Zondvloed

Ik kom eind van de ochtend pas uit bed want lui, maar ik heb wel trek, dus op weg naar het strand kies ik een ongezellig uitziend eettentje waar mij “ev yemekleri”, home cooking wordt beloofd. Het lokantaatje zit vlak aan de rotonde van waaraf de enige weg naar het strand afslaat, links naar het strand, rechts naar Hisarönü, dat ik doorgaans dus liever mijd. Het valt bijna niet op tussen de Engels georiënteerde eettentjes die adverteren met League TV en English tea. Er staan maar 8 tafeltjes ofzo, met plastic tafelkleed en een grote Tupperware bak met gesneden brood, dus ik weet dat ik goed zit. Er zit nog één ander toeristenstel, en man en vrouw van de zaak zelf zitten ook aan tafel dus ik kom vast op een verkeerd tijdstip, maar ik wacht geduldig tot mevrouw met een nijdig gezicht aan m’n tafeltje staat. Ik bestel een mercimek çorbası, linzensoep en gözleme, de vrouw mompelt iets naar me wat ik niet versta en de man zegt, “She wants to know what you want on the pancake”. Ik probeer het haar te zeggen in het Turks, maar ze staat daar maar, als een standbeeld aan mijn tafeltje, chagrijnig naar me te kijken. Het werkt niet altijd, je best doen in een andere taal. Ik zeg het maar in het Engels tegen de man en hij zegt bijna hetzelfde als wat ik haar net heb gezegd, kennelijk heeft ze gewoon geen zin in toeristen vandaag, ik geef haar geen ongelijk. De man is klaar met zijn krantje, staat bruusk op en vouwt nijdig de krant dicht, terwijl hij hartgrondig in het Engels begint te vloeken. “Fucking Amerika! Fucking yankees! Fucking Trump!” Met een bruusk gebaar smijt hij de krant op tafel. Ik zou hem wel willen zeggen dat het niet echt goed is voor je klandizie om zo in het Engels te gaan staan vloeken terwijl hier mensen zitten te eten, maar ik laat het maar even. Er hangt hier een nare sfeer, wat ontzettend jammer is, want het eten dat de drie Turkse vrouwen in de open keuken staan te maken is goddelijk. Dit is de eerste keer dat ik mercimek çorbası (‘merdjiemek’) eet en wat is het verschrikkelijk lekker, romig, pittig, een soort maïssoep maar dan dus met linzen. De gözleme is enorm en hangt aan alle kanten over een groot bord heen, hij is in repen gesneden en ik eet een of twee repen met mijn handen, maar ik krijg lang niet alles op. Ik krijg de rest mee in papier gerold in een zakje, en ‘s avonds als ik terug ben van het strand eet ik dat als ik zit te schrijven op het terras.

De dag erna heb ik eerst een luie ochtend en ga me daarna optuigen om naar Kaunos te gaan. Als je het weerbericht overal moet geloven gaat het vanaf nu totaan mijn vertrek vier dagen lang regenen, dus strandweer is het sowieso niet. Kaunos staat ook al een paar jaar op mijn lijstje en is goed te doen met de auto vanaf Fethiye, althans dat bleek toen ik me realiseerde dat je gewoon een bootje moet nemen naar de overkant van de Dalyan rivier. Als ik in de auto stap is het bewolkt en frisjes en ik heb me voorbereid op lopen dus lange broek en sneakers. Voorbij Fethiye richting Dalaman klaart de lucht al op en als ik langs de heuvelachtige kust rijd is de lucht al helemaal opgeklaard. De route is prachtig, rotsachtig en groen met doorkijkjes naar de eilandjes in de Middellandse Zee. Ik heb Dalyan ingegeven in de routeplanner die al in de auto zit, als ik daar ben zie ik wel verder. Trouwens een super autootje weer, een automaat, wat echt is aan te bevelen in de bergen.

Als ik aankom in Dalyan besluit ik mijn auto maar gewoon ergens centraal neer te zetten en dan langs de kade te lopen en dan te kijken waar ik ergens een bootje kan charteren. Alleen, als ik daar aankom blijkt het bestwel druk, maar ik rijd langs een parkeerplaats en aan de overkant staat een ober naar een auto te wijzen, en ik begrijp dat die net weggaat, zodat ik een supermooi plekje heb langs het water. Ik loop naar de ober toe en vraag hem waar ik moet betalen. “Nono, don’t worry”, zegt hij, “I will take care of it”. En het ziet er naar uit dat ze hier wel koffie hebben, dus ik ga maar even zitten en bestel dan ook gelijk maar een Turks ontbijt. “How would you like your tomatoes?”, vraagt hij. Hoe had je je koffie gewild of je brood of je eieren is iets wat ik verwacht had maar niet hoe ik mijn tomaten wil. “I’d like them purple please”, zeg ik, en hij moet lachen maar ik weet niet of we elkaar wel begrijpen. Turks voor ei is yumurta, dus wellicht heb ik het zelf gewoon weer verkeerd verstaan. Ik krijg in elk geval een heerlijk ontbijtje. Ik vraag de ober hoe ik aan de overkant kan komen en hij zegt dat er een paar kilometer verderop een pontje is waar je met auto overgezet kan worden. Mooi, dan gaan we daar dus heen. Het is niet moeilijk te vinden want aangegeven met kleine bordjes “Feribot”. Na een minuut of tien kom ik inderdaad aan bij iets dat vaag lijkt op het pontje bij Genemuiden, maar dan versie 1.0, qua grootte en onderhoud. Ik zie een zandachtig aanloopje naar een pontje waar werkelijk maar één auto op past en dan vraag ik me af waar de schipper er nog bij moet. Ik besluit maar even te parkeren en een rondje te gaan vragen aan de mannen die daar onder een boom zitten. Die is het meteen duidelijk wat ik kom doen, maar die hebben een véél beter idee. Ik kan ook gewoon met een rondvaartbootje mee. Dan ga ik langs de koningsgraven, en het schilpaddenstrand, èn de antieke stad. Maar dat hoef ik allemaal niet, zeg ik, ik wil alleen naar de antieke stad. Dat kan natuurlijk ook. En wat kost dat? Normaal gesproken 200 lire, maar omdat ik het ben, krijg ik de naseizoensprijs van 150 lire. Maar hoe werkt dat dan, ik wil daar zeker 2 uur rondlopen, hoe kom ik dan terug? “Ik wacht daar op je”, zegt de schipper. Gaat hij daar twee uur wachten tot ik eens een keertje terug kom? Het komt me heel vreemd voor. “Maar wat als jij plotseling naar het ziekenhuis moet ofzo, hoe kom ik dan terug?” Of als je er gewoon vandoor gaat, denk ik erbij. Maar eigenlijk denk ik gelijk, och, het zal de laatste boot wel niet zijn die daar komt, mijn telefoon is opgeladen, ik heb geld bij me. Eigenlijk wil ik dit allemaal helemaal niet, ik wil gewoon naar de overkant met mijn auto. Maar ik heb vandaag totaal geen verweer tegen dit verkooppraatje, dus voor ik het weet heb ik “Okay, let’s go” gezegd, na mij de zondvloed.

Ik moet alleen even achter de schipper aanrijden op zijn brommertje, want zijn boot ligt bij zijn huis, dus beter denk ik er maar niet teveel over na dat ik kruip-door sluip-door wegjes door dat onooglijke wijkje inrijd en dan mijn auto mag parkeren schuin achter een nieuw uitziende soort stacaravan. Door de tuin die beplant is met jonge citroenboompjes volg ik de schipper naar achteren. Het is hier doodstil, op het ruisen van de wind door het riet na. Maar inderdaad ligt daar die rondvaartboot. Ook zit er een man te vissen. De schipper gaat even de sleutels halen. Ik vraag de visser of hij al iets heeft gevangen. “Ik heb geen geluk vandaag”, zegt hij. Een paar meter verderop zie ik een schildpad boven water komen. “Şansiniz değişecek”, zeg ik, “Your luck will change”. Ik geloof het zelf niet, maar hij moet in elk geval een beetje lachen.

De schipper komt intussen terug met de sleutels, en een bevroren flesje Damla waar geen water in zit, maar een rood sap, ik geloof dat hij kersen zegt, zijn moeder heeft het gemaakt. Ik ben de enige passagier. Ik ben me er ineens van bewust hoe de scepticus in mij overal bij is en mee zit te loeren. Hoe ik aan de ene kant eigenlijk mensen niet vertrouw en er bij alles dat iemand zegt een stem zegt dat het niet waar is, en ik aan de andere kant toch een diepgevoeld vertrouwen blijf houden. In een leuk artikel over alleen reizen in de Flow stond laatst dat je het eigenlijk altijd weet wanneer het echt niet goed is. En dat heb ik hier eigenlijk nog nooit gevoeld.

“Ik vaar toch wel even langs de koningsgraven”, zegt de schipper. “Nee toch”, denk ik, “Dit gaat weer een eeuwigheid duren”. Op dat moment besluit ik het maar te nemen zoals het komt en er maar niet van te balen. Nu ik geen eigen vervoer meer heb, kan ik m’n eigen agenda niet meer bepalen, da’s dan pech, had ik mijn ruggengraat maar moeten gebruiken en geen ja moeten zeggen. Laat ik er nu maar verder een beetje van genieten. En het is ook echt prachtig, en wat zeur ik eigenlijk, ik heb deze hele boot voor mij alleen. De koningsgraven zijn ook echt spectaculair, ook al zie je ze vanaf een afstand, de hele sfeer, met die boot in het riet, het ligt hier al meer dan 2000 jaar zo, en wat zijn we toch een armoedig zooitje mensen, als je het vergelijkt met wat mensen 2500 jaar geleden maakten. Ook praat ik met de schipper, die Ozan heet, een beetje over de boot. Het schip is 12 meter, en ik vertel hem dat mijn schip 11 meter is en dat ik óók uit de varelarij kom, “Nou”, zegt hij, “Ga maar staan dan”, en dan sta ik dus ineens zèlf achter het roer van dat ding, ik lach me dood. “Je hebt nogal vertrouwen”, zeg ik. Heel erg hard gaat het niet, de gashendel blijft een beetje hangen, maar ik heb snel gevoel voor het roer, en zo vaar ik bijna het hele eind door de rietkragen naar Kaunos, af en toe even mijn hand opstekend naar de andere passerende schippers, zijn collega’s, die verbaasd hun handen in de lucht steken, wat heb jíj nou aan boord? Het is hier net de Beulakkerwiede, weids, veel riet, maar wel met prachtig weer en een bergachtige achtergrond. Aanleggen doet Ozan liever zelf, en dat had ik inderdaad anders gedaan, en niet met een voorspring aan hogerwal met de wind van achteren, maar goed.

Kaunos blijkt veel groter dan ik had verwacht, ik heb nu al spijt dat ik maar anderhalf uur heb afgesproken met Ozan, eigenlijk wil ik die berg nog op, maar in het dorp aangekomen blijkt dat ik maar kan kiezen uit twee routes naar de top van de berg, de kortste is 2 uur en de andere is 4 uur lopen. Het is hartstikke heet. Ik begin maar te lopen. Linksaf naar de agora, rechtsaf naar het theater, ik besluit eerst maar het theater te doen. Het is niet het grootste theater, iets van 35 rijen, maar het ligt hier prachtig tegen de rots met uitzicht op de groen delta van de Dalyan. Ik zoek een ingang waar je eigenlijk niet in mag want er staat een hek voor, maar de trap erachter is nieuw, dus ik ga toch om dat hek heen, en ik voel me als een van de duizenden bezoekers van 2500 jaar geleden die naar een voorstelling komt kijken, of een politieke oratie, of een rechtszaak, of een wedstrijd van het een of ander, voorstsloffend en aanschuivend over de rijen. Ik probeer meteen helemaal naar boven te klimmen over de omgevallen en weggezakte blokken graniet en als ik daar ben mag ik gaan zitten en wat drinken van mezelf. Er is nog één ander gezin, Engels waarschijnlijk, maar die zijn snel verdwenen en dan ben ik alleen. Ik heb een magistraal uitzicht op de berg aan de ene kant en delta en zee aan de andere kant. Het is zo warm en ik drink mijn halve flesje leeg. Tegen deze tijd is er al een half uur voorbij. Ik loop het hele theater over, en eromheen, en via de achterkant naar beneden, zoek altijd naar details die me opvallen, of Griekse of Romeins inscripties die ik misschien later kan vertalen. In de vierde eeuw werd Kaunos christelijk, het kerkje met de mozaïekvloer waar ik op word getrakteerd en dat nog zo ontzettend goed bewaard is gebleven, werd gebouwd in de zesde eeuw. Ooit was hier een belangrijke haven waarvan een deel kon worden afgesloten, maar het slibde volledig dicht. Het terrein is al honderden jaren omgeven door moeras, de lucht is fris en vochtig. Al rond het jaar 0 werd dit gebied beschreven als ‘ongezonde lucht’ en de mensen als ziekelijk. Het komt me niet heel vreemd voor dat bijna de hele bevolking in de 15e eeuw is bezweken aan malaria.

