Midyat en Hasankeyf

Het lijkt me beter om vandaag ook het ontbijt over te slaan aangezien we een lange dag voor de boeg hebben. Net als gisteren sta ik lekker langzaam op, met het raam open zodat ik kan genieten van het uitzicht op de Syrische laagvlakte waarover de zon opkomt. Tien minuten voor tijd ren ik nog even snel langs het ontbijtbuffet om een broodje mee te nemen met kaas en komkommer. Onderweg naar het buffet kom ik verschillende reisgenoten tegen die allemaal vragen hoe het met me gaat, wat ontzettend hartverwarmend is en waardoor ik me natuurlijk ook meteen weer schuldig voel. Gelukkig is mijn stem waardeloos, dus ik ben niet compleet ongeloofwaardig. Maar even alle gekheid op een stokje, aan de andere kant, ik denk zelf de hele tijd wel dat ik mensen loop te bedonderen, maar ik mag natuurlijk zelf weten wat ik doe, en de wereld drááit niet om mij, die mensen missen me heus niet als ik niet met ze aan tafel zit, sterker nog, die zijn allang blij dat ze niet in hun gebrekkige Engels moeten verzinnen waar ze het met me over moeten hebben. Anyway.

Ik zit vandaag op de derde rij in de bus een beetje uit het raam te kijken en te mijmeren terwijl ik af en toe even naar de gids kijk alsof ik begrijp wat hij aan het vertellen is heel de weg naar het Mor Gabriel Manastiri (mor = saint). Dit klooster, met hier en daar nog wat typische orthodoxe gemengd met oosterse versieringen, is een ongelofelijk populaire bestemming voor Griekse of Syrische orthodoxe gelovigen, want de heilige Gabriel schijnt honderden jaren na zijn dood nog steeds genezende krachten te bezitten, gemanifesteerd in zijn vijf vingers, die 150 jaar na zijn dood voor het gemak maar van zijn hand zijn afgehakt en in zilver gegoten, om zo de komende generaties toch nog tot nut te kunnen zijn terwijl de rest van zijn lichaam toch maar weer begraven is. Om kort te gaan, het verhaal schijnt te zijn, dat 150 na zijn dood zijn graf om een of andere reden is opengemaakt, en zijn lijf nog helemaal niet bleek te zijn vergaan, waarna werd aangenomen dat hij dan wel geneeskrachtige gaven zou moeten hebben, en prompt werden er ineens allemaal mensen beter, enfin een hoop aannames en giswerk en persoonlijke invulling en cirkelredenering en religieuze retoriek later, staan we hier, in dit klooster, dat door alle Turkse restoraties van alle karakter en originaliteit is ontdaan, met z’n allen te dringen voor een kale vierkante sarcofaag waar verder niets aan te zien is. Ayşe, de lieve schat, slaat in elke ruimte een kruisje, en steekt overal een kaarsje aan waar er maar kaarsje te vinden is, en vraagt aan mij: “Heb je wel begrepen waar het over gaat?” Niet echt dus, maar gelukkig kan zij me bijna alles in plat Amerikaans Engels vertellen. Wat ze me echter niet vertelt, is hoe het klooster hier sinds de oprichting in de 4e eeuw (nog vóór het ontstaan van de islam dus) heeft standgehouden tegen aanvallen van de pest, moslims, Turken, Mongolen, Koerden, nog meer Turken, etc. Ik heb geen behoefte om met verhalen religie overeind te houden, maar door de historische loop van de omstandigheden krijg ik toch een gevoel voor de underdog die het klooster is in deze islamitische regio. Je kunt er hier meer over lezen als het je interesseert.

Op het moment zelf ben ik echter totaal niet geïnteresseerd in het klooster, eigenlijk omdat alle kloosters en kerken er tot nu toe hetzelfde uit zien. Gek genoeg: kerkje, halfronde apsis aan het eind waar een katheder staat met een boek erop, en waar een protserig beschilderd gordijntje voor hangt, dat met een koord aan de zijkant devoot voor ons wordt open- en dichtgetrokken. Foto’s maken mag meestal niet, maar er valt toch niets te fotograferen wat mij betreft. Zoals ik al zei is alles aan gort gerestaureerd, en je zou bijvoorbeeld toch denken dat met de moderne technieken en machines ze die halfronde stenen bovenlijsten een beetje netjes op elkaar hadden kunnen stapelen maar zelfs daar gaat het mis. Bovendien is het hier veel en veel te druk. En te heet ook trouwens.

