
Het zal toch niet waar zijn dat ik om 5:30 weer met de ogen wijd open lig. Ik vertelde gisteren aan de hotelmeneer dat ik de dag ervoor om 5:00 wakker was voor de zonsopkomst, en hij zei: “Oh, you have a beautiful view on the sunrise from your room too!” Ik lachte een beetje schamper, want die ging ik waarschijnlijk wel missen. Nu ik toch wakker was kon ik net zo goed even gaan kijken. Ik sloeg mijn dekbed om me heen en ging op het balkon op een stoeltje zitten. Het was nog zo stil, geen wind, het water was vlak, een eenzaam klein visserbootje kwam in de verte de baai in tuffen, de lucht kleurde roze, oranje en geel boven de kustlijn en het stadje Ayvalık, wat een bofferd ben ik toch weer. En ik weet nu ook dat de zon op deze dag van het jaar op deze plek niet in het oosten opkomt, maar in het oostnoordoosten, om 5:54 uur op 58 graden om precies te zijn.
Gelukkig kon ik ook nog even slapen tot een uur of negen. “Just small, simple please”, had ik gezegd op de vraag wat ik voor ontbijt wilde, want ik was de enige gast, dan konden ze daar rekening mee houden. “Just some bread, tomatoes, cheese, that would be fine, don’t make a fuss”, zei ik nog. Zeventien schaaltjes staan er voor me, plus twee mandjes met vier soorten brood, een bord scrambled eggs, een schaaltje met börek en een kaasplankje. In de schaaltjes zitten onder andere drie soorten huisgemaakte jam van karadut (moerbei), vijgen en rode peper (ja, jam van rode peper), naast allerlei andere toeters en bellen ook een schaaltje kaymak met honing, een soort roomkaas, ik eet bijna het hele schaaltje leeg. Alle hoop om nog wat af te vallen gaat verloren, maar laat ook maar.
Ik ga even het ontbijt laten zakken en pak dan mijn tas voor Bergama. Het moet iets meer dan een uur rijden zijn. Bergama is waar Pergamon zich bevindt, een stad die groot werd in de derde eeuw vC. Kennelijk kreeg de stad pas belang toen er een dame neerstreek die de onwettige zoon van Alexander de Grote bij zich had, toen moest er ineens een beschermingsleger naartoe, allemaal mensen erbij, gebouwen, geld, enfin allemaal gedoe, na de grieken kwamen de romeinen, die maakten het allemaal nog mooier, er toen kwamen de Duitsers die er niet met hun fikken van af bleven, sloopten en het hele handeltje meenamen naar Duitsland waar je het nu nog kan bekijken in het Pergamon museum in Berlijn.
Van kilometers afstand zie ik het al weer liggen bovenop een een berg, of beter rots, en er bekruipt me een bepaald voorgevoel.
Maar wat is Bergama een ontzettend mooi oud stadje! Het is kruip door sluip door het Middeleeuwse oude stadscentrum, o jeetje wat prachtig, oude kleine oosterse gebouwen, allemaal winkeltjes en mensen en kilims, ik zie hier voor het eerst die echt mooie dunne kilims. Ik zal wel weer spijt krijgen dat ik er geen heb gekocht maar eerlijk gezegd staan ze niet bij m’n interieur. Ik volg de bordjes dwars door het centrum naar Pergamon. Ook hier wordt de weg alweer steeds smaller, en het ìs nog steeds héél erg warm, en ik kom maar hoger en hoger en komt hier ooit een eind aan. Het asfalt houdt op een gegeven moment ook op, en ik heb nog nooit zo’n steile afgrond gezien, ook niet in Assos, en ik kijk niet meer, niet kijken Jen, niet kijken niet kijken. Op een gegeven moment staan er in een piepklein haarspeldbocht twee hoekspiegels want het is niet meer te overzien, maar ze zijn kapot. Als ik even later boven ben haal ik opgelucht adem en kan ik de hete auto onder een boom in de schaduw zetten want niemand. Pergamon is net als Assos ‘leeg’ maar wel veel en veel groter en indrukwekkender. Zo’n groot amfitheater heb ik geloof ik nog niet eerder gezien, enorm hoog en steil, je benadert het van boven en ik durfde nog net een selfie te nemen op de bovenste tree/ring, maar ben niet helemaal naar beneden gelopen, daar was het ook veel en veels te heet voor (had ik al gezegd hoe heet het was?), wat ik ook zei tegen een Chinees die uit de groep was ontsnapt. “Bij ons is het veel heter”, zei hij. “Bij ons is het veel kouder”, zei ik tegen hem. Hij was twintig jaar geleden wel eens in Nederland geweest, prachtig land, mooie tulpen. “The tulips are actually from Turkey”, zei ik. “Yes but you sell them”, zei hij, en dat is ook weer waar. Het zweet gutste mij over mijn rug de bilnaad in maar de gids van de veertig Chinezen die de hoek om waren gekomen vond het ook wel meevallen. Ik en de veertig Chinezen waren de enige bezoekers en kennelijk was ik deel van de attractie want ze begonnen ineens foto’s van míj te maken. Ik maakte me maar uit de voeten en schuifelde snel een gangetje in waarin ineens ook een prachtige passage verborgen zat, met allemaal boogjes waardoor het zonlicht naar binnen stroomde. In de gelukkige omstandigheid dat er nog niemand was, alleen ik, maakte ik meteen 500 selfies voordat de boel ging volstromen met de Aziatische vrienden en de maagdelijke aanblik verdween.
