
Ik kom eind van de ochtend pas uit bed want lui, maar ik heb wel trek, dus op weg naar het strand kies ik een ongezellig uitziend eettentje waar mij “ev yemekleri”, home cooking wordt beloofd. Het lokantaatje zit vlak aan de rotonde van waaraf de enige weg naar het strand afslaat, links naar het strand, rechts naar Hisarönü, dat ik doorgaans dus liever mijd. Het valt bijna niet op tussen de Engels georiënteerde eettentjes die adverteren met League TV en English tea. Er staan maar 8 tafeltjes ofzo, met plastic tafelkleed en een grote Tupperware bak met gesneden brood, dus ik weet dat ik goed zit. Er zit nog één ander toeristenstel, en man en vrouw van de zaak zelf zitten ook aan tafel dus ik kom vast op een verkeerd tijdstip, maar ik wacht geduldig tot mevrouw met een nijdig gezicht aan m’n tafeltje staat. Ik bestel een mercimek çorbası, linzensoep en gözleme, de vrouw mompelt iets naar me wat ik niet versta en de man zegt, “She wants to know what you want on the pancake”. Ik probeer het haar te zeggen in het Turks, maar ze staat daar maar, als een standbeeld aan mijn tafeltje, chagrijnig naar me te kijken. Het werkt niet altijd, je best doen in een andere taal. Ik zeg het maar in het Engels tegen de man en hij zegt bijna hetzelfde als wat ik haar net heb gezegd, kennelijk heeft ze gewoon geen zin in toeristen vandaag, ik geef haar geen ongelijk. De man is klaar met zijn krantje, staat bruusk op en vouwt nijdig de krant dicht, terwijl hij hartgrondig in het Engels begint te vloeken. “Fucking Amerika! Fucking yankees! Fucking Trump!” Met een bruusk gebaar smijt hij de krant op tafel. Ik zou hem wel willen zeggen dat het niet echt goed is voor je klandizie om zo in het Engels te gaan staan vloeken terwijl hier mensen zitten te eten, maar ik laat het maar even. Er hangt hier een nare sfeer, wat ontzettend jammer is, want het eten dat de drie Turkse vrouwen in de open keuken staan te maken is goddelijk. Dit is de eerste keer dat ik mercimek çorbası (‘merdjiemek’) eet en wat is het verschrikkelijk lekker, romig, pittig, een soort maïssoep maar dan dus met linzen. De gözleme is enorm en hangt aan alle kanten over een groot bord heen, hij is in repen gesneden en ik eet een of twee repen met mijn handen, maar ik krijg lang niet alles op. Ik krijg de rest mee in papier gerold in een zakje, en ‘s avonds als ik terug ben van het strand eet ik dat als ik zit te schrijven op het terras.
De dag erna heb ik eerst een luie ochtend en ga me daarna optuigen om naar Kaunos te gaan. Als je het weerbericht overal moet geloven gaat het vanaf nu totaan mijn vertrek vier dagen lang regenen, dus strandweer is het sowieso niet. Kaunos staat ook al een paar jaar op mijn lijstje en is goed te doen met de auto vanaf Fethiye, althans dat bleek toen ik me realiseerde dat je gewoon een bootje moet nemen naar de overkant van de Dalyan rivier. Als ik in de auto stap is het bewolkt en frisjes en ik heb me voorbereid op lopen dus lange broek en sneakers. Voorbij Fethiye richting Dalaman klaart de lucht al op en als ik langs de heuvelachtige kust rijd is de lucht al helemaal opgeklaard. De route is prachtig, rotsachtig en groen met doorkijkjes naar de eilandjes in de Middellandse Zee. Ik heb Dalyan ingegeven in de routeplanner die al in de auto zit, als ik daar ben zie ik wel verder. Trouwens een super autootje weer, een automaat, wat echt is aan te bevelen in de bergen.
