O ja, woensdag 14 juni, Kariye, Koç


Had ik al verteld hoe druk en heet het is? Maar wat ik er wel bij moet zeggen is dat er een verschil is tussen de weekenddrukte, als hier de ‘toeristen’ naar toe komen, en de doordeweekse drukte, die maar door lijkt te gaan tot diep in de avonduren en niet alleen bestaat uit mensen die aan het winkelen of consumeren zijn, maar mensen die op weg zijn naar hun werk of aan het werk zijn. Er is een eindeloze stroom mensen, constant in de weer is met steekwagentjes met 10 liter waterflessen, zakken met afval dat van de straten wordt geplukt, handkarren met tweedehands spullen (de ‘eskici‘ [eskiedjie], rommelhandelaar, ze lopen langs de straten met platte handkarren met oude schoenen, een wasmachine, een bergje sieraden, tassen, een typemachine etc etc), theeverkopers met etagères vol met tulpvormige kopjes thee voor de verkopers in de winkels, steekwagentjes met groenten, steekwagentjes met biervaten, lege steekwagentjes, alles vlot vlot begeleid door getoeter naar de deur en weer terug naar de kleine vrachtwagen die het verkeer in de smalle straten staat op te houden.

Ik probeer steeds de Nederlandse versie van de dingen te vinden, of te relateren, maar ik zie in Nederland geen steekwagentjes met 10 liter waterflessen over de stoep rijden. Toen ik in het appartement trok, zei de eigenaar tegen me: “My waterman may come to the door.” Ik dacht bij mezelf, “My waterman? Wat moet dat dan weer zijn?”. Maar klaarblijkelijk laat je hier net als koffie of ontbijt dus ook je water bezorgen, in 10 liter waterflessen, die het mannetje voor je naar boven schleppt en in de keuken neerzet. Hoe je vervolgens dat water eruit krijgt was me een raadsel, want het zijn van die flessen die doorgaans ondersteboven in een waterkoeler zitten, totdat ik ontdekte dat er kraantjes te koop zijn die je er aan de onderkant in kan drukken. Overal zijn ‘mannetjes’ voor. Om je dingen te brengen. En dingen voor je te dragen. Dat doen ze sowieso allemaal, de mannen hier. Ik stond op het vliegveld bovenaan de trap met mijn koffer, staat er ineens een stel naast me, jaar of 25, echt piepjong, vraagt de jongen aan me: “Please let me carry that for you?”, nota bene waar zijn vrouw/vriendin naast staat. Ik was nogal perplex en ik zei (vooral vanwege háár): “No no I’m fine, çok teşekkürler!”, maar aan de verbaasde, ietwat door dat onaangepaste gedrag verstoorde blikken, die onderaan de trap ook nog even achterom werden geworpen, begreep ik dat het echt niet de bedoeling is om dit af te slaan, het is echt hun eer te na om een vrouw dingen te laten dragen. Je bent een man, dat is je taak in het leven. Wat een heerlijk land.

Dus… Om een uur of twaalf zat ik pas in het voormalige Kut café, ja sorry, zo heette het toen ik vorig jaar in deze straat een appartement had, nu heet het helaas anders, alleen ik weet niet wàt. Het was een grunge-achtig ontbijtcafe, nu is het een van de miljoen hipster koffie barretjes die hier in een jaar tijd de grond uit zijn geschoten, waar je een sandwich kan eten, je kan kiezen uit wel twee, of een organische suikervrije haverwafel of een stuk glutenvrije cheesecake, maar daar vind ik het nog te vroeg voor. Het zit hier heerlijk, de gevel is open, in de open raamkozijnen zijn banken gemaakt met kussens en ik krijg een heerlijke cappuccino en een ‘organic’ zuurdesem sandwich met avocado, sla en Turkse witte schapenkaas en ik zit heerlijk bij dat open raam te schrijven en naar buiten te kijken en aangestaard te worden door de voorbij rijdende taxi’s en kleine vrachtwagentjes en ander verkeer. Daardoor is het al tegen tweeën als ik richting de iskele loop, een fijn loopje, richting het water, je voelt de koelte van het water al naar je toe waaien, dan rechtsaf de trambaan volgen en over de kade naar de veerboot lopen. Elke bestemming aan de overkant heeft een eigen gebouwtje en een eigen ingang, ik heb op de Trafi-app gezien dat ik naar Eminönü moet en daar bus 336E nemen. Ik haat de bus en word in Nederland liever niet dood in de bus gevonden, maar het moet maar even. Het gaat allemaal feilloos met mijn Istanbul kartı, waar nog 44 lire op staat van de 50 die ik aan het begin van de week erop heb laten zetten. Wat misschien komt doordat ik de Uber heb ontdekt en o jeeeeee wat is dat heerlijk. Voor 5€ in een 8 persoons taxi rechtstreeks volledig geclimatiseerd naar de andere kant van de stad worden gebracht. Niet afrekenen, niet moeilijk doen met adressen geven, je weet van te voren al wat je betaalt (bijna niks), gewoon instappen en uitstappen, that’s it. Ik bedoel, what can I say, ik Uber mezelf drie slagen in de rondte. Na elke rit kan je de chauffeur een beoordeling geven, 1 tot 5 sterren, is hij gezellig, is de temperatuur goed, rijdt hij veilig doch snel, dat soort dingen. Ik geef eigenlijk altijd een vijf. Alleen ontdekte ik dat chauffeurs hun klanten óók een cijfer kunnen geven, en dat ik een 4,6 had. Dit bracht me toch enigszins van mijn stuk: ik had iets van drie ritten gehad en mijn gemiddelde was een 4,6? Wat had ik in vredesnaam verkeerd gedaan, en bij wie? In elk geval ben ik vastbesloten om mijn rating omhoog te halen, dus volgende keer toch maar die gordel vast en zelf gezellig een praatje aanknopen met de bestuurder.

