Shalom!

Waarom? Ja, ik weet het ook niet mensen. Ik doe ook maar wat. Ik wilde ergens heen wat vreemd was, en ver genoeg weg om alle andere gedachten uit mijn hoofd te laten verdringen door de verwondering, maar dicht genoeg bij om niet te hoeven overstappen met het vliegtuig. Het liefst ga ik natuurlijk naar Istanbul, de schatkist die nooit leegraakt, maar een keer het patroon doorbreken is ook wel eens goed. Ik streek met mijn vinger langs de kust van de Middellandse Zee, en al het Europese viel dan meteen af, Palermo, Malta, Dubrovnik? Allemaal nog steeds niet vreemd genoeg. Monastir? Tunis? Algiers? Hm, heel verleidelijk, prachtige romeinse steden in de buurt op rij-afstand, maar Tunesië of Algerije in mn eentje is misschien ook een beetje teveel van het goede nog. Verder naar het oosten sla ik Tripoli en Caïro ook maar over, ook al hebben ze een mysterieuze en romantische aantrekkingskracht op me. Iets verder naar rechts ligt Israël. Israël? Israël! Tel Aviv ligt aan zee toch? Aan zee! Ineens was heel de wereld in orde, en alles viel op zijn plaats. Op de radio hoorde ik iemand Tel Aviv zeggen, dat kon geen toeval zijn. En hoe lang is dat vliegen eigenlijk? Er gaat vast wel een rechtstreekse vlucht vanuit Amsterdam. Dat niet, maar wel vanaf Eindhoven, en daar zit ik dan, tussen duizenden RyanAir toeristen met omgekeerde petten, ik dacht: “Shit, ik wist niet dat Tel Aviv zó populair was”, maar er gaan natuurlijk ook mensen naar Alicante en Ibiza, blijkt als ik niet in de gewone rij moet gaan staan maar in de kòrte rij, de rij waar TEL AVIV boven staat en die langs de extra security gaat. Prompt schiet me een scene te binnen uit Life of Brian, mijn favoriete film aller tijden: “Crucifiction? Good. Line on the left, one cross each.” Die film was trouwens opgenomen in Monastir in Tunesië, wat dus óók op mijn lijstje stond. Ook al ga ik niet naar Jeruzalem, ik voorzie dat ik de komende dagen steeds weer Life of Brian voor me zie, nou ja, vrolijkheid. Intussen word ik er weer als énige uitgehaald om gefouilleerd te worden, en hoor ik allemaal Hebreeuws om me heen. Naast me gaat een meisje zitten van een jaar of twintig. Ze draagt een knielange spijkerrok, een zwart coltruitje met een grijs t-shirt eroverheen. Ze heeft een hoofddoekje achter haar oren dichtgeknoopt en ze draagt panties en platte ballerina’s met tijgerprint. Zou zij ook gefouilleerd zijn, vraag ik mezelf onwillekeurig af.

