Trastevere, met allemaal voetbal types in de straten en ik moet veels te lang wachten maar de rigatoni con coda alla vaccinara (geen idee wat het is maar daarom juist) is echt geweldig lekker. Ik strompel terug naar de hotelkamer met mijn bloedende hielblaar en slaap gelukkig wel weer fantastisch.

Pecorino en parmigiana

Dinsdag
Ik had dus eigenlijk al helemaal geen zin meer. Ik had alles al een beetje uitbestudeerd, dacht ik. En ik zou om 3:45 op moeten staan, ook al geen zin in. En dat hele end rijden naar Charleroi. What was I thinking. Maar ik zal dat hele eind overslaan, ik ben er. En nou nou nou wat zit ik hier lekker op het terrasje van het hotel op kopsteentjes tussen de gigantische olijfbomen bij de ingang van wat eens de Academia degli Arcadi was, hierachter moet een groot park liggen (Janiculum) en onderaan de straat rechts moet het centrum van Trastevere op een paar minuten lopen zijn. Ik heb honger en een tartaartje besteld. Toen ik eindelijk op het vliegveld in de trein was gestapt kreeg ik een soort van rust, even lekker om me heen kijken en een hard oordeel vellen over de toestand van wat ik om me heen zag. Wat een bende. Vervallen stations met afgebrokkelde platforms, vervallen fabrieken, vervallen huizen en werkelijk o-ver-al grafitti. Maar ook veel groen en in de verte bomen die ik niet ken, en cipressen. Ik hou helemaal niet van gedichten maar eentje ken ik er uit mijn hoofd en die ga ik je nu vertellen.

Wij rijden met de trein naar het zuiden
De peppels vallen van ons weg
De molens en de meidoornheg
Die langs de spoorbaan is gelegen

En….
Snelt glanzende de eerste rij
Cipressen aan ons oog voorbij
Gelijk een groep marathonlopers

Met de beste wil van de wereld heb ik me nooit die eerste regel van het tweede couplet kunnen herinneren ook al heb ik hem een paar keer opgezocht en ook weet ik niet meer wie de dichter was, en ik geloof dat het over de Provence ging, niet over Italië, en feitelijk rijd ik naar het oosten en niet naar het zuiden, maar toch vind ik het bij dit landschap passen en schiet het me automatisch te binnen terwijl ik hier zo in dit lokale treintje zit. Dat woord marathonloper valt ineens heel gek uit de toon en past eigenlijk helemaal niet bij de sfeer die die twee middelste regels oproepen, dat paars-oranje beeld van Zuid-Frankrijk. En het heeft eigelijk zelf het ritme van vijf cipressen die voorbij snellen. Geen idee ook waarom me dat gedicht altijd bij is gebleven, behalve dat ik het van een wonderlijk eenvoudige schoonheid vind, ook al is het eigenlijk helemaal niet mooi, maar iets met het ritme ofzo. Afijn.

Na de trein nam ik natuurlijk toch maar een taxi in plaats van de Lime fiets want het was berg òp, bleek, en daar had ik natuurlijk geen zin in, want hartstikke moe. Toen ik op de taxi stond te wachten, werd ik aangesproken door een nogal morsig uitziend stel dat me eerst van top tot teen bekeek, alsof ze daaraan konden zien of ik Engels sprak, en toen aan mij vroeg of ik wist hoe ze met de bus of de tram naar het centrum konden komen. Ik was totaal niet van plan om mijn taxi met ze te delen en ik stond me af te vragen waarom je aan een andere toerist moest vragen hoe ergens te komen, heb je dan je huiswerk niet gedaan. Ik zei: “There on the other side of this square is a bus stop with time-tables, you’ll probably find out more there.” Toen ik met de taxi weg reed, zag ik ze net uít een bus stappen, dus die time-tables hadden ze kennelijk niet gevonden.

De taxichauffeur had ik graag even willen uithoren, hij was verder vriendelijk en sprak gelukkig ook een beetje Engels maar veel kwam er helaas niet niet uit toen ik hem naar zijn nieuwe premier vroeg. ‘Ah Georgia Meloni! Good!’, zei hij, en daar bleef het verder bij.

Na wat overbodige afslagen die ik maar verder door de vingers zag draaiden we na 10 minuten een allerliefst pleintje op met grote bomen en koelte en het hotel tussen een oude stadsmuur en de ingang van dat park. Mijn kamer is fijn en modern en klein en koel met ramen die op het pleintje uitkijken. Ik heb meteen ruzie met de douche die ik niet aan krijg, hij doet gewoon niks, hoe ik er ook aan draai of op druk. Ergernis terwijl ik me aankleed en weer naar beneden loop om Jamal de Indische bellboy om hulp te vragen. De knop moet gewoon schuin omhoog, okee. Ik trek daarna een linnen broek aan en een t-shirtje en op m’n teenslippers ga ik lekker op het pleintje zitten om de reis even van me af te laten vallen en een beetje energie op te doen voor de food tour die ik straks ga doen door de wijk. Heerlijk zit ik daar, ik heb nog ruim de tijd dus ik zit gewoon lekker niks te doen, nou ja, schrijven dus met de eerste romeinse Aperol spritz. Ik kan zelfs nog een half uurtje slapen op de kamer.

