
De bestemming is vandaag Ayvalık maar ik heb nog een ambitieuze reis voor de boeg. Ik wil naar Apollon Smintheion, naar Assos en een tussenstop maken in Edremit om geld op te halen.
Om de een of andere achterlijke reden zet ik mijn wekker om 5:10 omdat ik zonodig eruit moet om de zonsopkomst te fotograferen. Wat bezielde me, ik weet het niet, want de zonsopkomst ziet er globaal hetzelfde uit als de zonsondergang, en dan ben je tòch al wakker, dus dat is wel zo makkelijk. Maar neen. 5:30 eruit, kleren aan en daar gaat onze amateurfotograaf die geen zin heeft om verder te rijden dan de straat uit, want als je verder rijdt zie je ook meteen niks meer van die hele zonsopkomst. Dan blijkt er vervolgens natuurlijk geen fatsoenlijke foto te maken want er staat vanalles in de weg, met name tv schotels (ja, Turkije), elektriciteitsmasten en lelijke nieuwe hotelflats en het schattig dorpje is helemaal niet te zien laat staan badend in het roze-oranje ochtendlicht. Dit is een teken om serieuze fotografie verder maar aan serieuze fotografen over te laten. Ik kruip weer in bed en slaap nog een paar uurtjes.
Ik krijg een droomontbijt van de huiskokkin met menemen, gözleme, allemaal kaas en olijven, ik kan van alles maar een beetje op maar op de tomatenjam doe ik goed mijn best.
Om 11:00 wil ik de boot hebben dus als ik ook nog iets van het eiland wil zien moet ik opschieten. Ik besluit niet naar de vuurtoren te rijden maar naar het strand, dat is tien minuten rijden. Er is niemand, alleen een paar mannen die aan het werk zijn en die me ongegeneerd nastaren als ik de auto uitstap. Het water is blauw en doorzichtig het strand small en lang. Ik verlang verschrikkelijk naar een duik, verschrikkelijk gewoon, het is zo heet en iedereen loopt in een lange broek, en ik ga zowat hallucineren van verlangen naar zwemmen in zee. Maar ik moet weg. De boot halen.
Smintheia valt een beetje tegen want de Turken hebben er weer met hun vingers aangezeten, maar er ligt nog genoeg rommel verspreid over de grond en half uitgegraven dat het interessant is. Ik gap een klein stukje roodachtig rond aardewerk mee waarvan ik vermoed dat het een stukje waterleiding is en dat vermoeden wordt bevestigd. Wie heeft er ooit van gehoord, deze ruïne in deze verlaten uithoek waar werkelijk nooit iemand lijkt te komen, maar mij wordt verteld dat dit de belangrijkste plaats in het land was om Apollo te aanbidden. In de bloedverzurende hitte maak ik het hele rondje af en ga dan weer in die kookpan van een auto zitten en zet koers naar Assos.
Veel bochtige weggetjes en het gekke is dat ik een zwarte mercedes achter me zie rijden met drie mannen erin waarvan ik zou zweren dat ik die al eerder achter me heb zien rijden, maar laat ik niet paranoide worden. Ik moet toch nog tanken en dan zijn ze ook weer verdwenen. Al kilometers van te voren zie ik in de verte een heel hoge berg met een vierkante toren erop, een echt niet te missen gigantische dikke vette toren. Het ziet er erg hoog uit en het blijkt inderdaad Assos te zijn. Daar aangekomen staat er een bordje ‘Antik Liman’, antiek haven, dat ik natuurlijk moet volgen, alleen wordt de weg na een paar meter ineens wel héél erg smal en het asfalt verandert in kinderkopjes, en rechts van mij zie ik een steile afgrond, volgens mij ben ik nog nooit op zo’n hoge berg geweest, dit moet toch wel zeker 2000 meter zijn, ik zie de zee, diep, diep onder me en ik hàd het al zo warm. En terug kàn ik niet, ik moet dus helemaal naar beneden, naar de antieke liman over die bobbelige gladde steentjes verd*mme. Het weggetje komt uit op een fris klein dorpje van bijna 200 jaar oud, met supersmalle straatjes, ik twijfel steeds of ik er wel door kan maar van buitenaf wordt me verzekerd dat het echt wel kan er wordt wild naar links en rechts gebaard. Achter het rijtje oude statige bruine huizen die pal aan het haventje staan is een parkeerplaatsje waar ik de auto onder een boom kan zetten en ik vind dat ik die koffie nu wel heb verdiend. Van verschillende kanten klinkt het iyi günler, hoş geldiniz en buyrun, het woord dat graag een toverspreuk had willen zijn om mensen naar binnen te trekken. De hele kade staat vol met