Kluts kwijt

Okee, waar was ik.

Ik ben nu in elk geval aan de kust, in Ovacık, Fethiye, en totaal de kluts kwijt. Ik weet pas wat voor dag het is als ik héél goed nadenk. Dat gaat best als ik hier rustig even zit op het terras van huis dat ik gehuurd heb, helemaal bovenaan het dorp, tegen de berg aan. De koelte stroomt van de bergwand af over het terras en het zwembad krijgt maar een paar uur per dag zon, en is dus ijskoud. In de zomer is dat waarschijnlijk heerlijk, maar nu lijkt het wel herfst. Niettemin ruikt het hier heerlijk, midden in het groen, naar dennenbos en naar de grote jasmijnstruik die een kant van de tuin omlijst.

Op weg naar het vliegveld in de Uber tref ik een alleraardigste oudere Russische chauffeur die er vrolijk op los kletst terwijl ik weer als een jankerd op de zwart met rood gecapitonneerde achterbank van de Mercedes Vito naar buiten kijk. Hij zegt dat hij waarschijnlijk een andere route neemt want het is erg druk, zo om 10:00 uur in het Istanbulse verkeer richting Sabiha. We lijken inderdaad in een file te belanden. Plotseling draait hij zich om en begint nerveus instructies aan me uit te delen, in het Turks, maar wat ik ervan versta is: “Als ze je vragen, zeg dat je hotel mij geregeld heeft, dat je een taxi gevraagd hebt aan het hotel. Uber is een probleem in Turkije. Maar mijn probleem, niet jouw probleem, okee?” Voordat ik antwoord kan geven staan we stil langs de kant van de snelweg en staan er vier politieagenten om ons heen. Chauffeur doet raampje open. Praat op gemoedelijke toon en rommelt wat in het handschoenenkastje (gek woord eigenlijk, wie bewaart daar ooit nog handschoenen). Maar de toon van beiden de politieagent en de chauffeur wordt allengs steeds nerveuzer en geagiteerder. “Je hebt mooie praatjes”, hoor ik de agent zeggen, en “Doe die deur open, doe die deur open!”. Mijn deur, welteverstaan. Ik maak me op dit moment nog helemaal geen zorgen. Ik zie het allemaal gebeuren en leef me vooral in in de chauffeur, die moet hier ploeteren om een piepklein beetje te verdienen en ook dat nog wordt hem onmogelijk gemaakt. De deur schuift open en een nors kijkende politieagent vraagt eerst om mijn paspoort en steekt dan een preek af over dat Uber een probleem is (de uitleg ontgaat me even), maar aangezien vrij snel duidelijk is dat ik een toerist ben en ik voor de gelegenheid maar even doe alsof ik geen idee heb waar hij het over heeft, stopt hij daar ook maar weer mee. Met mijn paspoort loopt hij weg naar de politieauto die verderop staat en de chauffeur moet mee. Sta ik dan, langs de snelweg. Zonder paspoort, dat vind ik dan weer een iets minder goed idee. Ik ben nog ruim op tijd voor de vlucht, en anders zou ik misschien wel gewoon gaan liften, of zou dat niet gaan? En ik heb trouwens mijn paspoort niet. Zou dat raar zijn als ik er gewoon heen liep en tegen die agenten zeg, mag ik mijn paspoort even terug want ik moet een vlucht halen? Ja, soms grinnik ik ook wel een beetje om mijn eigen naïviteit, maar zo loop ik maar even mijn opties langs, aangezien ik verder toch niks anders te doen heb dan wachten. Zal ik een foto maken? Hm, beter niet misschien. Als ik nou gewoon mijn telefoon onder m’n arm hou moet dat wel lukken misschien. Het lijkt een eeuwigheid te duren, die ik verder alleen maar registreer. In de verte zie ik de kleine gedrongen chauffeur ruzie maken met vier agenten die om hem heen staan. Uiteindelijk mag hij dan toch vertrekken. Een agent komt even mijn paspoort terugbrengen. “Hiç bir problem yok size”, zegt hij beleefd en vriendelijk, geen probleem voor mij, fijne dag nog.