Ik baal ervan dat ik maar een derde van het terrein kan zien voordat ik weer terug moet naar de boot. Ozan de schipper zit onder een boom te praten met de kaartjesverkoper, die vandaag ook niet teveel te doen heeft. Bij terugkomst ligt de boot achterstevoren met de bakboord landvast voor de boeg langs aan stuurboord aan de kade. Het lukt hem niet om hem los te trekken dus ik zeg, “You start the engine, I will untie it”. Met een klein beetje gas komt de spanning van de lijn af en lukt het prima en we pruttelen rustig terug door het riet. We passeren een andere boot die vol zit met Engelsen. Een meisje met een hippiebril en tatoeages op haar arm zwaait naar me en stuurt me een kushand. Ik lach en zwaai terug. Verder is het stil en rustig. Ozan geeft me het waterflesje met de kersensap. Het is heerlijk koud en zoet. Ik vraag hem of hij hier vandaan komt. Zijn hele familie komt hiervandaan, maar hij is de enige met een boot. Sterker nog, hij is nog nooit ergens anders geweest, alleen een keer naar Saklıkent, de kloof met de waterval. Heeft er ook totaal geen behoefte aan volgens mij. Hoe overzichtelijk is dat leven. En ons leven in het westen mag dan geografisch meer ruimte innemen, maar is het niet eigenlijk veel beperkter, staan we daardoor niet juist verder van het echte leven af? Als we terug zijn moet ik mee want thee! Die krijg ik op de veranda van zijn stacaravan, die hij zelf heeft gebouwd, ik mag wel even binnenkijken, maar daar bedank ik toch maar even voor. Ik krijg zijn nummer op mijn telefoon en moet tegen al mijn vrienden zeggen dat als ze naar Dalyan komen, ze met hem moeten varen, en dan maakt hij na afloop ook nog een barbecue bij hem in de tuin, deze liefdevol en netjes met citroen en moerbei beplante postzegel aan de Dalyan rivier. Dus bij dezen. Ozan, telefoonnummer bij mij op te vragen.

Na de thee stap ik zo snel mogelijk weer in de auto, die nog helemaal heel is, en rij ik terug naar Fethiye. Ik hoop nog even te kunnen zwemmen, maar hoe dichter ik bij mijn stadje aan de kust kom, hoe meer blijkt dat daar geen sprake van is want inmiddels is de zondvloed daar losgebroken. Ik rij naar het einde van het strand naar boven, waar je de auto halverwege de heuvel neer kan zetten en over het strand kan uitkijken, om te zien hoe het stortregent op zee. Na tien minuten wil ik terug naar beneden, maar de weg is in een rivier veranderd, door al het water dat van de berg af richting zee stroomt. Verschillende auto’s staan al langs de kant van de weg, maar ik ga hier toch echt niet staan wachten en surf met de auto naar beneden. Ik probeer in het dorp nog ergens een broodje döner te krijgen, wel vier keer stop ik ergens, maar alles is dicht, want het regent. Als ik het eindelijk heb opgegeven en naar huis rijd, houdt het op met regenen en staat er een dubbele regenboog voor mijn huis. Ik geef de kat die ik inmiddels Uğur (good luck) heb genoemd te eten en mijn eigen avondeten bestaat uit een stuk brood met kaas en een glas wijn, en eerlijk gezegd ben ik volkomen tevreden voor vandaag, om niet te zeggen volkomen versleten.

Kluts kwijt

Okee, waar was ik.

Ik ben nu in elk geval aan de kust, in Ovacık, Fethiye, en totaal de kluts kwijt. Ik weet pas wat voor dag het is als ik héél goed nadenk. Dat gaat best als ik hier rustig even zit op het terras van huis dat ik gehuurd heb, helemaal bovenaan het dorp, tegen de berg aan. De koelte stroomt van de bergwand af over het terras en het zwembad krijgt maar een paar uur per dag zon, en is dus ijskoud. In de zomer is dat waarschijnlijk heerlijk, maar nu lijkt het wel herfst. Niettemin ruikt het hier heerlijk, midden in het groen, naar dennenbos en naar de grote jasmijnstruik die een kant van de tuin omlijst.

Op weg naar het vliegveld in de Uber tref ik een alleraardigste oudere Russische chauffeur die er vrolijk op los kletst terwijl ik weer als een jankerd op de zwart met rood gecapitonneerde achterbank van de Mercedes Vito naar buiten kijk. Hij zegt dat hij waarschijnlijk een andere route neemt want het is erg druk, zo om 10:00 uur in het Istanbulse verkeer richting Sabiha. We lijken inderdaad in een file te belanden. Plotseling draait hij zich om en begint nerveus instructies aan me uit te delen, in het Turks, maar wat ik ervan versta is: “Als ze je vragen, zeg dat je hotel mij geregeld heeft, dat je een taxi gevraagd hebt aan het hotel. Uber is een probleem in Turkije. Maar mijn probleem, niet jouw probleem, okee?” Voordat ik antwoord kan geven staan we stil langs de kant van de snelweg en staan er vier politieagenten om ons heen. Chauffeur doet raampje open. Praat op gemoedelijke toon en rommelt wat in het handschoenenkastje (gek woord eigenlijk, wie bewaart daar ooit nog handschoenen). Maar de toon van beiden de politieagent en de chauffeur wordt allengs steeds nerveuzer en geagiteerder. “Je hebt mooie praatjes”, hoor ik de agent zeggen, en “Doe die deur open, doe die deur open!”. Mijn deur, welteverstaan. Ik maak me op dit moment nog helemaal geen zorgen. Ik zie het allemaal gebeuren en leef me vooral in in de chauffeur, die moet hier ploeteren om een piepklein beetje te verdienen en ook dat nog wordt hem onmogelijk gemaakt. De deur schuift open en een nors kijkende politieagent vraagt eerst om mijn paspoort en steekt dan een preek af over dat Uber een probleem is (de uitleg ontgaat me even), maar aangezien vrij snel duidelijk is dat ik een toerist ben en ik voor de gelegenheid maar even doe alsof ik geen idee heb waar hij het over heeft, stopt hij daar ook maar weer mee. Met mijn paspoort loopt hij weg naar de politieauto die verderop staat en de chauffeur moet mee. Sta ik dan, langs de snelweg. Zonder paspoort, dat vind ik dan weer een iets minder goed idee. Ik ben nog ruim op tijd voor de vlucht, en anders zou ik misschien wel gewoon gaan liften, of zou dat niet gaan? En ik heb trouwens mijn paspoort niet. Zou dat raar zijn als ik er gewoon heen liep en tegen die agenten zeg, mag ik mijn paspoort even terug want ik moet een vlucht halen? Ja, soms grinnik ik ook wel een beetje om mijn eigen naïviteit, maar zo loop ik maar even mijn opties langs, aangezien ik verder toch niks anders te doen heb dan wachten. Zal ik een foto maken? Hm, beter niet misschien. Als ik nou gewoon mijn telefoon onder m’n arm hou moet dat wel lukken misschien. Het lijkt een eeuwigheid te duren, die ik verder alleen maar registreer. In de verte zie ik de kleine gedrongen chauffeur ruzie maken met vier agenten die om hem heen staan. Uiteindelijk mag hij dan toch vertrekken. Een agent komt even mijn paspoort terugbrengen. “Hiç bir problem yok size”, zegt hij beleefd en vriendelijk, geen probleem voor mij, fijne dag nog.

De chauffeur is compleet aangedaan. Hij foetert achter het stuur. Russisch, Turks, Engels door elkaar. “Onbeleefd zijn ze, Turkse politieagenten, géén manieren”, foetert hij. “Ik hoop niet dat u nu problemen krijgt”, zeg ik. “Ceza”, zegt hij, boete. Op het vliegveld aangekomen pak ik 200 lire uit mijn portemonnee die ik piepklein opvouw en aan hem geef als hij mijn koffer uit de achterbak tilt. Het dubbele van de ritprijs, die ik natuurlijk van te voren al betaald had. Ik wil zijn reactie niet afwachten en pakt snel mijn koffer op, maar ik zie hem toch even twee keer opkijken.

Vanaf het moment dat ik in het compleet lege Dalaman voet aan de grond zette, ging alles op de automatische piloot en hoefde ik nergens meer over na te denken, wat ik dan ook niet meer deed, er hoefde niets meer geregeld te worden, niets meer georganiseerd en ik zakte dus als een plumpudding in elkaar.

Niettemin, alles voelde lekker aan, gewoon, lèkker, ik had alleen even de tijd nodig om mijn mind-set te analyseren. De vorige keer was ik een beetje teleurgesteld dat ik niet zo lyrisch was als de keer ervoor, maar nu liet ik gewoon alles begaan, ik was hier niet om wereldschokkende avonturen te beleven, ik hoef helemaal niks meer. Nou ja, behalve dan twee antieke tripjes.

Ik haal de auto op en zet koers naar Fethiye. Ik maak voor de eerste levensbehoeften van de avond en de ochtend een tussenstop bij de megasupermarkt aan het begin van de stad (zóveel supermarkten hier, je snapt niet waar ze van bestaan) en word even later bij het huis opgewacht door de enorme Mahmut, die mij onvriendelijk van top tot teen opneemt en vraagt waar de rest van mijn gezelschap is. Mahmut ziet er uit als iemand van de geheime dienst uit een slechte Turkse film of een clip van de Beastie Boys met dat arrogante hoofd met die pilotenbril en dat slechte gebit en die strenge toon. Hij vindt het duidelijk maar vreemd, maar het kan me niet schelen. Of misschien toch ook wel een beetje want om een of andere reden vind ik het nodig om te zeggen dat ik voor de Nederlandse overheid werk en hier kom voor mijn rust en om te schrijven. Mahmut neemt het allemaal in zich op zonder vriendelijk naar mij te lachen en wijst me er nog even fijnzinnig op dat als mijn familie toch nog komt opdagen, ik hem dan een kopietje van hun paspoort moet sturen. Is goed, zal ik doen Mahmut. Ik ben blij dat hij na de huistoer opgekrast is.

Ik sleep mijn spullen naar boven en ga het huis een beetje verkennen. Ook al is het schoon, ik vind het tòch vies, en maak eerst een rondje met de keukenreiniger die er gelukkig nog staat, langs alle deur-, kast- en lichtknoppen, trapleuningen en afstandsbedieningen.

Het begint inmiddels donker te worden en het is fris. ‘s Avond’s lekker op het terras zitten te schrijven zonder jogging broek die ik niet bij me heb, is er niet bij. Shopping target.

Ook realiseer ik me dat het hier wel héél erg donker en stil is. Van de twintig huizen die er op deze compound (zo noem ik het maar even) staan, zijn er op dit moment misschien maar 3 bewoond. Bovendien heeft het huis héél grote ramen, van die ramen die je dan ziet in een film waarvan je dan denkt, doe die gordijnen toch dicht man! Waarna vervolgens de hele familie wordt uitgemoord. Zulke ramen. Je begrijpt, ik voel me nog niet helemaal senang zo op deze eerste avond. Mahmut zei nog: “I will come by tomorrow to see if everything is okay and if you need anything.“ Maar nee, dat nou liever ook weer niet, Mahmut.

Ik ga een kop koffie zetten, en die neem ik mee naar boven, en ga in bed liggen Netflixen, ik weet niet meer hoe laat het is, maar vroeg, en ik slaap ontzettend diep.

De dag er na, woensdag ofzo, merk ik hoe gedesoriënteerd ik ben nu ik voorlopig nergens meer aan hoef te denken. Ik weet meteen al niet meer wat voor dag het is en ‘s ochtends als ik op het terras zit te schrijven achter een kop koffie, wat ook al niet gaat, schrik ik me dood als de tuinman ineens in de tuin staat om het zwembad schoon te maken. Allerbeleefdst natuurlijk, daar verder niet van. Maar fijn dat ik dat even weet dat die om 8:00 voor je neus staat. Maakt niet uit.

Ik wil naar het strand, lezen, zwemmen, maar onderweg kom ik langs Hisarönü, het idiote toeristische winkelgedeelte van Ölüdeniz waar de Engelse vrouwen in hun bikini over straat lopen, al valt het nu mee, en die tattoo moet nog even worden verzorgd en ik heb een campingbroek en hygiënische keukendoekjes nodig. Toch maar eerst even hier afslaan dan. Bij de tattoozaakjes waarvan er hier ook dertig naast elkaar zitten, wat eigenlijk heel vreemd is vanwege dat niet zwemmen en zonnen, kies ik de nieuwste en cleanste uit, loop naar binnen en zeg, “I just need some care, clean it, treat with cream and tape it”, waarbij ik een stuk van de flinterdunne chirurgische tape uit mijn tas haal. Ze kijken me een beetje verbouwereerd aan. Hoe kòm je hieraan? Ben je rijk ofzo? Kennelijk is dat hartstikke duur spul, maar ik heb het gewoon van Ali. De jongen zegt nog dat hij waarschijnlijk wel twee keer kan plakken als hij de tape slim knipt, maar ik zeg hem dat dat niet nodig is want ik heb nog drie meter op de rol. Hij trekt een paar handschoentjes aan en maakt het netjes schoon en de tape wordt er met veel misbaar en onnodig bepotel op gedrukt. Het kunstwerk op mijn schouder wordt nog even bewonderd en hij vraagt “Who is the artist?” maar Görkem uit Istanbul kent hij niet. Er is trouwens helemaal niets aan te zien verder, geen korstjes, de huid ziet er helemaal heel uit. Ik hoef niks te betalen voor de actie ook al dring ik aan. Note to self: als ik wegga niet vergeten wat ik over heb van die rol chirurgische plakplastic aan hen te geven.

Bij een van de talloze textiel winkeltjes met fake merkproducten (“Real fake bags!”) koop ik een real fake Kenzo joggingbroek. Ik moet ontzettend veel moeite doen om niet óók nog een Boss hoody aangesmeerd te krijgen, maar het lukt me om alleen met die joggingbroek de winkel uit te lopen.

Intussen is het hier hartstikke heet geworden en eindelijk rijd ik dan richting het strand. Als ik die vallei inrij wil ik ineens helemaal niet meer alleen zijn, wil ik aan iedereen laten zien hoe mooi het hier is, hoe groen, en hoe blauw en turkooise de zee dan ineens onderaan om de hoek komt. Ook al ìs het misschien helemaal niet mooi, want verpest door massatoerisme en dikke Engelsen en Russen. Ik zeg wel massatoerisme, maar vergeleken met de andere Turkse badplaatsen valt dat hier dus heel erg mee. Geen hoogbouw hier, hotels mogen niet meer dan 2 of 3 verdiepingen hebben, dus wat voor lelijks er ook staat, het is geen hoogbouw. Je voelt de ruimte, in de hoogte en in de breedte.

Ik loop ergens in het midden over het brede strand neem een bedje met een parasol en moet 30 lire betalen. De eerste keer met El was dat nog 12 of 14, vorig jaar 18, en toch ben ik nu minder kwijt dan vorig jaar (vanwege de koers, dus).