Ik ga buiten maar even onder een boom zitten naast de prachtige Nisanur, de enige vegetariër in het gezelschap. “Are you religious?”, vraag ik haar. Haar vriend is fotograaf, ze zijn een beetje alternatief. “Not really in this way”, zegt ze wijzend naar de ingang van het klooster, “But I believe in something”, zegt ze. We keuvelen nog even wat door over religies. “I think christianity is a very clean religion.” zegt ze, “Islam has all these words about cleanliness, but it’s dirty, the people are so dirty.” Er staat een soort vermoeide blik op haar gezicht.

Ik ben allang weer klaar met de heilige Gabriel en eindelijk vertrekken we dan naar Midyat. Midyat is een soort klein Mardin. Daar aangekomen blijkt dat ik er ook maar niet al te hoge verwachtingen van moet hebben, want we hebben een half uur om rond te lopen voordat we terug worden verwacht in een of andere Han voor de lunch. De anderen lijken in groten getale op een paleis af te stormen waar een aantal beroemde Turkse series zijn opgenomen maar ik zie de bui al weer hangen en sla af naar een steegje. Ik word direct achtervolgd door kinderen die met me meelopen, en eerst in het Turkse tegen me praten en vervolgens in het Engels: “Where are you from?”. “Ne düşünüyorsun, what do you think?” “Ingiltere!”, “Almanya!”, “Avrupa, Avrupa!” Maar als snel hoor ik alleen nog maar waar het deze kinderen echt om te doen is: “Footbol, monny, footbol, monny!” Ik weet niet waarom in deze combinatie, wat willen ze nou eigenlijk zeggen, ik wil voetballer worden, dus ik heb geld nodig?

Op de heenweg was ik een winkeltje tegengekomen waar stoffen in hingen met iets zelfgemaakt-achtigs er in en ik loop er nu weer langs. Ik móet hier gewoon naar binnen, natuurlijk. Allerliefst word ik begroet door een oude mini-mevrouw die me de zelfgemaakte shawls laat zien, maar me meteen ook uitnodigt naar achter de winkel, kom, kom kijken waar we ze maken. Zo sta ik ineens in de achtertuin onder de vijgenboom, bij een plastic tafel waarop allemaal stempels liggen, die ze in de inkt dopen en dan op het katoen drukken. Het heeft niet de elegantie van de Indiase kantha maar wel de heerlijke ruwheid van niet honderdduizend keer bewerkte producten, en de eerlijkheid van dingen die net van het land komen of liever die net uit iemands tuin komen, en die ik dan ook zelf heb ontmoet. Ik vraag de oude vrouw of ik een paar foto’s mag maken en of zij er ook op wil, en ze is allerliefst en haalt meteen vanalles overhoop op die plastic tuintafel, bijna gaat ze een sjaal voor me maken, maar ik zeg haar dat dat niet hoeft. Inmiddels is ook haar dochter, de eigenaresse van de winkel gearriveerd, die zo mogelijk nòg kleiner is en net als haar gekleed in het Koerdisch (ik noem het maar even zo, niet denigrerend bedoeld). Ik koopt wee sjaals van haar en ik móet nog even met ze meekomen de tuin in, want thee! En hier is een stoel! Maar die groep die staat weer ergens te wachten als een stel spelbrekers, dus ik moet alleen nog even een selfie met ze maken, en ze drukken me nog een tros druiven in de hand en ik vertrek. Overlopend van liefde loop ik weg door de kleine gele straatjes van Midyat. Midyat is erg vervallen, in de eeuwenoude straatjes veel graffiti en ijzeren gedeukte voordeuren. Ook veel kinderen, dus, die met de toeristen meelopen en nog veel aandringender dan in Dara bedelen om geld. Als ik bijna bij de han ben waar we gaan lunchen, loopt er een meisje met me mee. Weer zo’n scheetje om te zien, fijntjes, met een jurkje over de broek met versleten slippertjes eronder. “Monny”, zegt ze. “Monny, monny.” Ik probeer haar te negeren maar ze blijft naast me lopen. Af en toe wrijft ze met haar duim en wijsvinger over elkaar. “Monny”. Als ik mijn hoofd naar haar toedraai en haar aankijk, wil ik het liefst vergeten wat ik heb gezien en stoppen met denken over dit kind, ze maakt kusmondjes naar me waarbij ze haar ogen sluit. “Monny.” Ik schrik me dood en allerlei gedachten schieten door mijn hoofd, is dit wat ik denk dat het is? Hoe kan dit? Wat wil dit kind? Wat maakt dit kind mee? Niet een keer maar meerdere keren doet ze dit als ik haar aankijk. “No”, zegt ik streng tegen haar. Dan is ze ook meteen weg. Ik ben er helemaal van ontdaan.