De chauffeur is compleet aangedaan. Hij foetert achter het stuur. Russisch, Turks, Engels door elkaar. “Onbeleefd zijn ze, Turkse politieagenten, géén manieren”, foetert hij. “Ik hoop niet dat u nu problemen krijgt”, zeg ik. “Ceza”, zegt hij, boete. Op het vliegveld aangekomen pak ik 200 lire uit mijn portemonnee die ik piepklein opvouw en aan hem geef als hij mijn koffer uit de achterbak tilt. Het dubbele van de ritprijs, die ik natuurlijk van te voren al betaald had. Ik wil zijn reactie niet afwachten en pakt snel mijn koffer op, maar ik zie hem toch even twee keer opkijken.

Vanaf het moment dat ik in het compleet lege Dalaman voet aan de grond zette, ging alles op de automatische piloot en hoefde ik nergens meer over na te denken, wat ik dan ook niet meer deed, er hoefde niets meer geregeld te worden, niets meer georganiseerd en ik zakte dus als een plumpudding in elkaar.

Niettemin, alles voelde lekker aan, gewoon, lèkker, ik had alleen even de tijd nodig om mijn mind-set te analyseren. De vorige keer was ik een beetje teleurgesteld dat ik niet zo lyrisch was als de keer ervoor, maar nu liet ik gewoon alles begaan, ik was hier niet om wereldschokkende avonturen te beleven, ik hoef helemaal niks meer. Nou ja, behalve dan twee antieke tripjes.

Ik haal de auto op en zet koers naar Fethiye. Ik maak voor de eerste levensbehoeften van de avond en de ochtend een tussenstop bij de megasupermarkt aan het begin van de stad (zóveel supermarkten hier, je snapt niet waar ze van bestaan) en word even later bij het huis opgewacht door de enorme Mahmut, die mij onvriendelijk van top tot teen opneemt en vraagt waar de rest van mijn gezelschap is. Mahmut ziet er uit als iemand van de geheime dienst uit een slechte Turkse film of een clip van de Beastie Boys met dat arrogante hoofd met die pilotenbril en dat slechte gebit en die strenge toon. Hij vindt het duidelijk maar vreemd, maar het kan me niet schelen. Of misschien toch ook wel een beetje want om een of andere reden vind ik het nodig om te zeggen dat ik voor de Nederlandse overheid werk en hier kom voor mijn rust en om te schrijven. Mahmut neemt het allemaal in zich op zonder vriendelijk naar mij te lachen en wijst me er nog even fijnzinnig op dat als mijn familie toch nog komt opdagen, ik hem dan een kopietje van hun paspoort moet sturen. Is goed, zal ik doen Mahmut. Ik ben blij dat hij na de huistoer opgekrast is.

Ik sleep mijn spullen naar boven en ga het huis een beetje verkennen. Ook al is het schoon, ik vind het tòch vies, en maak eerst een rondje met de keukenreiniger die er gelukkig nog staat, langs alle deur-, kast- en lichtknoppen, trapleuningen en afstandsbedieningen.

Het begint inmiddels donker te worden en het is fris. ‘s Avond’s lekker op het terras zitten te schrijven zonder jogging broek die ik niet bij me heb, is er niet bij. Shopping target.

Ook realiseer ik me dat het hier wel héél erg donker en stil is. Van de twintig huizen die er op deze compound (zo noem ik het maar even) staan, zijn er op dit moment misschien maar 3 bewoond. Bovendien heeft het huis héél grote ramen, van die ramen die je dan ziet in een film waarvan je dan denkt, doe die gordijnen toch dicht man! Waarna vervolgens de hele familie wordt uitgemoord. Zulke ramen. Je begrijpt, ik voel me nog niet helemaal senang zo op deze eerste avond. Mahmut zei nog: “I will come by tomorrow to see if everything is okay and if you need anything.“ Maar nee, dat nou liever ook weer niet, Mahmut.

Ik ga een kop koffie zetten, en die neem ik mee naar boven, en ga in bed liggen Netflixen, ik weet niet meer hoe laat het is, maar vroeg, en ik slaap ontzettend diep.

