
Overal waarschuwen ze je dat je twee dagen moet uittrekken voor het Vatican museum en de Sixtijnse kapel, dus ik was al heel streng voor mezelf geweest om ook hier een keuze te maken en in elk geval de Sixtijnse kapel te zien en misschien nog wat randverschijnselen zoals de stanza van Raphaël. Maar je snapt, het liep toch anders. Twee dagen? Hold my beer. Ik had natuurlijk al een kaartje voor de toegang met een gids, maar ik had een blaar op mijn hiel èn geen koffie gehad en terwijl ik in de rij op het overvolle plein mijn prachtige Georgina Masson stond te lezen, ging de hele zaak me zó geweldig tegen staan, dat ik mezelf voornam me niet aan al die conventie te storen en zodra ik kon aan die groep ging ontsnappen. De drukte was werkelijk enorm, want iederéén is geadviseerd om zo vroeg mogelijk te gaan om ‘de ergste drukte’ te ontlopen, dus iederéén staat om 8:00 uur al voor de ingang te dringen, al dan niet begeleid door een van de tientallen gidsen met gekleurde vlaggetjes. Die van ons had duidelijk óók nog geen koffie gehad en was ons nogal robot-achtig en chagrijnig aan het afwerken door de security heen. Dus toen we eenmaal binnen waren, speerde ik er vandoor. Ik liep door en door, struikelend langs allerlei schilderkunst en 16e eeuwse geografische kaarten van Danti, middeleeuwse Vlaamse tapijten, langs Vasari, Raphaël en Piero della Francesca, mozaïekvloeren en marmeren beelden, langs achteloze Chagalls, Van Goghs en Bacons, langs andere groepjes die allemaal slachtoffer waren van ellenlange uitleg in elke sala, en ik was blij dat me dat bespaard was gebleven. Snelwandelend, bijna rennend langs alle pracht en praal werd mijn ergernis over al deze paapse inhaligheid allengs al maar groter en groter, maar het einde was in zicht, zag ik aan de Ikea-achtige routebordjes (helaas geen short-cuts hier). Ik kwam om 8:54 aan bij een of andere extra kaartcontrole, dus alles moest weer uit de tas, en ik mocht niet verder, want ik mocht pas om 9:05 door die ene deur die geblokkeerd werd door twee security guards, dus ik stond, als enige in die kleine opzichtige barokke sala voor hun neus nog 10 minuten te dralen en mijn 800 pagina’s dikke Georgina Masson te lezen, maar glipte toen met een Amerikaans groepje toch mee naar binnen. Jij kleine rebel, zomaar twee minuten voor tijd naar binnen! Ik rende meteen door naar de Sixtijnse kapel, wat heel gek was, ik dacht, je komt daar door een enorme deur binnen, maar het waren allemaal piepkleine lage gangetjes en een klein deurtje. Meteen werd er geschreeuwd dat ik mijn CAMERA OFF, CAMERA OFF moest doen, okee scusiiiiiii dat ik besta, want je mag natuurlijk niet fotograferen, want dan wel weer heel mooi is. En ik was er. Om allerlei redenen had ik de tranen al weer in mijn ogen staan. Ik ging precies onder de ‘hand van god’ staan. Ik ben er, mama!
