Bedevaart

En dat de wekker gaat om 6:00 uur is geen probleem, want ik ben dan al een half uur wakker en kan lekker even rustig aan doen en koffie zetten. De warmte zit in mijn lichaam en ik loop al een paar dagen met een lichte buikpijn, maar na een heerlijke kop koffie, een stukje vijgenbrood en een paar plakken meloen trekt het weg. Ik ben echt een beetje warrig in mijn hoofd en moet heel goed nadenken waar alles is en wat ik ook alweer mee moet nemen. Een van de meisjes van de wandeltocht had gezegd: “Whatever you do, don’t shave!”, dus die wijze raad neem ik ter harte, en ik pak een fles water, mijn bikini en een strandhanddoek mee, en de witte katoenen safarihoed die ik gisteren in Jaffa heb gekocht. Ik meld me om 7:00 uur bij het Royal Beach hotel, waar het busje staat te wachten met Tera en Yevgeny, die ons naar Masada en de Dode Zee gaan brengen. Er is verder niet veel over te vertellen eigenlijk. We rijden naar het oosten. Het wordt steeds heter, ook al merken we daar nog niet veel van want airco in het busje. We passeren Jeruzalem, grote betonnen muren met controleposten waar niet wordt gecontroleerd. We stoppen even voor koffie bij Ahava (‘liefde’), de dodezeezoutfabriek waar ze alle denkbare verzorgingsproducten maken, voor koffie en eventueel een rondleiding en dodezeezoutproducten te kopen, beetje zo’n vreselijk verkoop-tourprincipe. Onderweg naar Masada, wat Tera trouwens uitspreekt als Mesedàh, krijgen we uitgebreide instructies over wat we wel en niet moeten doen, vooral veel water drinken, en een hoed dragen, want het is heet en het zal niet de eerste keer zijn dat iemand per helikopter afgevoerd moet worden (want er is geen weg naar Masada). Nou lijkt me dat ook geen straf, maar ik begrijp de pointe. Als de bus stopt, en ik uitstap, lijkt het alsof er een gloeiend hete rasp over mijn huid gaat. Ik geloof niet dat ik ooit deze hitte heb gevoeld. Maar eigenlijk gaat het best. Mijn lichaam gaat gelijk op de spaarstand. Rustig aan, mensen. Wat me verder opvalt is de drukte. Ik heb er gelijk al geen zin meer in. Op zóveel plekken had ik al willen stoppen onderweg om foto’s te maken, van de bedoeïenen met kamelen en jeeps en tv-schotels, van de woestijn, van de dadelplantages, en nu moet ik weer achteraan aansluiten in de rij. Ik bèn er niet van, mensen. Ik spreek even met een dame uit Noord-Ierland die naast me staat. Die ìs hier al een keer geweest en nu gaat ze nòg een keer. Ze vraagt of ik al in Jeruzalem ben geweest. Nee, zeg ik, en dat ga ik ook niet doen. Ze kijkt me een beetje vragend aan en ik zeg dat ik hier maar een paar dagen ben en Jeruzalem dan een beetje veel van het goede is. Ze is vast katholiek, dus ik ga maar geen botte dingen zeggen. Inmiddels staan we met z’n allen te dringen voor de kabelbaan. Ik kijk naar boven en vraag me af wat er straks gebeurt als ik er in sta en het ding komt in beweging. Ik heb géén goeie ervaringen met hoogtes. Na vijf minuten is ie er al. Jammer dat ik niet naar buiten kan kijken, het is vast prachtig. Als ik allerlei geluiden hoor doe ik mijn ogen weer open en kunnen we naar buiten. De schroeiende hitte slaat ons als zweepslagen over het lijf. Over een smalle loopplank moeten we naar de ingang in de rots lopen. Ik schuif zowat met mijn buik tegen de rotswand om de afgrond maar niet te hoeven zien. Maar het is wel mooi, Masada. Je komt binnen door de poort waar iedereen al die eeuwen door heen kwam, want de enige weg er naar toe was het ‘slangenpad’ van een halve meter breed. Stiekem ben ik een beetje jaloers op mijn Amerikaanse reisgenote die vertelt dat ze in ‘93 om 3:00 uur in de ochtend over dat slangenpad omhoog is komen lopen, wat stoer, dat wil ik ook wel, maar helaas. Herodes was trouwens niet van het halve werk, want hij heeft onder andere de drie of vier meest bezochte toeristische plekken in Israël gebouwd waaronder de klaagmuur (althans de bijbehorende tempel), half Cesarea, en Masada. Omdat hij zelf joods zei te zijn (de ‘echte joden’ vonden van niet, affijn allemaal haat en nijd en problemen), is er op het complex ook een synagoge gebouwd. Er zijn nog best veel originele romeinse elementen te vinden, maar alles is afgehekt en gebaand en je dient netjes in één richting achter elkaar aan te schuifelen en waag het niet een stukje terug te lopen want dan kom je in botsing met de groep die àchter je loopt en ontstaat er een hoop irritatie dan wel paniek omdat de groep niet meer compleet is, en de andere groep er één teveel heeft, affijn een hoop consternatie dus je kan maar beter doorlopen. Schaduw is er bijna niet, dus je wìl heus wel doorlopen, en in de schaarse overdekte ruimtes ontstaan de hele dag opstoppingen omdat mensen er snel heen willen lopen en er veel te lang in blijven staan.