De dag er na, woensdag ofzo, merk ik hoe gedesoriënteerd ik ben nu ik voorlopig nergens meer aan hoef te denken. Ik weet meteen al niet meer wat voor dag het is en ‘s ochtends als ik op het terras zit te schrijven achter een kop koffie, wat ook al niet gaat, schrik ik me dood als de tuinman ineens in de tuin staat om het zwembad schoon te maken. Allerbeleefdst natuurlijk, daar verder niet van. Maar fijn dat ik dat even weet dat die om 8:00 voor je neus staat. Maakt niet uit.

Ik wil naar het strand, lezen, zwemmen, maar onderweg kom ik langs Hisarönü, het idiote toeristische winkelgedeelte van Ölüdeniz waar de Engelse vrouwen in hun bikini over straat lopen, al valt het nu mee, en die tattoo moet nog even worden verzorgd en ik heb een campingbroek en hygiënische keukendoekjes nodig. Toch maar eerst even hier afslaan dan. Bij de tattoozaakjes waarvan er hier ook dertig naast elkaar zitten, wat eigenlijk heel vreemd is vanwege dat niet zwemmen en zonnen, kies ik de nieuwste en cleanste uit, loop naar binnen en zeg, “I just need some care, clean it, treat with cream and tape it”, waarbij ik een stuk van de flinterdunne chirurgische tape uit mijn tas haal. Ze kijken me een beetje verbouwereerd aan. Hoe kòm je hieraan? Ben je rijk ofzo? Kennelijk is dat hartstikke duur spul, maar ik heb het gewoon van Ali. De jongen zegt nog dat hij waarschijnlijk wel twee keer kan plakken als hij de tape slim knipt, maar ik zeg hem dat dat niet nodig is want ik heb nog drie meter op de rol. Hij trekt een paar handschoentjes aan en maakt het netjes schoon en de tape wordt er met veel misbaar en onnodig bepotel op gedrukt. Het kunstwerk op mijn schouder wordt nog even bewonderd en hij vraagt “Who is the artist?” maar Görkem uit Istanbul kent hij niet. Er is trouwens helemaal niets aan te zien verder, geen korstjes, de huid ziet er helemaal heel uit. Ik hoef niks te betalen voor de actie ook al dring ik aan. Note to self: als ik wegga niet vergeten wat ik over heb van die rol chirurgische plakplastic aan hen te geven.

Bij een van de talloze textiel winkeltjes met fake merkproducten (“Real fake bags!”) koop ik een real fake Kenzo joggingbroek. Ik moet ontzettend veel moeite doen om niet óók nog een Boss hoody aangesmeerd te krijgen, maar het lukt me om alleen met die joggingbroek de winkel uit te lopen.

Intussen is het hier hartstikke heet geworden en eindelijk rijd ik dan richting het strand. Als ik die vallei inrij wil ik ineens helemaal niet meer alleen zijn, wil ik aan iedereen laten zien hoe mooi het hier is, hoe groen, en hoe blauw en turkooise de zee dan ineens onderaan om de hoek komt. Ook al ìs het misschien helemaal niet mooi, want verpest door massatoerisme en dikke Engelsen en Russen. Ik zeg wel massatoerisme, maar vergeleken met de andere Turkse badplaatsen valt dat hier dus heel erg mee. Geen hoogbouw hier, hotels mogen niet meer dan 2 of 3 verdiepingen hebben, dus wat voor lelijks er ook staat, het is geen hoogbouw. Je voelt de ruimte, in de hoogte en in de breedte.

Ik loop ergens in het midden over het brede strand neem een bedje met een parasol en moet 30 lire betalen. De eerste keer met El was dat nog 12 of 14, vorig jaar 18, en toch ben ik nu minder kwijt dan vorig jaar (vanwege de koers, dus).

