Zijn we weer

“Ik heb geen zin meer.”

“…”

“Ik wil niet meer. Ik wil naar huis .” Mijn keel schuurt van de sinds gisterenavond opkomende griep.

“En nu ga je ophouden met zeuren. Je gaat gewoon. Straks ben je weer hartstikke blij.“ (Hij zei het in iets andere bewoordingen die ik hier niet kan herhalen omdat mijn moeder dit leest) (Althans dat zegt ze) (En ik hoop dat ze dat doet want daar doe ik het per slot van rekening voor, dat ze weet waar ik uithang en wat ik doe.)

Dit gaat zo nog even door onderweg naar het vliegveld als de reisstress echt toeslaat. Ik heb geen zin meer. Waarom doe ik dit eigenlijk ook al weer? Ja. Ja. Ja. Wat moet ik ervan zeggen. Ik kan het ook niet helpen. Ik ben denk ik gewoon een ziekelijke verzamelaar, net als mensen die bierdopjes verzamelen, of beeldjes van olifanten of poezen. Omdat het daarvan óók volstrekt niemand duidelijk is welk genot iemand eraan ontleent en waarom die verzameling maar groter en groter moet worden. De lijst aan plaatsen die ik in Turkije wil bezoeken wordt óók almaar groter en groter. Gaziantep, Trabzon, Van (“Van”, Google that…), Erzurum, roadtrip langs de Zwarte Zeekust, Capadoccia, een treinreis van Ankara naar Kars, Nemrut Daǧı, Göbekli Tepe, de Akçalı Travertenleri, Hatuşaş, talloze antieke steden waarmee het land is besproet, Kültepe, Güzelyurt, en ik ben nog lang niet klaar. Ik heb elke keer maar twee à drie weken, en daarin moet ik me ook een beetje ontspannen en opladen voor en uitrusten van het verstikkende werkgeweld van de rest van het jaar. Het luistert allemaal nogal nauw, wat er in die paar weken gebeurt. Ik kan het me ook niet voorstellen dat ik dit anders zou doen dan in m’n eentje. Ik hou me inmiddels verder weinig bezig met wat mensen daarvan denken. Waarschijnlijk hetzelfde als ik zelf vroeger deed over alleenreizigers. Een beetje meewarig misschien, met op de achtergrond de vraag of ze misschien niemand konden vinden die met ze mee wilde, en of ze ook door het leven zelf alleen reisden. Ik vertelde over mijn plannen op whatsapp tegen een Duitse vriend. “Aaahhh, du machst ein Sexuhrlaub!” zei hij, “Du böse Frau!” Toen ik uitgelachen was bedacht ik me dat mensen er zo dus óók tegenaan kunnen kijken. Okeeeeejjj. Gek genoeg is de reactie die ik van mensen krijg vaak: “Dan hoef je geen rekening te houden met andere mensen.” Héél gek vind ik dat. Alleen reizen is niet echt gewoon, en dan probeer je uit leggen dat je in je eentje twee keer zo snel beslissingen neemt, urenlang op plekken kan doorbrengen die een ander niet interesseren, snel contact maakt met mensen, je niet terugdeinst voor obscure eettentjes of juist maaltijden overslaat, dan krijgen ze zo’n meewarige blik en zeggen ze op zo’n toon van “ik begrijp het wel hoor, lijkt me héérlijk om ook eens te doen, dan hoef je geen rekening te houden met iemand anders”. En dat klinkt me nogal egoïstisch in de oren, het steekt me een beetje. Misschien zegt het meer over hen dan over mij. Mijn gedachte is eerder omgekeerd: dan hoeft er even niemand rekening te houden met míj. Met mijn buien en humeur, migraineaanvallen, met mijn grillige eet- en leefpatroon, met mijn obsessies met geschiedenis. “Nou, gezellig hoor”, hoor ik meerdere keren per dag van mijn lief, bij wijze van grap als ik ’s avonds in mijn laptop in Google Maps zit te graven. Ik denk dat er van een afstand voor een ander sowieso weinig lol met me te beleven is op reis. Zo’n week verloopt zonder enig herkenbaar patroon, van uren lang in bed blijven liggen tot op onmogelijke tijden nog naar een of ander bos rijden omdat er nog ergens een Romeinse stad onder de grond ligt. Op vaste tijden eten daar hoef je echt niet op te rekenen en verschillende maaltijden worden overgeslagen, dat kàn ook in Turkije, want als je een plek met een serieus Turks ontbijt hebt gevonden dan eet je meteen genoeg voor twee dagen. Ik ken verder ook niemand die het heerlijk vind om de hele middag op het strand te liggen met een boek. Ik ken sowieso niemand die met me mee wil. Als je ‘Turkije’ al zegt is het meestal al over met de belangstelling. En zeewater, ik kan er niet zonder. Ik hoef er niet over uit te wijden want dat heb ik in de vorige blogs al ten overvloede gedaan, maar gek genoeg heb ik nooit geweten dat dat niet voor iedereen geldt. Nog steeds vind ik het vreemd als mensen zeggen dat ze in de zomer naar Oostenrijk op vakantie gaan. Daar is toch geen zee? Wat een ultiem geluk, helder zeewater, een strandbedje, een boek, mensen die je een cocktail komen brengen of een stuk meloen. Zwemmen, lezen, zwemmen, lezen, zwemmen, lezen. Zeewater dat korrelig opdroogt op je huid en in je haar, ik ga liever helemaal niet douchen, al die goedheid op je huid!