Ik bezoek vandaag het Kariye of Chora museum, een Griekse kerk uit de vijfde eeuw. Als ik uitstap bij de goede halte blijkt dat ik óók bij de antieke stadsmuur loop die ik toch al wilde bezoeken, dus die kan ik gelijk afstrepen. Ik loop door een nogal onuitnodigend wijkje, aan niets is te merken dat hier, onder weer zo’n afzichtelijk busstationsafdak, een van de mooiste oudste bouwwerken van Istanbul staat, een byzantijns-christelijke kerk, met de prachtigste mozaïeken overal in de muren en de plafonds, ze zijn echt van een bijzondere schoonheid en ook al is het al 15:30 en wil ik ook nog naar het Koç Muzesi aan de overkant van de Gouden Hoorn, ik neem er echt even de tijd voor. De kleuren zijn prachtig, het is binnen ook uitzonderlijk koel en stil en heerlijk, het bladgoud van het mozaïek schittert door de kleine ruimtes heen. Een man komt naar me toe en vraagt in het Engels: “Do you speak French?”. “Oui, un petit peut, qu’est-ce que vous voulez savoir?”, zeg ik. “O no”, zegt hij, I provide French tours for this museum, I thought you may speak French”, zegt hij. “Well, do you speak any Dutch?”, vraag ik grijnzend aan hem, maar helaas, en hij verdwijnt weer. Na deze Kafkaesque situatie vervolg ik mijn weg en word een paar minuten later weer aangesproken. Of ik een tour in het Engels wil. Kennelijk staat er ergens een legertje tourguides om de hoek te wachten in bijna alle talen om je door de 70 vierkant meter van het kerkje te begeleiden. Ik bedank hartelijk, maar ik heb hier echt maar 10 minuten de tijd, dus dat gaat niet lukken. In de hoofdruimte staan een Amerikaanse man en vrouw zich te vergapen aan alle cultuur die ze thuis moeten ontberen en, net als ik, naar de schitterende koepelplafonds te staren. De man draait zich naar me toe en zegt glimlachend: “There should be something here to lie on, don’t you think?” “Well, there is”, zeg ik, wijzend op de vloer. Zijn vrouw schiet in de lach. We knopen een kort gesprekje aan over hoe mooi het allemaal is en ik spreek en passant nog even mijn twijfel uit over de rigoreuze Turkse restauratiemethodes van antieke overblijfselen, maar ze kijken me schaapachtig aan en hebben geen idee waar ik het over heb. O, heerlijk, Amerikaanse first-timers, ik sta te springen om mijn tanden erin te zetten, maar ze worden al weggekaapt door de Engels sprekende gids die tussen de coulissen uit is gesprongen, en bovendien moet ik weg.

De Uber is er binnen 6 minuten, net genoeg om een flesje water te kopen, en ik kijk nog even om me heen voordat ik besluit om het nog even níet aan mijn lippen te zetten want Fatih en ramazan. Ik moet zeggen, ik merk helemaal niets van de ramazan, in alle wijken behalve Fatih lopen mensen openlijk op straat te eten en drinken, en Kadikoy, nou ja, daar zijn mensen überhaupt van God los.

De Uber-chauffeur kletst deze keer weer honderduit en herhaalt alles wat hij zegt twee keer, een keer normaal en een keer speciaal voor mij langzaam, omdat hij begrepen heeft dat ik een paar woorden Turks spreek en graag wil oefenen. Hij vraagt of ik al in Kadiköy ben geweest, want dat is zo gezellig en hij woont er, dus we hebben meteen een band, de Uber-chauffeur en ik. Ook is hij edelsmid geweest, en hij wil nu nog een jaartje werken, en dan verhuizen naar Marmaris of naar Bodrum. Het was een leuk gesprekje en ik word overladen met complimenten over mijn Turks, afijn, ik weet eigenlijk niet of dat wel telt als een compliment, dat hij het gewoon leuk vond dat ik een beetje Turks probeerde te spreken. Ik geef hem 5 sterren en mijn score staat nu op 4,72. Ik moet daar echt mee ophouden.

Het Koç museum is erg leuk, maar geen verrassingen daar. Ik heb maar steeds het gevoel dat ik in het huis van een enorme opschepper loop. Al die auto’s, zelfs de auto uit Harry Potter staat er, wat moet je met al die rommel. Auto’s, boten, treinen, vliegtuigen, speelgoed, poppenhuizen, het museum staat er als een verzameling van objecten van de Turkse cultuur, maar eerlijk gezegd zie ik er weinig Turks in terug.

Ik laat me naar de iskele rijden door een Uber en neem de heerlijke frisse boot terug naar Kadikoy. Ik eet Italiaans, mosselen en pasta met seafood, en een klein flesje prosecco, dat met veel misbaar aan mijn tafel wordt opengemaakt.

Morgen is de laatste avond hier. Dat vier ik alvast een klein beetje. Maar liefst ga ik hier helemaal nog niet weg.

Plaats een reactie