Donderdag 8 juni, dag 5, Pazar, Küçükköy, Sarımsaklı strand.


Ik sta op: regen. Op mijn enige stranddag. Maakt niet uit, wie weet knapt het nog op. Na weer een copieus ontbijt ga ik richting Ayvalık voor de wekelijkse donderdagmarkt. Het schijnt dat zelfs Grieken uit Lesbos hier op donderdag inkopen komen doen omdat uit de hele streek verse groenten en fruit worden verkocht. Ik verdwaal met de auto weer in veel te kleine straatjes en zie dan een klein bordje otopark staan wat ik maar volg. Ik kan op een gegeven moment bijna niet verder. Een man staat op van een plastic stoeltje en wenkt me. Hoe is dat toch dat ik hem totaal niet versta maar ik begrijp dat ik gewoon uit moet stappen en op moet krassen en dat hij de auto dan gaat parkeren op een ‘perkeer’plaatsje van dertig vierkante meter waar al vierentwintig autos staan, het is zogezegd valet parking. In combinatie met een live spelletje ‘road block’. God zegene de greep maar weer, en ik laat mijn auto achter, raam open, sleutel erin, tas er in en alles, niet meer aan denken Jen.
Ayvalık is ver-schrik-ke-lijk leuk, mensen. Die piepkleine straatjes, die huisjes uit 1880, ik weet niet waarom, maar alles ademt 1880, en Grieken, en het schijnt dat de oude Grieken die hier hier wonen, of oude mensen moet ik eigenlijk zeggen, nog steeds Grieks spreken. Even voor de achtergrond: na de eerste wereldoorlog, of misschien er nog wel vlak voor, vond er een soort gedwongen uitwisseling plaats van Turken (Ottomanen, moslims) die buiten Turkije woonden en ‘buitenlanders’ die in Turkije woonden. Stel je even voor: je bent Grieks maar je hele familie woont al eeuwen vreedzaam in Turkije, en je wordt ineens met je hele hebben en houwen (als je geluk hebt, ook nog) het land uitgezet, omdat je Grieks bent. Je komt in Griekenland aan, maar spreekt geen woord Grieks, of in elk geval een of ander boertig dialect, en de lokale bevolking moet je niet want je spreekt de taal niet en wie ben je eigenlijk, ik ken jou helemaal niet en door jou zijn mijn vrienden/familieleden weg. Zelfde geval voor bijvoorbeeld de Turken/Ottomanen/moslims in Bosnië: O, al generaties lang woon en werk je hier en heb je een bloeiend bedrijf in de weet ik veel wat? Jammer maar je gaat verhuizen naar Turkije, het moederland (dat je helemaal niet kent) roept je terug, en zoek zelf maar uit waar je neerstrijkt. De lokale bevolking moet je niet, want je spreekt Grieks/Bosnisch, je moet helemaal overnieuw beginnen met vrouw en kind en paard (misschien), en verder helemaal niks. 

Dat is het verhaal van Ayvalık (waar de Griekse Ottomanen naar toe kwamen) en Küçükköy, waar de Bosniërs neerstreken in de lege huizen die de gedeporteerde Grieken hadden achtergelaten, en van vele wijken aan de Egeïsche kust en in Izmir en Istanbul, en niet te vergeten van Kayaköy, bij Fethiye, waar Grieken en Armeniërs woonden en dat nu leeg en uitgehold tegen de heuvel ligt te branden in de schroeiende zon, en waarover je uitgebreid kunt lezen in het prachtige ‘Vogels zonder vleugels’ van Louis de Bernière en het hartverscheurende ‘Middlesex’ van Jeffrey Eugenides. 

Vandaar dat Ayvalık, het kan aan mij liggen, bijzonder Grieks aan doet, zelfs de mensen zien er Grieks uit, ik kan het niet helpen, je ziet het gewoon, het zijn geen turken maar grieken. Anyway, tegen mij spreken ze natuurlijk wel Turks. Verder zijn er natuurlijk olijven zover het oog strekt, en het lijkt erop dat de olijfarbeiders uit Küçükköy kwamen, en het geld ermee in Ayvalık werd verdiend. 

De markt is stervensdruk, de regen is inmiddels vertrokken, en de schroeihete straatjes zijn eerst eindeloos gevuld met textiel en kleine mensen (iedereen een kop kleiner dan ik, alsof ik nog niet genoeg opviel) en ik vraag me af hoe en wanneer en aan wie ze ooit die miljoenen t-shirts en spijkerbroeken en tafelkleedjes gaan verkopen. Gek genoeg word ik hier minder aangesproken dan in Istanbul, het lijkt wel of de mensen me maar raar vinden: een toerist! Buiten het seizoen! Eer ze van de schrik zijn bekomen, ben ik al weer voorbijgelopen. Zoiets. De pazar yeri is vervolgens helemaal gevuld met local produce, en hoe rommelig het overal ook is, hier maken ze kunstwerken van hun uitstalling, alles netjes op rijtjes en in piramiden gestapeld. Ik ben dan weer slecht genoeg om te denken dat je je koopwaar dus van àchter de kraam krijgt. Maar het is een prachtig gezicht, het ruikt heerlijk fris en dat is het hier ook, de markt is overspannen met doeken en er ruist een windje doorheen. De drukte en de starende blikken ben ik echter snel beu, ik koop een zak appelen bij een mevrouw (een van de weinigen, de meeste verkopers zijn mannen) en loop richting de haven, want ontzettende trek in een kop koffie. Het is echt een beetje Russisch roulette want ook al staat er Kahve op de gevel dan wil dat zéker nog niet zeggen dat ze een cappuccino of latte onder de knie hebben. En ik heb het idee dat de Turken er ook niet echt áán willen. Ze hebben namenlijk hun eígen koffie. En kom niet aan de koffie van de Turken. Dat is de nationale trots. Cappuccino, latte, ze halen hun neus ervoor op. Melk in je koffie? Heb je een gaatje in je hoofd? Ook de jonge Turken die in de talloze als paddestoelen uit de grond schietende ‘coffee labs’ werken: melk in de koffie? Neeeeeeh. Maar ik heb geluk deze keer. De capu is heeerlijk. Ik bel gelijk even met het vliegveld Sabiha Gökçen waar ik de auto moet neerzetten morgenavond. Ze zeggen: “Het is makkelijker voor ons als je hem naar Atatürk airpot brengt.” Jah. Na wat heen en weer gedelibereer is het hopelijk duidelijk dat ik een vermogen heb betaald om hem niet naar Atatürk te hoeven brengen. Inşallah. 

