
Intussen ben ik zowat meer tijd bezig met online komen en verbindingen te leggen tussen WordPress en facebook, mijn telefoon en mijn iPad, mijn iPad en internet, mijn iPad en mijn telefoon en het wifi-apparaatje, mijn telefoon en allerlei andere verbindingen, dan met schrijven. Maar soit.
Ik moet vandaag van mezelf naar het archeologiemuseum en naar het Pera museum. Die twee, want in het Pera museum hangt het beroemdste schilderij van Turkije, De Schildpaddentrainer (Kaplumbağa Terbiyecisi), en het archeologiemuseum, nou ja dat spreekt natuurlijk voor zich, maar ook omdat de schilder van dat beroemdste schilderij, Osman Hamdi Bey, niet alleen schilder was maar óók jurist, en óók twee keer getrouwd met een Franse vrouw, en óók archeoloog, en óók architect, en hij in die hoedanigheid óók het archeologiemuseum heeft gebouwd, en dat meteen heeft volgestampt met alles dat hij tijdens zijn opgravingen heeft opgegraven. Dus een mooie ronde tocht vandaag. Niet helemaal zo rond als ik wilde, blijkt in de loop van de dag, maar goed.
Ik vertrek redelijk op tijd van huis met alle opgeladen apparaten naar de veerboot naar de Europese kant. Ik heb meteen al honger dus spijt dat ik niet heb ontbeten maar ik was toch van plan om goed te lunchen dus ik bikkel mezelf er maar even doorheen. Het is weer ver-schrik-ke-lijk druk aan de andere kant. Ik was natuurlijk vergeten dat donderdag een nationale feestdag is (een soort van nationale kinderdag), maar je merkt het nu al. Ook zie ik twee enorme cruiseschepen liggen aan de kade van Galataport, wat een goed teken is voor de stad, en een slecht teken voor mij. Maar ik realiseer me dat pas als ik langs het Gülhane Parkı naar boven loop en richting Topkapı paleis de eerste afslag naar links neem door de eeuwenoude verweerde gele stadsmuren waarachter het archeologiemuseum ligt, en ik achteraan de rij moet aansluiten, terwijl hier nooit, werkelijk nooit een rij staat. Bovendien stroomt het pleintje binnen en buiten de hekken ineens vol met kinderen, die allemaal vóór mogen. Ik wacht. Ik ben er nu, ik onderga het maar gewoon. Het is te warm om nog iets anders te bedenken en mijn ijzeren strategie voor vandaag om te gooien, bovendien, waar ik ook heen ga, er zullen rijen staan. Ik doe maar een kaartje met een audioguide, maar de mevrouw in het loket wil ineens mijn paspoort hebben. Wat krijgen we nou? Ik vind het nogal een oneerlijke ruil, maar okee, niet over nadenken, ik lever mijn paspoort in en onderdruk allerlei angsten dat ik hem nooit meer terugzie en loop door, er moet hier ergens een tuin zijn waar je koffie kan drinken, die zal ook wel weer op de Efteling lijken nu. Maar dat valt mee, er zit bijna niemand, en ineens is het helemaal stil. Bij de koffiebalie zie ik het boek “The tears of Anatolia” liggen, over waar alle antieke schatten uit Turkije zich nu bevinden die zijn geroofd door Duitsers en Engelsen en Fransen, waar ik al naar op zoek was geweest op ebay maar daar een vermogen kost, en hier kan ik het zo meenemen voor 129 TL (€8). Het terras van het museum ligt als een balkon hoog boven het Gülhanepark, in de warmte lekker fris onder de bomen , en is achteloos omringd door delen van oude met mos bedekte Griekse kolommen en capitelen, er zitten maar een paar mensen, de meeste tafeltjes zijn nog vrij, wat heerlijk, helemaal achteraan ga ik zitten met mijn boek en mijn iPad. Pas een half uur later sta ik op. In het museum zelf is het wel verschrikkelijk druk. Maar het is ook weer heel erg mooi. Ik herken een aantal beroemde beelden uit de Janson’s (heette dat zo?). In een van de eerste zalen staat een muur met talloze marmeren hoofden uit verschillende plaatsen waarvan ik er veel herken waar ik ben geweest, Lagina, Milas, Kaunos, Efes, Magnesia, Afrodisias. Hoofden van keizers, wetenschappers, kunstenaars en onbekende mannen en vrouwen die ooit levend zijn geweest, ooit óók een stem hebben gehad, en nu alle toeristen nastaren die verder maar moeten gissen hoe het leven toen moet zijn geweest, alsof ze met hun versteende blik vanuit het verleden willen waarschuwen dat het leven nog steeds eindig is. Er staat een enorm beeld van Hadrianus over wie ik niet zoveel weet maar hij staat met zijn voet op de rug van een kind dat op de grond ligt, geen idee wat de betekenis is maar de toon is gezet zegmaar. Dat was waarschijnlijk ook de bedoeling.
