Kibyra, Jenneke out

Er moest nog even een wrap-up komen anders is het ook zo bruut afgelopen. Punt is dat ik die laatste dagen eigenlijk helemaal niks meer meemaak, dus er valt weinig te schrijven. Maar hoe dichter ik bij woensdag kom, hoe meer ik het gevoel heb dat ik op zo’n zware goederentrein zit, die ergens heen gaat waar ik helemaal niet heen wil en ik kan er niet af.

Dinsdag zal een beetje pakdag zijn en ‘waar wil ik nog even heel bewust van genieten’-dag, dus zondag en maandag blijven over voor fringe-activiteiten en ontdekkingstochten. Twee dagen nog maar.

Gelukkig is het prachtig weer, helemaal geen regen, zelfs heet, dus ik lig zondag grotendeels onder de bomen op het Kidrak strand, waar het rustig is. Met mijn tatoeage gaat het prima, ik heb een paar dagen geleden het plakplastic er af getrokken, en ik smeer het afwisselend in met de ‘vegan’ creme die ik van het hipster meisje kreeg, en factor 50 zonnebrand. Ook heb ik een fles gekookt water met een beetje desinfecterende zeep erin bij me, waarmee ik hem afspoel als ik in het water ben geweest, al heb ik niet het gevoel dat dat echt nodig is, sterker nog, waarschijnlijk verpest ik er de heilzame werking van het zeewater mee, maar laat ik voor deze keer maar iemands advies opvolgen. De huid ziet er perfect uit, alsof hij nooit is aangeraakt. Ik snorkel een beetje maar er is niet veel te zien. Ik lees het fantastische Een Soort Geluk van Peter Abelsen. Ik drink een heleboel water en eet amandelen en pistachenootjes, tot ik er weer klaar mee ben en mijn rug toch wel een beetje aan het schroeien is. Ik doe niet te moeilijk met eten en stop onderweg bij bistro Belcehan, eigenlijk is het nog te vroeg om te eten maar het maakt me niet uit. Omdat ik op één Engels stel na de enige ben, word ik helaas aan de straatkant aan een tafeltje gezet en gaat de kok zich vanuit de keuken rechtstreeks met mijn bestelling bemoeien vanachter zijn uitserveerbalie vandaan. Als ik linzensoep en ‘chef’s special’ grill bestel, steekt hij lachend zijn duimen naar me op. Ik klap mijn iPad open en ga zitten schrijven, me bewust van het feit dat ik aan de doorgaande weg zit en iedereen me hier ziet. Morgen wil ik vroeg opstaan, want dan doe ik de laatste expeditie van deze vakantie, naar Kibyra in de buurt van Gölhisar, ongeveer 115 km rijden waar ik dik twee uur over zou moeten doen.

Ik sta om half acht op en pak wat spullen bij elkaar, een lange broek en een trui voor het geval dat. Water, een paar mueslikoeken. Het eerste deel van de tocht herken ik, hier reed ik een paar jaar geleden toen ik uit Denizli kwam, en ook toen ik met Jan naar de Saklıkent kloof en het ook zo prachtige ongerepte Tlos ging. Maar nu ga ik veel verder het binnenland in. Na de afslag Tlos kom ik op onbekend terrein en verder het binnenland in wordt het landschap eerst steeds landelijker en dan steeds ruiger. Kleine boerderijtjes die er een beetje vervallen uit zien wat hier normaal is, we kijken hier niet op stukje roest of afgebladderd verfje, en kleine dorpjes passeer ik, waar de weg dwars door heen loopt. Het landschap doet me erg vreemd aan, ik heb eigenlijk nog nooit zoiets gezien, het is groen en glooiend en rotsachtig tegelijk, soms lijkt het op een beeld uit Lord of the Rings. Halverwege moet ik kennelijk een bergrug over want de weg wordt steiler en begint intensief te slingeren. De uitzichten over de dalen zijn spectaculair, ik rij expres niet te snel, want alles verandert ook steeds heel snel, en ik wil overal van genieten. Ik wou dat mensen konden zien hoe mooi het hier is, dan weer hardvochtig rotsachtig afwijzend grijs, en dan weer zacht en rustig glooiend groen. Er zijn verschillende slimme pannekoekenbakkers die gebruik maken van de spectaculaire diepe kloven waar de weg langs ligt en die met wat golfplaten en tentdoek en pallets en kleurige tapijten en kussens in de berm een gezellig wegrestaurantje in elkaar hebben geflanst, en ik neem me voor daar op de terugweg lekker even te gaan zitten. Hoe verder ik kom, hoe religieuzer de mensen er uit zien en ik heb al weer spijt dat ik niet metéén een lange broek heb aangetrokken. Als ik in de buurt van Kibyra kom, staan een paar verlepte bordjes dat wel aan te geven, en dat is een goed teken, als het nieuwe bordjes waren geweest zou de stad al weer in verregaande staat van restauratieontbinding zijn. Als ik er bijna ben herken ik de weg niet terug op de kaart, alle wegen zijn hier veranderd en hier waar ik rechtsaf moet is de weg opengebroken en is men aan het werk. Ik rij nog even door en probeer een andere afslag te zoeken maar die is er niet. Ik besluit het maar te vragen aan de wegwerkers. “Yes, turn right here”, zeggen ze tegen me. Maar de weg is toch opgebroken? Maakt niet uit, je kan er wel overheen, gewoon om de afzetting heen rijden en door de gravel en de modder, verderop loopt de weg gewoon verder, toch?