Affijn deze dag gaat vrij verder vrij eventless voorbij. Alsof het normaal is lig ik in dat glas- en glasheldere blauwe water, nergens is het water zo helder als hier, en het is nu ook zo heerlijk op temperatuur, ik krijg er geen genoeg van. Het strand, dat niet zo massaal lang is, is voor ongeveer de helft vol. Dit is precies waar ik zo naar verlangd heb, op de een of andere manier is het wel toeristisch hier, maar toch rustig. Het is het enige strandje in de buurt, anders moet je naar Fethiye rijden, of naar Kıdrak, waarvoor je nu het astronomische bedrag van 20 lire moet betalen (3 euro, vorig jaar nog 8 lire, 2,5 euro). Er zijn overal maar maximaal 3 rijen bedjes, met, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Bodrum, een paar passen daartussen zodat je niet op elkaars lip zit, en zonder te slalommen makkelijk tussen de stoelen door naar de zee kan lopen. Het strand is ontzettend breed, met vanaf de boulevard eerst een twintig meter brede strook zand voordat die bedjes beginnen. Die strook wordt ook gebruikt door de talloze solo-paragliders die hier van over de hele wereld komen omdat het één van meest tot de verbeelding sprekende paragliding spots is. Het is ook volstrekt niet mogelijk om hier te vertrekken zònder zo’n paraglidingvlucht te hebben gedaan. Als je hier voor het eerst komt dan denk je ‘in geen miljoen jaar’, maar als je hier dan een paar dagen bent en de talloze busjes hebt zien vertrekken, ze vanaf je zonnebedje vredig door de strakblauwe lucht hebt zien dwarrelen, en gedurende de week de tientallen mensen als veertjes op de boulevard ziet landen, dan word je toch nieuwsgierig, zal ik tòch…? Gaandeweg de week als je dan helemaal ontspannen bent van het Turkse leven, en dan helemáál als zo’n schetige verkoper je aanspreekt en precies tegen je zegt wat je wilt horen, ik zeg je, je gaat voor de bijl. Het kost trouwens een vermogen, nog niet eens het vliegen zelf, maar hun business zit hem in de foto’s die ze tijdens de vlucht ongevraagd van je maken terwijl je uit mysterieuze veiligheidsoverwegingen je eigen camera niet mag gebruiken. Na de vlucht loop je mee om de foto’s te gaan bekijken in the office, en die foto’s zijn natuurlijk spectaculair prachtig, en dan mag je nog eens 40€ aftikken voor een cd, of 50€ als je óók de filmpjes wilt, of 60€ als je óók de Samsung360 action foto’s wilt. Ik zeg je: doe, néém die foto’s, want dat geld vergeet je, maar als je die foto’s niet koopt heb je eeuwig spijt. Je kan het zien als de grootst mogelijke geldklopperij, maar dit wereldje van bohemien vagabonds heeft ook een enorme gunfactor. Als ze tegen zonsondergang met z’n allen tegen hun grote rugzakken onder een boom aan het bier zitten, zou je het niet zeggen, maar het hele seizoen werken ze zich kapot, om 8:00 uur die pokkeberg op, tot 17:00 uur of soms om 18:30 uur vijf of zes vluchten per dag, zeven dagen in de week, van mei tot november.

En het is gewoonweg fantastisch, zoals mijn lief en mijn zus ook kunnen beamen en ik hoop dat ik ooit mijn moeder ook nog een keer mee krijg.

Op dit moment hoeft het voor mij niet, ik ben dat stadium al gepasseerd en ik lig hier helemaal één te zijn met mijn omgeving, elke keer als ik me omdraai verandert het uitzicht, op mijn buik zie ik de boulevard, op mijn rug de blauwe lucht en de zee en mijn tenen.

Aan het einde van de middag pak ik mijn spullen in en eet een seafood salad met een glas prosecco.

Als ik naar huis ga begint het te regenen. Ik spring nog even in het koude zwembad, wat weldadig aanvoelt aan mijn huid en blijf even drijven in de regen. Wat een vreemde combinatie is dit, de stilte van het bos, het zwembad, de regen, dennengeur, in de verte donder van onweer terwijl de zon hier schijnt in een strakblauwe lucht.

