Ik weet niet wat voor dag het is. 


Nee, toch weer om 6:00 wakker. Lig maar even te Netflixen, kleed me dan aan om een Ontbijtje en een kop koffie te gaan halen. Ik voel me nogal wrakkig en lusteloos. Ik mis mijn groentensapjes. De hele dag heb ik kleine overwinninkjes en kleine faalmomenten. Zo stopte er gisteren een auto, en een vrouw vroeg me waar hier ergens een parkeerplaats was. M’n eerste reactie was te denken ‘Hallo, zie je niet dat ik hier niet thuishoor?’ Nee dus! Hoera! En niet alleen begreep ik wat ze zei, ik kon haar ook precies vertellen waar ze heen moest (oké, het was maar 50 meter verderop aan de linkerkant, want tegenover mijn appartement, maar goed). Ik hoef bijna niet meer op de kassa te kijken als ik moet afrekenen. Sommige obers laten me even de rekening zien en dan zeg ik het even hardop om op te scheppen. Waarna er een verraste reactie volgt en er meteen een onbegrijpelijke conversatie volgt waardoor ik meteen weer voor paal sta. Maar geeft niet, ik trek even een ontwapenende geitachtige lach uit de kast en klaar. Ik herken precies hoe ik Frans leerde, op de een of andere manier weet je elk jaar meer, ookal kom je er het hele jaar niet. Het is trouwens óók een mentale toestand, die taalkennis kunnen aanboren op het moment dat je het nodig hebt. Ik kan het niet goed uitleggen, het is net alsof je in je hoofd iets open moet zetten, een blokkering moet opheffen, zodat die woorden die je geleerd hebt en die heus wel allemaal in je hoofd zitten, vrije doorgang hebben en vrijelijk in de juiste volgorde naar buiten kunnen stromen. Soms lukt het helemáál niet, dan kijkt het alsof dat deel van mijn hersenen met andere dingen bezig is, met voor paal staan bijvoorbeeld, of met het peilen van de blik van de persoon die tegenover me staat. En soms lukt het heeeeel goed, als de conversatie niet te ingewikkeld is, met taxichauffeurs bijvoorbeeld.

Gelukkig word ik hier ook een stuk minder aangestaard. Het kan me inmiddels ook iets minder schelen.