Affijn deze dag gaat vrij verder vrij eventless voorbij. Alsof het normaal is lig ik in dat glas- en glasheldere blauwe water, nergens is het water zo helder als hier, en het is nu ook zo heerlijk op temperatuur, ik krijg er geen genoeg van. Het strand, dat niet zo massaal lang is, is voor ongeveer de helft vol. Dit is precies waar ik zo naar verlangd heb, op de een of andere manier is het wel toeristisch hier, maar toch rustig. Het is het enige strandje in de buurt, anders moet je naar Fethiye rijden, of naar Kıdrak, waarvoor je nu het astronomische bedrag van 20 lire moet betalen (3 euro, vorig jaar nog 8 lire, 2,5 euro). Er zijn overal maar maximaal 3 rijen bedjes, met, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Bodrum, een paar passen daartussen zodat je niet op elkaars lip zit, en zonder te slalommen makkelijk tussen de stoelen door naar de zee kan lopen. Het strand is ontzettend breed, met vanaf de boulevard eerst een twintig meter brede strook zand voordat die bedjes beginnen. Die strook wordt ook gebruikt door de talloze solo-paragliders die hier van over de hele wereld komen omdat het één van meest tot de verbeelding sprekende paragliding spots is. Het is ook volstrekt niet mogelijk om hier te vertrekken zònder zo’n paraglidingvlucht te hebben gedaan. Als je hier voor het eerst komt dan denk je ‘in geen miljoen jaar’, maar als je hier dan een paar dagen bent en de talloze busjes hebt zien vertrekken, ze vanaf je zonnebedje vredig door de strakblauwe lucht hebt zien dwarrelen, en gedurende de week de tientallen mensen als veertjes op de boulevard ziet landen, dan word je toch nieuwsgierig, zal ik tòch…? Gaandeweg de week als je dan helemaal ontspannen bent van het Turkse leven, en dan helemáál als zo’n schetige verkoper je aanspreekt en precies tegen je zegt wat je wilt horen, ik zeg je, je gaat voor de bijl. Het kost trouwens een vermogen, nog niet eens het vliegen zelf, maar hun business zit hem in de foto’s die ze tijdens de vlucht ongevraagd van je maken terwijl je uit mysterieuze veiligheidsoverwegingen je eigen camera niet mag gebruiken. Na de vlucht loop je mee om de foto’s te gaan bekijken in the office, en die foto’s zijn natuurlijk spectaculair prachtig, en dan mag je nog eens 40€ aftikken voor een cd, of 50€ als je óók de filmpjes wilt, of 60€ als je óók de Samsung360 action foto’s wilt. Ik zeg je: doe, néém die foto’s, want dat geld vergeet je, maar als je die foto’s niet koopt heb je eeuwig spijt. Je kan het zien als de grootst mogelijke geldklopperij, maar dit wereldje van bohemien vagabonds heeft ook een enorme gunfactor. Als ze tegen zonsondergang met z’n allen tegen hun grote rugzakken onder een boom aan het bier zitten, zou je het niet zeggen, maar het hele seizoen werken ze zich kapot, om 8:00 uur die pokkeberg op, tot 17:00 uur of soms om 18:30 uur vijf of zes vluchten per dag, zeven dagen in de week, van mei tot november.

En het is gewoonweg fantastisch, zoals mijn lief en mijn zus ook kunnen beamen en ik hoop dat ik ooit mijn moeder ook nog een keer mee krijg.

Op dit moment hoeft het voor mij niet, ik ben dat stadium al gepasseerd en ik lig hier helemaal één te zijn met mijn omgeving, elke keer als ik me omdraai verandert het uitzicht, op mijn buik zie ik de boulevard, op mijn rug de blauwe lucht en de zee en mijn tenen.

Aan het einde van de middag pak ik mijn spullen in en eet een seafood salad met een glas prosecco.

Als ik naar huis ga begint het te regenen. Ik spring nog even in het koude zwembad, wat weldadig aanvoelt aan mijn huid en blijf even drijven in de regen. Wat een vreemde combinatie is dit, de stilte van het bos, het zwembad, de regen, dennengeur, in de verte donder van onweer terwijl de zon hier schijnt in een strakblauwe lucht.

Donderdag

Ik heb om 12 uur een afspraak met Ayşe in Fethiye. Ik ken Ayşe niet, maar ik volg haar op instagram, omdat ze allemaal geestige tasjes en etuitjes en portemonneetjes maakt, zelf, thuis op de naaimachine. Ik heb haar gevraagd waar ik haar spullen kan kopen en prompt nodigt ze me uit om naar haar toe te komen. Om 12:00 uur word ik verwacht bij ABC furniture. Ik ga op tijd, want natuurlijk die latte anders sluimerend chaggerijn. Ik rij rechtstreeks naar de boulevard en probeer te parkeren maar alle parkeerplaatsen zijn afgezet met politielint. Om de vijftig meter staat trouwens ook weer een politieagent, zie ik nu. Wat nu weer. Ik prop mijn auto toch ergens tussen en loop naar de zee-kant. Over de hele lengte van deze boulevard zitten restaurants en koffiezaakjes, niet aaneengesloten zodat je de baai van Fethiye er doorheen kan blijven zien. Er zitten een paar heel goede tussen, zoals het Çarıklı Et restaurant waar ze echt fantastisch gegrild vlees hebben, en het is hier allemaal netjes en georganiseerd, je zou bijna zeggen on-Turks. Ik heb ook direct zo’n koffiezaakje gevonden. “Ik ben op zoek naar een ècht goeie latte”, zeg ik in het Turks tegen de ober. Het is een prima ijsbreker om jezelf voor schut te zetten met je Turks, iedereen begint meteen te lachen als ik het doe. (Elif lag helemaal dubbel toen ik stukje van een bekend Turks liedje voor haar zong, dat had ze werkelijk nooit meegemaakt, “And your àccent, flawless!” lachte ze.) De ober zegt: “Ik kan toevallig een ècht goeie latte maken”. We babbelen wat basisbeleefdheden en ik krijg echt een heerlijke latte met drie chocoladelepeltjes erbij, waarschijnlijk omdat ik mijn best doe in het Turks. Het is nog vroeg, mensen gaan naar hun werk, ik ben de enige die hier zit in de frisse ochtend, met de zeelucht van opzij, ipadje erbij, ik ben perfect tevreden.

Aangezien ik Ayşe ook zal moeten betalen, ga ik na de koffie naar het kleine oude centrum van Fethiye om een bank te zoeken. Nu wordt ook duidelijk waarom er zoveel politie op de been is en de halve route is afgezet: de Tour de Turkije (Cumhurbaşkan Turu) gaat hier morgen starten in de straten. Ik heb geluk en kan net een parkeerplek veroveren naast de oude vismarkt, ik markeer hem maar even op Google, voor het geval ik toch de weg weer kwijtraak. Dit is echt zo’n verschrikkelijk leuk buurtje, met hier vlak naast de Paspatour markt met keileuke winkeltjes en restaurantjes, waar ik vorig jaar of twee jaar geleden kennismaakte met Ferza. Ik dwarrel een beetje rond, vind een bank waar ik kan wisselen voor 6,80 lire per euro. Door alle opstoppingen ben ik toch wat later dan gepland, en ik app Ayşe maar even dat ik wat later ben. Nog geen tien stappen ben ik van mijn auto verwijderd als tussen twee auto’s ineens een man staat te roepen. Voor zijn voeten zit een vrouw op haar hurken, die hij ternauwernood overeind weet te houden. “Do you need help?”, vraag ik. “Yes”, zegt hij, en ik aarzel niet om mijn armen onder haar oksels te haken en haar enigszins omhoog te trekken, uit de goot waar ze nu in zit. Ze werkt een beetje mee, maar haar hoofd knakt alweer opzij, en ik ga zitten op het stenen kozijn van een winkel en sjor haar naast me. Een vrouw komt de winkel uitgerend en pakt haar benen en tilt die omhoog. Ik leg de vrouw haar hoofd op mijn schoot. Ik meen dat ik de man “Ölme, ölme” hoor zeggen, “don’t die”. “O shit”, denk ik. “Ambulans ara”, zeg ik, maar daar is al aan gedacht. De vrouw ziet er verder verzorgd uit, moderne kleding, geen hoofddoek, modern brilletje, ik schat haar een jaar of vijftig. Ze is lijkbleek, draait met haar ogen en ademt heel licht met korte stootjes. Ik kijk naar haar benen en ze is zó mager. Ik vraag haar of ze wat suiker wil. Haast onmerkbaar schudt ze haar hoofd. Haar ogen vallen steeds dicht. “Ga alsjeblieft niet dood in mijn armen”, denk ik, en ik pak haar hand stevig vast, als om te zeggen, ik ben er, er is iemand, maak je maar geen zorgen. Een eeuwigheid duurt het voordat ik in de verte een ambulance hoor, die maar niet dichterbij lijkt te komen want de hele stad zit dicht vanwege die stomme wielerwedstrijd. “Alles komt goed”, zeg ik tegen haar, “Her şey iyi olacak”, maar eigenlijk net zozeer tegen mezelf als tegen haar.

Het lijkt wel een uur later als die ambu komt, maar die komt dan eindelijk, gek hoe snel alles dan ineens weer weg is, en het normale leven weer doorgaat. Ik stap gewoon in mijn auto, en rijd naar Ayşe toe.

In de ABC Furniture word ik allerhartelijkst ontvangen door de Ayşe die ik herken van instagram, en ook haar broer, die de manager is van ABC Furniture, en haar moeder of oudere zus of tante die de koffiezetter is van ABC Furniture, wat overigens echt een prachtige moderne meubelzaak is met kleurrijke moderne strakke banken en stoelen, waar ik zelf zo terecht zou kunnen. Ayşe heeft een ‘bescheiden’ voorkomen, een beetje vroom zo met die hoofddoek, ik heb netjes een donkere jurk aan met mouwtjes maar over mijn slippers (die mooie Afrikaanse trouwens, niet van de zwembadslippers dan weer) voel ik me ineens toch een beetje onzeker. Ze is super hartelijk, ik krijg zoenen en mag op de bank gaan zitten, het is echt heel erg leuk om haar te zien, haar broer komt erbij zitten om te vertalen, en ik krijg koffie, wat voor koffie wil je, vraagt de tante, Nescafé of Turkse? Turkse natuurlijk, tabi ki. En hoe sterk, klein beetje, medium of erg? Medium graag. Ayşe heeft een grote tas met haar handwerk meegenomen, ik herken een heleboel van de dingen van instagram en wil eigenlijk het liefst àlles meenemen. Alles is zo mooi en netjes gemaakt en ziet er nog mooier uit dan op insta, netjes gevoerd en allemaal voorzien van een mooi ritsje met een of ander hangertje eraan. Ze zijn ook allemaal groot genoeg voor een iPad. 30 of 40 lire wil ze er voor hebben, ik vind het bijna gênant. Een stuk of tien kies ik er uit, 300 lire moet ik betalen, 44€. Als ik het haar geef, legt ze het met een lach eventjes demonstratief op de grond, en haar broer zegt: “Dat is vandaag het eerste geld dat ze verdient”, maar de betekenis hiervan ontgaat me even. Dan moeten er natuurlijk allerlei selfies worden genomen en de koffie wordt gedronken en een gesprekje over vanalles en een uur later sta ik weer buiten, Ayşe loopt helemaal mee tot aan de auto.

Ik ben weer helemaal dankbaar van alle indrukken en het menselijke en hartelijke contact met deze mensen.

Ik maak een stop bij Sultan Pastanesi voor een enorme doos baklava en rij meteen door naar het strand. Ik ben zo moe dat ik prompt in slaap val. Tegen het einde van de middag wil ik eigenlijk blijven voor de zonsondergang, maar ik trek het niet meer.

Thuisgekomen blijkt dat mijn plek aan tafel bezet is door een poes, die duidelijk verlegen zit om aandacht. Als ik hem aanhaal voel ik dat hij onder de klitten zit en ik zie wat oude wondjes aan zijn poten. Ik heb direct behoefte om een beetje voor het beest te gaan zorgen. Het lijkt me sterkt dat iemand dat doet op dit uitgestorven park. Eerst krijgt hij een klein schoteltje melk van me, morgen maar even wat kattenvoer en vlooiendruppeltjes gaan halen. De hele avond als ik in mijn campingbroek op het terras een poging doe om te schrijven, wil hij op schoot maar dat hou ik maar even af.

Als ik in bed de social media nog even langs loop, zie ik tot mijn schrik dat Ayşe op werkelijk elk kanaal onze selfies heeft gedeeld.

Permanente indruk

Als we in het transferbusje van het vliegveld terug naar Kadıköy zitten, zegt Osman, die schuin voor me zit, tegen me: “You are very quiet Zjenneke, people don’t know where you are, you should sometimes make noise”. “You mean like you?”, zeg ik tegen hem, waar hij hartelijk om moet lachen, omdat hij nou juist de meest beschaafde en bescheiden man van het hele stel is. We nemen allemaal ontzettend hartelijk afscheid van elkaar en ik ben oprecht dankbaar dat ik in deze groep verbleef, want ik mag dan niet van groepen houden, ik hou wel van mensen, en wat een prachtige verrassing was dit weer. Zoals mijn gids in Istanbul Elif al zei, “Waarschijnlijk allemaal boeiende mensen met dezelfde interesses als jij.”

Om twaalf uur kom ik pas thuis. Ik sleep het matras terug van het balkon naar het bed en ga meteen slapen.

De volgende dag moet ik om 13:00 in Nişantaşı zijn, de chique winkelbuurt van Istanbul, waar zich de studio bevindt van Görkem, een tattoo artist. Ja, ik heb lang getwijfeld of ik dit wel in dit blog moet zetten, want nogal persoonlijk, en wat moet men daarvan denken, en het klinkt zo ontzettend mlc, maar zo voel ik het helemaal niet, en trouwens mijn vriendinnen zeiden laatst dat je helemaal nooit te oud voor bent voor zoiets, wat een onzin! En wat zal mijn moeder ervan denken, bij dezen: sorry mam, ik heb dus nóg een tatoeage.

