Wild is the wind

Het beestje moet een naam hebben en ik zit in het café HaKovshim bij mij op de hoek, waar David Bowie wordt gedraaid en allemaal jaren 90 muziek die me aan mijn studietijd doet denken. Ik heb met veel handgebaren aangegeven dat ik éérst een latte macchiato wil afrekenen, omdat ik wil zien of mijn pasje het doet. “So do you want a latte or a macchiato? Or both?”, vraagt de roodharige jongen met het sikje achter de balie. O ja, even omschakelen, doe maar latte dan, dat klinkt tenminste alsof er melk in zit. Hoera, mijn pas doet het! Geldzorgen voorlopig weer even voorbij. Ik bestel een ontbijt met scrambled eggs en als het meisje een broodplankje komt brengen realiseer ik me dat dit mijn eerste ontbijt in Israel is. Het café staat op de hoek, 100 meter van het appartement en 200 meter van het strand. Er loopt een drukke weg langs en er staan taxibusjes geparkeerd. Aan de overkant is een reusachtig parkeerterrein dat nu al langzaam vol begint te stromen en straks ook vol staat met touringcars, want de Carmel market ligt hier vlak achter. Het woord Carmel heeft iets te maken met de berg Karmel bij Haifa, sinds de middeleeuwen al geplaagd door Europese pelgrims die een sober leven en gefrituurd worden in de zon nastreefden. Achter de enorme parkeerplaats hiervoor, ligt eerst een zone laagbouw met veel golfplaten en verval en loshangende elektriciteitskabels, maar daarachter verrijst het steeds moderner wordende Neve Tzedek en verschillende skyscrapers die je vanuit je vliegtuig ook al ziet. Het verkeer stokt al richting het noorden en er echoot ongeduldig getoeter door de straten.

Bij het supermarktje hiernaast doe ik wat boodschappen, hier kan ik ook geld pinnen, en ze hebben er ook wijn. “Do you have any Israeli wine?”, vraag ik. De verkoopster neemt me mee naar het wijnvak. “This one comes from the Golan, it’s very good. And this is from Hebron.” “You pick one for me”, zeg ik. Ze lacht breed, “Ahaa, then I want you to have this one!” Ik doe maar even mijn ogen dicht als ik afreken. Maar ik ben hier maar één keer, en when in Rome…

Blij met geld op zak ga ik richting Carmel markt, ik sla lukraak een straatje in naar rechts, eigenlijk zijn alle zijstraatjes hier leuk: vervallen, maar levend, met veel bloemen en eucalyptusbomen, kleine spontane cafeetjes in oude garages, met kleurige zelfgeschilderde bordjes. De Carmel market is verschrikkelijk, het ruikt hier nog net als gisteren naar bedorven groenten, het stikt van de toeristen, en meteen stap ik in de valkuil die specerijen heet, omdat ik er een foto van maak, staat de verkoper meteen naast me en voel ik me verplicht om ook maar iets te kopen, wat ook wel prima is, maar hij grijpt meteen een halve kilo kipkruiden, en als ik zeg dat ik maar ongeveer een kwart daarvan wil, haalt hij er de helft uit, en dat nog 3 keer met de hummuskruiden en de alleskruiden, en nou hangt er alsof het nog niet heet genoeg was zowat twee kilo kipkruiden aan m’n arm, en ik moet een godsvermogen betalen, dus ik kan zometeen wéér pinnen, ik ben er eventjes chagrijnig van, maar schud dan even met de kop, okee blokkie, verlies nemen, les leren en dóór. En ik moét wel geld halen want ik loop nu op de artisan Nachalat Binyamin Market, die ook echt wel heel leuk is, maar allejezus wat duur. Een beetje mooie zelfgemaakte ketting of oorbellen al gauw tegen de 350 sjekel. In geen 350 jaar. Wat ik ook niet snap is dat hier nergens een atm of exchange office te vinden is, ik moet er helemaal voor omlopen naar een paar straten verderop, waar ik zo’n schimmig pijpenlaatje aantref waar je ook allemaal dingen voor je telefoon kan kopen. Voor me staat een oud mannetje met een keppeltje te discussiëren met de kassier… in het Turks. Wat een vreemde wereld ben ik toch in beland. Na uitgebreide begroetingen in het Turks wissel ik mijn geld tegen een prima koers en loop terug naar de markt. De Carmel markt is niet groot, maar het is complete chaos. Zo’n vuilnisbelt als het gisteren was, zo chaotisch is het nu. Ik zoek nog kadootjes, maar vind eigenlijk niks leuks. Ik heb vreselijke dorst en zit even bij een zaakje waar ze een heerlijk vers sapje voor me maken van wortel en sinaasappel. Er staat een grote ventilator in de hoek en het is hier heerlijk koel. Er loopt een bleek oververhit stel met rugzak binnen, wapperend met een papiertje. “This is fake airco”, zegt het meisje met een zwaar Amerikaans accent en blijft stilstaan op de drempel. Ze draait zich half om naar haar vriendje. “This airco is not real guys”, herhaalt ze nog even voor de duidelijkheid. Nee, het is wel duidelijk dat ze hier dan niet naar binnen kunnen. Werkelijk.

