
Even snel ontbijten en dan snel weg is er niet bij want ik krijg van het Char Me hotel in de tuin een riant ontbijt voorgeschoteld met twaalf schaaltjes met jam, börek, kaas, fruit, komkommertomaatolijven, brood, roerei, nou ja je snapt. Toch zal ik me even moeten haasten want ik schijn ineens necesseties nodig te hebben die ik niet bij me heb. Ik neem de stuurse dame van de receptie even apart die me directies naar de dichtstbijzijnde supermarkt geeft en even later met een begrijpend knikje ook voorziet van een klein voorraadje. De supermarkt moet dichtbij zijn dus voordat ik mijn auto ophaal loop ik er even heen, dacht ik, maar als ik na een bocht nog steeds geen supermarkt zie, geef ik het op en ga teruglopen, zag ik daar niet een Starbucks? Het is vast de laatste die ik de komende dagen zie dus laat ik er maar even van genieten. Ineens loopt er een jongen naast me, ik dacht dat hij me gewoon wilde inhalen maar hij blijft in het zelfde tempo vlak naast me lopen. “Are you tourist?” fluistert hij naar me. Ik wil het eigenlijk negeren, maar hij blijft de vraag herhalen. Het nut van de vraag ontgaat me even, ik ben blond, een kop groter dan de meeste mensen hier en ik loop met een grote knalblauwe grote rugzak. Dus ik weet even niet wat er is dat zegt dat ik géén toerist ben. “No”, zeg ik. Ik moet even denken aan een aflevering van Lauren-of hoe-heet-ze, over die vrouwen die over de datum zijn die in die grote Turkse badplaatsen op zoek gaan naar piepjonge vriendjes. Word ik nu gescout als vakantiecougar? Dat is het enige nut van de vraag dat ik kan bedenken want hij is volgens mij te jong om in een taxi te rijden. Gelukkig zijn we net bij de Starbucks dus ik kan ontsnappen. In de wijk direct buiten het oude centrum, die eigenlijk meteen bestwel fijn en herkenbaar oogt, vind ik al snel een supermarkt waar ik even water haal en volkorenkoekjes voor als ik vergeet op tijd te eten en een fles wijn, de verkoper vraagt of hij hem alvast moet openmaken want ik ben een toerist dus ik zal wel geen kurkentrekker hebben, nee, klopt, doe maar.
Dan de weg op, weg uit deze drukke badplaats, ik was in Antalya en ik heb de zee niet eens gezien, haha. Ik besluit data en batterijen te sparen en geen navigatie aan te zetten maar me gewoon ouderwets door de borden te laten leiden en te hopen dat het goedkomt. Ik moet voorlopig richting Isparta en dat staat al aangegeven en dan zal ik over een kilometer of 80 wel even stoppen om te kijken waar ik eraf moet. Ik maak voor de zekerheid wat screenshots van de route en de plaatsjes waar ik langs moeten komen. De weg is voorlopig 2-1 / 1-2 zoals de N50 zodat je per richting om de beurt kan inhalen. Dus dat is wel fijn alleen dat ontslaat je dus niet van de verplichting om als je op het 2-1 deel rijdt en er iemand achter je zit te drukken (wat ik kan begrijpen want ik rijd maar 80-90), gewoon op de vluchtstrook te gaan rijden om diegene voor te laten gaan. Evenmin hoef je aan te nemen dat je veilig kan inhalen op het 1-2 gedeelte want de inhaalstrook die je dan tot je beschikking hebt, wordt ook gewoon gebruikt door het tegemoetkomende verkeer. Maar dat moet je even weten en je gewoon aanpassen zodat iedereen weet waar hij aan toe is en dan werkt het prima. Zouden hier ook kamervragen worden gesteld over de weginrichting? Denk het niet.
