
En dat de wekker gaat om 6:00 uur is geen probleem, want ik ben dan al een half uur wakker en kan lekker even rustig aan doen en koffie zetten. De warmte zit in mijn lichaam en ik loop al een paar dagen met een lichte buikpijn, maar na een heerlijke kop koffie, een stukje vijgenbrood en een paar plakken meloen trekt het weg. Ik ben echt een beetje warrig in mijn hoofd en moet heel goed nadenken waar alles is en wat ik ook alweer mee moet nemen. Een van de meisjes van de wandeltocht had gezegd: “Whatever you do, don’t shave!”, dus die wijze raad neem ik ter harte, en ik pak een fles water, mijn bikini en een strandhanddoek mee, en de witte katoenen safarihoed die ik gisteren in Jaffa heb gekocht. Ik meld me om 7:00 uur bij het Royal Beach hotel, waar het busje staat te wachten met Tera en Yevgeny, die ons naar Masada en de Dode Zee gaan brengen. Er is verder niet veel over te vertellen eigenlijk. We rijden naar het oosten. Het wordt steeds heter, ook al merken we daar nog niet veel van want airco in het busje. We passeren Jeruzalem, grote betonnen muren met controleposten waar niet wordt gecontroleerd. We stoppen even voor koffie bij Ahava (‘liefde’), de dodezeezoutfabriek waar ze alle denkbare verzorgingsproducten maken, voor koffie en eventueel een rondleiding en dodezeezoutproducten te kopen, beetje zo’n vreselijk verkoop-tourprincipe. Onderweg naar Masada, wat Tera trouwens uitspreekt als Mesedàh, krijgen we uitgebreide instructies over wat we wel en niet moeten doen, vooral veel water drinken, en een hoed dragen, want het is heet en het zal niet de eerste keer zijn dat iemand per helikopter afgevoerd moet worden (want er is geen weg naar Masada). Nou lijkt me dat ook geen straf, maar ik begrijp de pointe. Als de bus stopt, en ik uitstap, lijkt het alsof er een gloeiend hete rasp over mijn huid gaat. Ik geloof niet dat ik ooit deze hitte heb gevoeld. Maar eigenlijk gaat het best. Mijn lichaam gaat gelijk op de spaarstand. Rustig aan, mensen. Wat me verder opvalt is de drukte. Ik heb er gelijk al geen zin meer in. Op zóveel plekken had ik al willen stoppen onderweg om foto’s te maken, van de bedoeïenen met kamelen en jeeps en tv-schotels, van de woestijn, van de dadelplantages, en nu moet ik weer achteraan aansluiten in de rij. Ik bèn er niet van, mensen. Ik spreek even met een dame uit Noord-Ierland die naast me staat. Die ìs hier al een keer geweest en nu gaat ze nòg een keer. Ze vraagt of ik al in Jeruzalem ben geweest. Nee, zeg ik, en dat ga ik ook niet doen. Ze kijkt me een beetje vragend aan en ik zeg dat ik hier maar een paar dagen ben en Jeruzalem dan een beetje veel van het goede is. Ze is vast katholiek, dus ik ga maar geen botte dingen zeggen. Inmiddels staan we met z’n allen te dringen voor de kabelbaan. Ik kijk naar boven en vraag me af wat er straks gebeurt als ik er in sta en het ding komt in beweging. Ik heb géén goeie ervaringen met hoogtes. Na vijf minuten is ie er al. Jammer dat ik niet naar buiten kan kijken, het is vast prachtig. Als ik allerlei geluiden hoor doe ik mijn ogen weer open en kunnen we naar buiten. De schroeiende hitte slaat ons als zweepslagen over het lijf. Over een smalle loopplank moeten we naar de ingang in de rots lopen. Ik schuif zowat met mijn buik tegen de rotswand om de afgrond maar niet te hoeven zien. Maar het is wel mooi, Masada. Je komt binnen door de poort waar iedereen al die eeuwen door heen kwam, want de enige weg er naar toe was het ‘slangenpad’ van een halve meter breed. Stiekem ben ik een beetje jaloers op mijn Amerikaanse reisgenote die vertelt dat ze in ‘93 om 3:00 uur in de ochtend over dat slangenpad omhoog is komen lopen, wat stoer, dat wil ik ook wel, maar helaas. Herodes was trouwens niet van het halve werk, want hij heeft onder andere de drie of vier meest bezochte toeristische plekken in Israël gebouwd waaronder de klaagmuur (althans de bijbehorende tempel), half Cesarea, en Masada. Omdat hij zelf joods zei te zijn (de ‘echte joden’ vonden van niet, affijn allemaal haat en nijd en problemen), is er op het complex ook een synagoge gebouwd. Er zijn nog best veel originele romeinse elementen te vinden, maar alles is afgehekt en gebaand en je dient netjes in één richting achter elkaar aan te schuifelen en waag het niet een stukje terug te lopen want dan kom je in botsing met de groep die àchter je loopt en ontstaat er een hoop irritatie dan wel paniek omdat de groep niet meer compleet is, en de andere groep er één teveel heeft, affijn een hoop consternatie dus je kan maar beter doorlopen. Schaduw is er bijna niet, dus je wìl heus wel doorlopen, en in de schaarse overdekte ruimtes ontstaan de hele dag opstoppingen omdat mensen er snel heen willen lopen en er veel te lang in blijven staan.