Waarom een nieuwe tattoo. Dit alleen reizen heeft de afgelopen vier jaar ontzettend veel met me gedaan, los van de indrukken die ik van dit land heb gekregen en die me maar blijven boeien, ook persoonlijk ben ik mezelf goed tegengekomen. Alleen reizen dwingt je ook na te denken over wat je zelf eigenlijk wilt, want er is niemand om je achter te verschuilen en niemand aan wie de te maken keuzes uit handen handen geeft. En daarmee heeft het me ook geleerd dat het okee is, het is allemaal okee, dit. Je kan het niet altijd kríjgen zoals je wilt, maar ook dat is okee. Het werd een olijftak, voor mij symbolisch voor het goede leven al sinds de oudheid (die op deze reizen ook steeds een grote rol heeft gespeeld), ook symbolisch voor Turkije, symbolisch voor vrede en voorspoed, symbolisch voor vernieuwing, affijn ik kan me geen beter beeld voorstellen bij deze periode in mijn leven. Niet dat het allemaal vrede en voorspoed is geweest, maar dat terzijde. En nee, dan hoef je dat nog niet gelijk op je lijf te laten tatoeëren, dat klopt, maar zeg nou zelf, een tattoo uit Istanbul, dat is gewoon toch leuk. Zo ijdel ben ik dan ook wel weer. Nou zeg dàt dan. Jajaaaa, okee. “Een tatoeage in Turkije, is dat wel veilig?” Hoor ik je denken. of anders wel “Heb je een gaatje in je hoofd Jenneke”. (Ja, geef het maar toe.) Nou, zoals ik al zei werkt alles hier net als in Nederland. Hier willen mensen óók niet dood. En hier zijn óók ziekenhuizen die werken in de hoogste standaard, en hier zijn óók allerlei soorten kapsalons en mani/pedi’s die allemaal verschillen in prijs en kwaliteit, net als in Nederland, daarom heb ik natuurlijk wel wat vooronderzoek gedaan om er zeker van te zijn dat ik niet in één of ander onhygiënisch slecht verlicht souterrain terechtkom. Foto’s gecheckt op instagram en wat ook helpt is dat dit de duurste buurt van Istanbul is, de studio ligt pal aan de Champs-Elysées zegmaar, en voor Turkse begrippen betaal ik er een vermogen voor, dus ik heb er vertrouwen in.

Bijna had ik hem trouwens helemáál niet gehad.

Ik heb een redelijk rustige ochtend en vertrek om 11:00 uur, wat genoeg moet zijn om aan de overkant te komen. Dit is voorlopig weer de laatste keer dat ik met de heerlijke vapur naar de Europese kant ga, maar ik denk er nauwelijks aan.

Ik lijk trouwens wel gek, net terug uit het oosten en nog geen dag rust, maar ja, ik heb maar twee weken waar ik alles in moet proppen, dus.

Osman had uitgebreid uitgelegd hoe ik in Nişantaşı moet komen, zó uitgebreid dat hij er twintig minuten over deed en ik alles dus al weer vergat, en ik hoef ook eigenlijk geen uitleg want ik weet prima hoe ik ergens moet komen. Het enige wat ik onthouden had, was dat ik van de vapur afkomend op Beşiktaş rechtsaf moet naar de dolmuşes, maar dat blijkt na een kwartier lopen niet te kloppen, dus steek ik over en neem de bus terug naar Beşiktaş en neem daar toch maar een Uber. Zo kom ik toch uiteindelijk net niet op tijd aan. Ik snak naar een kop koffie en app Görkem dat ik een kwartiertje later ben en installeer me in dezelfde straat voor een koffie. Met veel omhaal krijg ik van verschillende obers allerlei kaarten, maar ik wil alleen maar koffie, en ik weet niet van welke planeet die vandaan moet komen maar het duurt me allemaal veel te lang. Zo heb ik veel te veel tijd om over die tatoeage na te denken, niet dat ik twijfel, want de knoop is doorgehakt, maar ik was er nog niet over uit waar ik hem wil hebben. Uit praktisch oogpunt is het beter om hem op mijn schouderblad te hebben, dan kan ik er bij om hem te verzorgen, want ik ga naar de kust en eigenlijk mag je tien dagen niet zwemmen en in de zon, al heb ik me voorgenomen om die regels toch aan m’n laars te lappen want het komt me niet zo goed uit om niet te zwemmen en niet in de zon te komen als ik een week aan een paradijselijk strand lig zometeen. Ik had ook hiervoor al wat voorwerk gedaan, wondzalf gekocht en chirurgisch afdekfolie en wondspray om te ontsmetten en dergelijke dus we gaan dit gewóón doen.

Intussen hoor ik maar niets van Görkem en begin ik me lichtelijk zorgen te maken. Om 13:15 bel ik aan bij Tatoom Gallery. Ik mag binnenkomen in een strakke industriële designruimte met veel zwart staal en ruw hout. Een hipstermeisje met zwart haar en een strakke pony en een John Lennon brilletje en een iPad onder haar arm verwelkomt me met een blik met iets van verbazing, instinctief weet ik meteen wat er aan de hand is, en helemaal als ik het afsprakenbord zie zonder mijn naam erop.

“I call him” zegt ze, duidelijk verlegen met de situatie. Twee minuten later komt ze terug met de mededeling dat hij wel een afspraak heeft, maar niet met mij. Ik had hem al aan voelen komen. Iets met aanbetaling, waarvan hij had gezegd laat maar zitten omdat moeilijk met Swift codes enzovoorts. Het meisje is er ontzettend ongemakkelijk onder. Kan je morgen terugkomen? Nee, dat kan dus niet want dan vlieg ik naar Dalaman. Zal ik kijken of hij deze afspraak kan verplaatsen? Ik kan dat aanbod natuurlijk aannemen, maar om de een of andere reden wil ik dat niet. Ze doet nog een paar pogingen en gaat zich te buiten aan verontschuldigingen.

Ik loop totaal gedesillusioneerd naar buiten. Ik ben helemaal van het koekje. Heartbroken, zo zou ik het willen omschrijven. Het lijkt wel of ik alles hier veel intenser voel. Of misschien komt het gewoon omdat ik alleen ben en er niemand is om me af te leiden. Ik loop en sla een paar bochten om en loop de Abdi Ipekçi straat in. Escada, Michael Kors, Louis Vuitton. Ik heb het gevoel dat iedereen aan me ziet hoe upset ik ben en verberg me achter mijn zonnebril. Okee, herpakken en nieuw plan maken, nu. Café vinden, koffie bestellen, in de wc kijken of mijn mascara er nog op zit, en dan onder het genot van een latte bedenken waar ik die honderden lira’s die ik nu over heb aan uit ga geven. Ik ga op het Frans uitziende terras van Brasserie Beymen tegenover Louboutin zitten en bestel een koffie. Krijg prompt een sms’je van Ezgi, van Tatoom Gallery. “Please come back Jenneke”, zegt ze, “Other appointment cancelled.” Dolgelukkig zeg ik dat ik er over 20 minuten ben omdat ik net een koffie heb besteld, en zo kan ik even tot bedaren komen.

Twintig minuten later lig ik op mijn buik mijn zonden te overdenken terwijl ik tienduizenden keren gestoken word. Görkem spreekt geen woord maar dan ook geen woord Engels, en kijkt me uit verlegenheid dan ook maar helemaal niet aan, maar ik heb hem duidelijk weten te maken wat ik ongeveer wil, en dat hij geen zwart mag gebruiken, en dat hij verder zelf zijn gang mag gaan. Schouderblad lijkt hem het beste. Ik vind het goed. In het paars schetst hij op mijn huid wat het ongeveer gaat worden. Vind ik het zo goed? Ga je gang jongen. Af en toe vraagt hij half binnensmonds: “Iyi misin?” Dat eruit komt als “Jmsn”, Are you ok? Het heeft iets, om zo iets permanents aan iemand anders over te laten, voor een controlefreak als ik. Over elk detail van deze reis heb ik nagedacht, op het obsessieve af, althans zo moet het overkomen, voor mij is dat de lol van dit alles, omdat die voorbereiding gepaard gaat met je fantasie en je zo, wat er nog komt eigenlijk vooraf al een beetje beleeft, ook al wordt het altijd anders.

Dit wordt ook anders, namelijk ietsje groter dan ik voor ogen had. Maar wat is het mooi geworden. Wat is het precies passend en precies tòch wat uiteindelijk bleek dat ik wilde. Ik ben er echt dolgelukkig mee, ik vraag of hij er ook mutlu mee is, als hij er blij mee is, dan ben ik er ook blij mee. Er kan zowaar een glimlachje vanaf bij Görkem. Spul wordt afgeplakt en ik mag vertrekken.

Ik ben ketskapot van deze emotionele rollercoaster van vandaag als ik rond 16:00 uur terug ga lopen naar de iskele. Het is naar beneden en ik kan door het park lopen, het licht is zo prachtig, en ik wil weer niet weg uit Istanbul. Er is nog zoveel te doen. Steeds als ik ergens kom, lijkt de plaats in tientallen stukjes uit elkaar te vallen die allemaal moeten worden beleefd.

En passant check ik alvast even in voor morgen. Voor het eerst in mijn leven vlieg ik dat stukje naar Dalaman business class, omdat dat schandelig betaalbaar is met mijn European privilege en ik het gewoon een keer wilde meemaken. Vlakbij de iskele staat een man met een karretje granaatappels uit te persen. Dat lijkt me nou precies wat ik nodig heb op dit moment. Prompt loop ik ook nog de verkeerde kant op maar dat is niet erg, want verderop is nog een iskele, alleen blijkt die gesloten, dus ik steek wederom de straat over en neem de tram naar Eminönü en vandaar de boot naar Kadıköy.

Alles moet ik nog doen in huis, inclusief pakken, maar morgen hoef ik pas om 11:00 uur weg dus ik doe het rustig aan. Ik wil niet meer buiten eten want dan moet ik mezelf weer helemaal optuigen, dus pijama aan en een glas wijn en brood met kaas en eventjes op die heerlijke kolossale bank en dan schrijven op het balkon.

Midyat en Hasankeyf

Het lijkt me beter om vandaag ook het ontbijt over te slaan aangezien we een lange dag voor de boeg hebben. Net als gisteren sta ik lekker langzaam op, met het raam open zodat ik kan genieten van het uitzicht op de Syrische laagvlakte waarover de zon opkomt. Tien minuten voor tijd ren ik nog even snel langs het ontbijtbuffet om een broodje mee te nemen met kaas en komkommer. Onderweg naar het buffet kom ik verschillende reisgenoten tegen die allemaal vragen hoe het met me gaat, wat ontzettend hartverwarmend is en waardoor ik me natuurlijk ook meteen weer schuldig voel. Gelukkig is mijn stem waardeloos, dus ik ben niet compleet ongeloofwaardig. Maar even alle gekheid op een stokje, aan de andere kant, ik denk zelf de hele tijd wel dat ik mensen loop te bedonderen, maar ik mag natuurlijk zelf weten wat ik doe, en de wereld drááit niet om mij, die mensen missen me heus niet als ik niet met ze aan tafel zit, sterker nog, die zijn allang blij dat ze niet in hun gebrekkige Engels moeten verzinnen waar ze het met me over moeten hebben. Anyway.

Ik zit vandaag op de derde rij in de bus een beetje uit het raam te kijken en te mijmeren terwijl ik af en toe even naar de gids kijk alsof ik begrijp wat hij aan het vertellen is heel de weg naar het Mor Gabriel Manastiri (mor = saint). Dit klooster, met hier en daar nog wat typische orthodoxe gemengd met oosterse versieringen, is een ongelofelijk populaire bestemming voor Griekse of Syrische orthodoxe gelovigen, want de heilige Gabriel schijnt honderden jaren na zijn dood nog steeds genezende krachten te bezitten, gemanifesteerd in zijn vijf vingers, die 150 jaar na zijn dood voor het gemak maar van zijn hand zijn afgehakt en in zilver gegoten, om zo de komende generaties toch nog tot nut te kunnen zijn terwijl de rest van zijn lichaam toch maar weer begraven is. Om kort te gaan, het verhaal schijnt te zijn, dat 150 na zijn dood zijn graf om een of andere reden is opengemaakt, en zijn lijf nog helemaal niet bleek te zijn vergaan, waarna werd aangenomen dat hij dan wel geneeskrachtige gaven zou moeten hebben, en prompt werden er ineens allemaal mensen beter, enfin een hoop aannames en giswerk en persoonlijke invulling en cirkelredenering en religieuze retoriek later, staan we hier, in dit klooster, dat door alle Turkse restoraties van alle karakter en originaliteit is ontdaan, met z’n allen te dringen voor een kale vierkante sarcofaag waar verder niets aan te zien is. Ayşe, de lieve schat, slaat in elke ruimte een kruisje, en steekt overal een kaarsje aan waar er maar kaarsje te vinden is, en vraagt aan mij: “Heb je wel begrepen waar het over gaat?” Niet echt dus, maar gelukkig kan zij me bijna alles in plat Amerikaans Engels vertellen. Wat ze me echter niet vertelt, is hoe het klooster hier sinds de oprichting in de 4e eeuw (nog vóór het ontstaan van de islam dus) heeft standgehouden tegen aanvallen van de pest, moslims, Turken, Mongolen, Koerden, nog meer Turken, etc. Ik heb geen behoefte om met verhalen religie overeind te houden, maar door de historische loop van de omstandigheden krijg ik toch een gevoel voor de underdog die het klooster is in deze islamitische regio. Je kunt er hier meer over lezen als het je interesseert.