Ik rij door naar Küçükköy. Het is een vervallen piepklein dorpje, met een centraal pleintje rondom een boom en een moskee waar mannetjes aan tafeltjes zitten. Een houten muziektent staat klaar voor de iftar vanavond. In een oud koopmanshuis aan de rand bevindt zich nu het lokale museumpje van één ruimte, gevuld met allerlei huisraad, kleding, werkmateriaal en oorlogsmemorabilia van de Bosnische bewoners. Een paar prachtige zijden jurken uit de jaren twintig. Een Frans-Ottomaans woordenboek. Een typemachine. Een zijden mutsje. Ik ga helemaal op in de foto’s. Verder is het dorp een oase van rust ondanks dat overal aan de vervallen huisjes wordt gewerkt. Ik kom verschillende artisan hotelletjes tegen en hier en daar zijn huizen in allerlei kleuren geschilderd. Ik zeg je, de komende jaren gaan de prijzen van deze kleine romantische stenen huisjes vier keer over de kop. Nu al wordt overal in deze streek gekoketteerd met de term ‘rum evi’, Grieks huis, waarmee de karakteristieke historische stenen huizen wordt bedoeld. Hier staat het er vol mee. 

Ik vind een soort vervallen binnenplaats waar een koffiehuis van is gemaakt, en ik ga zitten aan het open raam, tegenover een geel en blauw verschoten muur. Koffie hebben ze niet, dat wil zeggen ik krijg “nescafe”. Als je dan ècht geen Turkse koffie wilt – het is eigenlijk onbestaanbaar – dan kan je bij de gratie Gods een kop “nescafe” krijgen. Die kenmerkt zich trouwens doordat hij a niet te drinken is en b veel te heet. Maar het maakt me niet uit, ik zit hier intens gelukkig te zijn in Küçükköy, in dit half opgelapte huis met balken waar de zwaluwen nesten in hebben gebouwd en in en uit vliegen. Het is hier zo stil en rustig, zo’n heerlijk contrast met de drukte van de donderdagmarkt. De eigenaresse en haar man zitten buiten, zoontje en dochtertje spelen binnen om mij heen, mij af en toe even nieuwsgierig aanstarend. Na de koffie waar ik alle tijd voor neem, slenter ik nog even door het piepkleine dorp. Aan een van de huisjes ontbreekt een deur en binnen zie ik een paar kistjes met groenten en fruit uitgestald staan. Omdat ik een foto wil maken, maar dat niet zomaar durf, omdat ik dat een beetje raar vind, van iemands serieuze nering en levensonderhoud een bezienswaardigheid maken, koop ik een paar perziken voor 2 lira (50ct) en vraag aan het mannetje of ik een foto mag maken. Hij poseert voor me in de deuropening, en vertelt me dan dat ik de perziken in het gebouwtje ertegenover, de typische islamitische ronde fontein, even kan wassen. Als ik naar mijn auto loop komt er een klein vrouwtje uit een huis. Ze loopt dezelfde kant op als ik en groet me, en vraagt vervolgens of ik Bosnisch ben. Aangezien ze blond is vermoed ik dat ze zelf van Bosnische afkomst is. Ik zeg van nee, en dan zegt ze lachende een heleboel dingen die ik niet versta, ze pakt mijn hand en knijpt in mijn wang, “Çok güzel, çök güzel!”, zegt ze, ik weet niet of ze mij bedoelt of gewoon het feit dat ik hier ben en belangstelling toon, maar hoe lief is het allemaal weer. Ik loop weer over van dankbaarheid en liefde voor de wereld. 

Final goal voor vandaag is de rest van de middag op het strand. Het weer is opgeknapt om niet te zeggen dat ik het zweet weer in de nek heb staan. De stranden zijn hier allemaal geclaimd lijkt het wel, in Bodrum was dat zo en hier zie ik ook grote delen van het strand afgezet door hotels en clubs. Ik kies beachclub Marenostrum uit (doet me denken aan het restaurant waar ik mijn 17e verjaardag vierde in Taragona, waar ‘spa’ werkte (ons pap), iedereen was uitgenodigd, een lange tafel op de kade met allemaal mensen, en vis, en ander lekker eten en ik dronk voor het eerst wijn of bier, ik weet het niet meer maar ik was voor het eerst dronken, en dat waar mijn ouders bij waren, mooiste verjaardag van mijn leven). Ik word begroet door de vrolijke eigenaar van ook het restaurant waar ik gisteren heb gegeten en ik twijfel of ik zal klikken over zijn personeel, maar doe het maar niet. Er is nog één familie met twee mannen, twee vrouwen en een klein kindje, zij zitten bij het café, en ik zit dus als enige (van het hele strand, op een paar vissers na) aan de waterkant op het zand op een bedje. Het is heerlijk, en warm en ik duik voor het eerst het water van de middellandse zee in. Ik realiseer het me heel goed, het water van de middellandse zee. Voor het eerst sinds een jaar. Maar op de een of andere manier vervult het me toch niet van de lyrische vreugde die ik vorig jaar wel beleefde, of misschien ligt het eraan dat het gewoon niet Ölüdeniz is, het water is niet zo azuurblauw en er ligt een ballenlijn die kennelijk het territorium van de club markeert. Ik haat ballenlijnen. Snappen mensen dan niet dat dit alle beleving verpest? De zee moet juist worden erváren als eindeloos, dus niet als ‘tot hier en niet verder want ballenlijn’. Niettemin blijf ik heerlijk de hele middag op het bedje liggen en voelt het zout op mijn huid aan als een weldadige spa treatment. 

Op de weg terug haal ik een doosje baklava en knoop ik een praatje aan met de bakker, die me complimenteert met mijn Turks en zegt dat ik vooral naar de Zwarte Zeekust moet gaat, want daar is het zo prachtig, Trabzon, Ordu, Rize, het moet allemaal prachtig zijn, hij komt er vandaan. Is al de tweede keer dat ik dat hoor binnen drie dagen. Aan de overkant prop ik een ‘karışık tost’ naar binnen want dat schijnt een Ayvalıkse specialiteit te zijn, een tosti volgeladen met kaas, worst, augurken, ketchup en mayo en wat dies meer zij. Het staat in schril contrast met de vorige twee avonden maar dat maakt me helemaal niet uit. Het is niettemin heerlijk. 

In het hotel probeer ik alles weer in mijn koffer te proppen. Ik was nog uitgenodigd voor een zelfgemaakte kadayıf van de moeder van Burak, de hotelmeneer, maar daar is het al te laat voor helaas. Ik val in een comateuze slaap. 

Woensdag 7 juni, dag 4, Pergamon


Het zal toch niet waar zijn dat ik om 5:30 weer met de ogen wijd open lig. Ik vertelde gisteren aan de hotelmeneer dat ik de dag ervoor om 5:00 wakker was voor de zonsopkomst, en hij zei: “Oh, you have a beautiful view on the sunrise from your room too!” Ik lachte een beetje schamper, want die ging ik waarschijnlijk wel missen. Nu ik toch wakker was kon ik net zo goed even gaan kijken. Ik sloeg mijn dekbed om me heen en ging op het balkon op een stoeltje zitten. Het was nog zo stil, geen wind, het water was vlak, een eenzaam klein visserbootje kwam in de verte de baai in tuffen, de lucht kleurde roze, oranje en geel boven de kustlijn en het stadje Ayvalık, wat een bofferd ben ik toch weer. En ik weet nu ook dat de zon op deze dag van het jaar op deze plek niet in het oosten opkomt, maar in het oostnoordoosten, om 5:54 uur op 58 graden om precies te zijn.