Ik vertrek en loop langs de groentenmarkt waar ik nog meloen koop en een zak citroenen voor in het water, en ik kom langs een bakker, waar de heerlijkste zuid-mediterrane broodjes liggen, van die gevlochten witte broodjes met sesam, en verschillende ronde platte broodjes, driehoekige gevouwen broodjes met maanzaad en iets mysterieus er in, ik neem van alles mee. Misschien kan ik ergens nog kaas en humus vinden, dan heb ik voor vanavond iets bij die wijn.

Intussen loopt het zweet me over de rug, mensen wat een hitte, ik hou mijn hart vast voor morgen. Geen idee ook hoe laat het is, maar geen denken aan dat ik met die twee kilo kipkruiden en die meloen aan mijn arm nu naar Jaffa ga. Ik loop lekker naar huis, waar het ook warm is, maar de airco kan aan, en ik douche lekker even en trek een flapperjurkje aan. Het is nog geen vijf uur, maar die fles Golan-wijn gaat open, en man man man, wat is hij lekker, nee niet omdat hij lekker móet zijn omdat er ongeveer vijf flessen Stellenbosch in gaan, hij is echt zó lekker, dat ik overweeg om straks even langs het supermarktje te lopen en het tegen de verkoopster te zeggen. Ik pak een bord, giet er wat olijfolie op en wat zout, en breek wat van het brood af, een ervan zit vol met vijgen, en ik zit even heerlijk te rusten, en ik denk, “Ik moet niet vergeten dit goed in me op te slaan, ik moet het niet aan me voorbij laten gaan, ik ben hier!

Ik gooi mijn tas verder leeg en kleed me snel weer aan om naar Jaffa te gaan. Ik overweeg een taxi maar volgens mij ben ik sneller als ik loop. Langs de zee staat trouwens een heerlijk verkoelend windje in de rug en halverwege tref ik een Mobike aan. Ik doe eerst de oude haven aan, loop dan met de schroeiend hete zon op mijn hoofd naar boven waar ik prachtig uitzicht heb over zee en waar de wind me weer een beetje afkoelt alsof die me steeds aanmoedigt om toch weer verder te gaan. Dan door de priegelige eeuwenoude gele steegjes naar beneden, waar het koel is. Ja, het is wel mooi, maar erg toeristisch, veel ‘art galleries’ en chinese toeristen, en waag me vervolgens naar de rommelmarkt die hierachter ligt. Alleen heb ik eigenlijk nog steeds nogal trek, dus als ik een leuk hipster straatje passeer, loop ik er maar meteen in, ik doe gewoon even een hapje. En een drankje. Misschien hebben ze hier een lekkere smoothie. Alhoewel, de jongen achter de bar (óók zo’n rossige met een baardje) staat net te schudden met een cocktailbeker en giet iets in een roodomrand cocktailglas. “What are you making?”, vraag ik. “Spicy Magharita”, zegt hij, “it’s with pepper”. “Ok I’ll have one of those”, zeg ik, en ik flap mijn iPad uit op de bar, want als ik hier nog een tijdje zit, kan ik net zo goed even aan het werk. Ik krijg ook het ‘business menu’ van de jongen, dat komt goed uit. Ik bestel fried cauliflower, artichoke salad en lamb kebab. Ik krijg ze in ronde schaaltjes en de kleur spat er van af. Het ruikt heerlijk, het smaakt heerlijk, en van de helft weet ik niet wat het is. De barjongen vraagt: “I hope everything is ok. Where are you from?” “When I see this food, I come from the desert”, zeg ik tegen hem.

Na al dat heerlijks heb ik geen zin meer in de markt. Voor de vorm loop ik er nog eventjes overheen, maar ik ben een beetje marktenmoe om niet te zeggen dat die cocktail in mijn benen zit. Morgen moet ik er om 6:00 uur uit dus naar huis.

Plaats een reactie