Betovering | Mardin

Vrijdag

Het staat er echt, “Diyarbakır”, op m’n instapkaart. Shit gets real. Ik hoop dat ik in het goede vliegtuig zit. Ik zie Stipje nergens meer. Maar Paars stond net wel in hetzelfde busje dat ons naar het vliegtuig bracht, dus ik denk dat het goedkomt.

Voordat ik wegging heb ik het nieuwe matras nog afgehaald en naar het balkon gesleept. Daar had ik nog tijd voor want ik was om 3.15 al wakker. En om 2:15 ook, en om 22:15 en 23:30 ook, vanwege de schroeiende stank die uit het matras kwam om mijn longen te perforeren, en de sigarettenlucht die uit de keuken kwam. Eruit om de deur van de slaapkamer dicht te doen. Eruit om een rondslingerend vest tegen de kier onder de deur te leggen. Eruit om in de keuken het raam naar de luchtschacht dicht te doen waar het vandaan leek te komen. Maar dat matras, het leek wel of mijn luchtpijp in de fik stond. Vanochtend dus maar alles afgehaald en op het balkon te luchten gelegd. Kan ook zijn dat die griep me toch gaat inhalen nu.

Ik eet een groen mandarijntje en een plak van dat heerlijke Turkse brood met kaas en ik maak instantkoffie. Het zou maar 20 minuten lopen moeten zijn naar het Fenerbahçe stadion maar ik neem in deze duisternis toch maar een taxi, die trouwens meteen al voor mijn deur stopt zodra ik met mijn koffertje uit de deur stap. Chauffeur vraagt waar ik heen ga, ik zeg ‘Fenerbahçe stadion’ en dan vraagt hij volgens mij nog een keer waar ik heen ga, of waar ik daarna heen ga, of wat ik ga doen, dus na al dat aandringen zeg ik per ongeluk ‘Sabiha Gökçen’. ‘Sabiha Gökçen?’, vraagt hij. ‘Neenee, Fenerbahçe stadyumu’, zeg ik. ‘Sonra Sabiha Gökçen’e mi?’. ‘Hayır, hayır, sadece Fenerbahçe stadyumu.’ Omdat ik het zielig vind dat ik hem de rit naar Sabiha ontzeg, geef ik hem maar het dubbele van de ritprijs, 15TL, wat neerkomt op nog geen 2,50€.

Bij het stadion zie ik meteen een man uit een andere taxi stappen met een handbagekoffertje, waar ik maar direct op afstap. Als ik in het Engels aan hem vraag of hij ook met Fest Travel meegaat, lijkt hij direct een beetje in zijn schulp te kruipen terwijl hij bevestigend antwoordt en zegt dat hij de gids is. Hij doet geen enkele moeite om iets in het Engels tegen me te zeggen, ook niet als we later met 15 man in de bus zitten en hij een verhaaltje afsteekt. Gelukkig heeft iemand een lijstje in zijn hand waar ik mijn naam op zie die afgestreept wordt en zo tijger ik de hele tijd maar langs de kleine tekens die me bevestigen dat ik nog steeds goed zit. We krijgen een rood apparaatje aan een koord, en een paar batterijen, er wordt nu iets verteld over waar het ding voor is, ik hoor verschillende keren het woord vliegveld en veiligheid vallen, maar ik kan er verder geen touw aan vast knopen. Nee, uitleg in het Engels komt er niet.

Ook al is het ècht niet erg, en heb ik er rekening mee gehouden me drie dagen lang zonder verbaal of ander contact in De Groep te moeten bewegen en niets te begrijpen van wat er gezegd wordt, ik had het toch anders gedaan, als gids zijnde.

Ondanks extreme vermoeidheid slaap ik niet in het vliegtuig. Ik zit gelukkig bij het raam en kan de zonsopkomst zien boven de wolken, die langzaam verdwijnen naarmate we meer naar het zuidoosten vliegen. Dalend naar Diyarbakir zie ik ontstellend lelijke oostblokwijken met hoge flats allemaal recht naast elkaar gezet. En ik zie ook de oude ronde stad waarvan een kwart weg is.