Gelukkig kon ik ook nog even slapen tot een uur of negen. “Just small, simple please”, had ik gezegd op de vraag wat ik voor ontbijt wilde, want ik was de enige gast, dan konden ze daar rekening mee houden. “Just some bread, tomatoes, cheese, that would be fine, don’t make a fuss”, zei ik nog. Zeventien schaaltjes staan er voor me, plus twee mandjes met vier soorten brood, een bord scrambled eggs, een schaaltje met börek en een kaasplankje. In de schaaltjes zitten onder andere drie soorten huisgemaakte jam van karadut (moerbei), vijgen en rode peper (ja, jam van rode peper), naast allerlei andere toeters en bellen ook een schaaltje kaymak met honing, een soort roomkaas, ik eet bijna het hele schaaltje leeg. Alle hoop om nog wat af te vallen gaat verloren, maar laat ook maar.

Ik ga even het ontbijt laten zakken en pak dan mijn tas voor Bergama. Het moet iets meer dan een uur rijden zijn. Bergama is waar Pergamon zich bevindt, een stad die groot werd in de derde eeuw vC. Kennelijk kreeg de stad pas belang toen er een dame neerstreek die de onwettige zoon van Alexander de Grote bij zich had, toen moest er ineens een beschermingsleger naartoe, allemaal mensen erbij, gebouwen, geld, enfin allemaal gedoe, na de grieken kwamen de romeinen, die maakten het allemaal nog mooier, er toen kwamen de Duitsers die er niet met hun fikken van af bleven, sloopten en het hele handeltje meenamen naar Duitsland waar je het nu nog kan bekijken in het Pergamon museum in Berlijn.

Van kilometers afstand zie ik het al weer liggen bovenop een een berg, of beter rots, en er bekruipt me een bepaald voorgevoel.

Maar wat is Bergama een ontzettend mooi oud stadje! Het is kruip door sluip door het Middeleeuwse oude stadscentrum, o jeetje wat prachtig, oude kleine oosterse gebouwen, allemaal winkeltjes en mensen en kilims, ik zie hier voor het eerst die echt mooie dunne kilims. Ik zal wel weer spijt krijgen dat ik er geen heb gekocht maar eerlijk gezegd staan ze niet bij m’n interieur. Ik volg de bordjes dwars door het centrum naar Pergamon. Ook hier wordt de weg alweer steeds smaller, en het ìs nog steeds héél erg warm, en ik kom maar hoger en hoger en komt hier ooit een eind aan. Het asfalt houdt op een gegeven moment ook op, en ik heb nog nooit zo’n steile afgrond gezien, ook niet in Assos, en ik kijk niet meer, niet kijken Jen, niet kijken niet kijken. Op een gegeven moment staan er in een piepklein haarspeldbocht twee hoekspiegels want het is niet meer te overzien, maar ze zijn kapot. Als ik even later boven ben haal ik opgelucht adem en kan ik de hete auto onder een boom in de schaduw zetten want niemand. Pergamon is net als Assos ‘leeg’ maar wel veel en veel groter en indrukwekkender. Zo’n groot amfitheater heb ik geloof ik nog niet eerder gezien, enorm hoog en steil, je benadert het van boven en ik durfde nog net een selfie te nemen op de bovenste tree/ring, maar ben niet helemaal naar beneden gelopen, daar was het ook veel en veels te heet voor (had ik al gezegd hoe heet het was?), wat ik ook zei tegen een Chinees die uit de groep was ontsnapt. “Bij ons is het veel heter”, zei hij. “Bij ons is het veel kouder”, zei ik tegen hem. Hij was twintig jaar geleden wel eens in Nederland geweest, prachtig land, mooie tulpen. “The tulips are actually from Turkey”, zei ik. “Yes but you sell them”, zei hij, en dat is ook weer waar. Het zweet gutste mij over mijn rug de bilnaad in maar de gids van de veertig Chinezen die de hoek om waren gekomen vond het ook wel meevallen. Ik en de veertig Chinezen waren de enige bezoekers en kennelijk was ik deel van de attractie want ze begonnen ineens foto’s van míj te maken. Ik maakte me maar uit de voeten en schuifelde snel een gangetje in waarin ineens ook een prachtige passage verborgen zat, met allemaal boogjes waardoor het zonlicht naar binnen stroomde. In de gelukkige omstandigheid dat er nog niemand was, alleen ik, maakte ik meteen 500 selfies voordat de boel ging volstromen met de Aziatische vrienden en de maagdelijke aanblik verdween.

Er was nog veel meer te zien op en rond Bergama maar ik was onderhand verzadigd en half gesmolten dus ik kocht voor de vorm nog maar even een klein souvenirtje en zette de gang erin naar huis, alleen reed ik een straatje in dat volgens de routeplanner wel kon, maar helemáál niet kon, na ca 300 meter zat ik echt muur en muurvast, en kwam er een mannetje uit een huisje aan te pas om me terug te dirigeren.

Ik had niet zo heel veel gedaan maar was toch ketskapot, ging nog even douchen en daarna iets eten, deze keer bij Bay Nihat. Bleek achteraf het beste restaurant van Cunda te zijn, en ik zat inderdaad weer schandalig lekker van de mezze te eten. De ober maakte gezellig een praatje met me, ook al was ik duidelijk aan het schrijven. Ik moest weer even uitleggen waar ik vandaan kwam en waar ik heen ging en waarom. Ja, drie dagen Ayvalık, heel weinig, er is zo veel te zien. Ja, ik heb nog maar één dag, en ik wil nog naar de markt, naar Küçükköy en naar het strand. “Weet je wat”, zei hij, “morgen is mijn vrije dag, als je wilt kan ik je wel even het eiland rondrijden.” Neeeeeee, dacht ik, “Dat is erg aardig van je, maar ik heb zoveel plannen, ik denk niet dat ik daar tijd voor heb.” “Ik kan je naar Devil’s Mountain brengen (Nee, dàt klinkt vertrouwenwekkend…), ben je in twee uurtjes weer terug”, zegt hij. Treetje omhoog in de schaal moeilijk af te poeieren. “Misschien als ik tijd over heb”, zeg ik. Hij trekt zijn wenkbrauwen een beetje op..”Je wilt honderd dingen doen, en uiteindelijk doe je er maar één”, zei hij een beetje ongeduldig wordend van mijn desinteresse. “Terwijl, hier ben ik, een eerlijke betrouwbare moslim, ik neem je mee die berg op en je ziet Ayvalık, Küçükköy en Sarımsaklı in één keer.” Puntje erbij. “Weet je wat”, zeg ik, “Geef me je telefoonnummer maar, als ik morgen tijd over heb dan app ik je misschien wel. Maar ik beloof niks.”. M’n beoordeling is ook meteen omgeslagen van aardige ober naar zelfingenomen mysogyne ober, met die blik van ik, man van de wereld, zal jou, vrouw hulpeloos alleen, wel even helpen. Ik wil hier zo snel mogelijk weg. Ik moet een rekening betalen die ruim twee keer zo hoog is als gister en ik geef een gênant kleine fooi. “Have a nice day tomorrow”, zeg ik. Naar mijn auto lopend word ik nog even achterna gezeten door een jongen van een jaar of vijfentwintig die zowat mijn auto inspringt als ik de deur opendoe, maar ik doe net of ik het niet zie en geef een straal gas. Het moet niet gekker worden.

