Einde verhaal


Dus… Er zou om 11:00 op deze laatste dag een een bootje vertrekken naar Kelebekler vadısı, Butterfly Valley, dus de keuze was nog even in de bloedverziekende hitte naar Fethiye om te winkelen, of snorkelen in Butterfly Valley. Ik moest nogal opschieten maar ik haalde het net. Hup, ik met die tekne mee. Tussen alle onvoorstelbaar pompeuze drijvende kermissen van dagtoerboten, leek dit meer op een vluchtelingenboot, er werden alsmaar meer mensen op gepropt, overigens alleen maar Turken en Russen, maar alles ging goed die veertig minuten naar de legendarische Vlindervallei. Onderweg werd gezegd dat ze na ongeveer anderhalf uur naar de şelale zouden gaan wandelen, kan ik toch even het Nederlandse woord niet vinden, waterval. De Butterfly Valley is echt een prachtige idyllische plek, traditioneel door de Turken vernacheld tot kermisattractie, maar ik ben dan wel een beetje streng. Stel je twee reusachtige rotsen voor, echt ontzagwekkend hoog en steil en van keihard marmer, met onderaan een driehoekige vallei, met aan het eind daarvan een strandje van zand en grind en stenen, en het mooiste water dat je ooit hebt gezien. Alle geluiden echoën door de groene vallei, er is alleen een onherbergzaam looppad naar toe, anderszins kan je er alleen met de boot komen, of met een paraglider. Er mag niks permanent gebouwd worden, er staan van oudsher maar twee kleine stenen gebouwtjes ofzo, maar je mag er wel kamperen, en van doeken en triplex en bamboe zijn links en rechts van het strand een paar schamele hipster eettentjes gemaakt. Tegen de noordelijke rotsen aan, een of twee verdiepingen via rotsblokken naar boven klauteren, is een ‘disco bar’, het eerste obstakel in al deze schoonheid, die keiharde muziek aan heeft die je door de hele vallei hoort galmen. Het is een werkelijk prachtig plekje, ze hebben er ‘lounge’ banken gemaakt van bamboe en pallets met kussens erop en needless to say is het uitzicht als je hier zit over de vallei en het strand en de zee weergaloos. De hele sfeer van het strand is verder onnavolgbaar bohemien/hipster/new eighties met al die kampeerders die er rondlopen met van die harembroeken en dreadlocks en kleurige doekjes om het hoofd (mannen en vrouwen eender) en John Lennon brillen. Ik moet zeggen, het is echt leuk gedaan, afgezien van die pokkeherrie. Wat echt verschrikkelijk moet zijn voor die kampeerders, is als hier tegen een uur of 12 de toerboten aankomen, de ene nog obscener uitgedost en luidruchtiger dan de andere, hele piratenschepen maken ze ervan, met keiharde muziek, glijbanen en drie masten en ra’s en kraaiennest en piratenvlag en alles, het is werkelijk van een ongekend stuitende wansmaak en ik maak me lichtelijk zorgen over de toekomst, voorzie kabelbanen en jetskiverhuur. Maar goed, ik ben van die vluchtelingenboot afgekomen en ik zie dat niemand verder wegvlucht van de massa en aan het eind de rieten parasolletjes opzoekt, ik doe dat wèl, want zelfs het zand/grind is hier inmiddels te heet om op te lopen, je voetzolen schroeien onder je vandaan. Ik moet meteen het water in, verkoeling zoeken met mijn snorkel, het is echt heerlijk, er valt niet zo heel veel te zien, alleen een paar spiesvormige vissen. Als ik echter het water al uit ben, zie ik rechts van mij een grote ronde schaduw voorbijkomen, weet ik niet hoe snel ik mijn snorkel van het zand moet graaien en al struikelend weer opzetten en het lukt me en ik zwem zomaar achter een reusachtige schildpad aan, hij is wel 60-70 centimenter breed, ik kan hem ook nog aanraken, ik strijk met mijn vingers over de harde schild die glad is van de aangroei, en even heb ik de onbeleefdheid om de schild bij de rand vast te pakken, misschien laat hij het wel toe dat ik een stukje met hem meega, maar per ongeluk raak ik ook zijn staart aan en hij fliebert er een beetje mee en gaat er dan vandoor. Ik kan het hem niet kwalijk nemen. Maar wat een geluk heb ik weer, en niemand heeft het gezien, alleen ik, een paar kleine kinderen speelde vlakbij in het water, maar ze hadden niet in de gaten. Ondertussen ben ik trouwens al weer een aardig eind uit de kust geraakt, je hebt het echt niet in de gaten hè, als je een schilpad achterna zwemt. Tussen alle halfgare transferbootjes en protserige toerboten, komt ook een enorme shiny donkerblauwe polyester dinghy met teakdek aangevaren met twee Justin Biebers erop. Rustig zetten ze de dinghy tegen de wal en beginnen wat spulletjes uit te laden. Drie groene parasols, vier bijpassende regisseursstoeltjes, opgerolde handoekjes erop, bijpassende koelboxen ertussen. Het valt me eerst nog niet zo op, totdat de dinghy terugvaart naar een jacht van gigantische proporties, dat aan het eind van de baai voor anker ligt. Het duurt niet lang voordat de dinghy terugkomt met de Biebers en vier extra personen, die in de dinghy blijven zitten totdat ze een trapje hebben neergezet om uit te kunnen stappen. Eerst wordt een man van een jaar of zeventig geholpen om uit te stappen. Die gaat in het eerste regisseursstoeltje zitten. Dan volgt een aanzienlijk jongere vrouw, en twee kinderen van een jaar of twintig. Naast elkaar zitten ze daar, precies in het midden van het strand, stoeltjes naast elkaar in de richting van de zee. Ze zwemmen niet, lezen een boek, de jongen zit op zijn telefoon te koekeloeren. Het ziet er een beetje grotesk uit, en eenzaam, wie zijn die mensen, oliemensen? Hotelmensen? En wat een leven heb je dan, schathemeltje rijk, maar constant een legertje Biebers bij je om je stoeltje voor je neer te zetten. Nooit alleen, maar altijd eenzaam, wat verschrikkelijk. Als ik naar het jacht kijk vraagt ik me af hoeveel mensen er zouden werken, vijf? Tien?

