Sagalassos

Ik ben dus lekker vroeg op weg met de Clio. En wat is de route van Yalvaç naar Ağlasun prachtig. Je kon je zo in Zwitserland of Oostenrijk wanen. Het is een gewone weg met twee rijstroken dus weinig zorgen en ik kan uitgebreid om me heen kijken. Lange tijd rijd ik langs het meer van Eğirdir dat turkoise is met lichtblauw en zeegroen tegen een achtergrond van bergen met sneeuw. Opvallend genoeg zie ik helemaal geen schepen. Is hier geen visserij, geen pleziervaart? In Nederland ligt elk plasje vol met sloepen, zeilboten en motorjachten, helemaal niets hier. Toevallig moet ik dwars door het stadje Eğirdir heen en daar is een afslag naar het schiereiland dat ik op de heenweg al had zien liggen maar mezelf geen tijd had gegund om er te gaan kijken, maar nu sla ik wel af. Het blijkt een zeer oude geschiedenis te hebben met visserij in de Hellenistische tijd toen het Akroti heette, er staat een grote vervallen burcht op een rots bij de ingang. Verder is er niet veel van over. Het schijnt vooral te bestaan uit de vakantiehuizen van mensen uit de steden die hier de zomer willen doorbrengen. Ik snap nu ook dat er niet gezwommen wordt want de oevers zijn rots- en steenachtig, maar ik fantaseer over alle mogelijkheden die het zou kunnen hebben als je er wel zou kunnen zwemmen. Aan het eind van het schiereiland is een antiek haventje waar drie kleine vissersbootjes liggen, veel meer kan er ook niet in, en het is moeilijk voor te stellen hoe dit een welvarend visserdorp heeft kunnen zijn.

Om half een rijd ik Ağlasun binnen, een klein boerendorp eigenlijk, zonder bestrating, of misschien wel met bestrating maar die is door het zand en de modder niet zichtbaar. Alleen maar kleine cafetariaatjes en tekeltjes (‘tekel’ is zo’n klein supermarktje waarvan er dan ook op elke hoek van de straat een zit). Wel staat meteen al met grote borden Sagalassos aangegeven en die leiden naar zo’n kronkelig weggetje door de bergen waar je hopelijk geen tegenliggers hebt. Ik kom ook langs het hotel waar ik straks heen ga, dat helemaal niet zoals op de foto’s geïsoleerd in het bergachtige landschap ligt, maar gewoon pal naast het dorp. Niettemin lijkt het nog steeds op het hotel uit The Shining, ook al belooft het mij een spa-ervaring. Ik rijd verder naar boven, hoger en hoger kom ik, ik moet mijn oren een paar keer ‘klaren’. Toch bijzonder dat die belangrijke steden steeds op zulke hoge hoogtes liggen, zal wel iets te maken hebben met verdediging, en dat de tempels dan dichter bij de goden lagen en je er natuurlijk wel wat moeite voor moet doen. Boven aangekomen staan er vijf mega touringcars en een menigte mensen bij het koffiekioskje, maar die lijken net te gaan vertrekken. Het is eigenlijk bestwel fris dus ik neem een hoody mee uit de auto. Ik haal natuurlijk eerst een kop koffie op dat terras, dat uitkijkt over die diepe, diepe rotsachtige vallei waarboven zich op dit moment de stapelwolken verzamelen. De stilte, de rust, het is gewoon weer heerlijk hier. Na de koffie besluit ik maar eerst helemaal oostelijk naar boven te lopen waar zich het amfitheater bevindt. Ik heb deze site zo vaak op google bestudeerd, hoe vreemd is het om er nu te lopen, en hoe anders ziet het er uit in het echt. Wat zo vreselijk mooi is aan deze site, waarschijnlijk mede dankzij het feit dat ik er op het goede moment in de tijd, ik bedoel dan jaren, ben (misschien ietsje te laat gezien de touringcars), is dat hij live in verval is. Heeft het niet iets dankbaars, dat de beleving des te intenser maakt, als je weet dat aan wat je ziet binnenkort een einde komt? Hier zijn al verschrikkelijk veel dingen weggehaald, zoals delen van twee gigantische beelden waarvan een van Hadrianus, die in 2006 (of 2016 daar wil ik even van af zijn) zijn opgegraven en nu in het museum van Burdur te zien zijn, en ook de geweldige mozaïekvloer uit het badhuis dat al die jaren gewoon te zien is geweest, ligt er niet meer. Maar als ik boven kom in het amfitheater, dat ik trouwens via allerlei olifantenpaadjes, klimmend over grote scheefgevallen blokken dwars door de aangegeven paden kan binnendringen, kan ik zomaar de galerij die onder de bovenste rijen verborgen ligt inlopen. De galerij loopt halfrond onder de hele bovenste rij van het theater, het is er donker, en hier en daar priemt een klein straaltje zonlicht naar binnen door de kieren van de gebarsten tribune, die de grot een mysterieuze aanblik geeft. Ik kan er maar een paar meter in lopen, want de ingestorte delen van de tribune blokkeren de doorgang, en ik zou er nog best overheen kunnen klimmen en verder die duistere gang in gaan, maar soms overvalt me ineens de angst voor aardbevingen, die in de 7e eeuw ook aan deze hele stad een eind hebben gemaakt, en besluit dat dan toch maar niet te doen. Het is natuurlijk volslagen onzin, want een aardbeving gebeurt vooral wanneer je het níet verwacht, en bovendien zou het een mooie dood zijn, zo op het hoogste punt van Sagalassos. Maar anyway, het is weer bijzonder, ik weet zeker dat dit over een paar jaar niet meer kan. Verschillende blokken bewegen ook als ik erop sta, dus het is wachten op dichtmetselen. Buiten klim ik nog hoger. Helemaal bovenaan ga ik zitten op de bovenste rij. Onderaan zijn nog twee mensen, maar die komen niet naar boven. Ik kan vanaf hier de stemmen horen van de mensen die over de agora met het Antonines nymphaeum lopen, en dat benadrukt eigenlijk alleen nog maar de stilte hierboven. Ik wacht op een momentje dat de zon doorbreekt en ik nog mooiere foto’s kan maken, maar dat komt niet. Wolken trekken zich samen en verderop is de hemel zwart met lichtflitsen. Ik sta op en ga via de achterkant naar beneden zien te komen, wat nog niet makkelijk is wat er zijn geen paden hier. Op google kan je natuurlijk nooit zien hoe het precies zit met het hoogteverschil, maar het uitzicht over de rest van de stad is hier ongelofelijk.