Okee we moeten dus verzamelen op de Piazza Mastai, waar, volgens het Latijnse opschrift op de gevel, Pius IX in 1863 een sigarettenfabriek liet bouwen die er uit ziet als een regeringspaleis. Op de Lime fiets ben ik er natuurijk 20 minuten te vroeg dus ik kan lekker even rondlopen en de sfeer proeven. Ik zie dat de kleur hier zwart is, iedereen -van de locals dan- draagt zwarte kleren en jassen ondanks dat het 26 graden is. Allemaal supernetjes, je voelt je meteen weer een toeristische slons in je spijkerbroek met gympen, gelukkig maakt het hier niet zoveel uit tussen de toeristen die allemaal net zo gekleed zijn als ik. Op de bankjes rondom de fontijn beginnen zich wat andere toeristen te verzamelen en ik zoek de gids die hier ook zou moeten zijn met een geel vlaggetje. Dat blijkt natuurlijk na een kwartier toch natuurlijk de jongen te zijn met die gele envelop die hier al een tijdje rondloopt dus ik maak maar meteen even kennis met de anderen uit het kleine groepje dat zich om hem heen verzamelt. Twee leren, vier Amerikanen en een Australische. De 20-jarige student-gids Christiano vertelt dat hij uit Sicilië komt, dus ik heb mooi meteen gespreksstof met hem als we naar ons eerste restaurantje lopen. Hij vraagt waar in Sicilië ik ben geweest en ik zeg: “I drove all over the island but I started in Catania…” “Aaahhh Catania, thats where I’m from, what did you think?”, roept hij uit en ik antwoord naar waarheid dat ik het echt de mooiste stad op het eiland vond. Dus ik heb al meteen weer punten verdiend. Die ben ik ook weer kwijt als ik vertel dat ik ook een food tour heb gedaan in Palermo, want Palermo is natuurlijk de nemesis van Catania, en waag het niet om de arancini van Palermo te vergelijken met de arancini van Rome of Catania, en ik word ook nog even overhoord over wat het verschil dan is, wat ik weet, want die in Catania is amandelvormig met rijst en ragout, en deze is rond met rijst en mozzarella, meer een soort kaassoufflé in de vorm van een grote bitterbal.

Of we wijn lusten. Dat laat ik me geen twee keer zeggen. We slenteren lekker door de wijk Trastevere, die echt wel heel mooi en barok is, het pad kruisend met nonnen en in zwarte soutanes geklede priesters.

Het is verder al met al best gezellig ook al loop ik weer ongemakkelijk te zijn in een groepje, de Ierse mevrouw is zo lief, de halve weg lopen we te kletsen en missen de helft van het verhaal, en ook de Australische vrouw die ook alleen reist vertelt over haar omzwervingen, en met de Amerikanen gaat het over de ‘bad rep’ van Amerikanen maar dit stel is heel leuk, ze zijn net verhuisd van Ohio naar Massachusetts (zal wel, geen idee) en zij is ‘in between jobs’ en wil nooit meer op kantoor werken en hij heeft zijn baan opgezegd om carpenter te worden, terwijl hij eigenijk kok is, en jarenlang heeft gewerkt zonder 1 dag vakantie voor 11 $ per uur. We wandelen verder langs allerlei kleine verrukkelijke tratoriaatjes waar we gevoerd worden met lekkere hapjes, iets van dun gesneden varkensvlees op bruschetta-achtige brood, een soort hachee soep, en natuurlijk pecorino en parmigiana, mijn god wat zijn die lekker. Trouwens nooit het verschil geweten, nu dus wel, namelijk dat pecorino veel zouter is en van schapenmelk is gemaakt en ik nooit meer iets anders over de pasta wil. “O really”, zegt de als een rugbyspeler uitziende Amerikaan, “I didn’t know pecorino came from Italy”, en ik voel een soort slecht leedvermaak in me opkomen maar ik onderdruk de glimlach. De tour eindigt helaas in een gelateria, ik probeer nog te ontsnappen maar helaas houdt Christiano me scherp in de gaten zodat ik tegen heug en meug een ijsje eet, het is wel lekker, as they go objectief gezien, maar gelukkig is dit ook het einde, want ik ben nu echt helemaal af en kapot, dus ik ben blij dat ik iedereen gedag kan zeggen en naar m’n hotel kan lopen. Nog één wijntje doe ik daar, heerlijk achter mijn ipadje in het donker op het terras, onder de terrasverwarming terwijl het nog steeds 23 graden is, en dan slapen als een os.