In de hippieachtige strandhut eet ik een broodje balık ekmek (broodje vis) en loop dan achter het groepje vluchtelingen aan om de şelale te zien. Waar ik natuurlijk na twee stappen al weer spijt van heb want bloedverziekend heet, je loopt dwars door het wilde struikgewas van die vlindervallei waar alle hitte zich benéden verzamelt en er geen zuchtje wind doorheen komt, bovendien loop ik net als iedereen op slippers, niet echt het geschikt schoeisel voor een onverhard pad met stof en grind, en dan kiezels, en dan steentjes, en dan stenen, en dan f**ing rotsen. Naast me torenen de rotswanden van de vallei eindeloos hemelwaarts overhellend boven me uit, steeds dichterbijkomend als een fuik, en wáár ben ik aan begonnen. De schilderachtige bordjes ‘stilte want de vlinders slapen’, maken plaats voor ‘pas op, er kunnen stenen vallen’, op je hoofd, bedoelen ze, ik weet niet wat die bordjes voor zin hebben, je ziet die stenen niet aankomen, want ze komen van boven, en krijg je er een op je hoofd, dan ben je dood. Eén licht aardbevinkje en ik ben er geweest, één rotsblokje dat verschuift, en ik heb een heel groot probleem. Inmiddels klautert iedereen vrolijk verder alsof het een lieve lust is, door het struikgewas heen, over de gladde marmeren rotsen, en inmiddels wordt het iets koeler en hoor ik water ruisen. Tot nu toe waren alle watervallen die normaal gesproken van de bergen zouden moeten ruisen niet meer dan een paar druppels, want al weken geen regen, bedenk ik me ineens, dus het zal me benieuwen, maar ik loop maar gewoon door. Het wordt hier wel wat frisser en dat alleen al maakt dat ik toch nog wel even door wil lopen. Van een pad is al minuten lang geen enkele sprake meer, over elke stap moet worden nagedacht. De jongens voor mij geven me af en toe aanwijzingen, use hands, put foot here. Right. Inmiddels gaan we maar hoger en hoger, waar eindigt dit in vredesnaam. We passeren verschillende bordjes ‘Tehlikeli, dangerous’, jahaaaa, nu wéét ik het wel. Ook zo’n lekker Turkse voorziening, we zetten er een bordje neer maar verder zoek je het zelf maar uit. Wat eigenlijk in de basis ook het beste is, je moet de dingen niet overreguleren, we ontleren helemaal om onze eigen verantwoordelijkheid te nemen. Een kleine snelstromende beek krult een paar keer voor mijn voeten langs, het water is heerlijk koel aan mijn voeten, maar maakt mijn slippers spekglad. Eindelijk, na uren klimmen (feitelijk een minuut of tien) komen we aan op een plek waar we echt niet verder kunnen omdat de doorgang geblokkeerd wordt door een rotsblok zo groot als een vrachtwagen en waar een stralende waterval van ongeveer een meter breed van hoog boven over de groene rotsen klatert, en in een badje terecht komt. Niemand staat er onder, ik kan er rustig heen en even mijn hoofd en handen eronder steken en druppend achterom kijkend zie ik de groene rotsachtige vallei waar geen pad te bekennen is. Alsof ik in de jungle de weg ben kwijtgeraakt. Wat welbeschouwd eigenlijk ook een beetje zo is.