Als ik aankom in Dalyan besluit ik mijn auto maar gewoon ergens centraal neer te zetten en dan langs de kade te lopen en dan te kijken waar ik ergens een bootje kan charteren. Alleen, als ik daar aankom blijkt het bestwel druk, maar ik rijd langs een parkeerplaats en aan de overkant staat een ober naar een auto te wijzen, en ik begrijp dat die net weggaat, zodat ik een supermooi plekje heb langs het water. Ik loop naar de ober toe en vraag hem waar ik moet betalen. “Nono, don’t worry”, zegt hij, “I will take care of it”. En het ziet er naar uit dat ze hier wel koffie hebben, dus ik ga maar even zitten en bestel dan ook gelijk maar een Turks ontbijt. “How would you like your tomatoes?”, vraagt hij. Hoe had je je koffie gewild of je brood of je eieren is iets wat ik verwacht had maar niet hoe ik mijn tomaten wil. “I’d like them purple please”, zeg ik, en hij moet lachen maar ik weet niet of we elkaar wel begrijpen. Turks voor ei is yumurta, dus wellicht heb ik het zelf gewoon weer verkeerd verstaan. Ik krijg in elk geval een heerlijk ontbijtje. Ik vraag de ober hoe ik aan de overkant kan komen en hij zegt dat er een paar kilometer verderop een pontje is waar je met auto overgezet kan worden. Mooi, dan gaan we daar dus heen. Het is niet moeilijk te vinden want aangegeven met kleine bordjes “Feribot”. Na een minuut of tien kom ik inderdaad aan bij iets dat vaag lijkt op het pontje bij Genemuiden, maar dan versie 1.0, qua grootte en onderhoud. Ik zie een zandachtig aanloopje naar een pontje waar werkelijk maar één auto op past en dan vraag ik me af waar de schipper er nog bij moet. Ik besluit maar even te parkeren en een rondje te gaan vragen aan de mannen die daar onder een boom zitten. Die is het meteen duidelijk wat ik kom doen, maar die hebben een véél beter idee. Ik kan ook gewoon met een rondvaartbootje mee. Dan ga ik langs de koningsgraven, en het schilpaddenstrand, èn de antieke stad. Maar dat hoef ik allemaal niet, zeg ik, ik wil alleen naar de antieke stad. Dat kan natuurlijk ook. En wat kost dat? Normaal gesproken 200 lire, maar omdat ik het ben, krijg ik de naseizoensprijs van 150 lire. Maar hoe werkt dat dan, ik wil daar zeker 2 uur rondlopen, hoe kom ik dan terug? “Ik wacht daar op je”, zegt de schipper. Gaat hij daar twee uur wachten tot ik eens een keertje terug kom? Het komt me heel vreemd voor. “Maar wat als jij plotseling naar het ziekenhuis moet ofzo, hoe kom ik dan terug?” Of als je er gewoon vandoor gaat, denk ik erbij. Maar eigenlijk denk ik gelijk, och, het zal de laatste boot wel niet zijn die daar komt, mijn telefoon is opgeladen, ik heb geld bij me. Eigenlijk wil ik dit allemaal helemaal niet, ik wil gewoon naar de overkant met mijn auto. Maar ik heb vandaag totaal geen verweer tegen dit verkooppraatje, dus voor ik het weet heb ik “Okay, let’s go” gezegd, na mij de zondvloed.
Ik moet alleen even achter de schipper aanrijden op zijn brommertje, want zijn boot ligt bij zijn huis, dus beter denk ik er maar niet teveel over na dat ik kruip-door sluip-door wegjes door dat onooglijke wijkje inrijd en dan mijn auto mag parkeren schuin achter een nieuw uitziende soort stacaravan. Door de tuin die beplant is met jonge citroenboompjes volg ik de schipper naar achteren. Het is hier doodstil, op het ruisen van de wind door het riet na. Maar inderdaad ligt daar die rondvaartboot. Ook zit er een man te vissen. De schipper gaat even de sleutels halen. Ik vraag de visser of hij al iets heeft gevangen. “Ik heb geen geluk vandaag”, zegt hij. Een paar meter verderop zie ik een schildpad boven water komen. “Şansiniz değişecek”, zeg ik, “Your luck will change”. Ik geloof het zelf niet, maar hij moet in elk geval een beetje lachen.