Als ik aankom in de han, staat deze vol met tafels waar mijn reisgenoten zitten te eten. Ik loop eerst nog even rond op deze eeuwenoude plek. In de hoek gaat een oude stenen trap naar boven, en er staat een bordje ‘yasak’ (verboden) bij. Vlakbij staat Osman foto’s te maken van de muzikant die de binnenplaats vult met melancholische muziek. “Do you know what is up those stairs?”, vraag ik hem. “Are you not curious enough to go up?”, vraagt hij met een glimlach. “You are challenging me, aren’t you”, zeg ik. “Yes, I am“, zegt hij. Natuurlijk loop ik dan het trapje op. Het trapje gaat twee keer een bocht om voordat ik voor een gesloten hek sta. Erachter een terras dat niet wordt gebruikt.

De lunch is overdadig met huisgemaakte ayran die met een diepe soeplepel wordt gedronken, en ontelbare kleine gerechten en gözleme (gevulde pannenkoekjes) en vlees en kaas en groenten. Het is gewoonweg te veel en te heerlijk allemaal, maar we eten niet meer vanavond, dus ik sta mezelf toe om goed te eten.

Als we naar de bus lopen, loop ik op met Osman. “So what was up there?”, vraagt hij. Ik kijk hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Ah, now you’re not gonna tell me, are you?”, vraagt hij en schiet in de lach. “But you were back very quickly, so I can guess.”

Na de lunch mogen we weer in de bus plaatsnemen om naar Hasankeyf te gaan. Ik begin zo onderhand een beetje genoeg te krijgen van dit ritueel.

Gelukkig is dit de laatste stop, en voor mij het belangrijkste doel van deze trip, waar ik dus inderdaad nogal wat voor over heb gehad: Hasankeyf. Ik wilde een linkje naar de Wikipedia-pagina toevoegen, maar dat kan hier dus niet, nog steeds geen Wikipedia. Maar het maakt ook niet uit want ik heb iedereen al tot vermoeiens toe lastiggevallen met verhalen hierover. Als je interesse hebt in geschiedenis van welke periode dan ook, dan heb je geen enkele reden om Hasankeyf níet te bezoeken. Hasankeyf ligt aan de Tigris en wordt al 10.000 jaar bewoond. De opvallendste features zijn de twee kolossale 12e eeuwse brugpijlers, de duizenden uit de rotsen gebikte graven en de middeleeuwse huizen die kris kras overelkaar heen zijn gebouwd tegen de steile bergwand.

