Zarathoestra

Dat ik me iets minder een buitenstaander voel tussen dit gemêleerde gezelschap, wil niet zeggen dat ik nu zin heb in het avondeten. Gelukkig heb ik hartstikke keelpijn, dus dat ga ik straks fijn gebruiken om er onderuit te komen. Maar we vertrekken eerst nog naar Dara, ongeveer een uur rijden van Mardin naar het zuiden. Vanuit het zuiden is het zicht op Mardin tegen de berg aan echt spectaculair. Het is midden op de dag een beetje heiig van de hitte, geel met grijs en blauw. Onderweg passeren we een paar lege legercontroleposten en met manshoge betonblokken afgezette kazernes. We zien ook veel opgetuigde legergroene Hummers rijden. Buiten de stad hangen camera’s boven de weg. Men weet wie er in gaat en wie er uit komt.

Als we met die lompe opvallende touringcar aankomen in Dara en uitstappen, rijden er net een paar schattige jongetjes op kleine fietsjes voor ons langs. Eentje komt recht op mij af en ik pak mijn camera. Een paar van mijn reisgenoten doen hetzelfde en het jongetje staat even stil alsof hij niet anders gewend is. Er komen ook een paar meisjes aan en omdat ik inmiddels een paar meter van de groep af sta, komen ze om me heen staan. “Hoş geldiniz”, zegt een meisje met een glimlachje, “Hoş bulduk”, zeg ik terug. Dan zegt ze iets wat ik niet begrijp en ik zeg in het Turks dat ik alleen Engels spreek. “What is your name?”, vraagt ze. Ze staan met z’n drieën om me heen héél goed te weten wat ze willen van toeristen en ook heel goed te weten dat ze ondanks de overduidelijke doortraptheid toch onweerstaanbaar zijn, met die fijne gezichtjes en grote bruine ogen en gekke stoffige kleren in allerlei kleuren over elkaar heen aangetrokken. Eén van hen gaat het even in de rest van de groep proberen. Ik heb met de andere twee een kleine conversatie en een van die meisjes wijst op mijn armbandjes. Ik ga natuurlijk als een sukkel direct voor de bijl en vraag “Beğeniyor musun?”, “Vind je het leuk?”. Ze knikt driftig en ik trek een armbandje van mijn pols af en geef het haar, en een tweede aan het andere meisje. Ik heb er eigenlijk al direct spijt van, wat een watje ben je dan toch, maar oké, je moet het ook een beetje in het grotere geheel der dingen zien, wij komen hier op hun terrein met onze afzichtelijke bussen een beetje de huisvrede lopen te breken op alle onganselijke uren, daar hebben zij óók niet om gevraagd. En die toeristen bulken van het geld en ze willen soms nog wel eens wat, ayran, of papieren zakdoekjes, of een liedje, of een toekomstvoorspelling, of een zelfgemaakt kransje van olijftakken. Het is gewoon kijken wat je los kan krijgen, en zo’n armbandje komt natuurlijk snel van de pols af en is wel een stukje toneelspel waard. Ik loop weer een stukje door over het terrein. Het derde meisje dat middenin de groep staat, heeft inmiddels in de gaten dat er een succesvolle onderhandeling heeft plaatsgevonden en komt terugrennen naar haar vriendinnetjes. Ik hoor de twee in opgewonden stemmetjes iets tegen haar zeggen, ik kan me zo voorstellen iets van “Ze heeft er nóg een, ga het gewoon vragen!” Als ik achterom kijk, duwen ze haar een beetje mijn kant op. O, the pressure! Nu hebben je twee vriendinnetjes wèl een armbandje en jij niet! Ze rent achter me aan, maar zegt niets, ze kijkt alleen maar, met een soort van verlegen ogen, terwijl ik loop probeert ze met staren van opzij mijn aandacht te trekken terwijl de twee vriendinnetjes achter haar aan komen om te kijken hoe het afloopt. Ik had inderdaad nog één armbandje, de mooiste had ik voor mezelf bewaard, ja, dat doe je dan weer wèl, maar tegen deze emotionele guerrilla-aanval ben ik niet opgewassen. Ik ben nieuwsgierig wat ze doet als ik stil ga staan, als ik dat doe zet ze direct haar charmeoffensief in en zegt: “What is your name?”. Ik kan mijn lach niet onderdrukken en dat is kennelijk haar cue, want nu wijst ze naar mijn arm. Okee dan, hier. We maken nog even een “selfie, selfie!” en in een stofwolkje zijn ze dan ook verdwenen.

Dara werd in de 6e eeuw BC door de Oost-Romeinen op de Mesopotamische vlakte gebouwd als militaire post, vlak aan de zijderoute (waarbij Nusaybin de belangrijkste pleisterplaats in de buurt was). Ook de eerste stad in de geschiedenis met een irrigatiekanaal en een dam trouwens. Wist je vast niet. Ondanks al dit prachtigs heb ik verder niet zoveel oog voor Dara. Het stond op mijn lijstje en het is een totale verrassing dat we hier ook zijn heen gegaan, dus ik ben erg şaşırdım, verrast en blij maar in tegenstelling tot wanneer ik hier alleen zou zijn, ben ik teveel afgeleid door andere dingen om echt iets op te slaan en te leren (en te genieten ook, eigenlijk). Waar is die groep, staat die bus er nog, waar is mijn iPhone/camera/mifi/zonnebril/pakje zakdoekjes nou weer. (Maar even: die tas-in-tas hè sis, die zorgt er vooralsnog wel voor dat ik in nòg meer vakjes moet zoeken naar mijn zooi.) Ik heb ook al niets te lezen bij me, wat misschien nog wel het ergste is.