De schipper komt intussen terug met de sleutels, en een bevroren flesje Damla waar geen water in zit, maar een rood sap, ik geloof dat hij kersen zegt, zijn moeder heeft het gemaakt. Ik ben de enige passagier. Ik ben me er ineens van bewust hoe de scepticus in mij overal bij is en mee zit te loeren. Hoe ik aan de ene kant eigenlijk mensen niet vertrouw en er bij alles dat iemand zegt een stem zegt dat het niet waar is, en ik aan de andere kant toch een diepgevoeld vertrouwen blijf houden. In een leuk artikel over alleen reizen in de Flow stond laatst dat je het eigenlijk altijd weet wanneer het echt niet goed is. En dat heb ik hier eigenlijk nog nooit gevoeld.
“Ik vaar toch wel even langs de koningsgraven”, zegt de schipper. “Nee toch”, denk ik, “Dit gaat weer een eeuwigheid duren”. Op dat moment besluit ik het maar te nemen zoals het komt en er maar niet van te balen. Nu ik geen eigen vervoer meer heb, kan ik m’n eigen agenda niet meer bepalen, da’s dan pech, had ik mijn ruggengraat maar moeten gebruiken en geen ja moeten zeggen. Laat ik er nu maar verder een beetje van genieten. En het is ook echt prachtig, en wat zeur ik eigenlijk, ik heb deze hele boot voor mij alleen. De koningsgraven zijn ook echt spectaculair, ook al zie je ze vanaf een afstand, de hele sfeer, met die boot in het riet, het ligt hier al meer dan 2000 jaar zo, en wat zijn we toch een armoedig zooitje mensen, als je het vergelijkt met wat mensen 2500 jaar geleden maakten. Ook praat ik met de schipper, die Ozan heet, een beetje over de boot. Het schip is 12 meter, en ik vertel hem dat mijn schip 11 meter is en dat ik óók uit de varelarij kom, “Nou”, zegt hij, “Ga maar staan dan”, en dan sta ik dus ineens zèlf achter het roer van dat ding, ik lach me dood. “Je hebt nogal vertrouwen”, zeg ik. Heel erg hard gaat het niet, de gashendel blijft een beetje hangen, maar ik heb snel gevoel voor het roer, en zo vaar ik bijna het hele eind door de rietkragen naar Kaunos, af en toe even mijn hand opstekend naar de andere passerende schippers, zijn collega’s, die verbaasd hun handen in de lucht steken, wat heb jíj nou aan boord? Het is hier net de Beulakkerwiede, weids, veel riet, maar wel met prachtig weer en een bergachtige achtergrond. Aanleggen doet Ozan liever zelf, en dat had ik inderdaad anders gedaan, en niet met een voorspring aan hogerwal met de wind van achteren, maar goed.
Kaunos blijkt veel groter dan ik had verwacht, ik heb nu al spijt dat ik maar anderhalf uur heb afgesproken met Ozan, eigenlijk wil ik die berg nog op, maar in het dorp aangekomen blijkt dat ik maar kan kiezen uit twee routes naar de top van de berg, de kortste is 2 uur en de andere is 4 uur lopen. Het is hartstikke heet. Ik begin maar te lopen. Linksaf naar de agora, rechtsaf naar het theater, ik besluit eerst maar het theater te doen. Het is niet het grootste theater, iets van 35 rijen, maar het ligt hier prachtig tegen de rots met uitzicht op de groen delta van de Dalyan. Ik zoek een ingang waar je eigenlijk niet in mag want er staat een hek voor, maar de trap erachter is nieuw, dus ik ga toch om dat hek heen, en ik voel me als een van de duizenden bezoekers van 2500 jaar geleden die naar een voorstelling komt kijken, of een politieke oratie, of een rechtszaak, of een wedstrijd van het een of ander, voorstsloffend en aanschuivend over de rijen. Ik probeer meteen helemaal naar boven te klimmen over de omgevallen en weggezakte blokken graniet en als ik daar ben mag ik gaan zitten en wat drinken van mezelf. Er is nog één ander gezin, Engels waarschijnlijk, maar die zijn snel verdwenen en dan ben ik alleen. Ik heb een magistraal uitzicht op de berg aan de ene kant en delta en zee aan de andere kant. Het is zo warm en ik drink mijn halve flesje leeg. Tegen deze tijd is er al een half uur voorbij. Ik loop het hele theater over, en eromheen, en via de achterkant naar beneden, zoek altijd naar details die me opvallen, of Griekse of Romeins inscripties die ik misschien later kan vertalen. In de vierde eeuw werd Kaunos christelijk, het kerkje met de mozaïekvloer waar ik op word getrakteerd en dat nog zo ontzettend goed bewaard is gebleven, werd gebouwd in de zesde eeuw. Ooit was hier een belangrijke haven waarvan een deel kon worden afgesloten, maar het slibde volledig dicht. Het terrein is al honderden jaren omgeven door moeras, de lucht is fris en vochtig. Al rond het jaar 0 werd dit gebied beschreven als ‘ongezonde lucht’ en de mensen als ziekelijk. Het komt me niet heel vreemd voor dat bijna de hele bevolking in de 15e eeuw is bezweken aan malaria.