De rondleiding was gelukkig na nog geen driekwartier schuifelen afgelopen en ik snakte naar de bus met airco. Als ik alleen was geweest was het een ander verhaal geweest, maar goed, dat weten we nu wel. Erg mooie uitzichten over de woestijn van Judea en de Dode Zee want je staat enorm hoog op een steile rots. Ook zie je nog de tweeduizend jaar oude omtrekken van de romeinse kampementen uit de tijd van de belegering waarbij 1200 Joodse mensen die zich verzetten tegen het romeinse bewind, elkaar vermoord zouden hebben, een soort collectieve suïcide met lootjes trekken.

Het punt is, met zo’n excursie kan je wel zien, en ook wel horen, maar niet voelen.

We lunchen hier ook, de lunch zit erbij en ik mag wat kiezen van het buffet, het is best lekker, maar het is alsof ik in de kantine van de Efteling zit op tweede pinksterdag. Plastic dienblaadjes, plastic bordjes, verschrikkelijk. Ik wacht vervolgens buiten onder een parasol op Tera en de rest. Een groep Amerikaanse jongens komt ook richting de parasols. “This is fake shadow, guys”, zegt de voorste. Ik maak echt geen grappen, mensen. “Yeah this is totally fake shadow”, zegt nummer twee. “Let’s go inside”. Ja, doe dat.

Yevgeny vertelt ons dat het inmiddels 44 graden is. Nou, dat valt me weer reusachtig mee. Volgende stop is Dode Zee. Nah, mensen, dáár wil ik het liefst zo min mogelijk woorden aan vuil maken. Okee, ik hèb in de Dode Zee gelegen, maar daarmee is zo’n beetje al het memorabele gezegd. En ik zeg je ook: als iemand ooit tegen je zegt dat hij in de Dode Zee heeft gezwommen dan liegt hij. Je kàn namelijk helemaal niet zwemmen in de Dode Zee. Om te beginnen word je uitgebreid gewaarschuwd voor de hitte van het zand en de zwarte modder, vanwege de donkere kleur absorbeert dat al het zonlicht, dat sowieso al regelrecht uit de hel komt. Slippers aan dus. Heb je die niet bij je? Geen probleem, die kan je daar wel kopen. Goh, toevallig. Vervolgens krijg je 1001 warnings voor de gevaren van het water, dat 44% mineralen bevat ipv de 5% van de Middellandse Zee. Drink het niet, want dan ga je dood, en krijg het niet in je ogen, want je retina gaat eraan. Hoe het nog zo goed kan zijn voor je huid is me een raadsel, maar ik begrijp nu wel waarom me werd afgeraden om te shaven. Eenmaal daar aangekomen heeft het alles weg van een bedevaartsoord, al spelen er zich helemaal geen bijbelse taferelen af volgens mij. Niettemin is het het diepste punt op aarde; 400m onder zeeniveau. Het stikt er werkelijk van de Amerikanen die verschrikkelijk veel lawaai maken. Grappig detail: ik sta me om te kleden, in de kleedkamer (zo’n ouderwetse met van die bankjes) schuifelt een oudere dame naast me, zet al kletsend met haar vriendin haar tas neer op het bankje, zegt tegen haar: “I bought só many things today I don’t even know whàt I bought”, maakt vervolgens aanstalten om weer te vertrekken en neemt doodleuk míjn tasje mee! Waar mijn camera en mijn nieuwe slippers in zitten. Ik grijp haar bij haar arm en trek mijn tasje uit haar hand. Ze gaat zich te buiten aan excuses. Jaja. “Trut”, denk ik.

