
Intussen heb ik ook nog het eiland boven Fethiye rondgereden, genoten van het uitzicht op de stad en daar een heerlijk stijlvol beachclubje ontdekt waar ik heerlijk heb gesnorkeld en een klein fortuin heb uitgegeven aan bedje en parasol, een paar cosmopolitans en pizza, waarna ik lang, bijna tot zonsondergang moest wachten voordat ik in staat was om over de onverharde kronkelige weg terug te rijden. Ook ging ik op een dag naar Stratonikeia, twee en een half uur rijden over die fijne D400, bij Muğla linksaf, ik lijk wel gek. Na die paar dagen hete loomheid was het moeilijk om op tijd uit bed en op gang te komen, maar om een uur of 11 vertrok ik, en toen ik na Fethiye eindelijk de karayol opdraaide, maakte zich ineens weer het roadtrip-gevoel van me meester, met de auto op weg, verder en verder, vrij en blij naar onbekende dingen. Ik was laat, dus besloot deze keer geen lifters mee te nemen wat ik zo tien keer had kunnen doen onderweg. Ik heb het afgelopen half jaar goed bestudeerd waar het zou moeten zijn en ik had google maps bij de hand. De afslag naar Stratonikeia stond 10 meter van te voren aangegeven, een ondenkbare afslag vanaf de snelweg rechtsreeks het met stenen bezaaide zandpad op in een haakse bocht, waar ik dus bijna uitvloog. Maar goed, ik was er eindelijk, en ooo jeeeeee, wat is dit?! Het weggetje werd almaar onbegaanbaarder en met grotere stenen die in de weg lagen maar ik zag een ingestort huisje waarvan de muren duidelijk half waren opgetrokken uit marmeren blokken en stukken pilaar, en toen nog eens en nog een, ooooo jongens, ik heb de jackpot! Na nog een paar bochten zie ik een verzameling marmeren en granieten bouwstenen, met daarachter een grote ronde poort, waarvan de bovenkant is verdwenen, maar de zijkanten nog overeind staan. Hier zet ik mijn auto neer, pak mijn camera, tas en water, en loop er heen, zinderend van geluk. Als ik de poort heb bereikt zie ik daar achter de hoofdprijs liggen: een paar pilaren met daartussen een groot plein van witte marmeren blokken, met daarnaast lange rij rechte blokken waar de voeten van de pilaren op hebben staan. Ik ben weer eens de enige, er is weer niemand, de hitte schuurt in mijn keel en de krekels en de bijen zijn bijna het enige geluid. Ik kijk mijn ogen uit en besteed hier op het plein al een dik half uur, overal dezelfde mysterieuze tekens als ik al op andere plaatsen heb gezien, en scheefliggende blokken op de grond die het waterleidingsysteem blootleggen, en roestkleurige aardenwerk buizen die hier en daar de grond uit steken. Ik vind een stuk keramiek met vingerafdrukken erop en leg mijn eigen vinger er even in. Ik loop aan het einde van het plein het bos in, her en der staan kleine ingestorte huisjes, zonder uitzondering gebouwd met delen van de griekse en romeinse overblijfselen, die hier ook overal in het rond liggen. Ik loop terug en verken de rest van het terrein rondom het plein en de poort, en ik weet eerlijk gezegd niet goed naar welke tijd ik sta te kijken, delen van de grijs-roze oude muren bevatten stukken wit marmeren pilaar. Door de hele geschiedenis heen hebben mensen de resten van voorgaande beschavingen gebruikt om hun eigen beschaving op te bouwen, het doet een beetje pijn, maar het is toch een organisch gegeven. Deze plek is echter nog maar nauwelijks aangeraakt door de sloopgrage handen van de overheidsdienst der restaurantie- en vernachelwerken. Een paar pilaren zijn overeind gezet, er liggen wat stenen op een hoopje, maar that’s it, ooooo jeeeee ik kan mijn geluk niet op.
Ik loop over alle muren, alle bankjes, door gangetjes en huizen, huis zijnde een overblijfsel van een muurtje van ergens tussen de nul en de één meter hoog. Ik bestudeer alle half in de grond liggende pilaren waarvan sommige echt prachtige decoraties hebben met trossen druiven en schapenkoppen, vissen en andere niet meer te herkennen dingen. Onvoorstelbaar dat dit er allemaal nog zo ligt. Ik moet ook vreselijk naar de wc, en ook al wil ik deze schitterende plaats niet ontheiligen, ik zie het organische er ook wel weer van in om gewoon één van die huizen hier in te gaan en daar een geschikt plekje voor uit te zoeken, naar de plee gaan is au fond ook van alle tijden en de riolering is hier verder per slot van rekening goed geregeld. Als ik opsta trap ik bijna op een uitgedroogde granaatappel, ik kijk omhoog en zie dat ik heb zitten wateren onder een granaatappelboom, die nu in bloei staat, en ik heb nog nooit een granaatappelboom gezien, wat ben ik toch weer een verschrikkelijke bofferd, met al dit prachtigs om me heen. Ik ben inmiddels al een dik uur verder en loop richting de poort om met de auto naar de andere kant van het terrein te rijden. Nog één muurtje klim ik op en zie met een kreet dat ik bijna het mooiste had gemist, er ligt hier een halfrond bad met een mozaiekvloer, met hartjes en cirkels en vierkante figuren, en ook een swastika. Ik loop er watertandend helemaal omheen en zie bovenop de muur een waterleiding uitkomen, de stenen van de muur zijn uitgehold en er zit een gaatje in, hier liep het water door om het bad te vullen. De muur is bekleed met tegels in verschillende vage verbleekte kleuren. Sommige liggen los op de grond, eentje til ik er op en bekijk hem aan alle kanten, ze hebben met een soort grof cement tegen de muur gezeten. Ook hier ben ik weer zeker een half uur kwijt met alles te bestuderen en foto’s te maken.
