
Ik sta op: regen. Op mijn enige stranddag. Maakt niet uit, wie weet knapt het nog op. Na weer een copieus ontbijt ga ik richting Ayvalık voor de wekelijkse donderdagmarkt. Het schijnt dat zelfs Grieken uit Lesbos hier op donderdag inkopen komen doen omdat uit de hele streek verse groenten en fruit worden verkocht. Ik verdwaal met de auto weer in veel te kleine straatjes en zie dan een klein bordje otopark staan wat ik maar volg. Ik kan op een gegeven moment bijna niet verder. Een man staat op van een plastic stoeltje en wenkt me. Hoe is dat toch dat ik hem totaal niet versta maar ik begrijp dat ik gewoon uit moet stappen en op moet krassen en dat hij de auto dan gaat parkeren op een ‘perkeer’plaatsje van dertig vierkante meter waar al vierentwintig autos staan, het is zogezegd valet parking. In combinatie met een live spelletje ‘road block’. God zegene de greep maar weer, en ik laat mijn auto achter, raam open, sleutel erin, tas er in en alles, niet meer aan denken Jen.
Ayvalık is ver-schrik-ke-lijk leuk, mensen. Die piepkleine straatjes, die huisjes uit 1880, ik weet niet waarom, maar alles ademt 1880, en Grieken, en het schijnt dat de oude Grieken die hier hier wonen, of oude mensen moet ik eigenlijk zeggen, nog steeds Grieks spreken. Even voor de achtergrond: na de eerste wereldoorlog, of misschien er nog wel vlak voor, vond er een soort gedwongen uitwisseling plaats van Turken (Ottomanen, moslims) die buiten Turkije woonden en ‘buitenlanders’ die in Turkije woonden. Stel je even voor: je bent Grieks maar je hele familie woont al eeuwen vreedzaam in Turkije, en je wordt ineens met je hele hebben en houwen (als je geluk hebt, ook nog) het land uitgezet, omdat je Grieks bent. Je komt in Griekenland aan, maar spreekt geen woord Grieks, of in elk geval een of ander boertig dialect, en de lokale bevolking moet je niet want je spreekt de taal niet en wie ben je eigenlijk, ik ken jou helemaal niet en door jou zijn mijn vrienden/familieleden weg. Zelfde geval voor bijvoorbeeld de Turken/Ottomanen/moslims in Bosnië: O, al generaties lang woon en werk je hier en heb je een bloeiend bedrijf in de weet ik veel wat? Jammer maar je gaat verhuizen naar Turkije, het moederland (dat je helemaal niet kent) roept je terug, en zoek zelf maar uit waar je neerstrijkt. De lokale bevolking moet je niet, want je spreekt Grieks/Bosnisch, je moet helemaal overnieuw beginnen met vrouw en kind en paard (misschien), en verder helemaal niks.
Dat is het verhaal van Ayvalık (waar de Griekse Ottomanen naar toe kwamen) en Küçükköy, waar de Bosniërs neerstreken in de lege huizen die de gedeporteerde Grieken hadden achtergelaten, en van vele wijken aan de Egeïsche kust en in Izmir en Istanbul, en niet te vergeten van Kayaköy, bij Fethiye, waar Grieken en Armeniërs woonden en dat nu leeg en uitgehold tegen de heuvel ligt te branden in de schroeiende zon, en waarover je uitgebreid kunt lezen in het prachtige ‘Vogels zonder vleugels’ van Louis de Bernière en het hartverscheurende ‘Middlesex’ van Jeffrey Eugenides.
Vandaar dat Ayvalık, het kan aan mij liggen, bijzonder Grieks aan doet, zelfs de mensen zien er Grieks uit, ik kan het niet helpen, je ziet het gewoon, het zijn geen turken maar grieken. Anyway, tegen mij spreken ze natuurlijk wel Turks. Verder zijn er natuurlijk olijven zover het oog strekt, en het lijkt erop dat de olijfarbeiders uit Küçükköy kwamen, en het geld ermee in Ayvalık werd verdiend.