Iets meer dan 500 jaar geleden lag Michelangelo daar gedurende vier jaar op zijn rug op een stellage terwijl de verf in zijn ogen druppelde. Zijn opdrachtgever paus Julius II (niet te verwarren met die viespeuk van de Villa Giulia) liep hier in die jaren vanaf 1508 regelmatig te kijken of het al af was, en als hij dan aan de 33-jarige Michelangelo vroeg “Wanneer is het af?”, kreeg hij tot zijn grote ergernis steeds het antwoord “Zodra ik kan”. Dat was zo’n beetje het enige commentaar dat Michelangelo gaf. Toen hij in 1512 die vraag weer eens stelde en Michelangelo zei “Zodra ik kan”, schreeuwde Julius: “Moet ik je van die steiger laten gooien?!” Ook Bramante en Raphaël hebben hier gelopen en het werk half af gezien. De twee keer zo oude Bramante die een spuughekel aan Michelangelo had, had een sleutel van de kapel, en die gnieperd liet in de zomer van 1511 het half-afgemaakte werk van Michelangelo aan Raphaël zien, die toen bezig was met het privé-vertrek van Julius II, en om welke reden dan ook probeerde Raphaël toen een opdracht van Julius af te troggelen om het plafond zelf af te maken. Wonderlijk dat hij die ondanks het ongeduld van Julius toch niet heeft gekregen. Michelangelo werd trouwens al die tijd niet betaald. De paus was namelijk bezig om met goddelijke inspiratie oorlog te voeren tegen Bologna, dus Michelangelo kon nog jarenlang fluiten naar zijn geld. Dus ik stel me zo voor dat hij behoorlijk chagrijnig was, aangezien hij deze opdracht niet eens wìlde, omdat hij niet eens een schilder wàs, en hem überhaupt alleen maar aannam omdat hij eigenlijk in de slipstream een àndere opdracht probeerde te bemachtigen, namelijk een gigantisch grafmonument uitbikken voor die ouwe vrek. Maar om Bramante een hak te zetten maakte hij het zichzelf nòg moeilijker, aangezien de opdracht eigenlijk alleen een middenstuk betrof, maar hij uit zichzelf tegen Julius zei: “Weet je wat, laat mij die 900 vierkante meter van dat hele plafond maar doen”, wat Julius natuurlijk gretig aannam en waar Bramante niet van terug had. Afijn allemaal chagrijn en afgunst en intrige alom, dus ik voel toch een soort spirituele connectie met Michelangelo, het chagrijn drijft ook mij voort in deze afstotelijke vertoning van roomse hebzucht en graaierij (afgunst heb ik niet), maar in de beroemdste kapel ter wereld kom ik even helemaal tot rust. Ik wandel een beetje rond, zit even op de bankjes en probeer al het werk van het celestiale plafond in me op te nemen zodat ik later nog even verder kan lezen over wat ik heb gezien. Het is een heel intieme, kalme ruimte, veel kleiner dan ik dacht, het valt echt wel mee qua drukte hier (gek toch…), en als ik denk dat ik genoeg heb genoten van het werk van deze man, ga ik snel op zoek naar de uitgang, o, wat een genot, hier is het ineens héél stil, ik heb, na 50 minuten, het rustigste plekje van Rome gevonden: de uitgang van de Sixtijnse kapel om 9:25 uur ‘s ochtends. Ik sta dus binnen een uur nog eerder buiten dan de paus naast zijn bed waarschijnlijk. Dat heb ik toch niet heel onverdienstelijk gedaan, vind ik zelf.
Koffie is nu de eerste prio en die vind ik gelukkig twee straten verder op het terras van een rustig cafeetje, niemand is nu koffie aan het drinken want iedereen hier is naar het vaticaan aan het rennen, heerlijk zeg. Ik blijf hier lekker lang zitten met drie cappuccinos en een onwerkelijk lekkere apfelstrudel waar aan tafel een warme vanillesaus overheen wordt geschonken. Wat zit ik hier lekker te schrijven. Daarna besluit ik, voor ik een taxi ga nemen naar m’n hotel, om achterlangs toch nog even te kijken of ik op het Sint Pieterplein kan komen (waarom heet het eigenlijk niet Sint Petrusplein?), dan heb ik dat ook maar gedaan. Daar aangekomen is er natuurlijk niks aan, alleen de zuilengalerij is wel imposant, èn het idee dat hier vlak achter op een klein pleintje waar je niet kan komen en wat nu een soort parkeerplaatsje is, de apostel Petrus net als veel andere vervolgde christenen een vreselijke marteldood is gestorven. (Dat Petrus überhaupt in Rome is geweest wordt historisch betwist, maar vooral vanuit religieuze anti-roomse hoek door lieden die de bijbel gebruiken als de enige historische bron, omdat het daar niet in voorkomt.) De obelisk die nu midden op het sint pieterplein staat, stond (meen ik ergens gelezen te hebben, weet niet zeker) eerst op dàt pleintje, maar schijnt verplaatst te zijn en uiteindelijk door Bernini hier te zijn neergezet. Okee, saillant detail (ik ga toch maar weer even uitwijden), die executie van Petrus vond plaats onder Nero, ongeveer in het jaar 64, hetzelfde jaar als de grote brand van Rome. Het jaar van de dood van Petrus is niet helemaal zeker (64-68 AD), maar de vervolgingen van de christenen, die toen in Rome trouwens ‘die joden’ werden genoemd, begonnen vooral ná die grote brand, omdat de christenen daarvan de schuld kregen, terwijl er ook weer theorieën zijn dat Nero die brand zèlf is gestart omdat hij ruimte wilde creëren voor een nieuw paleis. Afijn, de kans is dus groot dat Petrus (net als wellicht ook Paulus) de grote brand van Rome zelf heeft meegemaakt, wilde ik maar zeggen.