Op Ben Gurion besloot ik eerst geld op te nemen zodat ik een treinkaartje kon kopen, niet omdat ik de taxi niet kon betalen maar omdat de trein nemen natuurlijk veel leuker is, vooral als je niet kan lezen waar ze naar toe gaan, want niet alle bordjes zijn vertaald in het engels. Die lol was er dan weer wel snel af want er werd in het Engels omgeroepen dat alle treinen naar Tel Aviv van spoor twee vertrokken. Alleen het pinnen lukte niet. Op twee machines niet. Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest gehad om wat geld mee te nemen en dat kon ik gelukkig wel wisselen. Treinrit duurde maar 15 minuten, lekker koel ook, en met de Gett app op mijn telefoon bestelde ik vanaf dat station een taxi. De Uber doet het hier ook, maar op de een of andere manier krijg je dan een gewone taxi, met het gemak van de Uber zegmaar, en je betaalt de meter. Voor mij was het 48 ISL, ik ga vanaf nu gewoon sjekel zeggen want dat is leuker, hij kost ongeveer 25 eurocent, dus dat viel weer mee. Even kletsen met de taxichauffeur, die ik mijn pogingen vertelde om wat woorden Hebreeuws te leren, waarop hij vrolijk aan het overhoren sloeg, toda, toda raba, lehitraot, boker tov, en mij en passant doorzaagde over wat ik hier kwam doen, in mijn eentje. “You are here alone? From Europe? And you don’t know anyone here? That’s so strange” zegt hij. Yup. Vervolgens begint hij te foeteren op het verkeer. “This is the problem in Tel Aviv”, zegt hij als we na een bocht weer stil staan, “this traffic is crazy”. “It’s the same in all the cities”, zeg ik, mijmerend over Istanbul. Ik vraag hem ook waar hij vindt dat ik naar toe moet gaan. “You shouldn’t go here”, zegt hij. “This is the south, it’s a bad neighbourhood, as you can see it’s a mess.” Fijn om te weten dat ik een appartement heb geboekt in een achterbuurt. Eerlijk gezegd vond ik het zelf nogal meevallen. Maar volgens hem moet ik naar het noorden, naar boulevard Rothschild en het Dizengoff centre. Ja, ik weet dat dat de aangewezen winkelcentra zijn. Maar daar ben ik helemaal niet op uit. Ik wil juist dit, deze rommeligheid waar mensen gewoon aan het werk zijn, dus ik ben al weer intens gelukkig in de taxi.

Ik ben in no time in het appartement, Nadine was er niet maar ik kon de deuren openen met codes, dus om 15:00 stond ik al binnen. Heerlijk, heerlijk, raam open, er kwam een frisse bries van zee, die ik aan het eind van de straat zie glinsteren, een echte zeebries, wat heerlijk. Kleren uit, hamamdoek om, glas water inschenken, op de bank ploffen en meteen even de wifi installeren, ja, Netflix doet het ook. Dan snel koffer open en douchen, want om vijf uur moet ik bij de klokkentoren zijn voor een rondwandeling. Redelijk opgefrist stap ik de hitte weer in. Hoe zal ik eens naar die klokkentoren gaan? Als ik aan het eind van de straat ben besluit ik een Uber te regelen. Misschien handig als ik even naar de overkant loop, waar een parkeerterrein is. Wacht even, is dat een Móbike? Ik zie daar toch echt zo’n oranje fiets staan. Verrek, het is een Mobike. Even zien of mijn Mobike-app het hier ook doet. Krijg nou wat, het slot spring zo open! Dit is tè grappig, ik ben aan het fietsen in Tel Aviv, ik heb geen idee waar ik ben, maar het maakt me ook allemaal niet uit, ik moet ongeveer die kant op, en ik vertrouw blind op mijn richtinggevoel, en dan rijd ik ineens de boulevard op en zie ik ineens de onstuimige zee, de golven rollen glinsterend over het strand. “Hallo papa, zie je mij hier fietsen?”, denk ik (waarom denk ik dat toch steeds op zulke momenten?), er zijn hier overal fietspaden, net als in Izmir, en er staat een heerlijk windje en flinke golven, en verderop zie ik de prachtige kustlijn van Jaffa, waar ik heen moet, en ik moet vreselijk lachen om mezelf, zeker wanneer ik zie dat iederéén hier op een fiets of een step staat, alleen dan een elektrische fiets of step, óveral zie je die dingen, met allemaal van die hippe Venga-boys en girls erop, eigenlijk ben ik maar een sukkel dat ik zèlf aan het fietsen ben, en dat bij deze hitte, maar wat heb ik een lol. Ik fiets in Tel Aviv. Op de Tel Afiets!