If you want a rainbow, you have to put up with the rain

Ik kan mezelf maar moeilijk losrukken van mijn telefoon, ipad en vooral de fantastische gids van Georgina Masson over Rome, die ik al in mijn bezit had toen ik op de Bergsingel woonde en misschien wel in Dordrecht, sinds ik afgelopen woensdag in een opwelling een vliegticket naar Rome boekte. Die paarse stergids is 822 pagina’s dik en heeft alle verhuizingen en Marie Kondo acties overleefd, omdat hij zo prachtig is, en ik ooit en steeds maar weer het verlangen had om naar Rome te gaan, maar dat er nooit van was gekomen, en ik begrijp nu waarom. Het is te veel, Rome. Uitstellen, uitstellen. Je zou denken dat als je zo’n honger hebt naar antieke geschiedenis, dat de eerste plek is waar je naar toe zou moeten gaan, maar het tegendeel is juist waar, het is de laatste plek, niet in de zin van Rome en dan sterven (ja ik weet het is Napels en dan sterven, trouwens dat gezegde is er niet omdat Napels zo geweldig was, maar omdat ze het vuilnis niet ophaalden en het er zo smerig was dat je dood zou gaan van de stank) want ik ben nog niet van plan om te sterven, maar (ja deze zin wordt wel heel lang, maar cazzo mene) omdat als je zo’n plaats bezoekt en ook in de tussentijd, je steeds meer kennis opdoet, de tijd altijd te kort is om alles te zien dat je wilt zien, en je dus heel zorgvuldig moet kiezen wàt je wit zien, en daar heel lang over na moet denken. Ik heb maar 3 dagen in Rome, eigenlijk maar 2, belachelijk natuurlijk, maar dat noodzaakt me tegelijkertijd mooi om een thema te kiezen, en dat is gelukt. Eigenlijk twee thema’s: Augustus, en ondergronds Rome of liever, de watervoorziening en de aquaducten. Het voordeel van het kiezen van thema’s is dat je een heleboel dingen meteen links kan laten liggen, zoals het Colosseum en het Forum Romanum en Vaticaanstad (Ok, met als uitzondering de sixtijnse kapel, waar ik ook al een gids voor hebt geboekt om 8:00 uur ‘s ochtends). Het wordt dan ietsje makkelijker om een paar highlights op een dag te kiezen en dan te kijken of je dat kan lopen of dat er vervoer geregeld moet worden en waar je dan eet en naar de wc kan. Uiteindelijk kom je dan toch tot de conclusie dat je teveel hooi op je vork hebt genomen en alsnog de helft afvalt en de twee dagen in een zucht voorbij zijn.

In de afgelopen twee dagen heb ik al weer meer geleerd over het Romeinse rijk dan ooit daarvoor, te beginnen met het feit dat niet Julius Caesar maar Augustus de eerste self-made keizer van Rome was, nooooooooit geweten, want er wàs daarvoor helemaal geen keizer, alleen een potentaat, maar via allerlei politiek gekonkel, slim herverdelen van taken en functies, uitdelen van gunsten, reorganisaties, ‘buiten beter’-acties, interims, talentenprogramma’s, uitbreiden van takenpakketten en toekennen van nieuwe functies daaraan, tadaa, ineens is er een keizerspost beschikbaar en laten we daar nou toevallig een geschikte kandidaat voor in huis hebben. Augustus wordt omschreven als een heerser onder wie de gouden eeuw van Rome ontstond, die stabiliteit en vrede bracht in het Romeinse rijk, al is het zover ik kan beoordelen wel te danken aan zijn meer behoudende doch wel strategische inzet van militaire middelen en het doelgericht uitschakelen van zowel mede- als tegenstanders, dat het zo ver gekomen is. Maar ja, “If you want a rainbow, you have to put up with the rain”, schijnt hij te hebben gezegd. Over zijn weldaden wordt uitgewijd onder andere op de ‘Res Gestae divi Augusti’, waarvan het gek genoeg minder bekende maar meest complete nog bestaande in marmer gebikte exemplaar vandaag de dag nog te vinden in is Ankara, het bestrijkt een hele muur, aan de Sarıbağ Sokak nummer 31. Augustus is een mooi uitgangspunt. Hij kende ook Cicero, die eigenlijk een beetje lafhartig aan de kant van de moordenaars van zijn adoptievader (en oudoom) Julius Caesar had gestaan. Cicero had een droom gehad over een jongeman die het rijk zou verenigen. Toen hij op een dag met Caesar terugkeerde van een of andere heidag en bij aankomst de tiener Octavius ontmoette, zei hij: “Kijk nou, daar hebben de jongen.” Afijn allemaal intriges die ik je voor nu zal besparen. Het is gewoon fijn om een ijkpunt te hebben want als je niet onderlegd bent, wat ik niet ben, is de kaart van de Romeinse heersers een compleet doolhof. Ze heten allemaal anders dan ze eigenlijk heten en ze hebben ook allemaal dezelfde namen, het lijkt wel of er maar tien namen bestonden, Julius, Antonius, Agrippa, Marcus, Nero en nog een paar. In de hele stamboom van 4 generaties tussen Julius Caesar en Augustus zitten al 20 Julius Caesars en 15 Octaviussen (en een paar Octavia’s), en als je niet weet dat Augustus eigenlijk Octavius heette kan je wel ophouden met zoeken. Dus succes daarmee.

Anyway, omslachtig verhaal om te zeggen dat ik dus naar Rome ga, en ik soort-van-ben-voorbereid, maar het loopt vast allemaal anders.