Uiteraard is de weg verder verlaten, ik rij omhoog over de kronkelweg, passeer een parkeerplaats maar kijk toch of ik nog verder kan komen, en dat kan, de weg wordt steeds smaller en de bestrating houdt ook op, maar hoe hoger ik kan komen, hoe minder ik straks zelf hoef te klimmen. Naar een paar minuten is er toch weer een kleine parkeerplaats en houdt de weg echt op. Ik hoopte helemaal alleen te zijn, maar het ziet er naar uit dat er een motorclub aanwezig is, want ik zie een stuk of twintig motoren staan en als ik mijn auto parkeer zie ik ze allemaal bij de ingang zitten. Shit, had ik nou toch maar die lange broek aan gedaan. Ik stap uit, doe net of er niks aan de hand is terwijl twintig monden zwijgen en twintig paar ogen mij volgen, wat er welbeschouwd ook niet is behalve dat ik me nogal opgelaten voel, ik haal mijn spijkerbroek uit de kofferbak en ga die zittend in de auto aantrekken. Als ik naar de ingang loop blijkt het niet een motorclub te zijn maar een groep arbeiders die bezig zijn met een nieuwe ontgraving. Voor mijn ogen zie ik een gat van ongeveer vier bij drie meter en twee meter diep, waar muren worden blootgelegd en een paar mensen met lepels en kwastjes kleine dingen aan het uitgraven zijn. Ik vraag of ik een foto mag maken maar het mag niet.

Het is weer bloedverziekend heet en ik besluit eerst maar helemaal naar de hoogste top te lopen die ik kan vinden. Langs de kant van het pad liggen kapitelen en delen van pilaren en andere blokken graniet en marmer. Er is weinig aangegeven en op Google Earth wat ik gelukkig nog goed kan ontvangen, navigeer ik mezelf naar wat het hoogste punt lijkt te zijn. De paden zijn compleet overgroeid en af en toe vraag ik me af of dit wel paden zijn, waarschijnlijk niet, maar het avontuur wil ook wat. Die lange broek is dan ondanks de hitte wel fijn tegen alle doornstruiken die tegen mijn benen slaan. Ik zie geen structuren van gebouwen, maar ik voel dat ik er wel overheen loop, de grond heeft soms een kaarsrechte vorm of een hoek. Verder naar boven liggen er wel bouwstenen los, kris kras over elkaar alsof ze in geen eeuwen zijn aangeraakt. Op het hoogste punt klim ik op wat stenen die daar liggen en drink wat water. Rechts zie ik de arena liggen, verder zie ik vooral veel groen. Kibyra, oftewel Caesarea, werd in de tweede eeuw v.C. onder “zachte dwang” bij het Romeins rijk getrokken met een offer they couldn’t refuse zegmaar, iets van weet je wat, wij (Romeinen) helpen jullie wel van die verrekte Grieken af te komen, als je daarna belooft vriendjes met ons te blijven, waarna het natuurlijk wel de bedoeling was die vriendschap te blijven bewijzen. Zoiets. Maar ik heb geen geschiedenis gestudeerd helaas dus het blijft een beetje giswerk. Wat een ongelofelijk gebrek is dat toch elke keer weer.