In het hotel ga ik lekker op het balkonnetje zitten schrijven. Dat is wel een beetje het nadeel. De Turken hebben niet van hun moeder geleerd dat je niet mag staren, ik voel me af en toe hogelijk opgelaten, en je bent zonder die (nep)trouwring toch een beetje aangeschoten wild. Verder krijg je dus met mannen wèl contact, met en zonder bijbedoelingen (trouwens ook alleen maar obers te vinden, geen serveersters), maar met vrouwen niet, en niet alleen omdat het merendeel je niet moet omdat je hun mannen maar afleidt, maar ook omdat de Turkse vrouwen nòg minder Engels spreken dan de mannen. En dat vind ik verschrikkelijk jammer, want ik zou zo graag eens een echt gesprek met vrouwen van hier willen hebben, omdat ik nieuwsgierig ben naar de man-vrouw cultuur en hoe vrouwen dit ervaren. Ik kan mijn oordeel er al wel over klaar hebben, maar zolang ik er geen gesprekken over heb gevoerd, wie ben ik dan om dat oordeel erover te vellen?

Dinsdag 6 juni, dag 3, Apollon Smintheion, Assos, Cunda


De bestemming is vandaag Ayvalık maar ik heb nog een ambitieuze reis voor de boeg. Ik wil naar Apollon Smintheion, naar Assos en een tussenstop maken in Edremit om geld op te halen. 

Om de een of andere achterlijke reden zet ik mijn wekker om 5:10 omdat ik zonodig eruit moet om de zonsopkomst te fotograferen. Wat bezielde me, ik weet het niet, want de zonsopkomst ziet er globaal hetzelfde uit als de zonsondergang, en dan ben je tòch al wakker, dus dat is wel zo makkelijk. Maar neen. 5:30 eruit, kleren aan en daar gaat onze amateurfotograaf die geen zin heeft om verder te rijden dan de straat uit, want als je verder rijdt zie je ook meteen niks meer van die hele zonsopkomst. Dan blijkt er vervolgens natuurlijk geen fatsoenlijke foto te maken want er staat vanalles in de weg, met name tv schotels (ja, Turkije), elektriciteitsmasten en lelijke nieuwe hotelflats en het schattig dorpje is helemaal niet te zien laat staan badend in het roze-oranje ochtendlicht. Dit is een teken om serieuze fotografie verder maar aan serieuze fotografen over te laten. Ik kruip weer in bed en slaap nog een paar uurtjes.

Ik krijg een droomontbijt van de huiskokkin met menemen, gözleme, allemaal kaas en olijven, ik kan van alles maar een beetje op maar op de tomatenjam doe ik goed mijn best. 

Om 11:00 wil ik de boot hebben dus als ik ook nog iets van het eiland wil zien moet ik opschieten. Ik besluit niet naar de vuurtoren te rijden maar naar het strand, dat is tien minuten rijden. Er is niemand, alleen een paar mannen die aan het werk zijn en die me ongegeneerd nastaren als ik de auto uitstap. Het water is blauw en doorzichtig het strand small en lang. Ik verlang verschrikkelijk naar een duik, verschrikkelijk gewoon, het is zo heet en iedereen loopt in een lange broek, en ik ga zowat hallucineren van verlangen naar zwemmen in zee. Maar ik moet weg. De boot halen. 

Smintheia valt een beetje tegen want de Turken hebben er weer met hun vingers aangezeten, maar er ligt nog genoeg rommel verspreid over de grond en half uitgegraven dat het interessant is. Ik gap een klein stukje roodachtig rond aardewerk mee waarvan ik vermoed dat het een stukje waterleiding is en dat vermoeden wordt bevestigd. Wie heeft er ooit van gehoord, deze ruïne in deze verlaten uithoek waar werkelijk nooit iemand lijkt te komen, maar mij wordt verteld dat dit de belangrijkste plaats in het land was om Apollo te aanbidden. In de bloedverzurende hitte maak ik het hele rondje af en ga dan weer in die kookpan van een auto zitten en zet koers naar Assos. 

Veel bochtige weggetjes en het gekke is dat ik een zwarte mercedes achter me zie rijden met drie mannen erin waarvan ik zou zweren dat ik die al eerder achter me heb zien rijden, maar laat ik niet paranoide worden. Ik moet toch nog tanken en dan zijn ze ook weer verdwenen. Al kilometers van te voren zie ik in de verte een heel hoge berg met een vierkante toren erop, een echt niet te missen gigantische dikke vette toren. Het ziet er erg hoog uit en het blijkt inderdaad Assos te zijn. Daar aangekomen staat er een bordje ‘Antik Liman’, antiek haven, dat ik natuurlijk moet volgen, alleen wordt de weg na een paar meter ineens wel héél erg smal en het asfalt verandert in kinderkopjes, en rechts van mij zie ik een steile afgrond, volgens mij ben ik nog nooit op zo’n hoge berg geweest, dit moet toch wel zeker 2000 meter zijn, ik zie de zee, diep, diep onder me en ik hàd het al zo warm. En terug kàn ik niet, ik moet dus helemaal naar beneden, naar de antieke liman over die bobbelige gladde steentjes verd*mme. Het weggetje komt uit op een fris klein dorpje van bijna 200 jaar oud, met supersmalle straatjes, ik twijfel steeds of ik er wel door kan maar van buitenaf wordt me verzekerd dat het echt wel kan er wordt wild naar links en rechts gebaard. Achter het rijtje oude statige bruine huizen die pal aan het haventje staan is een parkeerplaatsje waar ik de auto onder een boom kan zetten en ik vind dat ik die koffie nu wel heb verdiend. Van verschillende kanten klinkt het iyi günler, hoş geldiniz en buyrun, het woord dat graag een toverspreuk had willen zijn om mensen naar binnen te trekken. De hele kade staat vol met terrassen en er is niemand, ik ben letterlijk de enige, ik schuifel zo snel mogelijk naar een van de achterste terrassen, dichtbij de uitgang van de haven. Het is hier heerlijk fris, ik bestel iets te eten en een kop capuccino, en die blijkt buitengewoon verrukkelijk te zijn. Ik zit op dit moment echt te genieten en uit te rusten en me op te laden voor de hellerit terug naar boven. Als ik terugloop naar de auto word ik aangesproken door een vrolijk kijkende man van ergens in de vijftig met blond-grijze krullen en knalblauwe ogen. Leuk geprobeerd, die werken misschien bij de Turkse dames maar I’m not impressed mister. Ik blijk hem te moeten betalen voor het parkeren. ‘Where are you from?’, vraagt hij. Altijd een originele binnenkomer. ‘Holanda’, zeg ik, ‘and you?’ Eigenlijk als grapje vraag ik dat steeds want ik ga ervan uit dat iedereen hier uit Turkije komt. ‘Yunanistan’, zegt hij, Griekenland. ‘You chose a nice place to live’, zeg ik. ‘Where are you staying?’ vraagt hij. ‘I’m not staying’, zeg ik, ‘I’m leaving. I’m only here by accident.’ ‘Why are you leaving, you have to stay here. Where are you going?’ ‘I’m going to Ayvalik for three days.’ ‘Two’, zegt hij. ‘No three’, zeg ik. ‘No two’, zegt hij grijnzend, ‘and one day you stay here’. Ik moet er wel om lachen, ‘I’ll come back, I promis’, zeg ik lachend want ik wil hier echt een keer terugkomen, maar dan wel met mijn man, maar dat zeg ik er maar niet bij, ik schep er geen bijzonder genoegen in om hun versierplezier meteen de kop in te drukken, is ook nergens voor nodig. Ik betaal hem en ga de auto halen. Als ik langs rij stopt hij me even. Door het open raam geeft hij me een Grieks-blauwe sjaal met bloemen. ‘So you don’t forget me. See you next time’, zegt hij. Terwijl ik wegrijd, gooit hij een kom met water over de achterkant van de auto (het zal wel iets betekenen), ‘I’m waiting for you!’, roept hij me achterna. Grapjas. Die sjaal is trouwens nog handig bij die hitte op je schouders. 