In de zaal met de graven ga ik op zoek naar de bekendste tombe van het museum, het graf van Alexander de Grote dat niet van Alexander de Grote is, maar zo heet omdat hij erop is afgebeeld. Ik kom er niet zo snel, want er is zo veel te zien, de ene tombe nog indrukwekkender dan de andere. Allemaal vertellen ze een verhaal over degene die er in ligt, soms verhalen van heldhaftige daden in een of andere beroemde veldslag of mythisch gevecht met gevleugelde leeuwen, soms persoonlijke ambachtelijke verhalen en soms verhalen van mythologieën waarmee men zijn eigen leven vergeleek. Als je weet waar je naar kijkt, kan je de hele tombe rondom lezen. Ze zijn hoe dan ook allemaal doorspekt met klassiek drama. Zo sta ik wel een kwartier bij een tombe van een vrouw waarop is afgebeeld hoe Phaedra verliefd werd op haar stiefzoon Hippolytus, maar die moet haar niet, en als het verhaal dreigt uit te komen liegt ze tegen haar man Theseus dat Hippolytus haar probeerde te verkrachten. Theseus had nog één van drie wensen tegoed van Poseidon, en laat daarop zijn zoon door paarden uit elkaar trekken, maar helaas komt de waarheid toch uit en van ellende maakt Phaedra zichzelf van kant. Dat soort drama. Het is een beetje van dik hout maar levert werkelijk prachtige tombes op.
Als ik bij Alexander de Grote kom, realiseer ik me ook dat de Turken weliswaar best iets te klagen hebben over alle antieke schatten die door buitenlanders zijn geroofd, maar dat ze er zelf ook wat van konden. Verschillende zalen zijn gewijd aan de koningsgraven uit Sidon, Libanon. In de tijd dat Osman Hamdi Bey deze hele koningsstad leeghaalde en naar Istanbul overbracht, viel Libanon nog onder het Ottomaanse Rijk natuurlijk, maar toch. Libanon zit nu zonder al die pracht en praal. Ik bestudeer nauwkeurig de mummy van een of andere Sidonse koning die waarschuwt dat als er iemand ook maar in de buurt dreigt te komen van zijn graf, diegene en heel zijn familie zijn vervloekt tot in de eeuwigheid. Ah, dat verklaart een hoop. Er zit zelfs nog haar op, rood-bruin, en het lijkt alsof het vel om de schedel eromheen is genaaid. Grappig toch, de mens kan een tombe maken die na 2700 jaar nog niets aan schoonheid heeft ingeboet, maar aan zijn eigen vergankelijkheid valt niets te redden.
Nadat ik nog een half uur heb rondgelopen tussen overblijfselen van de tempel van Lagina, dat nog steeds zo prachtig en sereen en indrukwekkend was toen ik er in de avondzon liep een paar jaar geleden, begin ik zo’n honger te krijgen dat ik sterretjes voor mijn ogen zie. Het is al 15:00 uur. Gelukkig krijg ik zonder gedoe mijn paspoort terug en ik loop 5 minuten naar wat sinds 1963 de beste kebapci van de stad moet zijn. Het hele terras zit vol maar binnen is het koel en leeg en zo kan ik even eten en schrijven en bijkomen van mijn vermoeidheid. Ik ben nu al ketskapot, en ik moet nog naar de andere kant, naar het Peramuseum dat ergens in de buurt van Istiklal moet liggen. Ik pak weer de tram, waar het binnen ongeveer 40 graden en stampensvol is en ik moet nu kiezen wat ik wil verhelpen, de immense hitte en zuurstoftekort, of mijn vermoeidheid en de pijn in mijn rug. Ik kies voor het eerste en stap uit op Eminönü, wat betekent dat ik de hele Galatabrug over moet lopen en daarna nog berg òp naar Istiklal. In zo’n piepklein winkeltje met allerlei huishoudelijke dingen vind ik nog een rol plakband, dat komt mooi uit. Prompt loop ik op Istiklal óók nog de verkeerde kant op richting Taksim, terwijl ik de andere kant op moest, ik kan inmiddels wel huilen van vermoeidheid en rugpijn, maar ik ga. En ik ben blij dat ik het gedaan heb, om 18:00 loop ik er binnen, het is een prachtig modern museum dat je van boven naar beneden moet doorlopen, beginnende op de 5e verdieping, en per verdieping zijn er maar 2 kleine zalen met fantastische hedendaagse kunst die je geest weer helemaal open zet, en, wat belangrijker is op dit moment, op elke verdieping een frisse, moderne, touch-free, schone wc waar ik in het fonteintje het koude water een paar seconden over mijn polsen kan laten lopen.
Ik weet werkelijk niet waar ik nog de kracht vandaan haal om naar de iskele in Karaköy te lopen, wat gelukkig dan wel weer berg af is.
Het water van de Bosporus is vlak en glanst in de ondergaande zon. We deinen op de zachte golven. Het is heiig en door een lichte sluier zie je in de verte de prinseneilanden in het laatste oranje zonlicht. Het ruikt naar zee en de wind is fris op mijn gezicht. Ik snak naar stilte, en zee waar ik in kan duiken. Misschien ga ik in Fethiye wel op zoek naar een boot. O wat verlang ik naar zee. Als ik thuis kom gaat alles uit en douch ik even, geen zin meer om te eten, meteen naar bed.