Ik wandel achteloos een beetje rond op die top, wat niet ver kan want dichtgegroeid met struiken, en het valt me ineens op als ik naar de grond kijk dat hier wel heel veel scherven aardewerk op de grond liggen, niet zómaar aardewerk van leidingen, maar gevormd en gedecoreerd aardewerk. Ik raap wat stukjes op en laat ze aandachtig door mijn vingers gaan. Een halve ronde onderkant van een schaaltje of kom, een stukje van een oor, een tuitje, een pootje. Ik dwaal een beetje rond, naar de grond kijkend, gelokt door steeds weer nieuwe stukjes. Dan zie ik half onder een struik wat grotere stukken liggen. Ik raap er een op en zie dan werkelijk voor de eerste keer een stuk beschilderd aardewerk. Sierlijke lijnen en bloemen, in verschillende kleuren rood en bruin, misschien zijn het ooit wel andere kleuren geweest. Een ander stuk past er precies aan vast. Het is het grootste stuk “echt serieus aardewerk” dat ik ooit zelf heb gevonden. Ik leg het voorzichtig terug onder de struik.

Ik wil nu zoetjesaan wel terug gaan lopen richting de arena, maar heb zeker tien minuten nodig om de weg terug te vinden door het struikgewas. Bovendien wil ik bovenaan de arena uitkomen, dus duik ik vanaf het doorgaande pad, dat werkelijk bezaaid ligt met potscherven, weer ergens halverwege de bosjes in van waaruit ik volgens Google Earth inderdaad op de bovenste rand moet uitkomen. Dat is gelukkig ook zo. Ook hier ligt boven de hoogste rijen net als in Stratonikeia een kleine tempel die over de arena uitkijkt, althans die staat er dus niet meer, maar wel delen van de vloer en her en der verspreid delen van pilaren, de rest ligt beneden. Ik loop over de verder onaanzienlijke vloer naar de eerste rij toe, stap een rij naar beneden en ga zitten. Het uitzicht is alweer verschrikkelijk mooi en weer heel anders: hier kijk je ver over een brede platte vlakte uit (“Cybriatic plains”) met daarachter een langgerekte bergrug. Ik pak mijn flesje water en besluit even de tijd te vergeten en als ik dat gedaan heb begint in de vallei van Gölhisar net de ezan, die van verschillende plekken uit de diepte opstijgt. Het is een magisch gezicht en geluid, de vlakke vallei, en de ezan bedekt door de stilte, al klopt het niet met elkaar: de Grieken en Romeinen kenden geen oproep tot gebed, Mohammed was nog niet geboren, en die schallende ezan in de verte klinkt als een overwinningslied, ooit woonden hier Lyciërs, Kabaliërs, Milyërs, Pisidiërs, Grieken en Romeinen, maar nu wonen wij er. Verder is er alleen maar stilte. Geen mensen, geen dieren, ik ben hier volstrekt alleen en alles is zo mooi. En ik zit hier weer te verschroeien in de hitte en het water is al bijna op. Minuten lang geniet ik nog en probeer dan een weg naar beneden te vinden, maar deze arena is te vervallen, grote stukken ontbreken er gewoon, en ook verschrikkelijk hoog en steil, iets van 50 rijen, ik durf het niet aan. Ook langs de zijkant weet ik me maar met moeite overeind te houden en verschillende keren glij ik onderuit op de losse grond. Beneden zie je pas goed wat een rommeltje het is en hoe de pilaren van boven naar beneden zijn komen stuiteren. Rechtsaf ga ik langs een kleiner theater, dat wel van top tot teen in de steigers staat waardoor ik geen foto’s kan maken. De prachtige mozaïekvloer ligt er om mij onbekende reden niet, er ligt grind in de bak. Binnen ziet het er allemaal erg nieuw uit. De achterkant is interessanter. Daar mag je niet komen, maar er is toch niemand en ik beloof dat ik niks stukmaak. Ik kom in een soort watercentrale, ik weet niet hoe het werkt maar er komen een heleboel rode aardewerk buizen op uit en er staan ronde stenen schijven opgestapeld op de grond, in stapeltjes van vier. Ik weet nu ook weer waar ik die gezien heb, in Arykanda lagen ze los op de grond en ik vroeg me toen al af waar ze voor waren, en nu weet ik het dus nog steeds niet, maar het heeft iets met watermanagement te maken.

