Maandag 12 juni, Kedi, Arnavutköy

Terwijl ik om 7:30, er lijkt elke dag een half uurtje bij te komen, da’s mooi, naar het plafond lig te staren besluit ik dat de volgorde van de dag gaat zijn, dat ik eerst ergens ga ontbijten, dan om 11:30 naar Kedi ga in de bioscoop, die trouwens Rexx heet, en heel obscure associaties bij me oproept, en dan de boot neem naar de overkant. Ik kijk even uit het raam hoe de mensen erbij lopen en ik zie allemaal jassen dus mijn groene jasje mag mee. 

Ik ben al helemaal gewend aan het apartement, al had ik een paar dingen toch anders gedaan, ik had bijvoorbeeld gordijnen opgehangen, op zijn minst vitrage, maar nee eigenlijk vitrage èn dikke lichtdichte gordijnen, maar ik heb me er maar overheen gezet en loop evengoed in mijn blote kont door het huis, Mert zal er een paar vrienden bij hebben waarschijnlijk, als ik straks vertrek. Alleen in de slaapkamer hangen gordijen, dat wil zeggen vitrage, en een gordijn dat de helft van het raam bedekt en dat zo dun is als een douchegordijn, totaal geen licht filtert en dus verder geen enkele functie heeft. De slaapkamer kijkt uit op de achterkant van drie zijden met de slaapkamers van andere appartementgebouwen, allemaal maximaal 4 of 5 verdiepingen hoog, meestal hebben ze zo’n Frans halletje als je binnenkomt, en een gietijzeren trapleuning. Verder had ik, voor de gezelligheid, toch wat lampjes neergezet, Mert. Er zijn alleen plafondlampen, de enige lampen in huis die géén plafondlampen zijn, zijn het lampje in de afzuigkap, die in de koelkast en een los leeslampje naast het bed. Beetje makkelijk om een Indiase doek om de plafondlamp te knopen en het dan een ‘arty apartment’ te noemen, Mert. Mert is van huis uit fotograaf, en het hele appartement hangt dan ook vol met het bewijs daarvan, voornamelijk onderwaterfoto’s van zijn vriendin. Ik ben niet heel erg onder de indruk, maar hij schijnt ervan te kunnen leven. Wat het huis verder nog ‘arty’ moet maken is de uitstalling van souvenirs van verre bohemien reizen: hooghartige Keniase kettingen, Nepalese vlaggetjes en Australische didgeridoos (waarom víjf, Mert, waaròm?). Ik heb helemaal niets op met dit soort souvenirs die maar een beetje zelfingenomen niks staan te doen in je interieur waar ze totaal niet in passen. Ik hou wel van dingen die je kan gebruiken, shirtjes, theedoeken, tassen, bekers. Ik zie geen gasmaskers en bouwbrillen in de badkamer hangen (zie mijn belevenissen van 5 juni 2016), maar zo’n type is het wel. Verder is hij uitermate vriendelijk en gastvrij, ik mag alles gebruiken, overal voor bellen, alleen het telefoonnummer klopt niet, maar hij reageert gelukkig wel op airbnb. 

Als ik langzaam gedoucht en aangekleed ben ga ik op zoek naar een ontbijtcafe en neem een simpele menemen (roerei met tomaat en paprika) met wat brood en twee koppen koffie. De film begint om 11:30, en ik ben niet eens alleen, op deze maandag ochtend zitten alleen een paar locals in de bios. De film die ik ga zien is Kedi, zoals ik al zei, een heerlijke docu over de katten in Istanbul, en de mensen, en de straten, en na tien minuten lopen me de tranen al weer over de wangen maar het kan me niet schelen want het is toch donker. Het is echt onvoorstelbaar hoe mensen hier met de katten omgaan, ik heb er al eerder over uitgeweid dus ik zal het nu niet doen, maar Nederlandse mannen zie ik absoluut niet zo voor de katten op straat zorgen, al moet ik zeggen dat wij ook niet zoveel straatkatten hebben, want ze worden meestal meteen opgeruimd/opgenomen in een asiel. Ruim anderhalf uur geniet ik van heerlijke beelden van Istanbul, heerlijke muziek en na de film wil ik eigenlijk het liefst een grote zak kattenkorrels in mijn zakken leegschudden en al kattenvoerend door de straten lopen. 

Na de film ga ik op een terrasje zitten en koffie drinken. Het is al twee uur maar ik ga nog naar Arnavutköy aan de andere kant, waar ik me vanaf Beşiktaş naar toe weet te Uberen. Het is weer de eerste keer dat ik in de vapur naar de overkant zit. Voor 7 lira ofzo, nog geen 2 €, krijg je de indrukwekkendste vaartocht die je maar kan bedenken, de Bosporus schittert in het zonlicht, de Aya Sophia en de blauwe moskee staan aan op de heuvels vanuit het verleden op je neer te kijken, om je heen varen tientallen vapurs en motors kriskras door elkaar heen, meeuwen vliegen erachteraan, vrachtschepen gaan traag voor en achterlangs richting de Zwarte Zee. Allemaal alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Istanbul is eigenlijk een verzameling grote dorpen die allemaal heel verschillend van aard zijn. Het hippe Kadıköy aan de Aziatische kant is totaal verschillend van het daar vlak naast gelegen superconservatieve Üsküdar. Is weer heel anders dan het drukke, toeristische maar ‘goedkope’ Eminönü. En Arnavutköy waar ik nu ben, ziet er uit als een dorpje waar de welgestelden uit Istanbul een tweede huis hadden (hebben) om uit te rusten in het weekend en in de zomer. Vroeger lag het letterlijk aan het water, nu ligt er een lelijke asfaltweg tussen de huizen en de Bosporus, maar naast mij, waar ik zit, op een oud voormalig terras of de oude kade zie je nog de rotsachtige bodem en helder zeewater dat constant in beweging is. De overkant ziet er ontzettend groen uit met de huizen van de gelukkigen der aarde verscholen tussen de bomen of aan de waterkant. Op de top van de heuvel aan de overkant staat ook de vreselijke gigantische nieuwe moskee die er vorig jaar nog niet stond en die meen ik ‘geschonken’ is door Erdoğan, hij lijkt op een wrat met geldingsdrang met die zes protserige minaretten. Maar laat ik niet lelijk doen. 

Ik eet rustig een quinoa salade met een glas witte wijn die me meteen naar het hoofd stijgt en ik moet die heuvel nog op en ik heb nog één brandende vraag: is er nou wel of geen getij op de Bosporus? 

Na de heilzame quinoa salade voel ik me heerlijk uitgerust en vol goede moed om de heuvelachtige straatjes van dit schilderachtige plaatsje in te lopen. De huizen zijn bijna allemaal van hout, sommigen zien eruit als nieuw en anderen storten bijna in elkaar. Het doet allemaal heel eilandachtig aan. Ik loop heel langzaam en maak veel foto’s. Ik vind weer een heerlijk hipster koffiecafé in de overtreffende trap, hier vervallen plafonds van beton waarvan de wapening bloot ligt, een prachtige oude tegelvloer, koperen retrolampen en de jongen achter de bar heeft zich al een tijdje niet geschoren en het haar half wit geverfd. 

Ik vind echt dat ik eigenlijk al weer genoeg gedaan heb vandaag, ik schrik me trouwens dood, het is al 18:30 en ik ga een Uber zoeken. 

Het is stervens druk op de vapur en ik merk hoe moe ik ben. Ik heb geen zin meer om te eten en loop meteen naar huis. Even facetimen met Jan en Ellen, even Netflixen nog en dan lekker slapen.

Plaats een reactie