Het is al een uur of twaalf voordat ik een Uber pak naar Üsküdar, waar ik eerst de joodse begraafplaats wil bezoeken en dan een beetje door het oude deel wil winkelen waar ik in 2014 ook met Jan ben geweest. Het is ruim 20 minuten rijden en ik word aan de kust afgezet, precies voor de ingang. De kustlijn is prachtig, ik ga op de kade heel even op een bankje onder een boom zitten om me te orienteren. Twee jongens springen in het heldere turkoise water van de Bosporus en klimmen over gladde stenen weer naar boven. Ik loop richting ingang begraafplaats. Blijkt alleen de ingang van de verkeerde begraafplaats, en de joodse begraafplaats is 23 minuten lopen, naar boven. Maar ik heb wel zin in een wandeling dus ik zet de pas er in. Die gaat er ook heel snel weer uít, want het is weg van het water natuurlijk veel te heet om snel naar boven te lopen. De taxi’s die voorbij rijden toeteren even, voor het geval ik ze nodig heb. Ik weet niet of ik dit kronkelende weggetje waar je steeds niet meer ziet wat er achter de volgende bocht is, zo leuk vind: rechts vooral hoge muren met camera’s en woningen erachter, en links hekwerken met prikkeldraad en wachttorens. Wat ìs dit. Achter me wordt het uitzicht over de Bosporus wel steeds mooier. Het water is knallichtblauw (niet zonder reden, blijkt een dag later, want er is een plankton explosie) en de zon schittert erop. Langzaam loop ik naar boven en het wordt steeds heter. Ik heb het eindelijk gevonden en zoek naar de ingang, die blijkt om de hoek te zijn, er is een groot hek met camera’s en een bordje waarop staat ‘bezoekuren zaterdag-donderdag 9:00-18:00 en vrijdag 9:00-13:00. Maar het hek is dicht. Ik loop iets rechtdoor naar een of andere politiepost waar twee gewapende mannen staan, ik vind het toch steeds zo’n raar idee, wat ben ik toch wapenvrij opgegroeid, en het ontgaat me ook niet dat het een beetje buiten het normale is dat ik hier als hoogblonde toerist in een islamistisch land naar de ingang van de joodse begraafplaats vraag aan twee zwaar bewapende mensen van de beveiliging van de rijkste onderneming van Turkije, ben ik inmiddels achter, de familie Koç, waarvan ik morgen het museum ga bezoeken. De mannen vinden het duidelijk ook niet grappig en worden waarschijnlijk opgeleid om boos te kijken, “Heb je wel op de bel gedrukt”, snauwt er een naar me. Nou, excuse me for living. Ik had die grote rode knop wel gezien maar hij zag er zo intimiderend noodstopperig uit dat ik er niet op durfde te drukken. Ik loop terug en druk erop, in de verte zie ik een mannetje aan komen lopen, het lijkt op een tuinman ofzo, ik weet niet wat ik verwacht had, hij maakt er niet echt haast mee. Bij het hek aangekomen vraagt hij wat ik wil. Ik zeg, ik wil graag de begraafplaats bezoeken. Zomaar bezoeken? Ik twijfel even of ik een lulverhaal zal ophangen over dat ik schrijver ben en helemaal uit Holland hier naar toe gekomen ben om deze begraafplaats te bezoeken (wat alles bij elkaar nog bijna zo is ook, ik schrijf me tenslotte helemaal een ongeluk elke dag en deze begraafplaats staat al een jaar op mijn lijstje om te bezoeken), maar ik krijg natuurlijk op dat ene moment niets anders uit mijn keel dan ‘Eeuuuhh, ja?’. Het mannetje schudt meewarig zijn hoofd, wat een naïviteit om te denken dat je hier zomaar naar binnen mag, sorry mevrouw, maar dàt gaat niet, hier zomaar rondlopen op de begraafplaats. Dit had ik nou echt totaal even niet verwacht, hekwerk en beveiliging, okee, maar mij en mijn goede bedoelingen wordt keihard de toegang geweigerd. Ik vraag nog even iets lafs als Echt niet? Maar nee, het mannetje gaat mij geen toegang te geven, ookal zie ik iets in zijn blik van twijfel, dat hij het eigenlijk ook niet goed weet, of hij die vreemde vrouw met die broek met olifanten en dat legerjasje er nou in moet laten of niet. Ik heb het vermoeden dat hij gewoon de baas wil spelen. Nou, ik hoop dat hij tevreden is dat hij de begraafplaats heeft behoed voor mijn voetstappen, geknakte stukjes onkruid en blootstelling van de heilige stenen aan mijn vernietigende ongelovige blik. Ik loop met mijn onverzadigde goede bedoelingen onder mijn arm weg maar ik ben zo verschrikkelijk teleurgesteld dat ik even oprecht heel verdrietig ben, ik voel me afgewezen en vreemd genoeg een soort onwaardig. Als ik het even later aan de Uber-chauffeur vertel, zeg hij: “Istanbul is a mix of many cultures, there all kinds of neighborhoods, jewish, islamic, greek, armenian, syrian, but they are all racist. They stay in their neighborhoods and they don’t accept anybody, everyone here is just racist people.” Daar knapte ik weer een beetje van op. “So, probably I won’t be accepted in any neighborhood”, zei ik. “It’s different”, zegt hij, “You’re blond, you’re from the west.” “Yeah, they all hate me.”, zeg ik lachend. Maar ik meen het wel.

Bij de grote moskee in Üsküdar stap ik uit. Ik herken deze straat. Jan en ik deden hier twee en een half jaar geleden een ‘food tour’, waar ik om de een of andere onvoorstelbare reden helemaal niets heb gekocht als aandenken, wat was er mis met mij? Ik weet het niet. Maar dat onrecht moet onmiddellijk worden rechtgezet. Als ik me goed weet te herinneren zit hier ergens een honingwinkeltje. Ja, het zit er nog! Het is wel veranderd, maar het is hetzelfde winkeltje. Ze hebben maar een paar soorten honing en ik koop een paar verschillende kleine potjes en betaal een vermogen. Ik slenter een paar uur rond in dit gedeelte van de stad, ik herinner het me als heel conservatief, maar ik zie bijna geen hoofddoeken. “Zitten die allemaal binnen?”, vraagt mijn moeder op de app, “Aan het aanrecht?” Er wordt heel druk gewinkeld, op pleintjes onder bomen gezeten en çay gedronken. Na een tijdje ben ik echt heel moe en Uber terug naar het apartement. Ik trek mijn kleren uit, stop ze in de was en knoop een doek om me heen. Ik hang op de bank en ben echt van plan om er nog uit te gaan om te gaan eten, maar ik stort helemaal in op de bank en weer komt het er niet van.

Plaats een reactie