Ik rij meteen door naar boven, helemaal op de top van die berg moet de ingang naar Assos zijn, naast de moskee. Ik mis de aangewezen parkeerplaats en rij gewoon het bergdorp in, waar ik nog andere auto’s heen zie gaan over de kinderkopjes. Op een gegeven moment worden de straatjes wel erg smal en steil en ik vraag het toch maar even maar ik mag gewoon doorrijden. Is dit echt de bedoeling? Ik heb nu al het idee dat ik in een museum rijd, maar het zal wel. 

Op een gegeven moment moet ik zó’n scherpe bocht nemen, en zó steil omhoog dat ik er echt niet meer in geloof, dus ik laat me maar terugzakken naar een minipleintje waar één auto staat en daar zet ik hem naast. Ik moet nog een paar straatjes omhoog lopen op deze allejezus hoge berg en dan kom ik op de antieke parkeerplaats waar een paar toyotabusjes staan geparkeerd voor de ingang. Okee. 

Echt, deze huizen zijn zó oud, er wonen nog steeds mensen, wat dóen ze hier, elke godganselijke keer die pokkeberg op. Ze bestaan overigens voor het grooste deel van toerisme, verkopen tasjes en beeldjes en houtsnijwerk en kleding uit China wat kleurrijk op straat staat uitgestald. Ik koop maar een haarband voor de liefdadigheid. ‘Handmade!’, schreeuwt de verkoopster naar me. Ja, zal wel, door Taiwanese minderjarige meisjes dan waarschijnlijk. 

Assos blijkt werkelijk enorm te zijn, het uitzicht is adembenemend, en het is hoog, zo hoog, wat déden die mensen hier in vredesnaam, al moet het wel een machtig gevoel hebben gegeven als je hier je residentie had, je kan van heinde en verre iedereen aan zien komen en van heinde en verre ziet iedereen jou. Diep beneden mij ligt een spartaanse muur en ruïnes. Bovenop de berg vormt een tempel het centrum van de bouwwerken, het doet niet onder voor de Akropolis in Athene, nou ja, een beetje wel, want zoals ik al zei hebben de Turken er weer aangezeten, maar in elk geval niet qua hoogte. Verder ben ik niet heeeeeel erg onder de indruk, alles is gemaakt van het harde donkere steen dat hier in de buurt plenty wordt gevonden. Er is geen marmer, geen ornamenten, geen tekenen van waterleidingen, geen pleinen zover ik kan zien. Het enige dat echt ontzag inboezemt is het uitzicht van deze hoogte. 

Als ik terug rijd door de smalle straatjes en op weg ga naar Ayvalık, loop ik in gedachten alle plaatsen langs die ik in de loop van de tijd heb bezocht, sommige met Jan. De meeste indruk hebben toch Xantos en Arykanda gemaakt. Ook was ik net op tijd in Afrodisias voordat de Turken het stadsbad aan gort restaureerden, in de half weggezakte marmeren omringende banken stonden tekens en spelletjes gekrast van echte mensen die daar dagelijks zaten te praten, met hun voeten in het water. De pracht en praal van Laodikeia of Efes heb ik nooit meer ergens gezien, net als het frêle, kwetsbare Lagina in het avondlicht, of het schijthuis van Magnesia. 

De bochtige weg leidt langs de kust en dat is niet een strandkust, maar een rotsachtige stenen kust waar mensen toch hebben geprobeerd iets van strand van te maken door allerlei platformpjes in het water te leggen, steigers en loopplanken. Dat is rechts van de weg. Links van de weg stikt het van de pansyons, campingachtige plekken en andere b&b’s. Voor me zie ik ineens me mannetje op de weg staan zwaaien met zijn armen. Ik twijfel of ik een natuurlijke aandrang heb tot het helpen van mensen of gewoon een natuurlijke nieuwsgierigheid, maar ik stop in elk geval. De man spreekt geen woord maar dan ook geen woord Engels en vindt het ook heel moeilijk om langzaam Turks tegen me te praten maar uiteindelijk kom ik erachter dat hij geen benzine meer heeft en of ik hem even een sleepje kan geven naar het benzinepomp station 2 km verderop. Ik zal jullie alle overwegingen besparen, die kan je inmiddels wel raden, 2 zal wel 20 zijn, en ‘geen probleem’ is vooral geen probleem van jou als mijn gehuurde auto uit elkaar valt, maar wel van mij, maar allah, ik besluit het toch maar te doen. (Waaròm, Jen, waaròm toch altijd geen nee kunnen zeggen en al die ellende op je hals halen. Waarom?) Man gilt nog iets tegen vrouw en kind, is er iemand die engels spreekt? Nee? Dan moet het maar zoals het kan. Hij komt aan met een vislijn die kennelijk de auto moet houden en bindt die aan mijn sleepoog. Ik kan je vertellen, iemand slepen in een huurauto is ècht ruk. Als jij al vaart hebt maar je aanhanger niet, voel je echt zo’n knal met een akelige ruk aan het onderstel van de auto. Het kàn niet goed zijn. Ik hou mijn hart vast. En god, wat is het warm. Als ik een paar heuveltjes en wat getoeter later in mijn spiegel kijk, denk ik ‘Waar is die auto gebleven?’. Dit is het moment om er tussenuit te piepen, ik kom hier per slot van rekening toch nooit meer terug, maar dat kan natuurlijk niet. Ik rij terug naar de man die er een beetje verloren uit ziet en ik begin in mijn kofferbak de hulpkit van de Hyunday door te spitten en verdomd, daar zit een sleepkabel in, met van die hoefijzerschroefhaken die we aan boord ook hebben. Ik weet hoe dit werkt en zit op mijn knieën de ene vast te maken aan het sleepoog, de man probeert het handeltje nog uit mijn handen te trekken want dat is het natuurlijk zijn eer te na, maar dat laat ik niet gebeuren. Hoefijzerschroefhaken zijn míjn terrein verdomme. Poging nummer twee. We halen nèt het pompstation en PANG het ding schiet los. Bang dat ik de auto ik tweeën heb getrokken stap ik uit maar het blijkt godzijdank alleen de naad van de nylon trekband te zijn. En het ìs al zo warm. Enfin, man blij, ik blij dat ik weg mag. En dat ik toch weer iemand uit de shit heb kunnen trekken vandaag. 