Al drie jaar wil ik er heen, vanaf toen ik voor het eerst hoorde dat die dam gebouwd zou worden, en dit alles gaat verdwijnen. Steeds was er gedoe in de regio. Allemaal mensen die zeiden dat ik daar niet alleen heen moest gaan. Eigenlijk dacht ik, waarom eigenlijk niet? Want als ik in die 4-5 jaar alleen reizen iets geleerd heb, is het dat mensen overal ter wereld hetzelfde zijn. Ja, de omstandigheden zijn overal anders, maar de grap is dat je je dáár nu juist goed aan kan aanpassen, zeker als je een ‘rijke westerling’ bent. Auto’s werken overal hetzelfde, telefoons ook, internet althans het principe daarvan ook, overal zijn wegen aangelegd waar bordjes langs staan met plaatsnamen erop, ik durf te zweren dat dat in de middeleeuwen ook al zo was. Overal ter wereld willen mensen hetzelfde. En dan bedoel ik niet de één wil een auto en de ander wil een koelkast. Overal ter wereld willen mensen een fijn leven hebben, met hun gezin, en werken en in hun bestaan voorzien. Overal ter wereld zijn mensen nieuwsgierig, overal ter wereld willen mensen helpen, en ja, ook overal ter wereld zijn er mensen die je van je spullen willen beroven, dat is in Rotterdam echt niet anders dan in Zuid-Oost Turkije. En wat wil ik? Van A naar B komen. Eten. Zien. Schrijven. Uitrusten. Dingen die mensen hier ook willen. Dus waarom zou ik hier niet alleen naar toe kunnen? Maar ik twijfelde. Er waren heftige politionele acties in Diyarbakır. Demonstraties en arrestaties van buitenlandse toeristen in Hasankeyf. De media brachten het zo dat het leek alsof je al gearresteerd zou worden voor het maken van een foto. Ik zou toch beter moeten weten dan de media te geloven. Ik zette een post op de Turkse taalsite met de vraag of het veilig was om in mijn eentje naar het oosten te reizen. Ik kreeg goedbedoelde adviezen van voornamelijk Turkse mannen, die natuurlijk hun eigen culturele perspectief hebben. Van een lang in Turkije wonende Engelsman kreeg ik een direct message: “Just book a car and go.” Zo voelde ik het precies.

Nu kom ik aan, hier, waar ik al zo lang naar uitkijk, in een bus met 26 vreemden, ik probeer de omgeving intens in me op te nemen, wat maar deels lukt want er is zoveel lawaai. Het loopt al tegen het eind van de middag, de zon strijkt prachtig over het ruwe landschap. We rijden eerst door naar de oude Zeynel Bey Türbesi, een prachtige 15e eeuwse toren die recent uit het bedreigde gebied is verplaatst (door een Nederlands bedrijf trouwens) naar een hoger gelegen plek. Plompverloren staat hij op een witte betonnen sokkel, vlak naast de nieuwbouwwijk die door de overheid uit de grond is gestampt om huisvesting te geven aan de bewoners die straks onder water worden gezet. Iets verderop is een oude cami neergekwakt, die er al net zo verloren uitziet op zijn nieuwe plek. We rijden terug naar het dorp. We mogen uit de bus. We krijgen 20 minuten om rond te lopen. Als ik het hoor, ga ik bijna huilen. Zet het opzij Jen, je bent hier, mission accomplished, niet zeuren en loop. Op de terrassen tegenover het dorp drinken mensen thee en wordt muziek gemaakt. Beneden is een terras in het water gemaakt. Thee drinken met je voeten in de Tigris. Ik heb er geen tijd voor. “Do you have any idea what’s going on here?”, vraagt onze gids aan mij. “O yes ofcourse, that’s the reason why I wanted to come here”, zeg ik. “At the end of 2019, the water will be up until the balcony of that minaret”, zegt hij. Ik maak foto’s, kan totaan die minaret lopen voordat ik echt terug moet naar de bus. Als ik alleen was geweest, was ik hier een hele dag geweest. Was ik het hele dorp door gelopen, ergens in een onooglijke lokanta met plastic tafelkleed en prachtig uitzicht gaan zitten voor koffie en zitten schrijven, terwijl ik alle geluiden en geuren in me opnam. Had ik zo’n gekke Koerdische harembroek gekocht op de markt en zo’n zelfgeknoopt kettinkje met een stukje steen erin. Nu heb ik niets. Nog geen steentje van de grond heb ik meegenomen. Nu snelwandel ik terug naar de bus. Iedereen zit al. We rijden naar het vliegveld. De zon strijkt met de laatste stralen langs de steile met uitgehouwen graven bezaaide rotswand, en gaat voor mijn ogen onder in de Tigris. Ik hou de tranen ook niet meer tegen.

Over Oost-Turkije

Plaats een reactie