Ik kom bijna om van de dorst en de hitte en ik loop naar mijn auto. Daarachter is nog een soort iglo, ik had hem eerst helemaal niet gezien, omdat hij in een diepe kuil staat, het is de enige kuil hier, dus er liggen vast nog veel meer van die iglo’s onder de grond. Hij ziet er verbazend simpel uit verder. Er gaat en klein trapje naar beneden en je kan er zelfs in. Tegen de muren staan stenen kisten met scheefliggende marmeren platen, ik pieker er niet over om erin te kijken, ze zijn waarschijnlijk toch leeggeroofd in de loop der tijden, maar ook al neem ik niets mee, ik ga niet in iemands graf zitten poeren.
Met de auto rijd ik naar de andere kant. Ik wil alleen nog het amfitheater zien en dan weer snel naar huis. Op Google Maps had ik het amfitheater gezien, het leek me niet al te groot. Ik moest omrijden naar de provinciale weg en langs de kant van de weg stoppen, er was geen parkeerplaats. Ik stapte uit en liep de berm in die omhoog liep, ik zag alleen een soort geitenpaadje en volgde het. Bovenaan aangekomen keek ik neer op een bescheiden terrein dat bezaaid lag met blokken marmer, sommigen rommelig in het rond, anderen een beetje geordend naast elkaar. In het midden een stralend witte rechthoekige marmeren vloer van een tempel, een paar halve pilaren overeind, met daarachter een granieten weg. Deze kleine tempel en het amfitheater dateren uit de Romeinse tijd, rond het jaar 200, maar de stad zelf is al van ongeveer 400 v.C.. Als ik aan het eind van de straat kom verschijnt onder me een reusachtig amfitheater, een van de mooiste die ik heb gezien, de treden zijn verzakt en gebroken, er zitten grote gaten in. Het uitzicht over het gebied is overweldigend mooi en groen, ik vertrek zometeen al, maar ik denk dat ik hier wel een goed deel van de dag zou kunnen doorbrengen. Achteraf heb ik spijt dat ik dat niet gedaan heb. In de verte zie ik de noordelijke poort waar ik net was, en tussen daar en hier liggen verspreid over het terrein nog verschillende gebouwen waaronder het gymnasium en bouleuterion (raadsgebouw). Ik overweeg om via de krakkemikkige treden naar beneden te klimmen, maar zie nergens een veilige trede om te beginnen. Het is ook veel te heet, dus in plaats daarvan loop ik maar helemaal over de bovenste rand heen, zover ik kan. 12.000 mensen moeten hier in hebben gekund. Wat moet het druk en gezellig zijn geweest. Die voorstelling vind ik dan wel weer heel mooi, terwijl ik nu juist heel blij ben dat er geen drukte is en ik hier even in pure eenzaamheid kan zijn.
Inmiddels is het een uur of drie en ik val zowat flauw van de hitte en honger en dorst dus ik vertrek. Ik rij veel te hard over de snelweg naar huis. Langs de weg staan stalletjes met fruit. Soms alleen maar één parasol met vier kratjes eronder, soms een paar overdekte kramen naast elkaar. Geen probleem als je hier op de snelweg even parkeert op de rechter rijstrook om wat vers fruit te kopen.
Ik snak inmiddels naar voedsel en een duik in zee, dus ik heb flink het tempo erin. Ik haal een kleine auto in en die toetert even en begint dan met zijn lichten te flitsen. Ik begrijp werkelijk niet wat hij bedoelt, doe voor de zekerheid maar even mijn lichten uit. Ongeveer vierhonderd meter verder zie ik een wegversmalling met een politiepost. Na de auto vóór mij stapt een agent de weg op en gebaart dat ik aan de kant moet. Okeeeejjjjj. Ik heb geen idee wat ik moet doen, uitstappen? Blijven zitten? Ik blijf maar zitten en doe het raam open, het voelt een beetje Amerikaans aan. Hij zegt iets van rijbewijs, en ik moet even denken, ‘Rijbewijs? Rijbewijs? Heb ik dat wel bij me?’, er heeft nog nooit iemand om mijn rijbewijs gevraagd. Ik ben ook nog nooit staande gehouden door de politie trouwens. De agent is onder tussen tegelijkertijd aan de telefoon. “Nerelisiniz?”, vraagt hij, waar komt u vandaan? Hollanda, zeg ik. “Holandalı“, hoor ik hem door de telefoon zeggen, met nog wat dingen die ik niet kan verstaan. Tegen wie? Geen idee. Ze zien er lichtelijk intimiderend uit zo vlak tegen mijn auto aan. De grootste van de twee leunt met zijn hand op mijn naar benedengerolde raampje. Hij hangt zijn telefoon op en kijkt me streng aan. “Your eyes colour, oke”, zegt hij, “You can go”, en er breekt een lach door. Ik brabbel, “Cezaeviye gitmiyormuyum?” in mijn nogal rudimentaire Turks, dus ik ga niet naar de gevangenis? Nee, deze keer niet. We pingpongen nog even wat beleefdheden heen en weer en ik mag weer vertrekken. Geen idee of dat nou over mijn snelheid ging of niet, maar ik rij toch maar ietsje langzamer terug.
Ik rijd rechtstreeks naar het eind van het strand waar ik verwacht alleen te zijn, maar helaas. Maakt niet uit. Ik snorkel wat langs de rotsen en kom op een piepklein strandje terecht van een meter of twee breed waar een rots overheen hangt. Ik hang nog een uurtje op het strand, en eet dan lamsbout bij Hangout met een cosmopolitan of twee. De dag is veel te snel voorbij gegaan en ik wou dat de tijd stilstond.