Ik ben echt ruim op tijd voor mijn afspraak en ik snak óók naar die verlossende kop koffie, maar helaas, op mijn vraag of ze een latte hebben, krijg ik het antwoord: “Large? Yes sure!”, waarop ik denk, laat maar, en dan krijg ik inderdaad zo’n Turkse koffie, maar dan twee keer zo groot, large dus, met ook een large bodem koffiedrab onderin. Kost me ook nog eens 20 sjekel, 20 sjekel! Geen Turkse prijzen dus, dat is tot zover wel duidelijk.

Om 17:00 sluit ik me aan bij een gelukkig heel klein groepje dat onder leiding van Itzak de buurten gaat verkennen. Twee Poolse meisjes, een Duits/Grieks meisje met haar moeder en een Braziliaans meisje dat in Duitsland woont. Itzak is nogal lang van stof op die sandalen van hem, maar het maakt me niet uit, ik vraag hem verder de oren van het hoofd en dat vindt hij ook allemaal prima, en ik steek er óók nog wat van op, namelijk dat in de tijd dat de (Oost-Europese, Spaanse, Amerikaanse) joden grond kochten in Palestina, het land nog Ottomaans was. En het Ottomaanse rijk was aan het vervallen, het werd makkelijker om land te kopen, en na de Turken hadden de Britten het bewind over de streek. Ik dacht altijd maar steeds aan arabieren en ‘Palestijnen’, maar ik vergat de context van het Ottomaanse rijk. Heerlijk, weer een study-target. Aan het eind van de wandeltocht ben ik ook zo’n beetje de tolk, want de Poolse meisjes spreken beter Frans dan Engels, en de moeder spreekt alleen Duits, en als ik een Hebreeuws bordje boven een deur hardop zeg (Shalom al Israel), vraagt de gids of ik óók al Hebreeuws spreek, maar nee, ik heb alleen de letters uit mijn hoofd geleerd, maar dan nòg is het vet moeilijk, en geen idee verder wat er staat, maar ik weet wel dat ik op moet passen dat ik nu niet ook nog Hebreeuws wil gaan leren.

Aan het einde van de tour die kruip-door-sluip-door langs allerlei wijkjes slingerde, is het bijna donker. De route leidde ons allengs dichter naar mijn appartement en ik weet dat hier ergens een goed restaurantje zit want natuurlijk obsessief van te voren gegoogled. Ik neem een paar keer een verkeerde afslag in het donker en kom dan op de markt terecht, die helemaal door touristen verlaten is maar waar mensen aan het opruimen en schoonmaken zijn, waar de weg in een grote vuilnisbelt is veranderd en waar het naar visafval en rotte groenten ruikt. “Toch maar niet meer doen, Jen, dit”, zeg ik tegen mezelf terwijl ik snel doorloop en de weg weer terugvindt.

Bij HaBasta wil ik eten bestellen maar moet even goed kijken hoeveel geld ik nog heb, ik had honderd euro gewisseld, maar er zit nu nog 170 sjekel in mijn portemonnee. Volgens mij is hier iets fout gegaan. Wat heb ik gekocht vandaag? Een kop koffie en een pen. Nou ja, in elk geval kan er nu net een steak tartare met rauw ei en bacon (ja echt), een gevulde zucchini en een lokaal biertje van af. Alles is heerlijk. Ik zit aan de bar. Ik ben aan het schrijven. Tel Aviv is zo vreselijk eclectisch leuk. Soms leek het op Spanje, soms echt op Havana, en op een middeleeuwse kruisvaarderstad. En nu zit ik hier, en de muziek is Argentijnse accordeonmuziek á la Adios Nonino, en als ik dan Por Una Cabeza hoor, dan zie ik mezelf ineens van een afstandje hier zitten, aan de bar in een klein restaurantje in een zijstraat van Tel Aviv, een vreemde tussen al die hipster Israeli’s, alsof het de jaren twintig is en ik per ongeluk op iemands feest terecht ben gekomen, of mijn schip naar Europa heb gemist, en het hele verhaal is al compleet, wat ben ik weer verschrikkelijk gelukkig.