Ik ken nog geen gezichten en namen dus ik loop na de bagage een beetje te zoeken maar vind al snel Stipje buiten staan bij de gids. Okee dit is het dan, uit je comfortzone Blokkie, doe maar eens dingen die je voor jezelf had afgezworen, zoals in een Groep reizen als een Chinese toerist, en sociaal praten met mensen, nou ja dat had ik niet echt afgezworen maar dat kan ik gewoon niet, zoals is gebleken na paar decennia oefenen, en nou die bus in verdorie! Gelukkig krijgen we van Erdal (de gids) een A4-tje met drie keer een plattegrond van de bus er op (inclusief twee deuren en de R voor ‘rehberi’, gids), en voor elke dag een andere stoel ingekleurd waar je mag gaan zitten. Dáár hoef ik gelukkig niet meer over na te denken en Forest Gump-achtige taferelen blijven zo achterwege en iedereen blijft verschoond van allerlei nachtmerrieachtige herinneringen aan schoolreisjes. Dat is fijn.

Niet zitten we in de bus, of Erdal begint te ratelen en houdt niet meer op totdat we door het spuuglelijke betonnen voorstedelijke nieuw Mardin (“Türkiye ülkemiz, Erdoğan babamız”) rijden en aan het begin van oud Mardin stoppen, omdat de bus hier niet verder mag. De hele rit schalmden op monotone wijze allerlei historische feiten door de touringcar-intercom, daar was geen woord Spaans bij, en ook geen Engels trouwens, dus ik heb er werkelijk geen biet van begrepen. Ik moest dit eerste uur echt even hergroeperen en strategie bepalen. Ik merkte al binnen een paar minuten dat ik van dit met technische, academische en bouwkundige termen doorspekte verhaal alléén maar fracties sporadisch kan begrijpen, als ik echt geconcentreerd luister, en dat is echt doodvermoeiend. Bij Engels en Nederlands kan je nog wat anders doen, beetje naar buiten kijken, boekje lezen, beetje praten, en wat er dan gezegd wordt blijft nog wel even hangen in het luistergebied in je hersenen zodat je ergens toch wel weet wat er wordt gezegd. Maar dit komt er helemaal niet door, dit blijft ergens steken in het vertaalgebied, en als het daar niet doorheen komt, komt de betekenis ook niet aan.

Afijn, we moeten er dus uit en beginnen te lopen. Ik denk, we gaan nu vast even naar het hotel, even opfrissen, en dan lekker ontbijten. Maar nee. Lopen zal je. Je wou toch een tour? Nou, hier is ie. Ik zal je verder de details besparen maar lopen, lopen, lopen, kerkje in kerkje uit, kerkje in kerkje uit, (4x) alles begeleid door ongetwijfeld echt kundig verslag over de geschiedenis vanaf de prehistorie, maar dat gaat dus helaas allemaal aan me voorbij. Godzijdank stiefelen we dan met z’n 26-en een lokanta binnen voor een echt heerlijke lokale kebap. Ik zit tegenover een beeldschone blonde Turkse die vraagt wat ik hier eigenlijk doe. Ik zeg dat ik al een paar jaar reis door Turkije omdat er zoveel te zien en te genieten is en ik het heerlijk vind. Ze zegt, “That’s so nice to hear. For years tourism was so bad”. Ik zeg: “A few years ago when I doubted if I should come back, someone said to me, ‘Maybe bad things are happening here but 50% of the people don’t want all this, and they feel left alone by the world.’ That’s the reason I still come back. And it’s just those people who are sad about their country who love their country so much.” Ze legt haar hand op haar borst en zegt: “That’s so good, thank you for saying that.”

Ik ben kapòt. Socializen gaat niet meer, en ik wil alleen maar naar m’n hotel. Waar is het? Erdal houdt het express nog even achter, die gnieperd want die snapt natuurlijk ook wel dat als hij het nu zegt, iedereen de benen neemt. Maar Erdal is rücksichtslos, na de lokanta mogen we nog even naar de wc (gat in de grond, serieus. Met een kraantje ernaast en een roze plastic plantengieter. En wat ik zo wonderlijk vind, die gaten in de grond zijn netjes helemaal keramisch vormgegeven als een wasbak, alsof dat het dan een appetijtelijkere aanblik geeft) en dan moeten we naar benéden, naar nog één kerkje, dwars door de schattige petieterige marktsteegjes van Mardin heen, maar wat dus wel betekent dat ik straks waarschijnlijk ook weer omhóóg moet.