Ik ben inmiddels ook moe en hongerig en wil eigenlijk naar huis, maar onverwacht passeer ik ook nog een reusachtige marmeren winkelstraat met iets van een bad/drinkbak wat ik nog nooit heb gezien en een soort badkamer aan het eind, wat waarschijnlijk gewoon een openbare latrine is, maar de buizen lopen omhoog (of omlaag? Als een stortbak?), dus ik snap het niet. Vlakbij de uitgang ligt ook nog een geweldige hippodroom die ik natuurlijk helemaal rond moet lopen en ik geloof dat ik uiteindelijk vier uur later pas weer bij mijn auto sta.

Ik ben ketskapot. Mijn tattoo jeukt als een dolle. Nee, ik stop niet meer bij zo’n gezellig palletpannenkoekenrestaurantje met uitzicht, te moe. Ik eet nog even een simpele kebap bij een klein tentje om de hoek. Morgen is de laatste dag.

***

Het is druk. Niet zozeer op het strand, waar ik lig, maar op de boulevard die vol staat met mensen met verrekijkers en op afstand bedienbare vliegtuigjes die vlak over mijn zonnebedje heen scheren. De “Airgames” zijn begonnen, een of ander festival voor mensen die graag uit vliegtuigen springen, of door paragliders worden getorpedeerd of met doodsverachting van steile bergen afspringen, of anderszins geen zin meer hebben in het leven, en ‘gewone’ paragliders. Rustig lezen of “nog even heel bewust genieten” is er niet bij maar het kan me niet zoveel schelen. Ik ben een beetje uitgeblust. Apathisch van de weerzin om hier weg te gaan. Dit is de laatste dag. Wat heb ik aan een laatste dag? Ik kan niets meer. Ik loop nog even alle blogs langs en denk aan alle dingen die ik niet heb opgeschreven. Aan de koffie met Osman op het dak van het hotel in Mardin, ik had hem uitgenodigd voor een glas wijn, we waren eerst de enigen op dat hoge magistrale geel-oranje terras en we krégen geen wijn, want dat was er niet, maar wel thee en koffie en allemaal schaaltjes met nootjes en gedroogde moerbei en langzamerhand kwamen er steeds meer mensen van onze groep bij ons zitten.

Aan de mooie piepjonge rebelse pilateslerares Berran, enigkind, die niet van haar moeder’s zijde week en mij vertelde dat ze het ook fantástisch vond om alleen naar het buitenland te reizen, en dat ze daar dan natúúrlijk een Tinderaccount had (ik niet, laat dat even duidelijk zijn, maar kennelijk ging ze daar wel van uit), en dat ze naar Canada ging emigreren, alleen wist haar moeder dat nog niet. Bij het afscheid wenste ik haar veel succes met haar Canadaplannen en haar moeder veel succes met haar dochter.

Aan het moment dat Elif me uitlegde wat een ‘meyhane’ is en de betekenis van rakı, en hoe haar vader haar na 30 dagen belde als ze te lang niet thuis was geweest en zei “Het is tijd voor rakı, meisje”, en hij overleed een jaar na mijn vader, en we begonnen allebei te huilen om onze vaders.

Aan hoe mooi alles was, aan het gevoel van hier thuis te horen, ook al is dat belachelijk, en aan hoe dankbaar ik ben dat ik de plaatsen heb bezocht die ik al jaren wilde zien. En dat ik drie dingen heb geleerd. Eén, je droom pakt niet altijd uit zoals je hebt gedroomd. Twee: als je droom is uitgekomen, heb je niets meer. En drie: als je dromen zijn verdwenen, ben je eindelijk vrij.

Helaas ben ik nog niet van mijn dromen af. En op dit moment ben ik even alleen maar verdrietig. Ik wil niet. Ik heb geen zin. Ik wil niet naar huis.