Okee anyway, ik naar beneden in de gloeiende hitte en mijn bikini, moet je eerst nog een flinke trap aflopen, want het water zakt elk jaar een meter. Kom je beneden aan, is er maar een strandje van pakweg 100 meter waar je een plekje moet zoeken met of zonder zwarte modder. Ik doe maar mèt, ik ben er nu toch. Het water in lopen dat lauwwarm is, voorzichtig je voeten neerzetten, want òf glad, òf scherpe steen, en als je dan kniediep in het water staat, bukken, modder van de bodem schrapen en op je huid smeren. Ik denk er maar niet over na dat al deze modder die hier op de bodem ligt al op duizenden lichamen heeft gezeten, waarna het is afgespoeld en gewoon weer terug op de bodem is gedwarreld, als een soort ultieme recycling. Ik troost me met de gedachte dat er niets kan leven in dit water, dus alle menselijke bacteriën zullen wel dood zijn. Voorts loop je verder het water in, dat hoe dieper het is, hoe koeler het wordt, wat echt wel verrukkelijk is, maar als je denkt dat je dan even lekker een plons kan nemen, nee dus want: niet spetteren, niet onder water vanwege je ogen, ik durf niet aan mijn haar te denken dat er momenteel al uit ziet als een bleke suikerspin en ook zo aanvoelt. Okee, ik laat me langzaam achterover vallen en ik drijf nu, ik drijf in de Dode Zee. Het is wel heel grappig, ik hoef echt helemaal niks te doen. Ik dobber een beetje naar wat dieper, koeler water, ik probeer me om te draaien, maar het lukt niet. Zwemmen is echt onmogelijk, je wordt meteen weer teruggedraaid. Rechtop drijven kan weer wel, ook waar je helemaal niet kan staan blijf je omhoog drijven als een dobber aan een hengel. Onder water voelt het water glad aan, maar zodra ik uit het water kom en over mijn huid strijk, voelt het alsof ik bedekt ben met een laag zand. Ik spoel me meteen af onder de douche op het strand en vertrek, weg uit de hitte. Ik heb nog een half uur voordat we vertrekken, die ik besteed aan langzaam rondlopen in de buurt van de ventilator. Nou dat was het dan. Daaag Dode Zee. Straks even lekker onder de douche.