De markt is stervensdruk, de regen is inmiddels vertrokken, en de schroeihete straatjes zijn eerst eindeloos gevuld met textiel en kleine mensen (iedereen een kop kleiner dan ik, alsof ik nog niet genoeg opviel) en ik vraag me af hoe en wanneer en aan wie ze ooit die miljoenen t-shirts en spijkerbroeken en tafelkleedjes gaan verkopen. Gek genoeg word ik hier minder aangesproken dan in Istanbul, het lijkt wel of de mensen me maar raar vinden: een toerist! Buiten het seizoen! Eer ze van de schrik zijn bekomen, ben ik al weer voorbijgelopen. Zoiets. De pazar yeri is vervolgens helemaal gevuld met local produce, en hoe rommelig het overal ook is, hier maken ze kunstwerken van hun uitstalling, alles netjes op rijtjes en in piramiden gestapeld. Ik ben dan weer slecht genoeg om te denken dat je je koopwaar dus van àchter de kraam krijgt. Maar het is een prachtig gezicht, het ruikt heerlijk fris en dat is het hier ook, de markt is overspannen met doeken en er ruist een windje doorheen. De drukte en de starende blikken ben ik echter snel beu, ik koop een zak appelen bij een mevrouw (een van de weinigen, de meeste verkopers zijn mannen) en loop richting de haven, want ontzettende trek in een kop koffie. Het is echt een beetje Russisch roulette want ook al staat er Kahve op de gevel dan wil dat zéker nog niet zeggen dat ze een cappuccino of latte onder de knie hebben. En ik heb het idee dat de Turken er ook niet echt áán willen. Ze hebben namenlijk hun eígen koffie. En kom niet aan de koffie van de Turken. Dat is de nationale trots. Cappuccino, latte, ze halen hun neus ervoor op. Melk in je koffie? Heb je een gaatje in je hoofd? Ook de jonge Turken die in de talloze als paddestoelen uit de grond schietende ‘coffee labs’ werken: melk in de koffie? Neeeeeeh. Maar ik heb geluk deze keer. De capu is heeerlijk. Ik bel gelijk even met het vliegveld Sabiha Gökçen waar ik de auto moet neerzetten morgenavond. Ze zeggen: “Het is makkelijker voor ons als je hem naar Atatürk airpot brengt.” Jah. Na wat heen en weer gedelibereer is het hopelijk duidelijk dat ik een vermogen heb betaald om hem niet naar Atatürk te hoeven brengen. Inşallah.
Ik rij door naar Küçükköy. Het is een vervallen piepklein dorpje, met een centraal pleintje rondom een boom en een moskee waar mannetjes aan tafeltjes zitten. Een houten muziektent staat klaar voor de iftar vanavond. In een oud koopmanshuis aan de rand bevindt zich nu het lokale museumpje van één ruimte, gevuld met allerlei huisraad, kleding, werkmateriaal en oorlogsmemorabilia van de Bosnische bewoners. Een paar prachtige zijden jurken uit de jaren twintig. Een Frans-Ottomaans woordenboek. Een typemachine. Een zijden mutsje. Ik ga helemaal op in de foto’s. Verder is het dorp een oase van rust ondanks dat overal aan de vervallen huisjes wordt gewerkt. Ik kom verschillende artisan hotelletjes tegen en hier en daar zijn huizen in allerlei kleuren geschilderd. Ik zeg je, de komende jaren gaan de prijzen van deze kleine romantische stenen huisjes vier keer over de kop. Nu al wordt overal in deze streek gekoketteerd met de term ‘rum evi’, Grieks huis, waarmee de karakteristieke historische stenen huizen wordt bedoeld. Hier staat het er vol mee.