Donderdag

Ik heb om 12 uur een afspraak met Ayşe in Fethiye. Ik ken Ayşe niet, maar ik volg haar op instagram, omdat ze allemaal geestige tasjes en etuitjes en portemonneetjes maakt, zelf, thuis op de naaimachine. Ik heb haar gevraagd waar ik haar spullen kan kopen en prompt nodigt ze me uit om naar haar toe te komen. Om 12:00 uur word ik verwacht bij ABC furniture. Ik ga op tijd, want natuurlijk die latte anders sluimerend chaggerijn. Ik rij rechtstreeks naar de boulevard en probeer te parkeren maar alle parkeerplaatsen zijn afgezet met politielint. Om de vijftig meter staat trouwens ook weer een politieagent, zie ik nu. Wat nu weer. Ik prop mijn auto toch ergens tussen en loop naar de zee-kant. Over de hele lengte van deze boulevard zitten restaurants en koffiezaakjes, niet aaneengesloten zodat je de baai van Fethiye er doorheen kan blijven zien. Er zitten een paar heel goede tussen, zoals het Çarıklı Et restaurant waar ze echt fantastisch gegrild vlees hebben, en het is hier allemaal netjes en georganiseerd, je zou bijna zeggen on-Turks. Ik heb ook direct zo’n koffiezaakje gevonden. “Ik ben op zoek naar een ècht goeie latte”, zeg ik in het Turks tegen de ober. Het is een prima ijsbreker om jezelf voor schut te zetten met je Turks, iedereen begint meteen te lachen als ik het doe. (Elif lag helemaal dubbel toen ik stukje van een bekend Turks liedje voor haar zong, dat had ze werkelijk nooit meegemaakt, “And your àccent, flawless!” lachte ze.) De ober zegt: “Ik kan toevallig een ècht goeie latte maken”. We babbelen wat basisbeleefdheden en ik krijg echt een heerlijke latte met drie chocoladelepeltjes erbij, waarschijnlijk omdat ik mijn best doe in het Turks. Het is nog vroeg, mensen gaan naar hun werk, ik ben de enige die hier zit in de frisse ochtend, met de zeelucht van opzij, ipadje erbij, ik ben perfect tevreden.

Aangezien ik Ayşe ook zal moeten betalen, ga ik na de koffie naar het kleine oude centrum van Fethiye om een bank te zoeken. Nu wordt ook duidelijk waarom er zoveel politie op de been is en de halve route is afgezet: de Tour de Turkije (Cumhurbaşkan Turu) gaat hier morgen starten in de straten. Ik heb geluk en kan net een parkeerplek veroveren naast de oude vismarkt, ik markeer hem maar even op Google, voor het geval ik toch de weg weer kwijtraak. Dit is echt zo’n verschrikkelijk leuk buurtje, met hier vlak naast de Paspatour markt met keileuke winkeltjes en restaurantjes, waar ik vorig jaar of twee jaar geleden kennismaakte met Ferza. Ik dwarrel een beetje rond, vind een bank waar ik kan wisselen voor 6,80 lire per euro. Door alle opstoppingen ben ik toch wat later dan gepland, en ik app Ayşe maar even dat ik wat later ben. Nog geen tien stappen ben ik van mijn auto verwijderd als tussen twee auto’s ineens een man staat te roepen. Voor zijn voeten zit een vrouw op haar hurken, die hij ternauwernood overeind weet te houden. “Do you need help?”, vraag ik. “Yes”, zegt hij, en ik aarzel niet om mijn armen onder haar oksels te haken en haar enigszins omhoog te trekken, uit de goot waar ze nu in zit. Ze werkt een beetje mee, maar haar hoofd knakt alweer opzij, en ik ga zitten op het stenen kozijn van een winkel en sjor haar naast me. Een vrouw komt de winkel uitgerend en pakt haar benen en tilt die omhoog. Ik leg de vrouw haar hoofd op mijn schoot. Ik meen dat ik de man “Ölme, ölme” hoor zeggen, “don’t die”. “O shit”, denk ik. “Ambulans ara”, zeg ik, maar daar is al aan gedacht. De vrouw ziet er verder verzorgd uit, moderne kleding, geen hoofddoek, modern brilletje, ik schat haar een jaar of vijftig. Ze is lijkbleek, draait met haar ogen en ademt heel licht met korte stootjes. Ik kijk naar haar benen en ze is zó mager. Ik vraag haar of ze wat suiker wil. Haast onmerkbaar schudt ze haar hoofd. Haar ogen vallen steeds dicht. “Ga alsjeblieft niet dood in mijn armen”, denk ik, en ik pak haar hand stevig vast, als om te zeggen, ik ben er, er is iemand, maak je maar geen zorgen. Een eeuwigheid duurt het voordat ik in de verte een ambulance hoor, die maar niet dichterbij lijkt te komen want de hele stad zit dicht vanwege die stomme wielerwedstrijd. “Alles komt goed”, zeg ik tegen haar, “Her şey iyi olacak”, maar eigenlijk net zozeer tegen mezelf als tegen haar.