terrassen en er is niemand, ik ben letterlijk de enige, ik schuifel zo snel mogelijk naar een van de achterste terrassen, dichtbij de uitgang van de haven. Het is hier heerlijk fris, ik bestel iets te eten en een kop capuccino, en die blijkt buitengewoon verrukkelijk te zijn. Ik zit op dit moment echt te genieten en uit te rusten en me op te laden voor de hellerit terug naar boven. Als ik terugloop naar de auto word ik aangesproken door een vrolijk kijkende man van ergens in de vijftig met blond-grijze krullen en knalblauwe ogen. Leuk geprobeerd, die werken misschien bij de Turkse dames maar I’m not impressed mister. Ik blijk hem te moeten betalen voor het parkeren. ‘Where are you from?’, vraagt hij. Altijd een originele binnenkomer. ‘Holanda’, zeg ik, ‘and you?’ Eigenlijk als grapje vraag ik dat steeds want ik ga ervan uit dat iedereen hier uit Turkije komt. ‘Yunanistan’, zegt hij, Griekenland. ‘You chose a nice place to live’, zeg ik. ‘Where are you staying?’ vraagt hij. ‘I’m not staying’, zeg ik, ‘I’m leaving. I’m only here by accident.’ ‘Why are you leaving, you have to stay here. Where are you going?’ ‘I’m going to Ayvalik for three days.’ ‘Two’, zegt hij. ‘No three’, zeg ik. ‘No two’, zegt hij grijnzend, ‘and one day you stay here’. Ik moet er wel om lachen, ‘I’ll come back, I promis’, zeg ik lachend want ik wil hier echt een keer terugkomen, maar dan wel met mijn man, maar dat zeg ik er maar niet bij, ik schep er geen bijzonder genoegen in om hun versierplezier meteen de kop in te drukken, is ook nergens voor nodig. Ik betaal hem en ga de auto halen. Als ik langs rij stopt hij me even. Door het open raam geeft hij me een Grieks-blauwe sjaal met bloemen. ‘So you don’t forget me. See you next time’, zegt hij. Terwijl ik wegrijd, gooit hij een kom met water over de achterkant van de auto (het zal wel iets betekenen), ‘I’m waiting for you!’, roept hij me achterna. Grapjas. Die sjaal is trouwens nog handig bij die hitte op je schouders.
Ik rij meteen door naar boven, helemaal op de top van die berg moet de ingang naar Assos zijn, naast de moskee. Ik mis de aangewezen parkeerplaats en rij gewoon het bergdorp in, waar ik nog andere auto’s heen zie gaan over de kinderkopjes. Op een gegeven moment worden de straatjes wel erg smal en steil en ik vraag het toch maar even maar ik mag gewoon doorrijden. Is dit echt de bedoeling? Ik heb nu al het idee dat ik in een museum rijd, maar het zal wel.
Op een gegeven moment moet ik zó’n scherpe bocht nemen, en zó steil omhoog dat ik er echt niet meer in geloof, dus ik laat me maar terugzakken naar een minipleintje waar één auto staat en daar zet ik hem naast. Ik moet nog een paar straatjes omhoog lopen op deze allejezus hoge berg en dan kom ik op de antieke parkeerplaats waar een paar toyotabusjes staan geparkeerd voor de ingang. Okee.
Echt, deze huizen zijn zó oud, er wonen nog steeds mensen, wat dóen ze hier, elke godganselijke keer die pokkeberg op. Ze bestaan overigens voor het grooste deel van toerisme, verkopen tasjes en beeldjes en houtsnijwerk en kleding uit China wat kleurrijk op straat staat uitgestald. Ik koop maar een haarband voor de liefdadigheid. ‘Handmade!’, schreeuwt de verkoopster naar me. Ja, zal wel, door Taiwanese minderjarige meisjes dan waarschijnlijk.
Assos blijkt werkelijk enorm te zijn, het uitzicht is adembenemend, en het is hoog, zo hoog, wat déden die mensen hier in vredesnaam, al moet het wel een machtig gevoel hebben gegeven als je hier je residentie had, je kan van heinde en verre iedereen aan zien komen en van heinde en verre ziet iedereen jou. Diep beneden mij ligt een spartaanse muur en ruïnes. Bovenop de berg vormt een tempel het centrum van de bouwwerken, het doet niet onder voor de Akropolis in Athene, nou ja, een beetje wel, want zoals ik al zei hebben de Turken er weer aangezeten, maar in elk geval niet qua hoogte. Verder ben ik niet heeeeeel erg onder de indruk, alles is gemaakt van het harde donkere steen dat hier in de buurt plenty wordt gevonden. Er is geen marmer, geen ornamenten, geen tekenen van waterleidingen, geen pleinen zover ik kan zien. Het enige dat echt ontzag inboezemt is het uitzicht van deze hoogte.