Er was nog veel meer te zien op en rond Bergama maar ik was onderhand verzadigd en half gesmolten dus ik kocht voor de vorm nog maar even een klein souvenirtje en zette de gang erin naar huis, alleen reed ik een straatje in dat volgens de routeplanner wel kon, maar helemáál niet kon, na ca 300 meter zat ik echt muur en muurvast, en kwam er een mannetje uit een huisje aan te pas om me terug te dirigeren.
Ik had niet zo heel veel gedaan maar was toch ketskapot, ging nog even douchen en daarna iets eten, deze keer bij Bay Nihat. Bleek achteraf het beste restaurant van Cunda te zijn, en ik zat inderdaad weer schandalig lekker van de mezze te eten. De ober maakte gezellig een praatje met me, ook al was ik duidelijk aan het schrijven. Ik moest weer even uitleggen waar ik vandaan kwam en waar ik heen ging en waarom. Ja, drie dagen Ayvalık, heel weinig, er is zo veel te zien. Ja, ik heb nog maar één dag, en ik wil nog naar de markt, naar Küçükköy en naar het strand. “Weet je wat”, zei hij, “morgen is mijn vrije dag, als je wilt kan ik je wel even het eiland rondrijden.” Neeeeeee, dacht ik, “Dat is erg aardig van je, maar ik heb zoveel plannen, ik denk niet dat ik daar tijd voor heb.” “Ik kan je naar Devil’s Mountain brengen (Nee, dàt klinkt vertrouwenwekkend…), ben je in twee uurtjes weer terug”, zegt hij. Treetje omhoog in de schaal moeilijk af te poeieren. “Misschien als ik tijd over heb”, zeg ik. Hij trekt zijn wenkbrauwen een beetje op..”Je wilt honderd dingen doen, en uiteindelijk doe je er maar één”, zei hij een beetje ongeduldig wordend van mijn desinteresse. “Terwijl, hier ben ik, een eerlijke betrouwbare moslim, ik neem je mee die berg op en je ziet Ayvalık, Küçükköy en Sarımsaklı in één keer.” Puntje erbij. “Weet je wat”, zeg ik, “Geef me je telefoonnummer maar, als ik morgen tijd over heb dan app ik je misschien wel. Maar ik beloof niks.”. M’n beoordeling is ook meteen omgeslagen van aardige ober naar zelfingenomen mysogyne ober, met die blik van ik, man van de wereld, zal jou, vrouw hulpeloos alleen, wel even helpen. Ik wil hier zo snel mogelijk weg. Ik moet een rekening betalen die ruim twee keer zo hoog is als gister en ik geef een gênant kleine fooi. “Have a nice day tomorrow”, zeg ik. Naar mijn auto lopend word ik nog even achterna gezeten door een jongen van een jaar of vijfentwintig die zowat mijn auto inspringt als ik de deur opendoe, maar ik doe net of ik het niet zie en geef een straal gas. Het moet niet gekker worden.
In het hotel ga ik lekker op het balkonnetje zitten schrijven. Dat is wel een beetje het nadeel. De Turken hebben niet van hun moeder geleerd dat je niet mag staren, ik voel me af en toe hogelijk opgelaten, en je bent zonder die (nep)trouwring toch een beetje aangeschoten wild. Verder krijg je dus met mannen wèl contact, met en zonder bijbedoelingen (trouwens ook alleen maar obers te vinden, geen serveersters), maar met vrouwen niet, en niet alleen omdat het merendeel je niet moet omdat je hun mannen maar afleidt, maar ook omdat de Turkse vrouwen nòg minder Engels spreken dan de mannen. En dat vind ik verschrikkelijk jammer, want ik zou zo graag eens een echt gesprek met vrouwen van hier willen hebben, omdat ik nieuwsgierig ben naar de man-vrouw cultuur en hoe vrouwen dit ervaren. Ik kan mijn oordeel er al wel over klaar hebben, maar zolang ik er geen gesprekken over heb gevoerd, wie ben ik dan om dat oordeel erover te vellen?