Wild is the wind

Het beestje moet een naam hebben en ik zit in het café HaKovshim bij mij op de hoek, waar David Bowie wordt gedraaid en allemaal jaren 90 muziek die me aan mijn studietijd doet denken. Ik heb met veel handgebaren aangegeven dat ik éérst een latte macchiato wil afrekenen, omdat ik wil zien of mijn pasje het doet. “So do you want a latte or a macchiato? Or both?”, vraagt de roodharige jongen met het sikje achter de balie. O ja, even omschakelen, doe maar latte dan, dat klinkt tenminste alsof er melk in zit. Hoera, mijn pas doet het! Geldzorgen voorlopig weer even voorbij. Ik bestel een ontbijt met scrambled eggs en als het meisje een broodplankje komt brengen realiseer ik me dat dit mijn eerste ontbijt in Israel is. Het café staat op de hoek, 100 meter van het appartement en 200 meter van het strand. Er loopt een drukke weg langs en er staan taxibusjes geparkeerd. Aan de overkant is een reusachtig parkeerterrein dat nu al langzaam vol begint te stromen en straks ook vol staat met touringcars, want de Carmel market ligt hier vlak achter. Het woord Carmel heeft iets te maken met de berg Karmel bij Haifa, sinds de middeleeuwen al geplaagd door Europese pelgrims die een sober leven en gefrituurd worden in de zon nastreefden. Achter de enorme parkeerplaats hiervoor, ligt eerst een zone laagbouw met veel golfplaten en verval en loshangende elektriciteitskabels, maar daarachter verrijst het steeds moderner wordende Neve Tzedek en verschillende skyscrapers die je vanuit je vliegtuig ook al ziet. Het verkeer stokt al richting het noorden en er echoot ongeduldig getoeter door de straten.

Bij het supermarktje hiernaast doe ik wat boodschappen, hier kan ik ook geld pinnen, en ze hebben er ook wijn. “Do you have any Israeli wine?”, vraag ik. De verkoopster neemt me mee naar het wijnvak. “This one comes from the Golan, it’s very good. And this is from Hebron.” “You pick one for me”, zeg ik. Ze lacht breed, “Ahaa, then I want you to have this one!” Ik doe maar even mijn ogen dicht als ik afreken. Maar ik ben hier maar één keer, en when in Rome…

Blij met geld op zak ga ik richting Carmel markt, ik sla lukraak een straatje in naar rechts, eigenlijk zijn alle zijstraatjes hier leuk: vervallen, maar levend, met veel bloemen en eucalyptusbomen, kleine spontane cafeetjes in oude garages, met kleurige zelfgeschilderde bordjes. De Carmel market is verschrikkelijk, het ruikt hier nog net als gisteren naar bedorven groenten, het stikt van de toeristen, en meteen stap ik in de valkuil die specerijen heet, omdat ik er een foto van maak, staat de verkoper meteen naast me en voel ik me verplicht om ook maar iets te kopen, wat ook wel prima is, maar hij grijpt meteen een halve kilo kipkruiden, en als ik zeg dat ik maar ongeveer een kwart daarvan wil, haalt hij er de helft uit, en dat nog 3 keer met de hummuskruiden en de alleskruiden, en nou hangt er alsof het nog niet heet genoeg was zowat twee kilo kipkruiden aan m’n arm, en ik moet een godsvermogen betalen, dus ik kan zometeen wéér pinnen, ik ben er eventjes chagrijnig van, maar schud dan even met de kop, okee blokkie, verlies nemen, les leren en dóór. En ik moét wel geld halen want ik loop nu op de artisan Nachalat Binyamin Market, die ook echt wel heel leuk is, maar allejezus wat duur. Een beetje mooie zelfgemaakte ketting of oorbellen al gauw tegen de 350 sjekel. In geen 350 jaar. Wat ik ook niet snap is dat hier nergens een atm of exchange office te vinden is, ik moet er helemaal voor omlopen naar een paar straten verderop, waar ik zo’n schimmig pijpenlaatje aantref waar je ook allemaal dingen voor je telefoon kan kopen. Voor me staat een oud mannetje met een keppeltje te discussiëren met de kassier… in het Turks. Wat een vreemde wereld ben ik toch in beland. Na uitgebreide begroetingen in het Turks wissel ik mijn geld tegen een prima koers en loop terug naar de markt. De Carmel markt is niet groot, maar het is complete chaos. Zo’n vuilnisbelt als het gisteren was, zo chaotisch is het nu. Ik zoek nog kadootjes, maar vind eigenlijk niks leuks. Ik heb vreselijke dorst en zit even bij een zaakje waar ze een heerlijk vers sapje voor me maken van wortel en sinaasappel. Er staat een grote ventilator in de hoek en het is hier heerlijk koel. Er loopt een bleek oververhit stel met rugzak binnen, wapperend met een papiertje. “This is fake airco”, zegt het meisje met een zwaar Amerikaans accent en blijft stilstaan op de drempel. Ze draait zich half om naar haar vriendje. “This airco is not real guys”, herhaalt ze nog even voor de duidelijkheid. Nee, het is wel duidelijk dat ze hier dan niet naar binnen kunnen. Werkelijk.