Als ik terug rijd door de smalle straatjes en op weg ga naar Ayvalık, loop ik in gedachten alle plaatsen langs die ik in de loop van de tijd heb bezocht, sommige met Jan. De meeste indruk hebben toch Xantos en Arykanda gemaakt. Ook was ik net op tijd in Afrodisias voordat de Turken het stadsbad aan gort restaureerden, in de half weggezakte marmeren omringende banken stonden tekens en spelletjes gekrast van echte mensen die daar dagelijks zaten te praten, met hun voeten in het water. De pracht en praal van Laodikeia of Efes heb ik nooit meer ergens gezien, net als het frêle, kwetsbare Lagina in het avondlicht, of het schijthuis van Magnesia.
De bochtige weg leidt langs de kust en dat is niet een strandkust, maar een rotsachtige stenen kust waar mensen toch hebben geprobeerd iets van strand van te maken door allerlei platformpjes in het water te leggen, steigers en loopplanken. Dat is rechts van de weg. Links van de weg stikt het van de pansyons, campingachtige plekken en andere b&b’s. Voor me zie ik ineens me mannetje op de weg staan zwaaien met zijn armen. Ik twijfel of ik een natuurlijke aandrang heb tot het helpen van mensen of gewoon een natuurlijke nieuwsgierigheid, maar ik stop in elk geval. De man spreekt geen woord maar dan ook geen woord Engels en vindt het ook heel moeilijk om langzaam Turks tegen me te praten maar uiteindelijk kom ik erachter dat hij geen benzine meer heeft en of ik hem even een sleepje kan geven naar het benzinepomp station 2 km verderop. Ik zal jullie alle overwegingen besparen, die kan je inmiddels wel raden, 2 zal wel 20 zijn, en ‘geen probleem’ is vooral geen probleem van jou als mijn gehuurde auto uit elkaar valt, maar wel van mij, maar allah, ik besluit het toch maar te doen. (Waaròm, Jen, waaròm toch altijd geen nee kunnen zeggen en al die ellende op je hals halen. Waarom?) Man gilt nog iets tegen vrouw en kind, is er iemand die engels spreekt? Nee? Dan moet het maar zoals het kan. Hij komt aan met een vislijn die kennelijk de auto moet houden en bindt die aan mijn sleepoog. Ik kan je vertellen, iemand slepen in een huurauto is ècht ruk. Als jij al vaart hebt maar je aanhanger niet, voel je echt zo’n knal met een akelige ruk aan het onderstel van de auto. Het kàn niet goed zijn. Ik hou mijn hart vast. En god, wat is het warm. Als ik een paar heuveltjes en wat getoeter later in mijn spiegel kijk, denk ik ‘Waar is die auto gebleven?’. Dit is het moment om er tussenuit te piepen, ik kom hier per slot van rekening toch nooit meer terug, maar dat kan natuurlijk niet. Ik rij terug naar de man die er een beetje verloren uit ziet en ik begin in mijn kofferbak de hulpkit van de Hyunday door te spitten en verdomd, daar zit een sleepkabel in, met van die hoefijzerschroefhaken die we aan boord ook hebben. Ik weet hoe dit werkt en zit op mijn knieën de ene vast te maken aan het sleepoog, de man probeert het handeltje nog uit mijn handen te trekken want dat is het natuurlijk zijn eer te na, maar dat laat ik niet gebeuren. Hoefijzerschroefhaken zijn míjn terrein verdomme. Poging nummer twee. We halen nèt het pompstation en PANG het ding schiet los. Bang dat ik de auto ik tweeën heb getrokken stap ik uit maar het blijkt godzijdank alleen de naad van de nylon trekband te zijn. En het ìs al zo warm. Enfin, man blij, ik blij dat ik weg mag. En dat ik toch weer iemand uit de shit heb kunnen trekken vandaag.
Ik ben ontzettend moe en verlang naar een douche.
Het hotel is fris en koel maar wel een beetje oud. Die heerlijke frisse duik in het zwembad kan ik vergeten want het zwembad is halfleeg. Ik ben de enige gast. Ik neem een douche en vraag om een glas wijn. Die krijg ik in een houten gazebo met kussens aan de rand van de zee met een schaaltje verse wilde aardbeien die naar verse wilde aardbeien smaken in plaats van naar appel.
Ik eet ’s avonds veel te veel verschrikkelijk lekkere meze aan de kust in het enige plaatsje dat Cunda rijk is. Ik moet weer even wennen aan het negeren van de starende, priemende, klevende blikken. Tijdens het eten kan ik me gelukkig verschuilen achter mijn ipad.
Ik slaap heerlijk, echt heerlijk in het knisperende witte bed.