Op het moment zelf ben ik echter totaal niet geïnteresseerd in het klooster, eigenlijk omdat alle kloosters en kerken er tot nu toe hetzelfde uit zien. Gek genoeg: kerkje, halfronde apsis aan het eind waar een katheder staat met een boek erop, en waar een protserig beschilderd gordijntje voor hangt, dat met een koord aan de zijkant devoot voor ons wordt open- en dichtgetrokken. Foto’s maken mag meestal niet, maar er valt toch niets te fotograferen wat mij betreft. Zoals ik al zei is alles aan gort gerestaureerd, en je zou bijvoorbeeld toch denken dat met de moderne technieken en machines ze die halfronde stenen bovenlijsten een beetje netjes op elkaar hadden kunnen stapelen maar zelfs daar gaat het mis. Bovendien is het hier veel en veel te druk. En te heet ook trouwens.

Ik ga buiten maar even onder een boom zitten naast de prachtige Nisanur, de enige vegetariër in het gezelschap. “Are you religious?”, vraag ik haar. Haar vriend is fotograaf, ze zijn een beetje alternatief. “Not really in this way”, zegt ze wijzend naar de ingang van het klooster, “But I believe in something”, zegt ze. We keuvelen nog even wat door over religies. “I think christianity is a very clean religion.” zegt ze, “Islam has all these words about cleanliness, but it’s dirty, the people are so dirty.” Er staat een soort vermoeide blik op haar gezicht.

Ik ben allang weer klaar met de heilige Gabriel en eindelijk vertrekken we dan naar Midyat. Midyat is een soort klein Mardin. Daar aangekomen blijkt dat ik er ook maar niet al te hoge verwachtingen van moet hebben, want we hebben een half uur om rond te lopen voordat we terug worden verwacht in een of andere Han voor de lunch. De anderen lijken in groten getale op een paleis af te stormen waar een aantal beroemde Turkse series zijn opgenomen maar ik zie de bui al weer hangen en sla af naar een steegje. Ik word direct achtervolgd door kinderen die met me meelopen, en eerst in het Turkse tegen me praten en vervolgens in het Engels: “Where are you from?”. “Ne düşünüyorsun, what do you think?” “Ingiltere!”, “Almanya!”, “Avrupa, Avrupa!” Maar als snel hoor ik alleen nog maar waar het deze kinderen echt om te doen is: “Footbol, monny, footbol, monny!” Ik weet niet waarom in deze combinatie, wat willen ze nou eigenlijk zeggen, ik wil voetballer worden, dus ik heb geld nodig?

Op de heenweg was ik een winkeltje tegengekomen waar stoffen in hingen met iets zelfgemaakt-achtigs er in en ik loop er nu weer langs. Ik móet hier gewoon naar binnen, natuurlijk. Allerliefst word ik begroet door een oude mini-mevrouw die me de zelfgemaakte shawls laat zien, maar me meteen ook uitnodigt naar achter de winkel, kom, kom kijken waar we ze maken. Zo sta ik ineens in de achtertuin onder de vijgenboom, bij een plastic tafel waarop allemaal stempels liggen, die ze in de inkt dopen en dan op het katoen drukken. Het heeft niet de elegantie van de Indiase kantha maar wel de heerlijke ruwheid van niet honderdduizend keer bewerkte producten, en de eerlijkheid van dingen die net van het land komen of liever die net uit iemands tuin komen, en die ik dan ook zelf heb ontmoet. Ik vraag de oude vrouw of ik een paar foto’s mag maken en of zij er ook op wil, en ze is allerliefst en haalt meteen vanalles overhoop op die plastic tuintafel, bijna gaat ze een sjaal voor me maken, maar ik zeg haar dat dat niet hoeft. Inmiddels is ook haar dochter, de eigenaresse van de winkel gearriveerd, die zo mogelijk nòg kleiner is en net als haar gekleed in het Koerdisch (ik noem het maar even zo, niet denigrerend bedoeld). Ik koopt wee sjaals van haar en ik móet nog even met ze meekomen de tuin in, want thee! En hier is een stoel! Maar die groep die staat weer ergens te wachten als een stel spelbrekers, dus ik moet alleen nog even een selfie met ze maken, en ze drukken me nog een tros druiven in de hand en ik vertrek. Overlopend van liefde loop ik weg door de kleine gele straatjes van Midyat. Midyat is erg vervallen, in de eeuwenoude straatjes veel graffiti en ijzeren gedeukte voordeuren. Ook veel kinderen, dus, die met de toeristen meelopen en nog veel aandringender dan in Dara bedelen om geld. Als ik bijna bij de han ben waar we gaan lunchen, loopt er een meisje met me mee. Weer zo’n scheetje om te zien, fijntjes, met een jurkje over de broek met versleten slippertjes eronder. “Monny”, zegt ze. “Monny, monny.” Ik probeer haar te negeren maar ze blijft naast me lopen. Af en toe wrijft ze met haar duim en wijsvinger over elkaar. “Monny”. Als ik mijn hoofd naar haar toedraai en haar aankijk, wil ik het liefst vergeten wat ik heb gezien en stoppen met denken over dit kind, ze maakt kusmondjes naar me waarbij ze haar ogen sluit. “Monny.” Ik schrik me dood en allerlei gedachten schieten door mijn hoofd, is dit wat ik denk dat het is? Hoe kan dit? Wat wil dit kind? Wat maakt dit kind mee? Niet een keer maar meerdere keren doet ze dit als ik haar aankijk. “No”, zegt ik streng tegen haar. Dan is ze ook meteen weg. Ik ben er helemaal van ontdaan.

Als ik aankom in de han, staat deze vol met tafels waar mijn reisgenoten zitten te eten. Ik loop eerst nog even rond op deze eeuwenoude plek. In de hoek gaat een oude stenen trap naar boven, en er staat een bordje ‘yasak’ (verboden) bij. Vlakbij staat Osman foto’s te maken van de muzikant die de binnenplaats vult met melancholische muziek. “Do you know what is up those stairs?”, vraag ik hem. “Are you not curious enough to go up?”, vraagt hij met een glimlach. “You are challenging me, aren’t you”, zeg ik. “Yes, I am“, zegt hij. Natuurlijk loop ik dan het trapje op. Het trapje gaat twee keer een bocht om voordat ik voor een gesloten hek sta. Erachter een terras dat niet wordt gebruikt.

De lunch is overdadig met huisgemaakte ayran die met een diepe soeplepel wordt gedronken, en ontelbare kleine gerechten en gözleme (gevulde pannenkoekjes) en vlees en kaas en groenten. Het is gewoonweg te veel en te heerlijk allemaal, maar we eten niet meer vanavond, dus ik sta mezelf toe om goed te eten.

Als we naar de bus lopen, loop ik op met Osman. “So what was up there?”, vraagt hij. Ik kijk hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Ah, now you’re not gonna tell me, are you?”, vraagt hij en schiet in de lach. “But you were back very quickly, so I can guess.”

Na de lunch mogen we weer in de bus plaatsnemen om naar Hasankeyf te gaan. Ik begin zo onderhand een beetje genoeg te krijgen van dit ritueel.

Gelukkig is dit de laatste stop, en voor mij het belangrijkste doel van deze trip, waar ik dus inderdaad nogal wat voor over heb gehad: Hasankeyf. Ik wilde een linkje naar de Wikipedia-pagina toevoegen, maar dat kan hier dus niet, nog steeds geen Wikipedia. Maar het maakt ook niet uit want ik heb iedereen al tot vermoeiens toe lastiggevallen met verhalen hierover. Als je interesse hebt in geschiedenis van welke periode dan ook, dan heb je geen enkele reden om Hasankeyf níet te bezoeken. Hasankeyf ligt aan de Tigris en wordt al 10.000 jaar bewoond. De opvallendste features zijn de twee kolossale 12e eeuwse brugpijlers, de duizenden uit de rotsen gebikte graven en de middeleeuwse huizen die kris kras overelkaar heen zijn gebouwd tegen de steile bergwand.

Al drie jaar wil ik er heen, vanaf toen ik voor het eerst hoorde dat die dam gebouwd zou worden, en dit alles gaat verdwijnen. Steeds was er gedoe in de regio. Allemaal mensen die zeiden dat ik daar niet alleen heen moest gaan. Eigenlijk dacht ik, waarom eigenlijk niet? Want als ik in die 4-5 jaar alleen reizen iets geleerd heb, is het dat mensen overal ter wereld hetzelfde zijn. Ja, de omstandigheden zijn overal anders, maar de grap is dat je je dáár nu juist goed aan kan aanpassen, zeker als je een ‘rijke westerling’ bent. Auto’s werken overal hetzelfde, telefoons ook, internet althans het principe daarvan ook, overal zijn wegen aangelegd waar bordjes langs staan met plaatsnamen erop, ik durf te zweren dat dat in de middeleeuwen ook al zo was. Overal ter wereld willen mensen hetzelfde. En dan bedoel ik niet de één wil een auto en de ander wil een koelkast. Overal ter wereld willen mensen een fijn leven hebben, met hun gezin, en werken en in hun bestaan voorzien. Overal ter wereld zijn mensen nieuwsgierig, overal ter wereld willen mensen helpen, en ja, ook overal ter wereld zijn er mensen die je van je spullen willen beroven, dat is in Rotterdam echt niet anders dan in Zuid-Oost Turkije. En wat wil ik? Van A naar B komen. Eten. Zien. Schrijven. Uitrusten. Dingen die mensen hier ook willen. Dus waarom zou ik hier niet alleen naar toe kunnen? Maar ik twijfelde. Er waren heftige politionele acties in Diyarbakır. Demonstraties en arrestaties van buitenlandse toeristen in Hasankeyf. De media brachten het zo dat het leek alsof je al gearresteerd zou worden voor het maken van een foto. Ik zou toch beter moeten weten dan de media te geloven. Ik zette een post op de Turkse taalsite met de vraag of het veilig was om in mijn eentje naar het oosten te reizen. Ik kreeg goedbedoelde adviezen van voornamelijk Turkse mannen, die natuurlijk hun eigen culturele perspectief hebben. Van een lang in Turkije wonende Engelsman kreeg ik een direct message: “Just book a car and go.” Zo voelde ik het precies.

Nu kom ik aan, hier, waar ik al zo lang naar uitkijk, in een bus met 26 vreemden, ik probeer de omgeving intens in me op te nemen, wat maar deels lukt want er is zoveel lawaai. Het loopt al tegen het eind van de middag, de zon strijkt prachtig over het ruwe landschap. We rijden eerst door naar de oude Zeynel Bey Türbesi, een prachtige 15e eeuwse toren die recent uit het bedreigde gebied is verplaatst (door een Nederlands bedrijf trouwens) naar een hoger gelegen plek. Plompverloren staat hij op een witte betonnen sokkel, vlak naast de nieuwbouwwijk die door de overheid uit de grond is gestampt om huisvesting te geven aan de bewoners die straks onder water worden gezet. Iets verderop is een oude cami neergekwakt, die er al net zo verloren uitziet op zijn nieuwe plek. We rijden terug naar het dorp. We mogen uit de bus. We krijgen 20 minuten om rond te lopen. Als ik het hoor, ga ik bijna huilen. Zet het opzij Jen, je bent hier, mission accomplished, niet zeuren en loop. Op de terrassen tegenover het dorp drinken mensen thee en wordt muziek gemaakt. Beneden is een terras in het water gemaakt. Thee drinken met je voeten in de Tigris. Ik heb er geen tijd voor. “Do you have any idea what’s going on here?”, vraagt onze gids aan mij. “O yes ofcourse, that’s the reason why I wanted to come here”, zeg ik. “At the end of 2019, the water will be up until the balcony of that minaret”, zegt hij. Ik maak foto’s, kan totaan die minaret lopen voordat ik echt terug moet naar de bus. Als ik alleen was geweest, was ik hier een hele dag geweest. Was ik het hele dorp door gelopen, ergens in een onooglijke lokanta met plastic tafelkleed en prachtig uitzicht gaan zitten voor koffie en zitten schrijven, terwijl ik alle geluiden en geuren in me opnam. Had ik zo’n gekke Koerdische harembroek gekocht op de markt en zo’n zelfgeknoopt kettinkje met een stukje steen erin. Nu heb ik niets. Nog geen steentje van de grond heb ik meegenomen. Nu snelwandel ik terug naar de bus. Iedereen zit al. We rijden naar het vliegveld. De zon strijkt met de laatste stralen langs de steile met uitgehouwen graven bezaaide rotswand, en gaat voor mijn ogen onder in de Tigris. Ik hou de tranen ook niet meer tegen.

Over Oost-Turkije

Zarathoestra

Dat ik me iets minder een buitenstaander voel tussen dit gemêleerde gezelschap, wil niet zeggen dat ik nu zin heb in het avondeten. Gelukkig heb ik hartstikke keelpijn, dus dat ga ik straks fijn gebruiken om er onderuit te komen. Maar we vertrekken eerst nog naar Dara, ongeveer een uur rijden van Mardin naar het zuiden. Vanuit het zuiden is het zicht op Mardin tegen de berg aan echt spectaculair. Het is midden op de dag een beetje heiig van de hitte, geel met grijs en blauw. Onderweg passeren we een paar lege legercontroleposten en met manshoge betonblokken afgezette kazernes. We zien ook veel opgetuigde legergroene Hummers rijden. Buiten de stad hangen camera’s boven de weg. Men weet wie er in gaat en wie er uit komt.