Het lijkt wel een uur later als die ambu komt, maar die komt dan eindelijk, gek hoe snel alles dan ineens weer weg is, en het normale leven weer doorgaat. Ik stap gewoon in mijn auto, en rijd naar Ayşe toe.

In de ABC Furniture word ik allerhartelijkst ontvangen door de Ayşe die ik herken van instagram, en ook haar broer, die de manager is van ABC Furniture, en haar moeder of oudere zus of tante die de koffiezetter is van ABC Furniture, wat overigens echt een prachtige moderne meubelzaak is met kleurrijke moderne strakke banken en stoelen, waar ik zelf zo terecht zou kunnen. Ayşe heeft een ‘bescheiden’ voorkomen, een beetje vroom zo met die hoofddoek, ik heb netjes een donkere jurk aan met mouwtjes maar over mijn slippers (die mooie Afrikaanse trouwens, niet van de zwembadslippers dan weer) voel ik me ineens toch een beetje onzeker. Ze is super hartelijk, ik krijg zoenen en mag op de bank gaan zitten, het is echt heel erg leuk om haar te zien, haar broer komt erbij zitten om te vertalen, en ik krijg koffie, wat voor koffie wil je, vraagt de tante, Nescafé of Turkse? Turkse natuurlijk, tabi ki. En hoe sterk, klein beetje, medium of erg? Medium graag. Ayşe heeft een grote tas met haar handwerk meegenomen, ik herken een heleboel van de dingen van instagram en wil eigenlijk het liefst àlles meenemen. Alles is zo mooi en netjes gemaakt en ziet er nog mooier uit dan op insta, netjes gevoerd en allemaal voorzien van een mooi ritsje met een of ander hangertje eraan. Ze zijn ook allemaal groot genoeg voor een iPad. 30 of 40 lire wil ze er voor hebben, ik vind het bijna gênant. Een stuk of tien kies ik er uit, 300 lire moet ik betalen, 44€. Als ik het haar geef, legt ze het met een lach eventjes demonstratief op de grond, en haar broer zegt: “Dat is vandaag het eerste geld dat ze verdient”, maar de betekenis hiervan ontgaat me even. Dan moeten er natuurlijk allerlei selfies worden genomen en de koffie wordt gedronken en een gesprekje over vanalles en een uur later sta ik weer buiten, Ayşe loopt helemaal mee tot aan de auto.

Ik ben weer helemaal dankbaar van alle indrukken en het menselijke en hartelijke contact met deze mensen.

Ik maak een stop bij Sultan Pastanesi voor een enorme doos baklava en rij meteen door naar het strand. Ik ben zo moe dat ik prompt in slaap val. Tegen het einde van de middag wil ik eigenlijk blijven voor de zonsondergang, maar ik trek het niet meer.

Thuisgekomen blijkt dat mijn plek aan tafel bezet is door een poes, die duidelijk verlegen zit om aandacht. Als ik hem aanhaal voel ik dat hij onder de klitten zit en ik zie wat oude wondjes aan zijn poten. Ik heb direct behoefte om een beetje voor het beest te gaan zorgen. Het lijkt me sterkt dat iemand dat doet op dit uitgestorven park. Eerst krijgt hij een klein schoteltje melk van me, morgen maar even wat kattenvoer en vlooiendruppeltjes gaan halen. De hele avond als ik in mijn campingbroek op het terras een poging doe om te schrijven, wil hij op schoot maar dat hou ik maar even af.

Als ik in bed de social media nog even langs loop, zie ik tot mijn schrik dat Ayşe op werkelijk elk kanaal onze selfies heeft gedeeld.