Ik vertrek en loop langs de groentenmarkt waar ik nog meloen koop en een zak citroenen voor in het water, en ik kom langs een bakker, waar de heerlijkste zuid-mediterrane broodjes liggen, van die gevlochten witte broodjes met sesam, en verschillende ronde platte broodjes, driehoekige gevouwen broodjes met maanzaad en iets mysterieus er in, ik neem van alles mee. Misschien kan ik ergens nog kaas en humus vinden, dan heb ik voor vanavond iets bij die wijn.

Intussen loopt het zweet me over de rug, mensen wat een hitte, ik hou mijn hart vast voor morgen. Geen idee ook hoe laat het is, maar geen denken aan dat ik met die twee kilo kipkruiden en die meloen aan mijn arm nu naar Jaffa ga. Ik loop lekker naar huis, waar het ook warm is, maar de airco kan aan, en ik douche lekker even en trek een flapperjurkje aan. Het is nog geen vijf uur, maar die fles Golan-wijn gaat open, en man man man, wat is hij lekker, nee niet omdat hij lekker móet zijn omdat er ongeveer vijf flessen Stellenbosch in gaan, hij is echt zó lekker, dat ik overweeg om straks even langs het supermarktje te lopen en het tegen de verkoopster te zeggen. Ik pak een bord, giet er wat olijfolie op en wat zout, en breek wat van het brood af, een ervan zit vol met vijgen, en ik zit even heerlijk te rusten, en ik denk, “Ik moet niet vergeten dit goed in me op te slaan, ik moet het niet aan me voorbij laten gaan, ik ben hier!

Ik gooi mijn tas verder leeg en kleed me snel weer aan om naar Jaffa te gaan. Ik overweeg een taxi maar volgens mij ben ik sneller als ik loop. Langs de zee staat trouwens een heerlijk verkoelend windje in de rug en halverwege tref ik een Mobike aan. Ik doe eerst de oude haven aan, loop dan met de schroeiend hete zon op mijn hoofd naar boven waar ik prachtig uitzicht heb over zee en waar de wind me weer een beetje afkoelt alsof die me steeds aanmoedigt om toch weer verder te gaan. Dan door de priegelige eeuwenoude gele steegjes naar beneden, waar het koel is. Ja, het is wel mooi, maar erg toeristisch, veel ‘art galleries’ en chinese toeristen, en waag me vervolgens naar de rommelmarkt die hierachter ligt. Alleen heb ik eigenlijk nog steeds nogal trek, dus als ik een leuk hipster straatje passeer, loop ik er maar meteen in, ik doe gewoon even een hapje. En een drankje. Misschien hebben ze hier een lekkere smoothie. Alhoewel, de jongen achter de bar (óók zo’n rossige met een baardje) staat net te schudden met een cocktailbeker en giet iets in een roodomrand cocktailglas. “What are you making?”, vraag ik. “Spicy Magharita”, zegt hij, “it’s with pepper”. “Ok I’ll have one of those”, zeg ik, en ik flap mijn iPad uit op de bar, want als ik hier nog een tijdje zit, kan ik net zo goed even aan het werk. Ik krijg ook het ‘business menu’ van de jongen, dat komt goed uit. Ik bestel fried cauliflower, artichoke salad en lamb kebab. Ik krijg ze in ronde schaaltjes en de kleur spat er van af. Het ruikt heerlijk, het smaakt heerlijk, en van de helft weet ik niet wat het is. De barjongen vraagt: “I hope everything is ok. Where are you from?” “When I see this food, I come from the desert”, zeg ik tegen hem.