Als we met die lompe opvallende touringcar aankomen in Dara en uitstappen, rijden er net een paar schattige jongetjes op kleine fietsjes voor ons langs. Eentje komt recht op mij af en ik pak mijn camera. Een paar van mijn reisgenoten doen hetzelfde en het jongetje staat even stil alsof hij niet anders gewend is. Er komen ook een paar meisjes aan en omdat ik inmiddels een paar meter van de groep af sta, komen ze om me heen staan. “Hoş geldiniz”, zegt een meisje met een glimlachje, “Hoş bulduk”, zeg ik terug. Dan zegt ze iets wat ik niet begrijp en ik zeg in het Turks dat ik alleen Engels spreek. “What is your name?”, vraagt ze. Ze staan met z’n drieën om me heen héél goed te weten wat ze willen van toeristen en ook heel goed te weten dat ze ondanks de overduidelijke doortraptheid toch onweerstaanbaar zijn, met die fijne gezichtjes en grote bruine ogen en gekke stoffige kleren in allerlei kleuren over elkaar heen aangetrokken. Eén van hen gaat het even in de rest van de groep proberen. Ik heb met de andere twee een kleine conversatie en een van die meisjes wijst op mijn armbandjes. Ik ga natuurlijk als een sukkel direct voor de bijl en vraag “Beğeniyor musun?”, “Vind je het leuk?”. Ze knikt driftig en ik trek een armbandje van mijn pols af en geef het haar, en een tweede aan het andere meisje. Ik heb er eigenlijk al direct spijt van, wat een watje ben je dan toch, maar oké, je moet het ook een beetje in het grotere geheel der dingen zien, wij komen hier op hun terrein met onze afzichtelijke bussen een beetje de huisvrede lopen te breken op alle onganselijke uren, daar hebben zij óók niet om gevraagd. En die toeristen bulken van het geld en ze willen soms nog wel eens wat, ayran, of papieren zakdoekjes, of een liedje, of een toekomstvoorspelling, of een zelfgemaakt kransje van olijftakken. Het is gewoon kijken wat je los kan krijgen, en zo’n armbandje komt natuurlijk snel van de pols af en is wel een stukje toneelspel waard. Ik loop weer een stukje door over het terrein. Het derde meisje dat middenin de groep staat, heeft inmiddels in de gaten dat er een succesvolle onderhandeling heeft plaatsgevonden en komt terugrennen naar haar vriendinnetjes. Ik hoor de twee in opgewonden stemmetjes iets tegen haar zeggen, ik kan me zo voorstellen iets van “Ze heeft er nóg een, ga het gewoon vragen!” Als ik achterom kijk, duwen ze haar een beetje mijn kant op. O, the pressure! Nu hebben je twee vriendinnetjes wèl een armbandje en jij niet! Ze rent achter me aan, maar zegt niets, ze kijkt alleen maar, met een soort van verlegen ogen, terwijl ik loop probeert ze met staren van opzij mijn aandacht te trekken terwijl de twee vriendinnetjes achter haar aan komen om te kijken hoe het afloopt. Ik had inderdaad nog één armbandje, de mooiste had ik voor mezelf bewaard, ja, dat doe je dan weer wèl, maar tegen deze emotionele guerrilla-aanval ben ik niet opgewassen. Ik ben nieuwsgierig wat ze doet als ik stil ga staan, als ik dat doe zet ze direct haar charmeoffensief in en zegt: “What is your name?”. Ik kan mijn lach niet onderdrukken en dat is kennelijk haar cue, want nu wijst ze naar mijn arm. Okee dan, hier. We maken nog even een “selfie, selfie!” en in een stofwolkje zijn ze dan ook verdwenen.

Dara werd in de 6e eeuw BC door de Oost-Romeinen op de Mesopotamische vlakte gebouwd als militaire post, vlak aan de zijderoute (waarbij Nusaybin de belangrijkste pleisterplaats in de buurt was). Ook de eerste stad in de geschiedenis met een irrigatiekanaal en een dam trouwens. Wist je vast niet. Ondanks al dit prachtigs heb ik verder niet zoveel oog voor Dara. Het stond op mijn lijstje en het is een totale verrassing dat we hier ook zijn heen gegaan, dus ik ben erg şaşırdım, verrast en blij maar in tegenstelling tot wanneer ik hier alleen zou zijn, ben ik teveel afgeleid door andere dingen om echt iets op te slaan en te leren (en te genieten ook, eigenlijk). Waar is die groep, staat die bus er nog, waar is mijn iPhone/camera/mifi/zonnebril/pakje zakdoekjes nou weer. (Maar even: die tas-in-tas hè sis, die zorgt er vooralsnog wel voor dat ik in nòg meer vakjes moet zoeken naar mijn zooi.) Ik heb ook al niets te lezen bij me, wat misschien nog wel het ergste is.

We bewegen naar de andere kant van het dorp. Ineens nog meer kinderen. “Zal ik een liedje zingen?”, vragen ze. Nee, hoeft van mij niet. Eén meisje is in de stralen van de ondergaande zon met water aan het spelen, waar ze onverstoorbaar mee door gaat als een paar mensen haar staan te fotograferen. Stof en water vormen een schimmenspel in de zonsondergang. Zou dat meisje zich dat herinneren als ze een vrouw is? Wat doet dit met haar? Misschien schrijft ze ooit wel een boek over haar leven in deze uithoek van Turkije, “Als de bussen kwamen stuurde mijn moeder me naar buiten om mijn zogenaamde regendans op te voeren. Vooral in de zomer konden we rekenen op al die mensen die hun Instagram wilden vullen met beelden van arme kinderen die spelen in de zon, en daar dan iets voor willen geven. Er waren nooit kinderen bij en ze spraken vaak een taal die ik niet begreep, waaruit ik afleidde dat ze wel ver weg moesten wonen, want in de buurt kende ik niemand die die talen sprak.” Of zoiets.

We dalen af in een meer dan 1000 jaar oude, twintig meter diepe voorraadkelder die er uit ziet als een ondergrondse kathedraal en overal waar we gaan volgen de kinderen ons. Het begint op het moment lichtelijk irritante vormen aan te nemen. Niet alleen vanwege het steeds aandringendere bedelgedrag, maar ook omdat er zo geen foto meer te maken valt zònder kinderen erop.

Ik vind het niet erg om hier weg te gaan en denk er even over na wanneer het beste moment is om tegen mijn gids te zeggen dat ik niet mee ga eten. Dat moment komt wanneer hij naast me loopt en we het hebben over de plaatsen die we hebben bezocht en die nog de moeite waard zijn. Volgende week vliegt hij voor één dag naar Libië, om een Romeinse stad te bezoeken. Ik zou me zo maar kunnen voorstellen dat ik dat ook zou doen. Als hij dan zegt dat we vanavond in zo’n fijn restaurant eten, onderbreek ik hem maar meteen, want ik heb zó’n keelpijn, ik weet niet of ik het wel trek om twee uur aan tafel te zitten. Hij probeert me nog over te halen, er is géén muziek, zoals gisteren (dat heb jij even goed aangevoeld mattie), er is vis en een héél goeie keuken, wat ik direct van hem aanneem want hij is een practising foodie heb ik begrepen, maar frankly, lieve schat, I’d rather wipe Saddam Husseins ass op dit moment. Hij zegt, “You don’t need to stay all evening, maybe just come for dessert or leave early, whatever you want.” Okee, een tikje schuldig voel ik me wel, maar niet genoeg.

Wat heerlijk om op de hotelkamer mijn kleren uit te trekken en een douche te nemen. Ik verheug me al op die latte die ik ongetwijfeld ga vinden. Ik heb geen zin in eten maar wie weet. Er overvalt me een enorm gevoel van vrijheid ineens. Ik sla nog een paracetamol achterover, ik wacht even tot iedereen waarschijnlijk aan die lange tafel zit, het is al lang donker, en loop dan naar buiten. Er moeten verschillende cafeetjes in de buurt zijn maar zo op het eerste oog zie ik ze niet. Google zegt dat ik in een paar stappen bij het Kulilk Cafe moet zijn. Ik zie inderdaad een onooglijk houten plankje met die naam hangen, dat naar een onooglijk steegje wijst, maar of ik daar nu in wil lopen, zo in m’n eentje… Ik bekijk even de foto’s op Google en het ziet er toch wel geestig bohemièn uit, dus weet je wat, het kan me toch allemaal niet meer schelen, ik lóóp die onooglijke trap op, dat donkere steegje in, het zijn tien treden voordat ik de hoek om moet en als ik daar ben krijg ik andermaal zo’n heerlijke verrassing, die alleen is weggelegd voor mensen met vertrouwen in de mensheid of doodsverachting, en ik heb geloof ik wel iets van allebei: een met lantarens verlichte zachtgele kalkstenen muur met van boven naar beneden uitgebeitelde versieringen beloont me, met een donkerbruine zware deur met ijzeren beslag, die open staat, en toegang geeft tot een klein open binnenplaatsje. Twee jonge mannen met snoeistrakke kapsels en hipstersbaardjes staan er te praten, “Kulilk burada mı?”, vraag ik, en ze wijzen naar nog zo’n uitgesleten stenen trap, en dan sta ik ineens op een dakterras, met houten tafeltjes en industriële stoeltjes en bankjes, half overdekt met grove juten kleden tegen de zon. Overal hangen gekleurde lantaarntjes aan scheepstouw, ook in de takken van de boom die half over het terras heen hangen. Ik ga vlakbij de rand zitten, er zit maar één ander stel op het terras. De kaart is een grillig houten plankje waar iemand de letters van de gerechten heeft ingebrand, kennelijk zijn ze niet van plan om binnenkort iets aan de kaart te veranderen. Wat in andere omstandigheden geen overbodige luxe zou zijn want er staan in totaal maar tien gerechten op en tien drankjes, natuurlijk allemaal zonder alcohol, maar hier, hangend boven het geelgouden Mesopotamië, onder deze glasheldere sterrenhemel, en onder een bijna overhellende steile bergmuur, is het genoeg, meer dan genoeg, is het een feest, is het vijf broden en twee vissen en glas water, en wat een intens geluksgevoel overvalt me hier, niets maar dan ook helemaal niets kan hier tegenop, alles valt op zijn plaats.

Eerst koffie, en ik bestel een latte, heeft ie niet, maar ik vraag of hij melk heeft, ja dat heeft hij wel, kan hij die warm maken? Ja hoor, geen probleem. En heb je ook koffie? Ja allicht. “Zal ik ze mengen?”, vraagt hij. Joh, wat een goed idee.

Ik leg mijn iPad op tafel en bestudeer de kaart een beetje. Een piepkleine kitten speelt bij mijn voeten. “Patates”, staat er op de een na laatste regel. En “Tavuk izgara”, gegrilde kip. Ik ga niet meer moeilijk doen, nu. Kip met friet, á la Turque de l’est. Echt, ik heb iets goed gedaan in dit leven. De koffie komt, gewoon veel te hete instantkoffie met melk, maar prima en ik bestel mijn eten. De koffie is na een paar minuten echt heerlijk, ik zit heerlijk te schrijven, ik voel me intens gelukkig, en ik bedenk me, al die tijd heb ik gezegd dat het énige dat niet leuk is aan alleen reizen het ‘s avonds alleen eten is, maar dit…! Waarom dàcht ik dat eigenlijk ook al weer?

De kip en friet komen, en echt waar, er zit een bakje ketchup en een bakje mayonaise bij, I kid you not, mayonaise! De kip is in stukjes gegrild, Turks gekruid met lekker veel pul biber, en ligt op een bedje van brood zoals iskender kebap, met tomaten en pepers en ui erbij. De jonge gast komt nog aan met een enorme schaal van dat heerlijke brood, en vraagt dan: “Would you like a glass of wine?”

(Dat was even een momentje om het momentum tot je door te laten dringen, ik snak al dagen naar een glas wijn, ook al was ik aan het minderen, wat in principe prima gaat, maar ik ben nu in Turkije, all bets are off, maar geen wijn te krijgen hier, niet in het koelkastje van het hotel, niet op het terras van het hotel zelf, het lijkt de friggin’ drooglegging wel, maar enfin.)

Ik klap mijn handen tegen elkaar en zeg “Evet! Lütfen! Gast komt met een fles zonder etiket, lokaal dus, (Süryani şarabı, bleek inderdaad) en een enorme bel van een glas, dat voor meer dan de helft vol gaat. Nu had ik in Dereiçi die lokale wijn al geproefd (die trouwens wèl een etiket had), en werd daar niet zo héél vrolijk van, beetje te zoet en te zuur tegelijk, maar déze! Nee ik wil echt niet overdrijven, ik snap dat je er op dit moment wel klaar mee bent en de pointe wel begrijpt, maar deze wijn was dus niet alleen lekker, donker, en zwoel, en walnoten, maar ook was het een mentaal kadootje, een goedmakertje van het universum, voor de geleden schade van de vorige avond. Zoiets.

Ik heb daar best nog lang gezeten, aan dat houten tafeltje. Schrijven schrijven, schrijven, af en toe die kitten erbij, smachtend naar een stukje kip. Toen ik klaar was met eten, vroeg de jongen of ik nog een beetje wijn wilde, en ik had eigenlijk genoeg gehad, maar alles was zo bijzonder, ik wilde nog even blijven zitten schrijven, dus ik zei toch maar okee, en even later komt hij ook nog terug met met een schoteltje met kaasblokjes, en op dat punt, na alles wat ik net heb beschreven, en die wijn natuurlijk die zijn emotionele effect bereikte, brak ik in stukjes, en heb ik de tranen van dankbaarheid en vermoeidheid natuurlijk ook, maar even de vrije loop gelaten, het was tòch donker, en de mensen aan de andere tafel waren toch te luidruchtig met zichzelf bezig om mij op te merken. De rekening kreeg ik gepresenteerd in “Böyle Buyurdu Zerdüşt” (Aldus sprak Zarathoestra), van Friedrich Nietzsche.

Affijn om kort te gaan, ik had een heerlijke avond in m’n eentje, en bleef ook nog tot diep in de nacht schrijven op mijn hotelkamer. Met water.

Betovering | Mardin

Vrijdag

Het staat er echt, “Diyarbakır”, op m’n instapkaart. Shit gets real. Ik hoop dat ik in het goede vliegtuig zit. Ik zie Stipje nergens meer. Maar Paars stond net wel in hetzelfde busje dat ons naar het vliegtuig bracht, dus ik denk dat het goedkomt.

Voordat ik wegging heb ik het nieuwe matras nog afgehaald en naar het balkon gesleept. Daar had ik nog tijd voor want ik was om 3.15 al wakker. En om 2:15 ook, en om 22:15 en 23:30 ook, vanwege de schroeiende stank die uit het matras kwam om mijn longen te perforeren, en de sigarettenlucht die uit de keuken kwam. Eruit om de deur van de slaapkamer dicht te doen. Eruit om een rondslingerend vest tegen de kier onder de deur te leggen. Eruit om in de keuken het raam naar de luchtschacht dicht te doen waar het vandaan leek te komen. Maar dat matras, het leek wel of mijn luchtpijp in de fik stond. Vanochtend dus maar alles afgehaald en op het balkon te luchten gelegd. Kan ook zijn dat die griep me toch gaat inhalen nu.