Dus… daar ga ik weer. Deze keer hoop ik dat ik eindelijk mijn top drie Turkse bestemmingen kan bereiken na drie jaar goede voornemens. De eerste week heb ik een vaste basis in Istanbul. Op dag drie vertrek ik voor drie dagen naar Mardin, Midyat en Hasankeyf. Daarna nog een paar dagen Istanbul en dan naar de kust, waar ik ook nog ten minste twee dagtrips maak naar vervallen Romeinse rommel.

Hoeveel zin ik er ook in heb (en dat valt dus op dit moment wel mee), tegelijk ben ik ook terrified. Om te beginnen gaat die trip naar het oosten in een groep, een hele grote groep. Ik ben niet goed met groepen. Helemaal niet. Dus eigenlijk heb ik er nu al geen zin meer in. Vandaag kreeg ik de lijst met namen. Op één na allemaal Turkse namen ook nog. Dat is trouwens ook een heel gekke gewaarwording. Als je in Nederland ergens een namenlijst ziet, is toch een gedeelte niet van Nederlandse origine. Ik vraag me af wat de grootste groep immigranten voor nationaliteit heeft in Turkije. Syrisch? Zal eens aan mijn gids vragen met wie ik donderdag ga ontbijten in Balat.

Maar eigenlijk is dat het enige waar ik bang voor ben. Ik ben eigenlijk nooit voor iemand bang. Alleen voor een grote groep mensen die aardig lopen te doen. En aardbevingen. Maar verder niks.

Donderdag

Wat een ongelofelijke geluksbofferd ben ik toch weer. Even dit: Istanbul past me weer als een oude handschoen, alsof ik jaren weg ben geweest en na een heel leven op de verkeerde plaats, weer ben teruggekeerd naar de ‘old country’. Ik weet niet waarom, want ik hóór hier niet, zie ik aan de blikken op straat. Als ik naar mijn appartement ben geüberd doet mijn gastvrouw de deur al open voordat ik aanbel. Ik ben zo moe, en heb zo’n verschrikkelijke dorst, maar ik krijg gelijk een toer van het huis, dat nog veel leuker is dan op de foto’s van Airbnb ook al doen de lampjes op de slaapkamer het niet en heeft ze de drankenkast verzegeld met tiewraps. Een minimalistisch zwart stalen burootje hier, een industriële eettafel daar, het is helemaal goed. Of ik het niet erg vind dat ze over 30 minuten nog even terugkomt met een nieuw matras. Nee, dat vind ik niet erg, helemaal niet zelfs. Ik ga op zoek naar de enorme watertankfles die overal in deze huizen staat en laaf me eerst aan een paar glazen water. Als het matras is gebracht spring ik snel onder de douche en ga boodschappen doen.