Ik kam verder de rest van het terrein zorgvuldig uit. Ja, ik ben al moe, ja, ik heb honger, maar we gáán naar die tempel van Apollo die helemaal aan het uiteinde ligt en waar geen steen meer op elkaar staat, we gáán die hele straat aflopen en kijken of we bij dat provinciehuis naar binnen kunnen, wat niet kan, en ja, we gáán al die trappen weer naar boven naar het schijthuis en de grote agora met de fontein, en dan begint het toch wel zo ongenadig hard te regenen dat ik het niet meer kan negeren en toch maar in die fontein gaan staan schuilen, achter een nogal lelijk afgietsel van een beeld van een vrouw met kind. Daar proberen steeds meer mensen bij te komen die nota bene regenjassen aan hebben en dan nòg word ik opzij geschoven met m’n doorweekte hoody, maar ik geef geen centimeter, ik vertik het, totdat er een familie aan komt met drie piepkleine doorweekte kindjes, ik wenk ze en vertrek zodat ze mijn plaats in kunnen nemen. Grappig, dan houdt het ineens op met regenen en iedereen is dan verdwenen, en zo loop ik al weer alleen. Verschillende delen van het terrein kan je echt niet op, met name daar waar hele stukken bijna instorten en met ijzeren stempels worden gestut. Vlakbij de Hadrianusfontein staat een hele muur op omvallen. Dat bedoelde ik met ‘live in staat van verval’, namelijk zoals de geschiedenis het uiteindelijk toch heeft bedoeld. We kunnen proberen er wat cosmetische ingrepen op toe te passen (letterlijk, zo is de Hadrianusfontein aardbevingsbestendig heropgebouwd met een soort flexibele cement, een soort fillers zeg maar) maar het verval is daar en onvermijdelijk.

Sagalassos is voorbij. Op instagram word ik gevraagd om mee te helpen zoveel mogelijk publiciteit aan Sagalassos te geven. Dat vraag je dan echt aan de verkeerde. Meer publiciteit is meer bezoek, is meer verval. Overal op het terrein worden nog nieuwe archeologische expedities ondernomen. De universiteit van Leuven is daar een drijvende kracht in. Daarom zijn de bordjes met uitleg hier en daar naast in het Turks en Engels ook in het Nederlands te lezen. Voor mij is het hoofdstuk afgesloten. Er blijven nog genoeg plaatsen over die ik graag wil bezoeken, maar dit archeologische avontuur is weer voorbij.

Ik check in bij het hotel. Wat een verademing in vergelijking met gisteren. Een meneer trekt meteen mijn koffer uit mijn handen en staat er op om die naar mijn kamer te brengen. Bij de receptie noemen ze meteen mijn naam zonder dat ik die heb hoeven zeggen. De kamer is heerlijk modern en schoon, en heeft een balkon, met uitzicht op de bergen waar ik net vandaan kom. Het is fris-koel, maar zo’n heerlijke lentekoelte uit de bergen. Onder de dakrand hangen zwaluwnestjes. Ik informeer even naar de hamam, en ja natuurlijk kan ik daar gebruik van maken. Ik krijg meteen ook de tour langs alle andere dingen die hier kunnen, massage, sauna, mani-pedi, en een binnen- en buitenzwembad. Ik trek een paar baantjes in het binnenzwembad en doe daarna de hamam. Ik schijn hier ook te kunnen eten dus daar maak ik ook gebruik van. Het is een buffet, maar alles heerlijk en vers, met ik weet niet hoeveel mezes en brood. Ik slaap die nacht weer als een os.

Plaats een reactie