Ik ben ontzettend moe en verlang naar een douche. 

Het hotel is fris en koel maar wel een beetje oud. Die heerlijke frisse duik in het zwembad kan ik vergeten want het zwembad is halfleeg. Ik ben de enige gast. Ik neem een douche en vraag om een glas wijn. Die krijg ik in een houten gazebo met kussens aan de rand van de zee met een schaaltje verse wilde aardbeien die naar verse wilde aardbeien smaken in plaats van naar appel. 

Ik eet ’s avonds veel te veel verschrikkelijk lekkere meze aan de kust in het enige plaatsje dat Cunda rijk is. Ik moet weer even wennen aan het negeren van de starende, priemende, klevende blikken. Tijdens het eten kan ik me gelukkig verschuilen achter mijn ipad. 

Ik slaap heerlijk, echt heerlijk in het knisperende witte bed. 

Maandag, dag 1, Çanakkale-Troje-Alexandria Troas

Maandag 5 juni, dag 2

Ik ben er pas een dag en er is nog niks gebeurd maar ik heb al weer verschrikkelijk veel te vertellen. Als ik alleen ben, ben ik trouwens ook voortdurend alles aan het registreren alsof ik professioneel aan het beoordelen ben en er rapport over moet uitbrengen. Wat feitelijk ook een beetje zo is, want ik moet toch iets te schrijven hebben. Ja, ik weet dat ik neurotisch ben, hoeft niemand me te vertellen, maar tegelijkertijd ook weer niet zo neurotisch dat ik in de stress schiet als iets niet lukt, want als het niet kan zoals het moet, dan moet het zoals het kan, zoals onze lieve papa zei, en zo is het ook! Er zit een hele levensles in die woorden, er is namelijk een manier waarop dingen moeten, of hóren, en we zijn ons hele leven bezig te leren hoe het hoort, of hoe dingen moeten, maar je moet ook om kunnen gaan met tegenslagen, creatief kunnen zijn en flexibel, meebewegen, omdat de dingen soms nu eenmaal anders uitpakken dan we hadden bedacht.

Wat zit ik hier trouwens heerlijk te schrijven in dit schattige hotelletje, waar van alles mis mee is. Ik zit naast de prachtige belle epoque gietijzeren deur die openstaat waarachter het verkeer over de kade raast en de boten naar de overkant vertrekken. Naast me staat een schoteltje Turks brood en börek, warm, koffie en een schaal met mijn eerste Turkse ontbijt, witte kaas, komkommer, tomaat, groene peper, groene en witte olijven, en het mannetje blijft maar dingen brengen en ik krijg ook nog ei. Ben benieuwd wat ik straks mag afrekenen, maar de kamer zelf was maar 170 TL edus ik maak me nog geen zorgen.

Ik kwam om 22:15 gisteren aan, nadat de duisternis was ingevallen, reed ik nog minstens een uur hongerig over de krakkemikkige snelweg met 2-0 systeem (RWS-ers weten wat ik bedoel) door de köfte-streek Tekirdağ. Een allerliefst mannetje gaf me een mooie kamer die heel groot was, beloofde hij, aan de voorkant. Prima, maakte me allemaal niet meer uit, ik was zo moe dat ik niet eens meer wilde eten. Ik vroeg of ik een glas wijn kon krijgen, en even later op mijn kamer kreeg ik een enorme bel rode streekwijn met een strikje erom en een groot bord met kaas. Ik kon wel huilen van dankbaarheid. Het enige dat ik verder nog wilde was douchen en op bed liggen. 

Hoe moe ik ook was, het ontging me toch niet dat er overal aan de kranen kalkaanslag zat, en op de doucheramen, en dat de handgrepen van de douche los zaten, en dat er donkerbruine aanslag in de hoekjes zat. Normaal gesproken douche ik overal met slippers, die was ik even vergeten, dus ik probeerde maar even de gedachte te verdringen aan de honderden voeten die hier vóór mij hadden gestaan waarna de vloer kennelijk niet was schoongemaakt. Ik had ook mijn twijfels of die Ikea badkamermat wel elke keer gewassen werd, dus ik legde maar een kleine handdoek op de grond. Toen ik de draaibare spiegel probeerde te verdraaien had ik die opeens in mijn handen, die was dus ook duidelijk niet schoongemaakt. Ik frummelde hem terug en bleef er maar af. En wat deej die telefoon daar eigenlijk, bij de wc? Ugghh. 

Door een van de mansgrote ramen kwam een penetrante rooklucht, alsof de benedenverdieping in brand stond, en het andere raam ving al het geluid van de kade dus ik deed beide ramen dicht. Daarmee werd het wel stervensheet, en de airco bleek het niet te doen. Ik liet het allemaal maar, ik appte nog even met het thuisfront, hoorde mijn eerste ezan, en viel toen in een diepe slaap. 

Gisterenavond had ik in het donker totaal niets gezien van de omgeving, dus toen ik vanochtend in mijn ondergoed het gordijn openrukte, stond ik oog in oog met een elftal Turkse bouwvakkers die kennelijk koffietijd hadden op de open bouwput die het hele uitzicht besloeg. ‘Nou ja, ik kom hier toch nooit meer terug’, is dan de gedachte die je maar tevoorschijn trekt als je Life of Brian hebt verdrongen. De tergende hoofdpijn heb ik inmiddels onderdrukt met twee paracetamolletjes. Zometeen pak ik mn tasje en ga ik richting Bozcaada. 

17:00

Ik heb er al weer een dag op zitten en wacht nu op de tweede veerboot van vandaag, die naar Bozcaada. Ik heb vanmorgen een dagtasje gepakt zodat ik voor die ene dag op het eilandje niet mijn hele koffer hoef mee te schleppen. Bij het uitchecken vond ik het ineens raar dat ik nog zo veel briefjes van 50 lira had, en nog maar zo weinig van 50 euro. Ineens dringt het tot me door dat ik het mannetje gisteren 150€ heb gegeven ipv 150 TL. Ik probeer hem dat duidelijk te maken, maar hij wil er niet aan. Misschien helpt het als ik het in het Turks probeer. Met een papiertje erbij laat ik hem zien dat ik hem wel degelijk 150€ heb gegeven. Yarın size yüz elli avru verdim, lira değil, avro. In de deuropening verschijnt de manager en ineens herinnert hij het zich weer. Na een klein rekensommetje en een voor hem godsgruwelijk gunstige koersconversie kan ik eindelijk weg. 