Ik eet een groen mandarijntje en een plak van dat heerlijke Turkse brood met kaas en ik maak instantkoffie. Het zou maar 20 minuten lopen moeten zijn naar het Fenerbahçe stadion maar ik neem in deze duisternis toch maar een taxi, die trouwens meteen al voor mijn deur stopt zodra ik met mijn koffertje uit de deur stap. Chauffeur vraagt waar ik heen ga, ik zeg ‘Fenerbahçe stadion’ en dan vraagt hij volgens mij nog een keer waar ik heen ga, of waar ik daarna heen ga, of wat ik ga doen, dus na al dat aandringen zeg ik per ongeluk ‘Sabiha Gökçen’. ‘Sabiha Gökçen?’, vraagt hij. ‘Neenee, Fenerbahçe stadyumu’, zeg ik. ‘Sonra Sabiha Gökçen’e mi?’. ‘Hayır, hayır, sadece Fenerbahçe stadyumu.’ Omdat ik het zielig vind dat ik hem de rit naar Sabiha ontzeg, geef ik hem maar het dubbele van de ritprijs, 15TL, wat neerkomt op nog geen 2,50€.

Bij het stadion zie ik meteen een man uit een andere taxi stappen met een handbagekoffertje, waar ik maar direct op afstap. Als ik in het Engels aan hem vraag of hij ook met Fest Travel meegaat, lijkt hij direct een beetje in zijn schulp te kruipen terwijl hij bevestigend antwoordt en zegt dat hij de gids is. Hij doet geen enkele moeite om iets in het Engels tegen me te zeggen, ook niet als we later met 15 man in de bus zitten en hij een verhaaltje afsteekt. Gelukkig heeft iemand een lijstje in zijn hand waar ik mijn naam op zie die afgestreept wordt en zo tijger ik de hele tijd maar langs de kleine tekens die me bevestigen dat ik nog steeds goed zit. We krijgen een rood apparaatje aan een koord, en een paar batterijen, er wordt nu iets verteld over waar het ding voor is, ik hoor verschillende keren het woord vliegveld en veiligheid vallen, maar ik kan er verder geen touw aan vast knopen. Nee, uitleg in het Engels komt er niet.

Ook al is het ècht niet erg, en heb ik er rekening mee gehouden me drie dagen lang zonder verbaal of ander contact in De Groep te moeten bewegen en niets te begrijpen van wat er gezegd wordt, ik had het toch anders gedaan, als gids zijnde.

Ondanks extreme vermoeidheid slaap ik niet in het vliegtuig. Ik zit gelukkig bij het raam en kan de zonsopkomst zien boven de wolken, die langzaam verdwijnen naarmate we meer naar het zuidoosten vliegen. Dalend naar Diyarbakir zie ik ontstellend lelijke oostblokwijken met hoge flats allemaal recht naast elkaar gezet. En ik zie ook de oude ronde stad waarvan een kwart weg is.

Ik ken nog geen gezichten en namen dus ik loop na de bagage een beetje te zoeken maar vind al snel Stipje buiten staan bij de gids. Okee dit is het dan, uit je comfortzone Blokkie, doe maar eens dingen die je voor jezelf had afgezworen, zoals in een Groep reizen als een Chinese toerist, en sociaal praten met mensen, nou ja dat had ik niet echt afgezworen maar dat kan ik gewoon niet, zoals is gebleken na paar decennia oefenen, en nou die bus in verdorie! Gelukkig krijgen we van Erdal (de gids) een A4-tje met drie keer een plattegrond van de bus er op (inclusief twee deuren en de R voor ‘rehberi’, gids), en voor elke dag een andere stoel ingekleurd waar je mag gaan zitten. Dáár hoef ik gelukkig niet meer over na te denken en Forest Gump-achtige taferelen blijven zo achterwege en iedereen blijft verschoond van allerlei nachtmerrieachtige herinneringen aan schoolreisjes. Dat is fijn.

Niet zitten we in de bus, of Erdal begint te ratelen en houdt niet meer op totdat we door het spuuglelijke betonnen voorstedelijke nieuw Mardin (“Türkiye ülkemiz, Erdoğan babamız”) rijden en aan het begin van oud Mardin stoppen, omdat de bus hier niet verder mag. De hele rit schalmden op monotone wijze allerlei historische feiten door de touringcar-intercom, daar was geen woord Spaans bij, en ook geen Engels trouwens, dus ik heb er werkelijk geen biet van begrepen. Ik moest dit eerste uur echt even hergroeperen en strategie bepalen. Ik merkte al binnen een paar minuten dat ik van dit met technische, academische en bouwkundige termen doorspekte verhaal alléén maar fracties sporadisch kan begrijpen, als ik echt geconcentreerd luister, en dat is echt doodvermoeiend. Bij Engels en Nederlands kan je nog wat anders doen, beetje naar buiten kijken, boekje lezen, beetje praten, en wat er dan gezegd wordt blijft nog wel even hangen in het luistergebied in je hersenen zodat je ergens toch wel weet wat er wordt gezegd. Maar dit komt er helemaal niet door, dit blijft ergens steken in het vertaalgebied, en als het daar niet doorheen komt, komt de betekenis ook niet aan.

Afijn, we moeten er dus uit en beginnen te lopen. Ik denk, we gaan nu vast even naar het hotel, even opfrissen, en dan lekker ontbijten. Maar nee. Lopen zal je. Je wou toch een tour? Nou, hier is ie. Ik zal je verder de details besparen maar lopen, lopen, lopen, kerkje in kerkje uit, kerkje in kerkje uit, (4x) alles begeleid door ongetwijfeld echt kundig verslag over de geschiedenis vanaf de prehistorie, maar dat gaat dus helaas allemaal aan me voorbij. Godzijdank stiefelen we dan met z’n 26-en een lokanta binnen voor een echt heerlijke lokale kebap. Ik zit tegenover een beeldschone blonde Turkse die vraagt wat ik hier eigenlijk doe. Ik zeg dat ik al een paar jaar reis door Turkije omdat er zoveel te zien en te genieten is en ik het heerlijk vind. Ze zegt, “That’s so nice to hear. For years tourism was so bad”. Ik zeg: “A few years ago when I doubted if I should come back, someone said to me, ‘Maybe bad things are happening here but 50% of the people don’t want all this, and they feel left alone by the world.’ That’s the reason I still come back. And it’s just those people who are sad about their country who love their country so much.” Ze legt haar hand op haar borst en zegt: “That’s so good, thank you for saying that.”

Ik ben kapòt. Socializen gaat niet meer, en ik wil alleen maar naar m’n hotel. Waar is het? Erdal houdt het express nog even achter, die gnieperd want die snapt natuurlijk ook wel dat als hij het nu zegt, iedereen de benen neemt. Maar Erdal is rücksichtslos, na de lokanta mogen we nog even naar de wc (gat in de grond, serieus. Met een kraantje ernaast en een roze plastic plantengieter. En wat ik zo wonderlijk vind, die gaten in de grond zijn netjes helemaal keramisch vormgegeven als een wasbak, alsof dat het dan een appetijtelijkere aanblik geeft) en dan moeten we naar benéden, naar nog één kerkje, dwars door de schattige petieterige marktsteegjes van Mardin heen, maar wat dus wel betekent dat ik straks waarschijnlijk ook weer omhóóg moet.

Ik moet wel zeggen, Mardin. Mardin. Wat heerlijk, wat een heerlijke plek. Wel erg toeristisch, zo zijn van overheidswege alle winkeltjes in de hoofdstraat voorzien van hun naam in allemaal dezelfde goudkleurige schreefloze Arial. Daardoor ziet het er uit als Disneyland, maar daar moet je even doorheen kijken. Even kijken naar de rommel en de lelijke verbouwingen. Je moet nadat de Groep is vrijgelaten even ontsnappen naar een onooglijk achterafstraatje dat je eigen liever niet wilt nemen, maar als je het dan tòch doet, ineens tussen 800 jaar oude goudgele muren loopt met stoffige uitgesleten stenen trappen, en kantélen en onvoorstelbaar oude houten deuren, waar de kinderen spelen en nieuwsgierig naar je kijken en 100 jaar oude mannetjes al die trappen nog steeds op lopen. En waar het ruikt naar houtvuur en gekruid vlees en natte kalk. Het lijkt wel alsof hier een permanente geeloranje filter over de stad ligt die alleen even verbleekt als de zon en de hitte het hoogste punt hebben bereikt. Je hebt geen idee meer waar je bent, maar het maakt niet uit, als je straks ergens weer omhoog loopt komt je waarschijnlijk tòch weer op die hoofdstraat uit.

Ik laaf me aan die paar kleine straatjes voordat ik me snel naar het hotel begeef, want ik heb nog maar twee uur voordat we moeten verzamelen voor het avondeten. Die twee uur lijken wel niet te bestaan zo kort, ik val nog even in slaap maar sleep mezelf er toch weer uit.

Avondeten doen we aan een lange tafel. Ik heb me ontfermd over een oudere dame die er de hele tijd een beetje alleen uit ziet en probeer een praatje met haar aan te knopen maar haar Engels is net zo slecht als mijn Turks. Desondanks zie ik dat ze mijn aandacht waardeert (later noemt ze me haar ‘Friday’ waar ik dan wel weer om moet lachen, want volgens mij ben ik hier de vreemdeling). Als we naast elkaar gaan zitten blijkt dat iedereen om mij heen zo goed als geen Engels spreekt. Er is een traditionele hard spelende live band met oude ongeïnteresseerd kijkende mannen (viool, saz, trommel) die zagende liedjes spelen die mij allemaal hetzelfde in de oren klinken maar alle vrouwen aan tafel lijken ze te kennen en zingen ze klappend mee, wat mij om onbegrijpelijke reden maar volgens de verwachting, vervult met een diepe gêne. Nee toch. Een voor een worden er bordjes gebracht, het is heerlijk, maar ik ben te moe om ervan te genieten, en dan die muziek, die ik niet begrijp, en de mensen die ik ook niet begrijp, en trouwens ook helemaal niet kan hóren, en ineens lopen er allemaal vrouwen van andere tafels naar de vloer en beginnen te dansen, op die traditionele manier, waarvan ik denk, hoe weten ze toch wat ze daar moeten doen de hele tijd? Het is betoverend en afschrikwekkend tegelijkertijd. Er zit zoveel beroering en bezieling en cultuur in die klanken en die dans, ik kan er eigenlijk wel uren naar kijken, en tegelijkertijd maakt het nu dat ik me extreem ver van deze mensen verwijderd voel. En ik kan nog niet weg want er komt nòg een gerecht en nòg een, o for God’s sake, en nòg meer muziek en dans, en rakı, en lawaai, o, wat verschrikkelijk, ik hoor helemaal niets meer, en ik voel me verder en verder wegdrijven van de planeet en ik wil weg en dan eindelijk staat er iemand anders op in wiens kielzog ik kan meelopen. ‘Nooooooit meer’, denk ik lopend naar het hotel. En ik neem ook maar alvast een voorschot op het ontbijt waar ik om de dooie dood niet heen ga.

Slapen wil eerst niet echt lukken omdat ik zo’n keelpijn en sinuspijn heb, maar uiteindelijk lukt het toch en ik slaap prinsheerlijk door het ontbijt heen.

Om 8:50 staan we paraat voor Dereiçi en Dara. Ik mag vandaag helemaal voorin de bus, wat helemaal fijn is met het oog op het uitzicht, alleen ik hoop niet dat ik nu de hele tijd met de gids moet praten. De rit naar Dereiçi is absoluut prachtig, dit dorre ruige steenachtige landschap gaat eindeloos glooiend door, kleine dorpjes, kinderen die zwaaiend achter de bus aanrennen, mannetjes met ezels en takkenbossen, vrouwen met losse hoofddoeken onder bomen die iets verzamelen, wat doen die mensen toch allemaal hier, van die takkenbossen kan toch niet iedereen rondkomen? En toch voelt het allemaal vriendelijk en gemoedelijk aan (voor mij dan, die niet weet wat deze mensen hebben meegemaakt). In de buurt van de rivier is het groen, notenbomen en wijngaarden.

Dereiçi is een soort spookstad die toch weer is ingenomen door mensen die er uiteindelijk nog heil in zagen of gewoon niets anders hadden. Op enig moment komt Erdal buiten in de bloedverziekende hitte op een Grieks orthodoxe begraafplaats bij me staan. Hij is een jaar of 45 en grijzig, hij heeft een nogal uitdrukkingsloos gezicht, zij het met een beetje een oordelende blik en de houding van een leraar Nederlands (De Geus, Nassau), buigend en wijzend en naar één kant overhellend als hij ergens over na moet denken. “Do you actually understand what I’m saying or are you just pretending to listen?” Waar ik dan wel weer om moeten lachen. “I’m actually listening and really trying to understand what you’re saying” wat ook de waarheid is. “It’s really difficult but it’s good for my Turkish”. “Het zou wel helpen als je niet óók nog de steden bij hun onuitsprekelijke interglaciale naam noemt die ik niet ken, Erdal”, denk ik erbij. Ik ben inmiddels gestaakt met elk woord te proberen te volgen, al loop ik nog steeds wel met mijn oortje in, dat rode apparaatje, dat gewoon een klein speakertje is, zodat Erdal niet zijn stem hoeft te verheffen en de Groep een beetje kan uitwaaieren.

Aan het eind van het dorp worden we nog even uitgenodigd om de lokale wijn te komen proeven.