De rondleiding was gelukkig na nog geen driekwartier schuifelen afgelopen en ik snakte naar de bus met airco. Als ik alleen was geweest was het een ander verhaal geweest, maar goed, dat weten we nu wel. Erg mooie uitzichten over de woestijn van Judea en de Dode Zee want je staat enorm hoog op een steile rots. Ook zie je nog de tweeduizend jaar oude omtrekken van de romeinse kampementen uit de tijd van de belegering waarbij 1200 Joodse mensen die zich verzetten tegen het romeinse bewind, elkaar vermoord zouden hebben, een soort collectieve suïcide met lootjes trekken.
Het punt is, met zo’n excursie kan je wel zien, en ook wel horen, maar niet voelen.
We lunchen hier ook, de lunch zit erbij en ik mag wat kiezen van het buffet, het is best lekker, maar het is alsof ik in de kantine van de Efteling zit op tweede pinksterdag. Plastic dienblaadjes, plastic bordjes, verschrikkelijk. Ik wacht vervolgens buiten onder een parasol op Tera en de rest. Een groep Amerikaanse jongens komt ook richting de parasols. “This is fake shadow, guys”, zegt de voorste. Ik maak echt geen grappen, mensen. “Yeah this is totally fake shadow”, zegt nummer twee. “Let’s go inside”. Ja, doe dat.
Yevgeny vertelt ons dat het inmiddels 44 graden is. Nou, dat valt me weer reusachtig mee. Volgende stop is Dode Zee. Nah, mensen, dáár wil ik het liefst zo min mogelijk woorden aan vuil maken. Okee, ik hèb in de Dode Zee gelegen, maar daarmee is zo’n beetje al het memorabele gezegd. En ik zeg je ook: als iemand ooit tegen je zegt dat hij in de Dode Zee heeft gezwommen dan liegt hij. Je kàn namelijk helemaal niet zwemmen in de Dode Zee. Om te beginnen word je uitgebreid gewaarschuwd voor de hitte van het zand en de zwarte modder, vanwege de donkere kleur absorbeert dat al het zonlicht, dat sowieso al regelrecht uit de hel komt. Slippers aan dus. Heb je die niet bij je? Geen probleem, die kan je daar wel kopen. Goh, toevallig. Vervolgens krijg je 1001 warnings voor de gevaren van het water, dat 44% mineralen bevat ipv de 5% van de Middellandse Zee. Drink het niet, want dan ga je dood, en krijg het niet in je ogen, want je retina gaat eraan. Hoe het nog zo goed kan zijn voor je huid is me een raadsel, maar ik begrijp nu wel waarom me werd afgeraden om te shaven. Eenmaal daar aangekomen heeft het alles weg van een bedevaartsoord, al spelen er zich helemaal geen bijbelse taferelen af volgens mij. Niettemin is het het diepste punt op aarde; 400m onder zeeniveau. Het stikt er werkelijk van de Amerikanen die verschrikkelijk veel lawaai maken. Grappig detail: ik sta me om te kleden, in de kleedkamer (zo’n ouderwetse met van die bankjes) schuifelt een oudere dame naast me, zet al kletsend met haar vriendin haar tas neer op het bankje, zegt tegen haar: “I bought só many things today I don’t even know whàt I bought”, maakt vervolgens aanstalten om weer te vertrekken en neemt doodleuk míjn tasje mee! Waar mijn camera en mijn nieuwe slippers in zitten. Ik grijp haar bij haar arm en trek mijn tasje uit haar hand. Ze gaat zich te buiten aan excuses. Jaja. “Trut”, denk ik.
Okee anyway, ik naar beneden in de gloeiende hitte en mijn bikini, moet je eerst nog een flinke trap aflopen, want het water zakt elk jaar een meter. Kom je beneden aan, is er maar een strandje van pakweg 100 meter waar je een plekje moet zoeken met of zonder zwarte modder. Ik doe maar mèt, ik ben er nu toch. Het water in lopen dat lauwwarm is, voorzichtig je voeten neerzetten, want òf glad, òf scherpe steen, en als je dan kniediep in het water staat, bukken, modder van de bodem schrapen en op je huid smeren. Ik denk er maar niet over na dat al deze modder die hier op de bodem ligt al op duizenden lichamen heeft gezeten, waarna het is afgespoeld en gewoon weer terug op de bodem is gedwarreld, als een soort ultieme recycling. Ik troost me met de gedachte dat er niets kan leven in dit water, dus alle menselijke bacteriën zullen wel dood zijn. Voorts loop je verder het water in, dat hoe dieper het is, hoe koeler het wordt, wat echt wel verrukkelijk is, maar als je denkt dat je dan even lekker een plons kan nemen, nee dus want: niet spetteren, niet onder water vanwege je ogen, ik durf niet aan mijn haar te denken dat er momenteel al uit ziet als een bleke suikerspin en ook zo aanvoelt. Okee, ik laat me langzaam achterover vallen en ik drijf nu, ik drijf in de Dode Zee. Het is wel heel grappig, ik hoef echt helemaal niks te doen. Ik dobber een beetje naar wat dieper, koeler water, ik probeer me om te draaien, maar het lukt niet. Zwemmen is echt onmogelijk, je wordt meteen weer teruggedraaid. Rechtop drijven kan weer wel, ook waar je helemaal niet kan staan blijf je omhoog drijven als een dobber aan een hengel. Onder water voelt het water glad aan, maar zodra ik uit het water kom en over mijn huid strijk, voelt het alsof ik bedekt ben met een laag zand. Ik spoel me meteen af onder de douche op het strand en vertrek, weg uit de hitte. Ik heb nog een half uur voordat we vertrekken, die ik besteed aan langzaam rondlopen in de buurt van de ventilator. Nou dat was het dan. Daaag Dode Zee. Straks even lekker onder de douche.