Ik vind een soort vervallen binnenplaats waar een koffiehuis van is gemaakt, en ik ga zitten aan het open raam, tegenover een geel en blauw verschoten muur. Koffie hebben ze niet, dat wil zeggen ik krijg “nescafe”. Als je dan ècht geen Turkse koffie wilt – het is eigenlijk onbestaanbaar – dan kan je bij de gratie Gods een kop “nescafe” krijgen. Die kenmerkt zich trouwens doordat hij a niet te drinken is en b veel te heet. Maar het maakt me niet uit, ik zit hier intens gelukkig te zijn in Küçükköy, in dit half opgelapte huis met balken waar de zwaluwen nesten in hebben gebouwd en in en uit vliegen. Het is hier zo stil en rustig, zo’n heerlijk contrast met de drukte van de donderdagmarkt. De eigenaresse en haar man zitten buiten, zoontje en dochtertje spelen binnen om mij heen, mij af en toe even nieuwsgierig aanstarend. Na de koffie waar ik alle tijd voor neem, slenter ik nog even door het piepkleine dorp. Aan een van de huisjes ontbreekt een deur en binnen zie ik een paar kistjes met groenten en fruit uitgestald staan. Omdat ik een foto wil maken, maar dat niet zomaar durf, omdat ik dat een beetje raar vind, van iemands serieuze nering en levensonderhoud een bezienswaardigheid maken, koop ik een paar perziken voor 2 lira (50ct) en vraag aan het mannetje of ik een foto mag maken. Hij poseert voor me in de deuropening, en vertelt me dan dat ik de perziken in het gebouwtje ertegenover, de typische islamitische ronde fontein, even kan wassen. Als ik naar mijn auto loop komt er een klein vrouwtje uit een huis. Ze loopt dezelfde kant op als ik en groet me, en vraagt vervolgens of ik Bosnisch ben. Aangezien ze blond is vermoed ik dat ze zelf van Bosnische afkomst is. Ik zeg van nee, en dan zegt ze lachende een heleboel dingen die ik niet versta, ze pakt mijn hand en knijpt in mijn wang, “Çok güzel, çök güzel!”, zegt ze, ik weet niet of ze mij bedoelt of gewoon het feit dat ik hier ben en belangstelling toon, maar hoe lief is het allemaal weer. Ik loop weer over van dankbaarheid en liefde voor de wereld.
Final goal voor vandaag is de rest van de middag op het strand. Het weer is opgeknapt om niet te zeggen dat ik het zweet weer in de nek heb staan. De stranden zijn hier allemaal geclaimd lijkt het wel, in Bodrum was dat zo en hier zie ik ook grote delen van het strand afgezet door hotels en clubs. Ik kies beachclub Marenostrum uit (doet me denken aan het restaurant waar ik mijn 17e verjaardag vierde in Taragona, waar ‘spa’ werkte (ons pap), iedereen was uitgenodigd, een lange tafel op de kade met allemaal mensen, en vis, en ander lekker eten en ik dronk voor het eerst wijn of bier, ik weet het niet meer maar ik was voor het eerst dronken, en dat waar mijn ouders bij waren, mooiste verjaardag van mijn leven). Ik word begroet door de vrolijke eigenaar van ook het restaurant waar ik gisteren heb gegeten en ik twijfel of ik zal klikken over zijn personeel, maar doe het maar niet. Er is nog één familie met twee mannen, twee vrouwen en een klein kindje, zij zitten bij het café, en ik zit dus als enige (van het hele strand, op een paar vissers na) aan de waterkant op het zand op een bedje. Het is heerlijk, en warm en ik duik voor het eerst het water van de middellandse zee in. Ik realiseer het me heel goed, het water van de middellandse zee. Voor het eerst sinds een jaar. Maar op de een of andere manier vervult het me toch niet van de lyrische vreugde die ik vorig jaar wel beleefde, of misschien ligt het eraan dat het gewoon niet Ölüdeniz is, het water is niet zo azuurblauw en er ligt een ballenlijn die kennelijk het territorium van de club markeert. Ik haat ballenlijnen. Snappen mensen dan niet dat dit alle beleving verpest? De zee moet juist worden erváren als eindeloos, dus niet als ‘tot hier en niet verder want ballenlijn’. Niettemin blijf ik heerlijk de hele middag op het bedje liggen en voelt het zout op mijn huid aan als een weldadige spa treatment.
Op de weg terug haal ik een doosje baklava en knoop ik een praatje aan met de bakker, die me complimenteert met mijn Turks en zegt dat ik vooral naar de Zwarte Zeekust moet gaat, want daar is het zo prachtig, Trabzon, Ordu, Rize, het moet allemaal prachtig zijn, hij komt er vandaan. Is al de tweede keer dat ik dat hoor binnen drie dagen. Aan de overkant prop ik een ‘karışık tost’ naar binnen want dat schijnt een Ayvalıkse specialiteit te zijn, een tosti volgeladen met kaas, worst, augurken, ketchup en mayo en wat dies meer zij. Het staat in schril contrast met de vorige twee avonden maar dat maakt me helemaal niet uit. Het is niettemin heerlijk.
In het hotel probeer ik alles weer in mijn koffer te proppen. Ik was nog uitgenodigd voor een zelfgemaakte kadayıf van de moeder van Burak, de hotelmeneer, maar daar is het al te laat voor helaas. Ik val in een comateuze slaap.