Tijdens de lunch zit ik naast de Ariente’s, waarvan ik vanwege de Spaanse naam verwacht dat ze wel Engels zullen spreken. De dame, Ayşe, vraagt me wat ik hier doe en als ik via de vaste routine heb uitgelegd dat Turkije voelt als een oude handschoen, begint ze te lachen. “You were here in another lifetime, it’s obvious”, zegt ze, “That’s why you feel that way”. “Actually I feel the same way”, zeg ik, “It’s just a pity that the language didn’t move to this lifetime with me.” Ayşe vertelt me dat haar Engels zo goed is omdat ze is opgegroeid in Amerika. Ik vertel haar ook dat het me was opgevallen dat ze in het orthodoxe kerkje een kruis maakte. Dat komt omdat ze van huis uit katholiek is, zegt ze, Syrisch orthodox. En haar man, Alfonso, is Turks (natuurlijk), van een Spaanse familie, en opgegroeid in Italië. Maar nu wonen ze al heel lang in Istanbul. “Wat zo fijn is aan Turkije is het eten”, zegt ze. “Er is geen betere keuken op de wereld”. Alfonso zegt de Italiaanse, waarop hij direct door zijn vrouw en mij wordt afgestraft, want ja Italiaans is lekker, maar Turks is toch echt veelzijdiger. “I think my favourite place in Turkey must be Çiya”, zeg ik, een restaurant in Moda (zie Chef’s Table S5E2). En ineens begint iedereen aan tafel zich ermee te bemoeien, ja, Çiya! Ayşe kent het niet. “Eigenlijk komen wij nooit aan de andere kant”, zegt ze, op zo’n geestige Istanbulse ik-ben-van-de-Europese-kant-toon. Maar nu begint iederéén te roepen dat ze er ècht een keertje heen moet. Ze hebben daar àlles, en het is maar een paar minuten lopen vanaf de iskele. En ineens voel ik me toch een piepklein beetje minder een buitenstaander.

Zijn we weer

“Ik heb geen zin meer.”

“…”

“Ik wil niet meer. Ik wil naar huis .” Mijn keel schuurt van de sinds gisterenavond opkomende griep.

“En nu ga je ophouden met zeuren. Je gaat gewoon. Straks ben je weer hartstikke blij.“ (Hij zei het in iets andere bewoordingen die ik hier niet kan herhalen omdat mijn moeder dit leest) (Althans dat zegt ze) (En ik hoop dat ze dat doet want daar doe ik het per slot van rekening voor, dat ze weet waar ik uithang en wat ik doe.)

Dit gaat zo nog even door onderweg naar het vliegveld als de reisstress echt toeslaat. Ik heb geen zin meer. Waarom doe ik dit eigenlijk ook al weer? Ja. Ja. Ja. Wat moet ik ervan zeggen. Ik kan het ook niet helpen. Ik ben denk ik gewoon een ziekelijke verzamelaar, net als mensen die bierdopjes verzamelen, of beeldjes van olifanten of poezen. Omdat het daarvan óók volstrekt niemand duidelijk is welk genot iemand eraan ontleent en waarom die verzameling maar groter en groter moet worden. De lijst aan plaatsen die ik in Turkije wil bezoeken wordt óók almaar groter en groter. Gaziantep, Trabzon, Van (“Van”, Google that…), Erzurum, roadtrip langs de Zwarte Zeekust, Capadoccia, een treinreis van Ankara naar Kars, Nemrut Daǧı, Göbekli Tepe, de Akçalı Travertenleri, Hatuşaş, talloze antieke steden waarmee het land is besproet, Kültepe, Güzelyurt, en ik ben nog lang niet klaar. Ik heb elke keer maar twee à drie weken, en daarin moet ik me ook een beetje ontspannen en opladen voor en uitrusten van het verstikkende werkgeweld van de rest van het jaar. Het luistert allemaal nogal nauw, wat er in die paar weken gebeurt. Ik kan het me ook niet voorstellen dat ik dit anders zou doen dan in m’n eentje. Ik hou me inmiddels verder weinig bezig met wat mensen daarvan denken. Waarschijnlijk hetzelfde als ik zelf vroeger deed over alleenreizigers. Een beetje meewarig misschien, met op de achtergrond de vraag of ze misschien niemand konden vinden die met ze mee wilde, en of ze ook door het leven zelf alleen reisden. Ik vertelde over mijn plannen op whatsapp tegen een Duitse vriend. “Aaahhh, du machst ein Sexuhrlaub!” zei hij, “Du böse Frau!” Toen ik uitgelachen was bedacht ik me dat mensen er zo dus óók tegenaan kunnen kijken. Okeeeeejjj. Gek genoeg is de reactie die ik van mensen krijg vaak: “Dan hoef je geen rekening te houden met andere mensen.” Héél gek vind ik dat. Alleen reizen is niet echt gewoon, en dan probeer je uit leggen dat je in je eentje twee keer zo snel beslissingen neemt, urenlang op plekken kan doorbrengen die een ander niet interesseren, snel contact maakt met mensen, je niet terugdeinst voor obscure eettentjes of juist maaltijden overslaat, dan krijgen ze zo’n meewarige blik en zeggen ze op zo’n toon van “ik begrijp het wel hoor, lijkt me héérlijk om ook eens te doen, dan hoef je geen rekening te houden met iemand anders”. En dat klinkt me nogal egoïstisch in de oren, het steekt me een beetje. Misschien zegt het meer over hen dan over mij. Mijn gedachte is eerder omgekeerd: dan hoeft er even niemand rekening te houden met míj. Met mijn buien en humeur, migraineaanvallen, met mijn grillige eet- en leefpatroon, met mijn obsessies met geschiedenis. “Nou, gezellig hoor”, hoor ik meerdere keren per dag van mijn lief, bij wijze van grap als ik ’s avonds in mijn laptop in Google Maps zit te graven. Ik denk dat er van een afstand voor een ander sowieso weinig lol met me te beleven is op reis. Zo’n week verloopt zonder enig herkenbaar patroon, van uren lang in bed blijven liggen tot op onmogelijke tijden nog naar een of ander bos rijden omdat er nog ergens een Romeinse stad onder de grond ligt. Op vaste tijden eten daar hoef je echt niet op te rekenen en verschillende maaltijden worden overgeslagen, dat kàn ook in Turkije, want als je een plek met een serieus Turks ontbijt hebt gevonden dan eet je meteen genoeg voor twee dagen. Ik ken verder ook niemand die het heerlijk vind om de hele middag op het strand te liggen met een boek. Ik ken sowieso niemand die met me mee wil. Als je ‘Turkije’ al zegt is het meestal al over met de belangstelling. En zeewater, ik kan er niet zonder. Ik hoef er niet over uit te wijden want dat heb ik in de vorige blogs al ten overvloede gedaan, maar gek genoeg heb ik nooit geweten dat dat niet voor iedereen geldt. Nog steeds vind ik het vreemd als mensen zeggen dat ze in de zomer naar Oostenrijk op vakantie gaan. Daar is toch geen zee? Wat een ultiem geluk, helder zeewater, een strandbedje, een boek, mensen die je een cocktail komen brengen of een stuk meloen. Zwemmen, lezen, zwemmen, lezen, zwemmen, lezen. Zeewater dat korrelig opdroogt op je huid en in je haar, ik ga liever helemaal niet douchen, al die goedheid op je huid!

Dus… daar ga ik weer. Deze keer hoop ik dat ik eindelijk mijn top drie Turkse bestemmingen kan bereiken na drie jaar goede voornemens. De eerste week heb ik een vaste basis in Istanbul. Op dag drie vertrek ik voor drie dagen naar Mardin, Midyat en Hasankeyf. Daarna nog een paar dagen Istanbul en dan naar de kust, waar ik ook nog ten minste twee dagtrips maak naar vervallen Romeinse rommel.

Hoeveel zin ik er ook in heb (en dat valt dus op dit moment wel mee), tegelijk ben ik ook terrified. Om te beginnen gaat die trip naar het oosten in een groep, een hele grote groep. Ik ben niet goed met groepen. Helemaal niet. Dus eigenlijk heb ik er nu al geen zin meer in. Vandaag kreeg ik de lijst met namen. Op één na allemaal Turkse namen ook nog. Dat is trouwens ook een heel gekke gewaarwording. Als je in Nederland ergens een namenlijst ziet, is toch een gedeelte niet van Nederlandse origine. Ik vraag me af wat de grootste groep immigranten voor nationaliteit heeft in Turkije. Syrisch? Zal eens aan mijn gids vragen met wie ik donderdag ga ontbijten in Balat.

Maar eigenlijk is dat het enige waar ik bang voor ben. Ik ben eigenlijk nooit voor iemand bang. Alleen voor een grote groep mensen die aardig lopen te doen. En aardbevingen. Maar verder niks.

Donderdag

Wat een ongelofelijke geluksbofferd ben ik toch weer. Even dit: Istanbul past me weer als een oude handschoen, alsof ik jaren weg ben geweest en na een heel leven op de verkeerde plaats, weer ben teruggekeerd naar de ‘old country’. Ik weet niet waarom, want ik hóór hier niet, zie ik aan de blikken op straat. Als ik naar mijn appartement ben geüberd doet mijn gastvrouw de deur al open voordat ik aanbel. Ik ben zo moe, en heb zo’n verschrikkelijke dorst, maar ik krijg gelijk een toer van het huis, dat nog veel leuker is dan op de foto’s van Airbnb ook al doen de lampjes op de slaapkamer het niet en heeft ze de drankenkast verzegeld met tiewraps. Een minimalistisch zwart stalen burootje hier, een industriële eettafel daar, het is helemaal goed. Of ik het niet erg vind dat ze over 30 minuten nog even terugkomt met een nieuw matras. Nee, dat vind ik niet erg, helemaal niet zelfs. Ik ga op zoek naar de enorme watertankfles die overal in deze huizen staat en laaf me eerst aan een paar glazen water. Als het matras is gebracht spring ik snel onder de douche en ga boodschappen doen.

Zodra ik de deur uit stap, het is inmiddels een uur of 8 en donker, overvalt me de drukte hier op straat, Moda Caddesi, de slagader van Moda, Kadiköy, massa’s mensen lopen hier, zitten op de piepkleine terrasjes die er vorig jaar nog niet waren, iedereen is zo piepjong en donker, en alsof niemand ooit alleen is, en ik loop hier weer als een vuurtoren over straat. Trying to blend in. Of liever trying to blend out. Want blending in gaat dus never nooit lukken voor mij. En als ik even later bij de groenteman bananen en druiven en groene mandarijnen wil kopen, laat mijn taalkennis me ook weer volledig in de steek, en als ik vervolgens ook in de Migros ineens overal in het Spaans antwoord op geef, wat heel gek is want ik spreek helemaal geen Spaans, is de vervreemding compleet en vlucht ik totaal ontheemd via de kebapçı buurman met een dürüm naar huis. Ik trek een pijama aan ga met m’n dürüm op de bank liggen en kijk even naar de in het Turks nagesynchroniseerde Gladiator (Gladiatör). Ik lig vrij snel op bed, de lampjes doen het niet en het nieuwe matras ruikt naar een chemische fabriek. Ik kijk nog even Netflix en slaap gelukkig erg goed.

En dat is fijn want om 10:00 uur heb ik met Elif afgesproken op Eminönü. Elif heb ik gevonden op de app Withlocals, de heerlijke briljante uitvinding van deze tijd, waarop je lokale gidsen kunt vinden die je een dag of dagdeel meenemen op tour door de buurt. Meestal de populaire buurten zoals Sultanahmet of Galata, maar ik wilde graag naar Balat, en Elif vindt het prima. Eigenlijk kon ik dat best zelf, zeker achteraf, maar Balat is een beetje vervallen, en bovendien had ik een stok achter de deur nodig om mijn bed uit te komen, dus here we go.

We spreken af bij de bootjes waar je een broodje vis kan eten (you know what I mean). Eigenlijk alles wat ik nu ga vertellen doet te kort aan deze ochtend, aan Elif, aan deze tocht door Balat. Toen we elkaar na een beetje appen vonden, begroetten we elkaar alsof we oude vriendinnen waren die elkaar al jaren niet hadden gezien en de uren daarna plakten we aan elkaar alsof het zo hoorde. Alles wat ik me voor had genomen aan haar te vragen, haar als Istanbulse vrouw, ben ik vergeten maar we bleven maar praten alsof het móest, alsof we wisten dat we geen tijd meer hadden om alles te bespreken. Want eigenlijk had ik een vrouwelijke gids gezocht omdat het hier zo moeilijk is om met vrouwen te praten. Ik had een hoop verwacht, maar niet dit.

En Fener en Balat, wàt is het leuk, oude straatjes met vervallen huizen, hout, steen, huizen half of helemaal in de oude Byzantijnse muren gebouwd, oude inmakers, bakkerijtjes, snoepwinkeltjes, naast gloednieuwe industrieel-romantisch–landelijk ingerichte koffiezaakjes in voormalige 19e eeuwse apothekerszaakjes tegenover 500 jaar oude synagoges, overdekt met lampionnetjes in de vijgenboom. Elif nam me mee naar Atölye Kafası waar we anderhalf uur aan het ontbijt zaten en praatten, praatten, praatten en ik natuurlijk moest uitleggen wat ik hier deed, ik had hier zeker een vriendje want waarom kom je anders zo vaak terug, “Yeah, I get that a lot”. Ik zei haar dat ik ook een cafeetje had gevonden voor koffie, later, en na heel Fener en Balat te hebben uitgekamd, kwamen we daar aan, de oude apotheek, en ze vond het geweldig en nu had ze weer een adresje voor haar tours. “Why am I even guiding you?” zegt ze. Vervolgens liepen we ook nog verkeerd nadat ik haar twee keer gezegd had dat we niet links, maar rechtsaf moesten (“Look, we just passed this dönershop, see? Are you gonna do your job or not?”) en vond ze dat ik ook maar tour guide moest worden.

We gingen twee uur over de tijd heen, om 16:00 stapten we in de verkeerde bus wat niet zo erg was want we waren eigenlijk nog niet klaar met praten, en was ik pas om een uur of 17:00 thuis.

Ik ben moe, en zit al die tijd al te schrijven, en moet nog pakken, want morgenochtend om 4:50 moet ik bij het Fenerbahçe stadion zijn. Wat een gekkigheid toch elke keer weer.