We bewegen naar de andere kant van het dorp. Ineens nog meer kinderen. “Zal ik een liedje zingen?”, vragen ze. Nee, hoeft van mij niet. Eén meisje is in de stralen van de ondergaande zon met water aan het spelen, waar ze onverstoorbaar mee door gaat als een paar mensen haar staan te fotograferen. Stof en water vormen een schimmenspel in de zonsondergang. Zou dat meisje zich dat herinneren als ze een vrouw is? Wat doet dit met haar? Misschien schrijft ze ooit wel een boek over haar leven in deze uithoek van Turkije, “Als de bussen kwamen stuurde mijn moeder me naar buiten om mijn zogenaamde regendans op te voeren. Vooral in de zomer konden we rekenen op al die mensen die hun Instagram wilden vullen met beelden van arme kinderen die spelen in de zon, en daar dan iets voor willen geven. Er waren nooit kinderen bij en ze spraken vaak een taal die ik niet begreep, waaruit ik afleidde dat ze wel ver weg moesten wonen, want in de buurt kende ik niemand die die talen sprak.” Of zoiets.

We dalen af in een meer dan 1000 jaar oude, twintig meter diepe voorraadkelder die er uit ziet als een ondergrondse kathedraal en overal waar we gaan volgen de kinderen ons. Het begint op het moment lichtelijk irritante vormen aan te nemen. Niet alleen vanwege het steeds aandringendere bedelgedrag, maar ook omdat er zo geen foto meer te maken valt zònder kinderen erop.

Ik vind het niet erg om hier weg te gaan en denk er even over na wanneer het beste moment is om tegen mijn gids te zeggen dat ik niet mee ga eten. Dat moment komt wanneer hij naast me loopt en we het hebben over de plaatsen die we hebben bezocht en die nog de moeite waard zijn. Volgende week vliegt hij voor één dag naar Libië, om een Romeinse stad te bezoeken. Ik zou me zo maar kunnen voorstellen dat ik dat ook zou doen. Als hij dan zegt dat we vanavond in zo’n fijn restaurant eten, onderbreek ik hem maar meteen, want ik heb zó’n keelpijn, ik weet niet of ik het wel trek om twee uur aan tafel te zitten. Hij probeert me nog over te halen, er is géén muziek, zoals gisteren (dat heb jij even goed aangevoeld mattie), er is vis en een héél goeie keuken, wat ik direct van hem aanneem want hij is een practising foodie heb ik begrepen, maar frankly, lieve schat, I’d rather wipe Saddam Husseins ass op dit moment. Hij zegt, “You don’t need to stay all evening, maybe just come for dessert or leave early, whatever you want.” Okee, een tikje schuldig voel ik me wel, maar niet genoeg.

Wat heerlijk om op de hotelkamer mijn kleren uit te trekken en een douche te nemen. Ik verheug me al op die latte die ik ongetwijfeld ga vinden. Ik heb geen zin in eten maar wie weet. Er overvalt me een enorm gevoel van vrijheid ineens. Ik sla nog een paracetamol achterover, ik wacht even tot iedereen waarschijnlijk aan die lange tafel zit, het is al lang donker, en loop dan naar buiten. Er moeten verschillende cafeetjes in de buurt zijn maar zo op het eerste oog zie ik ze niet. Google zegt dat ik in een paar stappen bij het Kulilk Cafe moet zijn. Ik zie inderdaad een onooglijk houten plankje met die naam hangen, dat naar een onooglijk steegje wijst, maar of ik daar nu in wil lopen, zo in m’n eentje… Ik bekijk even de foto’s op Google en het ziet er toch wel geestig bohemièn uit, dus weet je wat, het kan me toch allemaal niet meer schelen, ik lóóp die onooglijke trap op, dat donkere steegje in, het zijn tien treden voordat ik de hoek om moet en als ik daar ben krijg ik andermaal zo’n heerlijke verrassing, die alleen is weggelegd voor mensen met vertrouwen in de mensheid of doodsverachting, en ik heb geloof ik wel iets van allebei: een met lantarens verlichte zachtgele kalkstenen muur met van boven naar beneden uitgebeitelde versieringen beloont me, met een donkerbruine zware deur met ijzeren beslag, die open staat, en toegang geeft tot een klein open binnenplaatsje. Twee jonge mannen met snoeistrakke kapsels en hipstersbaardjes staan er te praten, “Kulilk burada mı?”, vraag ik, en ze wijzen naar nog zo’n uitgesleten stenen trap, en dan sta ik ineens op een dakterras, met houten tafeltjes en industriële stoeltjes en bankjes, half overdekt met grove juten kleden tegen de zon. Overal hangen gekleurde lantaarntjes aan scheepstouw, ook in de takken van de boom die half over het terras heen hangen. Ik ga vlakbij de rand zitten, er zit maar één ander stel op het terras. De kaart is een grillig houten plankje waar iemand de letters van de gerechten heeft ingebrand, kennelijk zijn ze niet van plan om binnenkort iets aan de kaart te veranderen. Wat in andere omstandigheden geen overbodige luxe zou zijn want er staan in totaal maar tien gerechten op en tien drankjes, natuurlijk allemaal zonder alcohol, maar hier, hangend boven het geelgouden Mesopotamië, onder deze glasheldere sterrenhemel, en onder een bijna overhellende steile bergmuur, is het genoeg, meer dan genoeg, is het een feest, is het vijf broden en twee vissen en glas water, en wat een intens geluksgevoel overvalt me hier, niets maar dan ook helemaal niets kan hier tegenop, alles valt op zijn plaats.