Het is hier weer zo prachtig, groen en indrukwekkend rotsachtig, ik stop onderweg toch maar een keer om een foto te maken en de route te checken, en zelfs een keer om in een van de talloze restaurantjes een gözleme te eten met uitzicht op het meer en de bergen. Na een shellstation zou ik moeten afslaan naar Eğirdir en dan komt er eerst 50km piepkleine slalomweggetjes door de bergen, waar ik niet per se zin in heb nu, maar als ik er dan toch eindelijk rij, geniet ik er heel bewust van, hoe prachtig het is, en stil, groen, met heel kleine boerderijtjes, het doet een beetje aan de Provence denken. Bovendien is het lekker koel. Je rijdt hier natuurlijk maar 30-40 dus het duurt een eeuwigheid maar haast heb ik niet en als ik bij het Eğirdir-meer aan kom staat Yalvaç ook al aangegeven. En in Yalvaç staat Pisidia Antiochea ook al aangegeven, dus het gaat allemaal heel voorspoedig. Ik geloof dat ik er om een uur of 16:00 aan kom. Ik rij dan eerst door naar het romeinse aquaduct, dat op de kaart helemaal niet staat aangegeven maar wel met een klein verschoten bordje. En ja, de weg houdt hier ineens ook op, het is alleen nog maar gravel en modder, en ik moet op een gegeven moment een berg op die ik helemaal niet zie zitten, maar ik doe het tòch met m’n nieuwe Renault Clio, en het lukt, alleen het wordt steeds erger, dus ik parkeer hem maar hier en ga verder lopen. Het is hier dood- en doodstil, op een kettingzaag na die ik heel, héél in de verte hoor. Een paar jonge jongens op brommers passeren me. Het landschap is glooiend en groen en wordt begrenst door een bergrug waar op de toppen sneeuw ligt. Er staan her en der fruitbomen en cipressen en naast de korrelige weg gaat het vrij steil naar beneden en is afval gestort (dat mensen dit willen doen gaat me werkelijk alle verstand te boven, en mij hoef je niet meer te vertellen dat de Turken trots zijn op hun land, want als ik dit zie kan ik alleen maar denken ‘fake trots’). Het is zo stil dat ik af en toe even blijf staan om de stilte te horen. Je weet pas wat ‘oorverdovende stilte’ betekent als je dit hebt gehoord. Het is ongeveer 10 minuten lopen voordat ik de su kemerleri zie. Om de een of andere reden krijg ik altijd meteen een voorstelling van hoe het is aangelegd, dat wil zeggen allerlei vragen erbij, er zal toch een architect aan te pas moeten zijn gekomen, en iemand heeft bedacht dat dat ding er moest komen, en die architect bestelde, en wie was dat dan? Er zal een plan moeten zijn gekomen, materiaal besteld en mensen die daarmee gingen slepen. Wie dee da? De meeste van deze stenen zijn monolieten, dus uit één stuk. Waar komen ze vandaan? Alhoewel, het is één en al rots hier dus ver zal het niet zijn. Van een afstandje kan je in de korte stukjes aquaduct die er nog over zijn van de oorspronkelijke 10km zien dat er een bocht in zit, en je kan goed volgen waar hij naar de stad leidde. Ik vind het sowieso van een magisch vakmanschap, een 10km lange waterleiding die een daling van precies 2,6 tot 0,2% heeft om het water te transporteren. Je kan er ook makkelijk onderdoor lopen waardoor je aan de andere kant een prachtige stille groene vallei ziet waar ik vogels hoor en af en toe een geit. Met een stukje aardewerk maak ik een klein tekeningetje op een van de bogen. Het stukje aardewerk steek ik in mijn zak. Ja het is eigenlijk heiligschennis, maar ja, gekken en dwazen…
Ik rij terug naar de ingang van het terrein van de ören yeri waar ik voor €1 in mag, ze schrikken ervan, in dat gişetje, een bezoeker! Het moet niet gekker worden. Pisidia Antiochea is verder niet super mooi, er staat werkelijk geen steen meer op elkaar, en waar ze wel gepoogd hebben om een paar stenen weer op elkaar te zetten, slaat het nergens op. Stenen uit een fries op ooghoogte midden in een muur, dat soort werk. Maar er is wel een heel lange statige weg naar boven, die leidt naar de hoofdtempel bovenaan, en die is weer gebouwd in een natuurlijke holte in de stenen berg. Die holte is precies halfrond uitgebikt en er zijn kleine vierkante uitsparingen gemaakt voor een houten overkapping. Op enig moment is die muur deels bekleed geweest met marmeren platen, zie ik op een stukje dat nog in tact is. Er is trouwens veel marmer hier, naast graniet, glinsterend spierwit marmer met zowel Griekse teksten als Romeinse. Ondanks dat het verder niet erg spectaculair is, loop ik toch het hele terrein af en zo is het al tegen zessen als ik wegga. Er komt dan net een Turkse familie binnen met 3 generaties en ze knikken allemaal vriendelijk tegen me. Een tante (yenge) die achteraan loopt klampt me met een brede lach even aan, even ben ik bang dat ze iets van me wil, maar ze wil alleen even weten waar ik vandaan kom, en als ik zeg “Hollanda”, zegt ze “Aaaahhhh ich bin aus Deutschland”, we zijn daarmee natuurlijk praktisch buren en ze wil graag aan me kwijt dat ze hier op familiebezoek is voor de vakantie, en dat volgende week als de schoolvakanties beginnen haar nicht en neefje ook komen. “Prachtig”, zeg ik, “de hele familie bij elkaar.” Ze glundert ervan en wenst mij ook een fijne vakantie.