Ik facetime even met mijn moeder, die helemaal niet rooms is, alleen misschien in figuurlijke zin (nee hoor, grapje mama), en het voelt wel bijzonder om haar dit even te kunnen laten zien en ik ben blij dat ik haar even zie en met haar kan babbelen. In de talloze vreselijke souvenirwinkeltjes doe ik lekker even wat schandalige inkopen (in opdracht van mijn moeder een marmeren beeldje van Spinario voor mijn zus) en pak dan de taxi naar het hotel om even te douchen en een beetje te rusten voordat ik aan de rest van de dag begin.
Die dag leidt me te voet naar beneden, het Tiber-eiland over, naar de joodse wijk die hier gewoon het getto heet (antico ghetto ebraico), waar ik een paar dingen wil zien, schilpadfontein, teatro Marcello, de straatjes van de joodse wijk, en ik wil ergens een restaurantje zoeken en koshere gefrituurde artisjok eten. Ik ben echt aan het slenteren, Georgina Masson leidt me langs een paar prachtige plekjes die ik anders nooit had ontdekt, tot onderaan het Teatro Marcello, dat twee jaar voor zijn dood geopend werd door keizer Augustus (en genoemd naar zijn neefje) toen er nog geen 70 jaar sprake was van een Colosseum, en dat waarschijnlijk toen, naast het Pantheon, een van de meest opzienbarende gebouwen van Rome was, aangezien de Romeinen dit soort theaters eerst maar een onzedelijke bedoening vonden, totdat ze het lucratieve perspectief ervan begonnen in te zien. Dit was een van de eerste drie in Rome. Ik vind één steen die een beetje uitsteekt waar ik op ga zitten en lekker ga lezen en wat water drinken. Dan wandel ik de joodse wijk in waar ik uitgebreid rondloop en koop in een antiekwinkeltje een kettinkje met ‘chai’, en ik vind ook een kosher restaurantje met uitzicht op de Portico d’Ottavia (de zus van Augustus, die weer getrouwd was met Marcus Antonius, die op zijn beurt weer een scheve schaats reed met Cleopatra, en daar een paar jaar later ook zelfmoord mee pleegde, je zou er een serie over kunnen maken, o wacht…). Op deze plek was honderden jaren een vismarkt, waar halverwege de 16e eeuw onder lagen visafval de beroemde Hellenistische Medici Venus tevoorschijn moet zijn gekomen die nu in het Uffizi staat. Ja ik schrijf dit allemaal zo op en waarschijnlijk ben je als lezer allang afgehaakt, maar ik vind al die feitjes dus bijzonder wetenswaardig. En Rome is wel één groot knooppunt waar allemaal van die interessante historische roddel samenkomt. Het is ongeveer 16:00, belachelijke tijd om te eten, maar ja, de keuken is kennelijk open, ik heb honger, en bijna niemand eet rond deze tijd dus ik heb weer geluk, met een proseccootje erbij. Eindelijk eet ik die gefrituurde artisjok, man man man wat een genot, en ook een salade met koshere gegrilde kip met truffel en sinaasappel. De dag is al bijna weer voorbij, morgen naar huis, het is nog ietsje te vroeg om terug naar het hotel te gaan, dus ik besluit na wat geslenter om toch nog maar even voor de vorm om het Colosseum heen te fietsen, en dat is uiteindelijk nog best een heel mooi fietstochtje in het ondergaande zonlicht. Verder is het Colosseum gewoon lelijk. Maar ik heb het gezien.
Op dat fijne terras van het hotel drink ik nog lekker een wijntje en zit heerlijk te schrijven, straks koffertje pakken en wat verlang ik naar huis. Wat een rotstad. Zodra ik kan naar huis. Veel te veel toeristen. En toch heb ik wel genoten. Mede dankzij Georgina Masson. Nou, arrivederci ciao ciao dan maar.