Ik baal ervan dat ik maar een derde van het terrein kan zien voordat ik weer terug moet naar de boot. Ozan de schipper zit onder een boom te praten met de kaartjesverkoper, die vandaag ook niet teveel te doen heeft. Bij terugkomst ligt de boot achterstevoren met de bakboord landvast voor de boeg langs aan stuurboord aan de kade. Het lukt hem niet om hem los te trekken dus ik zeg, “You start the engine, I will untie it”. Met een klein beetje gas komt de spanning van de lijn af en lukt het prima en we pruttelen rustig terug door het riet. We passeren een andere boot die vol zit met Engelsen. Een meisje met een hippiebril en tatoeages op haar arm zwaait naar me en stuurt me een kushand. Ik lach en zwaai terug. Verder is het stil en rustig. Ozan geeft me het waterflesje met de kersensap. Het is heerlijk koud en zoet. Ik vraag hem of hij hier vandaan komt. Zijn hele familie komt hiervandaan, maar hij is de enige met een boot. Sterker nog, hij is nog nooit ergens anders geweest, alleen een keer naar Saklıkent, de kloof met de waterval. Heeft er ook totaal geen behoefte aan volgens mij. Hoe overzichtelijk is dat leven. En ons leven in het westen mag dan geografisch meer ruimte innemen, maar is het niet eigenlijk veel beperkter, staan we daardoor niet juist verder van het echte leven af? Als we terug zijn moet ik mee want thee! Die krijg ik op de veranda van zijn stacaravan, die hij zelf heeft gebouwd, ik mag wel even binnenkijken, maar daar bedank ik toch maar even voor. Ik krijg zijn nummer op mijn telefoon en moet tegen al mijn vrienden zeggen dat als ze naar Dalyan komen, ze met hem moeten varen, en dan maakt hij na afloop ook nog een barbecue bij hem in de tuin, deze liefdevol en netjes met citroen en moerbei beplante postzegel aan de Dalyan rivier. Dus bij dezen. Ozan, telefoonnummer bij mij op te vragen.
Na de thee stap ik zo snel mogelijk weer in de auto, die nog helemaal heel is, en rij ik terug naar Fethiye. Ik hoop nog even te kunnen zwemmen, maar hoe dichter ik bij mijn stadje aan de kust kom, hoe meer blijkt dat daar geen sprake van is want inmiddels is de zondvloed daar losgebroken. Ik rij naar het einde van het strand naar boven, waar je de auto halverwege de heuvel neer kan zetten en over het strand kan uitkijken, om te zien hoe het stortregent op zee. Na tien minuten wil ik terug naar beneden, maar de weg is in een rivier veranderd, door al het water dat van de berg af richting zee stroomt. Verschillende auto’s staan al langs de kant van de weg, maar ik ga hier toch echt niet staan wachten en surf met de auto naar beneden. Ik probeer in het dorp nog ergens een broodje döner te krijgen, wel vier keer stop ik ergens, maar alles is dicht, want het regent. Als ik het eindelijk heb opgegeven en naar huis rijd, houdt het op met regenen en staat er een dubbele regenboog voor mijn huis. Ik geef de kat die ik inmiddels Uğur (good luck) heb genoemd te eten en mijn eigen avondeten bestaat uit een stuk brood met kaas en een glas wijn, en eerlijk gezegd ben ik volkomen tevreden voor vandaag, om niet te zeggen volkomen versleten.