Ik moet wel zeggen, Mardin. Mardin. Wat heerlijk, wat een heerlijke plek. Wel erg toeristisch, zo zijn van overheidswege alle winkeltjes in de hoofdstraat voorzien van hun naam in allemaal dezelfde goudkleurige schreefloze Arial. Daardoor ziet het er uit als Disneyland, maar daar moet je even doorheen kijken. Even kijken naar de rommel en de lelijke verbouwingen. Je moet nadat de Groep is vrijgelaten even ontsnappen naar een onooglijk achterafstraatje dat je eigen liever niet wilt nemen, maar als je het dan tòch doet, ineens tussen 800 jaar oude goudgele muren loopt met stoffige uitgesleten stenen trappen, en kantélen en onvoorstelbaar oude houten deuren, waar de kinderen spelen en nieuwsgierig naar je kijken en 100 jaar oude mannetjes al die trappen nog steeds op lopen. En waar het ruikt naar houtvuur en gekruid vlees en natte kalk. Het lijkt wel alsof hier een permanente geeloranje filter over de stad ligt die alleen even verbleekt als de zon en de hitte het hoogste punt hebben bereikt. Je hebt geen idee meer waar je bent, maar het maakt niet uit, als je straks ergens weer omhoog loopt komt je waarschijnlijk tòch weer op die hoofdstraat uit.

Ik laaf me aan die paar kleine straatjes voordat ik me snel naar het hotel begeef, want ik heb nog maar twee uur voordat we moeten verzamelen voor het avondeten. Die twee uur lijken wel niet te bestaan zo kort, ik val nog even in slaap maar sleep mezelf er toch weer uit.

Avondeten doen we aan een lange tafel. Ik heb me ontfermd over een oudere dame die er de hele tijd een beetje alleen uit ziet en probeer een praatje met haar aan te knopen maar haar Engels is net zo slecht als mijn Turks. Desondanks zie ik dat ze mijn aandacht waardeert (later noemt ze me haar ‘Friday’ waar ik dan wel weer om moet lachen, want volgens mij ben ik hier de vreemdeling). Als we naast elkaar gaan zitten blijkt dat iedereen om mij heen zo goed als geen Engels spreekt. Er is een traditionele hard spelende live band met oude ongeïnteresseerd kijkende mannen (viool, saz, trommel) die zagende liedjes spelen die mij allemaal hetzelfde in de oren klinken maar alle vrouwen aan tafel lijken ze te kennen en zingen ze klappend mee, wat mij om onbegrijpelijke reden maar volgens de verwachting, vervult met een diepe gêne. Nee toch. Een voor een worden er bordjes gebracht, het is heerlijk, maar ik ben te moe om ervan te genieten, en dan die muziek, die ik niet begrijp, en de mensen die ik ook niet begrijp, en trouwens ook helemaal niet kan hóren, en ineens lopen er allemaal vrouwen van andere tafels naar de vloer en beginnen te dansen, op die traditionele manier, waarvan ik denk, hoe weten ze toch wat ze daar moeten doen de hele tijd? Het is betoverend en afschrikwekkend tegelijkertijd. Er zit zoveel beroering en bezieling en cultuur in die klanken en die dans, ik kan er eigenlijk wel uren naar kijken, en tegelijkertijd maakt het nu dat ik me extreem ver van deze mensen verwijderd voel. En ik kan nog niet weg want er komt nòg een gerecht en nòg een, o for God’s sake, en nòg meer muziek en dans, en rakı, en lawaai, o, wat verschrikkelijk, ik hoor helemaal niets meer, en ik voel me verder en verder wegdrijven van de planeet en ik wil weg en dan eindelijk staat er iemand anders op in wiens kielzog ik kan meelopen. ‘Nooooooit meer’, denk ik lopend naar het hotel. En ik neem ook maar alvast een voorschot op het ontbijt waar ik om de dooie dood niet heen ga.

Slapen wil eerst niet echt lukken omdat ik zo’n keelpijn en sinuspijn heb, maar uiteindelijk lukt het toch en ik slaap prinsheerlijk door het ontbijt heen.