Ik las ergens dat in het Yalvaç museum meer te zien moet zijn van dingen die hier zijn gevonden, dus voordat ik morgen de stad uit rij, ga ik daar nog even langs.
Het hotel is ook vlakbij en ik kan letterlijk voor de deur parkeren, het is zo’n beetje midden in het centrum van Yalvaç, een typische middelgrote stad zonder enige charme wilde ik zeggen maar het blijkt toch een alleraardigst centrumpje te hebben met een oude cami en wat winkeltjes en leuke boomrijke pleintjes met grote terrassen eronder. Ik ben ook weer meteen de lokale attractie op het moment dat ik de auto uitstap. Van binnen is het hotel een zakenhotel, er is niets aan, het bed is schoon, maar daar is meteen alles mee gezegd en ik vind de rest onuitsprekelijk vies, de vloerbedekking…… Ik begrijp vloerbedekking sowieso niet, behalve misschien op de trap zodat je niet uitglijdt, maar verder is het toch een grote magnetische verzamelplaats van microben, parasieten, huisstofmijt, huidschilfers en alles dat we aan kruimels laten vallen wat er nooit meer uitkomt. Je maakt mij niet wijs dat ze er hier met baking soda en een stoomreiniger overheen gaan elke keer als er een gast is vertrokken. Ik lees thuis trouwens “How to be a Tudor” van Ruth Goodman, waarin ook het ontstaan van vaste vloerbedekking wordt beschreven en de reden waarom het in de huizen zo moet hebben gestonken was… de vloerbedekking. Afijn. De badkamer, de douche, de randjes in de douche…. laat maar. Ik sproei eerst een kwartier met heet water over de douchebak die ik eerst heb besprenkeld met handsanitizer, voordat ik het aandurf om eronder te gaan staan.
Een Starbucks kan ik hier wel vergeten, maar uit het raam zie ik schuin tegenover het hotel iets dat op een koffiezaakje lijkt, en dat ook blijkt te zijn, en ga daar even met koffie zitten schrijven. Ik heb een zwarte linnen bloes aan en iemand is boven de kat aan het kammen en nu zit ik dus alwéér helemaal onder de kattenharen. De eenvoudige kaart wordt me ook aangeboden en ik ben inmiddels zo gemakzuchtig, ik heb geen energie meer om naar een goed restaurant te zoeken. Dat ga ik hier waarschijnlijk toch niet vinden. Alcohol is er natuurlijk niet te vinden hier in de wijde omtrek, dus na het diner (soort tosti) ik neem die fles wijn uit Antalya mee naar de hotelkamer, waar ik prompt natuurlijk de kurk afbreek. Ik geef het op. Ik merk aan mezelf dat ik de laatste loodjes van deze tour aan het afraffelen ben om straks een paar dagen niets te hoeven, in de zon, in een rustig huis, op een plek waar ik al 4 jaar niet ben geweest, wat fijn is want ik ken het al dus hoef weinig meer te ontdekken, dus de stekker kan er uit.
De volgende ochtend zit ik al om 7:30 aan het ontbijt. Achteraf geen idee waarom, want als ik naar het museum wil gaat dat waarschijnlijk toch pas om 10:00 open, als ik geluk heb op deze zondag. Inmiddels zal het in de stad wel rondgezongen zijn dat er vandaag een buitenlandse bezoeker was in de antieke stad, dus wie weet. Maar op zoek naar de openingstijden kom ik een nieuwsbericht tegen over de directeur van dit museum, die twee maanden geleden is opgepakt voor internationale zwendel in antieke artefacten, waar ik trouwens heel hard in mezelf om moet lachen. Niet dat ik nu denk dat het museum gesloten is, maar ik wil de gok al helemaal niet meer nemen, en het vooruitzicht dat ik ook nog 3 uur moet rijden naar Sagalassos, doet me dan toch meteen opspringen om te vertrekken.