Na al dat heerlijks heb ik geen zin meer in de markt. Voor de vorm loop ik er nog eventjes overheen, maar ik ben een beetje marktenmoe om niet te zeggen dat die cocktail in mijn benen zit. Morgen moet ik er om 6:00 uur uit dus naar huis.

Shalom!

Waarom? Ja, ik weet het ook niet mensen. Ik doe ook maar wat. Ik wilde ergens heen wat vreemd was, en ver genoeg weg om alle andere gedachten uit mijn hoofd te laten verdringen door de verwondering, maar dicht genoeg bij om niet te hoeven overstappen met het vliegtuig. Het liefst ga ik natuurlijk naar Istanbul, de schatkist die nooit leegraakt, maar een keer het patroon doorbreken is ook wel eens goed. Ik streek met mijn vinger langs de kust van de Middellandse Zee, en al het Europese viel dan meteen af, Palermo, Malta, Dubrovnik? Allemaal nog steeds niet vreemd genoeg. Monastir? Tunis? Algiers? Hm, heel verleidelijk, prachtige romeinse steden in de buurt op rij-afstand, maar Tunesië of Algerije in mn eentje is misschien ook een beetje teveel van het goede nog. Verder naar het oosten sla ik Tripoli en Caïro ook maar over, ook al hebben ze een mysterieuze en romantische aantrekkingskracht op me. Iets verder naar rechts ligt Israël. Israël? Israël! Tel Aviv ligt aan zee toch? Aan zee! Ineens was heel de wereld in orde, en alles viel op zijn plaats. Op de radio hoorde ik iemand Tel Aviv zeggen, dat kon geen toeval zijn. En hoe lang is dat vliegen eigenlijk? Er gaat vast wel een rechtstreekse vlucht vanuit Amsterdam. Dat niet, maar wel vanaf Eindhoven, en daar zit ik dan, tussen duizenden RyanAir toeristen met omgekeerde petten, ik dacht: “Shit, ik wist niet dat Tel Aviv zó populair was”, maar er gaan natuurlijk ook mensen naar Alicante en Ibiza, blijkt als ik niet in de gewone rij moet gaan staan maar in de kòrte rij, de rij waar TEL AVIV boven staat en die langs de extra security gaat. Prompt schiet me een scene te binnen uit Life of Brian, mijn favoriete film aller tijden: “Crucifiction? Good. Line on the left, one cross each.” Die film was trouwens opgenomen in Monastir in Tunesië, wat dus óók op mijn lijstje stond. Ook al ga ik niet naar Jeruzalem, ik voorzie dat ik de komende dagen steeds weer Life of Brian voor me zie, nou ja, vrolijkheid. Intussen word ik er weer als énige uitgehaald om gefouilleerd te worden, en hoor ik allemaal Hebreeuws om me heen. Naast me gaat een meisje zitten van een jaar of twintig. Ze draagt een knielange spijkerrok, een zwart coltruitje met een grijs t-shirt eroverheen. Ze heeft een hoofddoekje achter haar oren dichtgeknoopt en ze draagt panties en platte ballerina’s met tijgerprint. Zou zij ook gefouilleerd zijn, vraag ik mezelf onwillekeurig af.