Zodra ik de deur uit stap, het is inmiddels een uur of 8 en donker, overvalt me de drukte hier op straat, Moda Caddesi, de slagader van Moda, Kadiköy, massa’s mensen lopen hier, zitten op de piepkleine terrasjes die er vorig jaar nog niet waren, iedereen is zo piepjong en donker, en alsof niemand ooit alleen is, en ik loop hier weer als een vuurtoren over straat. Trying to blend in. Of liever trying to blend out. Want blending in gaat dus never nooit lukken voor mij. En als ik even later bij de groenteman bananen en druiven en groene mandarijnen wil kopen, laat mijn taalkennis me ook weer volledig in de steek, en als ik vervolgens ook in de Migros ineens overal in het Spaans antwoord op geef, wat heel gek is want ik spreek helemaal geen Spaans, is de vervreemding compleet en vlucht ik totaal ontheemd via de kebapçı buurman met een dürüm naar huis. Ik trek een pijama aan ga met m’n dürüm op de bank liggen en kijk even naar de in het Turks nagesynchroniseerde Gladiator (Gladiatör). Ik lig vrij snel op bed, de lampjes doen het niet en het nieuwe matras ruikt naar een chemische fabriek. Ik kijk nog even Netflix en slaap gelukkig erg goed.

En dat is fijn want om 10:00 uur heb ik met Elif afgesproken op Eminönü. Elif heb ik gevonden op de app Withlocals, de heerlijke briljante uitvinding van deze tijd, waarop je lokale gidsen kunt vinden die je een dag of dagdeel meenemen op tour door de buurt. Meestal de populaire buurten zoals Sultanahmet of Galata, maar ik wilde graag naar Balat, en Elif vindt het prima. Eigenlijk kon ik dat best zelf, zeker achteraf, maar Balat is een beetje vervallen, en bovendien had ik een stok achter de deur nodig om mijn bed uit te komen, dus here we go.

We spreken af bij de bootjes waar je een broodje vis kan eten (you know what I mean). Eigenlijk alles wat ik nu ga vertellen doet te kort aan deze ochtend, aan Elif, aan deze tocht door Balat. Toen we elkaar na een beetje appen vonden, begroetten we elkaar alsof we oude vriendinnen waren die elkaar al jaren niet hadden gezien en de uren daarna plakten we aan elkaar alsof het zo hoorde. Alles wat ik me voor had genomen aan haar te vragen, haar als Istanbulse vrouw, ben ik vergeten maar we bleven maar praten alsof het móest, alsof we wisten dat we geen tijd meer hadden om alles te bespreken. Want eigenlijk had ik een vrouwelijke gids gezocht omdat het hier zo moeilijk is om met vrouwen te praten. Ik had een hoop verwacht, maar niet dit.

En Fener en Balat, wàt is het leuk, oude straatjes met vervallen huizen, hout, steen, huizen half of helemaal in de oude Byzantijnse muren gebouwd, oude inmakers, bakkerijtjes, snoepwinkeltjes, naast gloednieuwe industrieel-romantisch–landelijk ingerichte koffiezaakjes in voormalige 19e eeuwse apothekerszaakjes tegenover 500 jaar oude synagoges, overdekt met lampionnetjes in de vijgenboom. Elif nam me mee naar Atölye Kafası waar we anderhalf uur aan het ontbijt zaten en praatten, praatten, praatten en ik natuurlijk moest uitleggen wat ik hier deed, ik had hier zeker een vriendje want waarom kom je anders zo vaak terug, “Yeah, I get that a lot”. Ik zei haar dat ik ook een cafeetje had gevonden voor koffie, later, en na heel Fener en Balat te hebben uitgekamd, kwamen we daar aan, de oude apotheek, en ze vond het geweldig en nu had ze weer een adresje voor haar tours. “Why am I even guiding you?” zegt ze. Vervolgens liepen we ook nog verkeerd nadat ik haar twee keer gezegd had dat we niet links, maar rechtsaf moesten (“Look, we just passed this dönershop, see? Are you gonna do your job or not?”) en vond ze dat ik ook maar tour guide moest worden.

We gingen twee uur over de tijd heen, om 16:00 stapten we in de verkeerde bus wat niet zo erg was want we waren eigenlijk nog niet klaar met praten, en was ik pas om een uur of 17:00 thuis.

Ik ben moe, en zit al die tijd al te schrijven, en moet nog pakken, want morgenochtend om 4:50 moet ik bij het Fenerbahçe stadion zijn. Wat een gekkigheid toch elke keer weer.