Om 8:50 staan we paraat voor Dereiçi en Dara. Ik mag vandaag helemaal voorin de bus, wat helemaal fijn is met het oog op het uitzicht, alleen ik hoop niet dat ik nu de hele tijd met de gids moet praten. De rit naar Dereiçi is absoluut prachtig, dit dorre ruige steenachtige landschap gaat eindeloos glooiend door, kleine dorpjes, kinderen die zwaaiend achter de bus aanrennen, mannetjes met ezels en takkenbossen, vrouwen met losse hoofddoeken onder bomen die iets verzamelen, wat doen die mensen toch allemaal hier, van die takkenbossen kan toch niet iedereen rondkomen? En toch voelt het allemaal vriendelijk en gemoedelijk aan (voor mij dan, die niet weet wat deze mensen hebben meegemaakt). In de buurt van de rivier is het groen, notenbomen en wijngaarden.

Dereiçi is een soort spookstad die toch weer is ingenomen door mensen die er uiteindelijk nog heil in zagen of gewoon niets anders hadden. Op enig moment komt Erdal buiten in de bloedverziekende hitte op een Grieks orthodoxe begraafplaats bij me staan. Hij is een jaar of 45 en grijzig, hij heeft een nogal uitdrukkingsloos gezicht, zij het met een beetje een oordelende blik en de houding van een leraar Nederlands (De Geus, Nassau), buigend en wijzend en naar één kant overhellend als hij ergens over na moet denken. “Do you actually understand what I’m saying or are you just pretending to listen?” Waar ik dan wel weer om moeten lachen. “I’m actually listening and really trying to understand what you’re saying” wat ook de waarheid is. “It’s really difficult but it’s good for my Turkish”. “Het zou wel helpen als je niet óók nog de steden bij hun onuitsprekelijke interglaciale naam noemt die ik niet ken, Erdal”, denk ik erbij. Ik ben inmiddels gestaakt met elk woord te proberen te volgen, al loop ik nog steeds wel met mijn oortje in, dat rode apparaatje, dat gewoon een klein speakertje is, zodat Erdal niet zijn stem hoeft te verheffen en de Groep een beetje kan uitwaaieren.

Aan het eind van het dorp worden we nog even uitgenodigd om de lokale wijn te komen proeven.

Tijdens de lunch zit ik naast de Ariente’s, waarvan ik vanwege de Spaanse naam verwacht dat ze wel Engels zullen spreken. De dame, Ayşe, vraagt me wat ik hier doe en als ik via de vaste routine heb uitgelegd dat Turkije voelt als een oude handschoen, begint ze te lachen. “You were here in another lifetime, it’s obvious”, zegt ze, “That’s why you feel that way”. “Actually I feel the same way”, zeg ik, “It’s just a pity that the language didn’t move to this lifetime with me.” Ayşe vertelt me dat haar Engels zo goed is omdat ze is opgegroeid in Amerika. Ik vertel haar ook dat het me was opgevallen dat ze in het orthodoxe kerkje een kruis maakte. Dat komt omdat ze van huis uit katholiek is, zegt ze, Syrisch orthodox. En haar man, Alfonso, is Turks (natuurlijk), van een Spaanse familie, en opgegroeid in Italië. Maar nu wonen ze al heel lang in Istanbul. “Wat zo fijn is aan Turkije is het eten”, zegt ze. “Er is geen betere keuken op de wereld”. Alfonso zegt de Italiaanse, waarop hij direct door zijn vrouw en mij wordt afgestraft, want ja Italiaans is lekker, maar Turks is toch echt veelzijdiger. “I think my favourite place in Turkey must be Çiya”, zeg ik, een restaurant in Moda (zie Chef’s Table S5E2). En ineens begint iedereen aan tafel zich ermee te bemoeien, ja, Çiya! Ayşe kent het niet. “Eigenlijk komen wij nooit aan de andere kant”, zegt ze, op zo’n geestige Istanbulse ik-ben-van-de-Europese-kant-toon. Maar nu begint iederéén te roepen dat ze er ècht een keertje heen moet. Ze hebben daar àlles, en het is maar een paar minuten lopen vanaf de iskele. En ineens voel ik me toch een piepklein beetje minder een buitenstaander.