Op Ben Gurion besloot ik eerst geld op te nemen zodat ik een treinkaartje kon kopen, niet omdat ik de taxi niet kon betalen maar omdat de trein nemen natuurlijk veel leuker is, vooral als je niet kan lezen waar ze naar toe gaan, want niet alle bordjes zijn vertaald in het engels. Die lol was er dan weer wel snel af want er werd in het Engels omgeroepen dat alle treinen naar Tel Aviv van spoor twee vertrokken. Alleen het pinnen lukte niet. Op twee machines niet. Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest gehad om wat geld mee te nemen en dat kon ik gelukkig wel wisselen. Treinrit duurde maar 15 minuten, lekker koel ook, en met de Gett app op mijn telefoon bestelde ik vanaf dat station een taxi. De Uber doet het hier ook, maar op de een of andere manier krijg je dan een gewone taxi, met het gemak van de Uber zegmaar, en je betaalt de meter. Voor mij was het 48 ISL, ik ga vanaf nu gewoon sjekel zeggen want dat is leuker, hij kost ongeveer 25 eurocent, dus dat viel weer mee. Even kletsen met de taxichauffeur, die ik mijn pogingen vertelde om wat woorden Hebreeuws te leren, waarop hij vrolijk aan het overhoren sloeg, toda, toda raba, lehitraot, boker tov, en mij en passant doorzaagde over wat ik hier kwam doen, in mijn eentje. “You are here alone? From Europe? And you don’t know anyone here? That’s so strange” zegt hij. Yup. Vervolgens begint hij te foeteren op het verkeer. “This is the problem in Tel Aviv”, zegt hij als we na een bocht weer stil staan, “this traffic is crazy”. “It’s the same in all the cities”, zeg ik, mijmerend over Istanbul. Ik vraag hem ook waar hij vindt dat ik naar toe moet gaan. “You shouldn’t go here”, zegt hij. “This is the south, it’s a bad neighbourhood, as you can see it’s a mess.” Fijn om te weten dat ik een appartement heb geboekt in een achterbuurt. Eerlijk gezegd vond ik het zelf nogal meevallen. Maar volgens hem moet ik naar het noorden, naar boulevard Rothschild en het Dizengoff centre. Ja, ik weet dat dat de aangewezen winkelcentra zijn. Maar daar ben ik helemaal niet op uit. Ik wil juist dit, deze rommeligheid waar mensen gewoon aan het werk zijn, dus ik ben al weer intens gelukkig in de taxi.

Ik ben in no time in het appartement, Nadine was er niet maar ik kon de deuren openen met codes, dus om 15:00 stond ik al binnen. Heerlijk, heerlijk, raam open, er kwam een frisse bries van zee, die ik aan het eind van de straat zie glinsteren, een echte zeebries, wat heerlijk. Kleren uit, hamamdoek om, glas water inschenken, op de bank ploffen en meteen even de wifi installeren, ja, Netflix doet het ook. Dan snel koffer open en douchen, want om vijf uur moet ik bij de klokkentoren zijn voor een rondwandeling. Redelijk opgefrist stap ik de hitte weer in. Hoe zal ik eens naar die klokkentoren gaan? Als ik aan het eind van de straat ben besluit ik een Uber te regelen. Misschien handig als ik even naar de overkant loop, waar een parkeerterrein is. Wacht even, is dat een Móbike? Ik zie daar toch echt zo’n oranje fiets staan. Verrek, het is een Mobike. Even zien of mijn Mobike-app het hier ook doet. Krijg nou wat, het slot spring zo open! Dit is tè grappig, ik ben aan het fietsen in Tel Aviv, ik heb geen idee waar ik ben, maar het maakt me ook allemaal niet uit, ik moet ongeveer die kant op, en ik vertrouw blind op mijn richtinggevoel, en dan rijd ik ineens de boulevard op en zie ik ineens de onstuimige zee, de golven rollen glinsterend over het strand. “Hallo papa, zie je mij hier fietsen?”, denk ik (waarom denk ik dat toch steeds op zulke momenten?), er zijn hier overal fietspaden, net als in Izmir, en er staat een heerlijk windje en flinke golven, en verderop zie ik de prachtige kustlijn van Jaffa, waar ik heen moet, en ik moet vreselijk lachen om mezelf, zeker wanneer ik zie dat iederéén hier op een fiets of een step staat, alleen dan een elektrische fiets of step, óveral zie je die dingen, met allemaal van die hippe Venga-boys en girls erop, eigenlijk ben ik maar een sukkel dat ik zèlf aan het fietsen ben, en dat bij deze hitte, maar wat heb ik een lol. Ik fiets in Tel Aviv. Op de Tel Afiets!