Ik verlaat Gelibolu en rij verder naar het schiereiland Çanakkale alhoewel ik nog steeds niet weet hoe het echt heet, waar ik wat slagvelden wil bezoeken. Het eiland lijkt op Frankrijk, glooiend en groen en met veel akkerlandschap. Maar ook veel lelijke dorpjes, mislukte toeristische hotels, en borden, veel borden, vooral met ‘KÖFTE GÖZLEME ÇAY’, of ‘GÖZLEME KEBAP MANGAL’, of ‘ÇAY KAHVALTI YIKAMA’, of elke combinatie van die woorden. Altijd in hoofdletters. Vele, vele eettentjes schiet ik zo voorbij. Vele, vele verschoten, verroeste, verbleekte borden. Er is in Turkije niet veel nodig om een zaakje te beginnen. Een halfopen kippeschuur met wat golfplaten, paar pallets met geknoopt kleedje erover en wat kussentjes, en een verschoten bord met ‘ÇAY GÖZLEME KEBAP’. En natuurlijk een tuinslang met gaatjes tussen twee electriciteitsmasten gespannen of over de pergola. Je zet een kop thee, perst een sinaasappel uit, bakt een pannenkoek en laat ondertussen je zoon/man/neefje de auto van de gast wassen onder de pergola. 
De Dardanellen (Çanakkale Boğazı) zijn trouwens heel smal, de overkant is zo dichtbij. Veel smaller dan het IJsselmeer. Al de tijd dat ik er rijd stel ik me voor dat het hier vol ligt met oorlogsschepen. Als ik afsla begint zelfs de sfeer van het landschap te veranderen en ik voel me verdrietig. Een verschrikkelijke strijd heeft hier gewoed, soldaten hebben intens geleden onder de meest afschuwelijke omstandigheden. In de brandende hitte, met vlooien, difterie, grote tekorten aan water en voedsel en geen mogelijkheid om de stinkende lijken weg te halen. Een eindeloos lijkende slingerweg door een landschap van naaldbomen rijd ik door. De vorm van de grond lijkt hier en daar op die van Verdun: grillig, met manshoge heuveltjes, gevormd door ingestorte loopgraven en bominslagen. Verdwalen kan hier bijna niet want op een gegeven moment moet ik een weg inslaan die tek yön is, eenrichtingverkeer. 

Als ik bij Lone Pine Cem. kom (wat is nou weer cem? Djem? Vraag ik mezelf af, maar dat is natuurlijk cemetary) parkeer ik de auto achteloos onder een eenzame denneboom. Er staat een bordje bij. Deze denneboom is geplant in 1990. Okee. Van een zaadje van een boom in Australie. Oh? Die geplant is van een zaadje dat een soldaat had meegenomen uit Gallipoli. Ooo, okee.

Ik loop over de begraafplaats waar schijnbaar 4000 Anzacs soldaten moeten liggen en het valt me op hoe jong ze zijn. Ik zie er veel van 18, 22. De volgende stop is de Turkse begraafplaats die van het 57ste regiment. Er staat een reusachtig, slecht gelijkend beeld van Atatürk, de aanvoerder van dit regiment. Ik hoor overal vogeltjes en vraag me af of je die in die tijd ook zou hebben gehoord. Wat ik ook zie is dat in 1915 de mensen hier nog geen achternamen hadden. Atatürk heeft pas na 1923 ingesteld dat mensen een officiële achternaam moesten hebben. Op deze begraafplaats liggen alleen oğlu’s (zoon van), Mehmet İsmailoğlu, Hüseyin Alioğlu, Hasan Salıhoğlu. Ook zie ik dat de gemiddelde leeftijd ongeveer 5 jaar ouder is dan die van de Anzacz. Waarom zou dat zijn? Vragen, vragen. Na een beetje rondgewandeld te hebben stap ik weer in de auto naar het laatste ding dat ik wil zien, het grote monument boven op de berg. Het uitzicht moet er spectaculair zijn en je kan de loopgraven bekijken. Ik draai weer de eenrichtingverkeer weg op en rij bij een vaag bordje door. Waarna ik me realiseer dat dat het was. En ik kan niet terug want … eenrichting verkeer. Als ik het alsnog wil zien moet ik 20 kilometer omrijden. Godfriet. Dat doen we dus maar even niet want ik moet nog een veerboot halen. 

Ik weet niet hoe ik het heb uitgekiend maar ik ben precies op tijd bij de feribot. Als we vertrekken zie ik in het gehuchtje naast Eceabat het klavervormige fort waar ik me de vlekken naar gezocht heb maar niet kon vinden. Okee, laat gaan Blokkie. 

Wat is Çanakkale trouwens een verschrikkelijk leuk stadje. Leuk oud winkelcentrum, levendig. Geen hoofddoekjes, geen ramazan te bekennen. Ik krijg genoeg kans om het te bekijken want ik rij vier keer verkeerd op weg naar Troje. Dat is ongeveer 40 km hiervandaan en moet ik dan maar even meenemen. Het is weer bloedverziekend heet en ja ik loop weer, nog steeds in een lange broek want iedereen. Truva is verderop makkelijk te vinden want overal borden. Dan een enorme parkeerplaats. Zelfde ervaring als Afrodisias, een jaar gelden. Er is bijna niemand, maar je struikelt over het personeel. Als ik net binnen ben arriveert er een touringcar met Chinezen. Terwijl ze selfies maken bij het houten paard van Trojeuitdefilmjawemochtenhethouden, snel ik het wandelpad op. Ik kan je zeggen, hier is al een tijd geen stoflapje doorheen geweest. Troje is een grote bende. Ik zie geen elegante restanten, tempels, fontijnen, rioleringsbuizen, kapittels met afbeeldingen van dieren of groenten en fruit. Niettemin ben ik onder de indruk van de geschiedenis, waarvan er restanten te zien zijn uit 2500vC. Alleen dat paard… Wàt een slecht paard! Ik heb altijd begrepen dat een een soort verstoptruc was, net als in het spanjaards gat. Hoe kan je nou ooit een stad overvallen met manschappen die verstopt zitten in een paard als er twee verdiepingen met raampjes op zitten? Een paard geeft toch geen raampjes? Dan zie je toch meteen dat er mensen inzitten?!!!! Nah ja, ik zal het wel niet begrijpen.
Ik vlucht weg van de bussen, souvenirwinkeltjes en toiletten van Troje en ga nog even naar Alexandria Troas. Als je dit gebied op Google Earth bekijkt, zie je dat het helemaal is opgenomen door de aarde. Iets ten zuiden van het badhuis zie je een deuk in de grond die helemaal is overgroeid en op niveau van de mens waarschijnlijk helemaal niet te zien is. Het terrein moet enorm zijn. Als je zo’n plek bezoekt vergeet je soms dat dit een volwassen stad is geweest. Met genoeg mensen om zulke ingewikkelde gebouwen te bouwen met die loeizware elegant versierde stenen. En waarom zijn die steden er niet meer? Zijn ze langzaam leeggelopen? Of in een keer verwoest en leeggeplunderd? Hoe is het mogelijk dat zulke prachtige bouwwerken niet meer worden bewoond en half of helemaal onder de aarde zijn verdwenen? Ik kan maar een ding bedenken en dat is politiek. De politieke wensen veranderen, er wordt niet meer geïnvesteerd in mens en materiaal, een bepaald gebied heeft geen waarde meer voor de machthebber van het moment. Ik weet het niet maar ik blijf maar aan al die mensen denken, waar zijn ze dan?