Eerst koffie, en ik bestel een latte, heeft ie niet, maar ik vraag of hij melk heeft, ja dat heeft hij wel, kan hij die warm maken? Ja hoor, geen probleem. En heb je ook koffie? Ja allicht. “Zal ik ze mengen?”, vraagt hij. Joh, wat een goed idee.

Ik leg mijn iPad op tafel en bestudeer de kaart een beetje. Een piepkleine kitten speelt bij mijn voeten. “Patates”, staat er op de een na laatste regel. En “Tavuk izgara”, gegrilde kip. Ik ga niet meer moeilijk doen, nu. Kip met friet, á la Turque de l’est. Echt, ik heb iets goed gedaan in dit leven. De koffie komt, gewoon veel te hete instantkoffie met melk, maar prima en ik bestel mijn eten. De koffie is na een paar minuten echt heerlijk, ik zit heerlijk te schrijven, ik voel me intens gelukkig, en ik bedenk me, al die tijd heb ik gezegd dat het énige dat niet leuk is aan alleen reizen het ‘s avonds alleen eten is, maar dit…! Waarom dàcht ik dat eigenlijk ook al weer?

De kip en friet komen, en echt waar, er zit een bakje ketchup en een bakje mayonaise bij, I kid you not, mayonaise! De kip is in stukjes gegrild, Turks gekruid met lekker veel pul biber, en ligt op een bedje van brood zoals iskender kebap, met tomaten en pepers en ui erbij. De jonge gast komt nog aan met een enorme schaal van dat heerlijke brood, en vraagt dan: “Would you like a glass of wine?”

(Dat was even een momentje om het momentum tot je door te laten dringen, ik snak al dagen naar een glas wijn, ook al was ik aan het minderen, wat in principe prima gaat, maar ik ben nu in Turkije, all bets are off, maar geen wijn te krijgen hier, niet in het koelkastje van het hotel, niet op het terras van het hotel zelf, het lijkt de friggin’ drooglegging wel, maar enfin.)

Ik klap mijn handen tegen elkaar en zeg “Evet! Lütfen! Gast komt met een fles zonder etiket, lokaal dus, (Süryani şarabı, bleek inderdaad) en een enorme bel van een glas, dat voor meer dan de helft vol gaat. Nu had ik in Dereiçi die lokale wijn al geproefd (die trouwens wèl een etiket had), en werd daar niet zo héél vrolijk van, beetje te zoet en te zuur tegelijk, maar déze! Nee ik wil echt niet overdrijven, ik snap dat je er op dit moment wel klaar mee bent en de pointe wel begrijpt, maar deze wijn was dus niet alleen lekker, donker, en zwoel, en walnoten, maar ook was het een mentaal kadootje, een goedmakertje van het universum, voor de geleden schade van de vorige avond. Zoiets.

Ik heb daar best nog lang gezeten, aan dat houten tafeltje. Schrijven schrijven, schrijven, af en toe die kitten erbij, smachtend naar een stukje kip. Toen ik klaar was met eten, vroeg de jongen of ik nog een beetje wijn wilde, en ik had eigenlijk genoeg gehad, maar alles was zo bijzonder, ik wilde nog even blijven zitten schrijven, dus ik zei toch maar okee, en even later komt hij ook nog terug met met een schoteltje met kaasblokjes, en op dat punt, na alles wat ik net heb beschreven, en die wijn natuurlijk die zijn emotionele effect bereikte, brak ik in stukjes, en heb ik de tranen van dankbaarheid en vermoeidheid natuurlijk ook, maar even de vrije loop gelaten, het was tòch donker, en de mensen aan de andere tafel waren toch te luidruchtig met zichzelf bezig om mij op te merken. De rekening kreeg ik gepresenteerd in “Böyle Buyurdu Zerdüşt” (Aldus sprak Zarathoestra), van Friedrich Nietzsche.

Affijn om kort te gaan, ik had een heerlijke avond in m’n eentje, en bleef ook nog tot diep in de nacht schrijven op mijn hotelkamer. Met water.

Plaats een reactie