Ik ben echt ruim op tijd voor mijn afspraak en ik snak óók naar die verlossende kop koffie, maar helaas, op mijn vraag of ze een latte hebben, krijg ik het antwoord: “Large? Yes sure!”, waarop ik denk, laat maar, en dan krijg ik inderdaad zo’n Turkse koffie, maar dan twee keer zo groot, large dus, met ook een large bodem koffiedrab onderin. Kost me ook nog eens 20 sjekel, 20 sjekel! Geen Turkse prijzen dus, dat is tot zover wel duidelijk.

Om 17:00 sluit ik me aan bij een gelukkig heel klein groepje dat onder leiding van Itzak de buurten gaat verkennen. Twee Poolse meisjes, een Duits/Grieks meisje met haar moeder en een Braziliaans meisje dat in Duitsland woont. Itzak is nogal lang van stof op die sandalen van hem, maar het maakt me niet uit, ik vraag hem verder de oren van het hoofd en dat vindt hij ook allemaal prima, en ik steek er óók nog wat van op, namelijk dat in de tijd dat de (Oost-Europese, Spaanse, Amerikaanse) joden grond kochten in Palestina, het land nog Ottomaans was. En het Ottomaanse rijk was aan het vervallen, het werd makkelijker om land te kopen, en na de Turken hadden de Britten het bewind over de streek. Ik dacht altijd maar steeds aan arabieren en ‘Palestijnen’, maar ik vergat de context van het Ottomaanse rijk. Heerlijk, weer een study-target. Aan het eind van de wandeltocht ben ik ook zo’n beetje de tolk, want de Poolse meisjes spreken beter Frans dan Engels, en de moeder spreekt alleen Duits, en als ik een Hebreeuws bordje boven een deur hardop zeg (Shalom al Israel), vraagt de gids of ik óók al Hebreeuws spreek, maar nee, ik heb alleen de letters uit mijn hoofd geleerd, maar dan nòg is het vet moeilijk, en geen idee verder wat er staat, maar ik weet wel dat ik op moet passen dat ik nu niet ook nog Hebreeuws wil gaan leren.

Aan het einde van de tour die kruip-door-sluip-door langs allerlei wijkjes slingerde, is het bijna donker. De route leidde ons allengs dichter naar mijn appartement en ik weet dat hier ergens een goed restaurantje zit want natuurlijk obsessief van te voren gegoogled. Ik neem een paar keer een verkeerde afslag in het donker en kom dan op de markt terecht, die helemaal door touristen verlaten is maar waar mensen aan het opruimen en schoonmaken zijn, waar de weg in een grote vuilnisbelt is veranderd en waar het naar visafval en rotte groenten ruikt. “Toch maar niet meer doen, Jen, dit”, zeg ik tegen mezelf terwijl ik snel doorloop en de weg weer terugvindt.

Bij HaBasta wil ik eten bestellen maar moet even goed kijken hoeveel geld ik nog heb, ik had honderd euro gewisseld, maar er zit nu nog 170 sjekel in mijn portemonnee. Volgens mij is hier iets fout gegaan. Wat heb ik gekocht vandaag? Een kop koffie en een pen. Nou ja, in elk geval kan er nu net een steak tartare met rauw ei en bacon (ja echt), een gevulde zucchini en een lokaal biertje van af. Alles is heerlijk. Ik zit aan de bar. Ik ben aan het schrijven. Tel Aviv is zo vreselijk eclectisch leuk. Soms leek het op Spanje, soms echt op Havana, en op een middeleeuwse kruisvaarderstad. En nu zit ik hier, en de muziek is Argentijnse accordeonmuziek á la Adios Nonino, en als ik dan Por Una Cabeza hoor, dan zie ik mezelf ineens van een afstandje hier zitten, aan de bar in een klein restaurantje in een zijstraat van Tel Aviv, een vreemde tussen al die hipster Israeli’s, alsof het de jaren twintig is en ik per ongeluk op iemands feest terecht ben gekomen, of mijn schip naar Europa heb gemist, en het hele verhaal is al compleet, wat ben ik weer verschrikkelijk gelukkig.