In de schroeiende hitte rijd ik door het olijvenlandschap, olijfgaarden zo ver het oog reikt. De weg is slecht en overal dichtgeplakt met kleine stukjes asfalt en desondanks vol met gaten alsof hier nog een oorlog gevoerd moet worden. Na het honderdste bochtje zie ik ineens een stapel stenen boven de olijfbomen uitkomen en ik weet dat ik er ben. Er is geen plek om de auto te parkeren dus ik zet hem half in de berm, hopende dat het mij vergund is dat er niemand tegenop knalt. Aan de overkant van de weg staat een bordje dat naar het struikgewas wijst. Nymphaion staat er op dus mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Ik duik de bosjes in en vind wat platgetrapte takjes wat wel een padje moet zijn dus ik volg het, dit is helemaal naar mijn hart, geen idee waar ik uitkom en of ik überhaupt ooit die bosjes nog uitkom, heerlijk! (Een padje platgetrapt gras wilt trouwens bijna nooit zeggen door mensen platgetrapt. Meestal door geiten. En die klimmen doorgaans beter over de rotsen dan ik. Maar dat terzijde.) Voor mijn voeten vlucht een reusachtige slang weg en mijn geluk is zowat al compleet. Als ik door het struikgewas ben geklauwd, opent het terrein zich en sta ik ineens in een boomgaard. Links van mij richt zich tussen de pruimenbomen een grote toren op. Overal op de grond liggen witten stenen. De toren en alle resten van gebouwen die er naast staan, zijn helemaal overgroeid door planten, vooral van het ondoorkoombare soort, distels en andere prikdingen. En bomen. Ik heb nog nooit zo’n bouwwerk gezien dat zo door zijn omgeving is verslonden. Er is niet heel veel aan te zien verder. Ik heb ook de indruk dat veel details geroofd zijn en beland zijn in Duitse en Russische musea. Dat geldt trouwens voor heel veel van dit soort plaatsen. De Duitsers hebben grof misbruik gemaakt van de achterlopende kennis van de Turken op dit gebied en hebben sinds de jaren 90 van de 19e eeuw ontzettend veel archeologisch werk verricht, Turkije was natuurlijk een droom voor elke archeoloog, zoveel is er nog onontgraven. En meteen meenemen die handel. Als je eens in Berlijn in het kunsthistorische museum bent, ga dan maar eens naar de afdeling Griekse bouwkunst. Alles dat daar staat is geroofd uit Turkije. 

Ik verlaat deze kant van de weg en ga aan de overkant kijken, ook die kant, de Herodes Attikus hamamı, is volledig overwoekerd al staat er wel een bord of ik alsjeblieft niet op de muren wil lopen want gevaarlijk. De grote stenen poort die ineens naast het smalle padje opdoemt is impressive, wel een meter of 6 hoog, dat heb ik nog niet eerder gezien. Voor het gevoel loop ik er een paar keer onderdoor, springend over de schots en scheef liggende stenen op de grond. Dat die waarschijnlijk van boven komen, komt op dat moment even niet in me op. 

Als ik de boot naar Bozcaada wil halen zal ik moeten opschieten want die vertrekt om 17:00 uur uit Geyikli. Dus ik zet er even wat gas op en ben netjes om 16:50 bij de iskele, alleen blijkt dat de boot om 18:00 pas vertrekt. Ik ben blij met de extra tijd om een kop koffie te drinken. Naast de vertrekhaven ligt een voor Turkse begrippen prachtig strand en het is zo heet en ik droom ervan om erin te springen. Zou ik nog tijd hebben om dat te doen? Eigenlijk wel, maar ik kies voor de rust.

Bozcaada is het schattigste eiland dat ik ooit heb gezien. Ibiza, maar dan beter. Veel beter, eigenijk. Het aanvaren op de haven is al een klein feestje, een oude havenkom omringd door restaurantjes, het oude fort aan de rechter kant, vissersscheepjes en netten op de kade. Het doet Grieks aan behalve Turkse rommeligheid en zet je er een voet op, dan wil je meteen alleen maar ergens gaan zitten met een glas wijn. De wind lijkt eeuwig te waaien en het ruikt naar de zee. Mijn hotelletje Ela Tenedos is dicht en ik moet iemand bellen. Binnen vijf minuten doet een tengere blonde vrouw open die moeilijk Engels spreekt maar heel vriendelijk naar me kijkt. Ik krijg een schattige kamer met uitzicht op het fort, het is klein maar lief en wit en schoon schoon schoon. Ze neemt me mee naar boven, het dakterras, waar het ontbijt wordt geserveerd en stelt me voor aan de kokkin, een breed lachend propje van wie ik meteen een kop sterke Turkse koffie krijg. 
Bozcaada is het eiland waar de schepen van de grieken zich verstopten toen ze het paard van troje hadden afgeleverd, dat je het even weet. Verder staat het bekend om de wijnbouw. Wat ze ook leuk vinden om te noemen is de groene energie die komt van maar liefst vier windmolens.

Ik neem een heerlijke douche in de schone badkamer en kleed me om. De hoteldame heeft me een restaurantje aanbevolen aan het water, het is meer een kroegje, maar het eten moet er lokaal en goed zijn. Ik ben de enige en voel me een beetje opgelaten tussen de 32 obers. Het is een beetje frisjes en een van hen legt een rood fleece dekentje over mijn schouders. Ik krijg het menu, maar dat is alleen in het Turks, dus ik heb een klein probleempje. En verdomd als het niet waar is, er wordt iemand bijgehaald die de enige is die Engels spreekt, en die dus óók geen Engels spreekt. Ik vraag wat zij me kunnen aanbevelen. Zij, want ze staan met zijn vieren aan mijn tafel. De Turken beginnen onderling te delibereren en als ik iets van sea food opvang zeg ik dat ik dat wel wil. Ik heb geen idee wat ik krijg. Een uur en een glas rakı later, als ik alles op heb weet ik het nòg niet (behalve aubergine en inktvis), maar allemachtig, wat was het lekker.