De terugweg is zo mogelijk nog belachelijker dan de heenweg. Over sommige rotsen kan ik me over het gladde stoffige marmer voorzichtig naar beneden laten glijden met mijn witte short. Dan weer moet ik achterstevoren mijn voeten in een piepklein uitsteekseltje zetten en mezelf aan een boom vasthouden. Ik durf niet naar beneden te kijken, wat is dit voor gekkigheid toch elke keer weer. De Russen lopen me straal voorbij, van de Turken krijg ik af en toe een lief handje. Ik mag weer even uitleggen wat ik hier in mijn eentje aan het doen ben, meestal krijg ik dan een niet begrijpende blik toegeworpen, van, ‘hoezo, in je eentje?’, maar deze hippies vinden het wel interessant. We passeren granaatappelbomen, bloemen en geiten, en halverwege het pad rukt een van de jongens een paar takjes met blaadjes van een boom (totaal geen respect voor de integriteit van de natuur, maar goed, het was lief bedoeld) en geeft die aan mij. Ik moet ze mee naar huis nemen, zegt, to cook with fish. Hij noemt de naam, ik ben het even vergeten, iets van defne ofzo, het klonk als een meisjesnaam, het ruikt inderdaad sterk, een beetje zoet, en kruidig, ik denk dat het laurier is, zo ziet het er uit. Thuis even checken.

Dichter bij het strand is er weer een pad, dat kronkelig langs de hippiecamping en de met kleurige lampionnetjes behangen bamboe-multiplex lokanta is aangelegd. Het strand is nu bijna verlaten, de toerschepen hebben het anker gelicht om in een andere baai de sfeer te verpesten, dus er is kalmte en rust.

Meteen trek ik mijn bestofte zweterige kleren uit, pak de snorkel en koel heerlijk af in dat eindeloos fijne water, alsof ik thuiskom, zo voelt het, en alsof ik niet genoeg ben verwend komt andermaal die reusachtige schildpad voorbij. Ik denk dat het dezelfde is, twee lange vissen zwemmen onder zijn buik met hem mee. Ik volg hem meteen en dit keer is er ook een andere snorkelaar bij. Hij zwemt recht achter de schildpad aan, alleen, die zwemt op het strand af, en zal op enig moment richting zee moeten afbuigen, dus ik ga er op een afstandje naast zwemmen, en het gebeurt precies zo, het beest komt nu bijna recht op me af, en ik kan hem makkelijk aanraken maar ik doe het niet. Zijn schild is lichtgroen en een klein beetje bemost, de weerkaatsing van de zon door de golven vormt er grillige lichtpatronen over. Hij zwemt nu minder dan een meter onder me, recht onder me, zo dichtbij, alsof hij het helemaal prima vindt, dat we hier met z’n tweetjes geziyoruz, hij gaat zelfs nog wat langzamer zwemmen, en samen zwemmen we stukje op, intens tevreden, hij maakt een slag met zijn poten, en ik doe hetzelfde, in hetzelfde tempo, alsof we samen in stilte een wandelingetje maken in de natuur. Na een paar minuten komt hij even boven voor lucht en moet ik zelfs even wachten om niet tegen hem aan te botsen, en dan zwemmen we samen rustig weer door. Ongemerkt zwemmen we al aardig richting open zee en dan is het wat hem betreft kennelijk tijd om afscheid te nemen, hij zakt af naar de bodem en ik verlies hem uit het oog. Ik kan niet uitleggen hoe dankbaar ik ben.

Ik gooi de snorkel nog even op het strand en duik nog even naar beneden om het water door mijn haar te voelen. Laatste keer. Ik weet dat ik er veel te hysterisch over doe, maar het is alsof ik hier alles weer achter moet laten, alsof ik straks wegga zonder mijn hart, omdat dat hier verder klopt, in dit hartverscheurende heldere water. Sorry, ik ben een jankerd voor de zee, ik weet het.

Als ik terugzwem staat er een jonge vrouw met een opblaaskano bij mijn snorkel. Ze kijkt om zich heen, dan naar de snorkel, en dan weer om zich heen, alsof ze niet weet of ze hem op moet rapen, ze kijkt er een beetje bozig bij, alsof ze denkt ‘die kl*tetoeristen die hier alles maar van zich afflikkeren (en dat is ook zo). Ik kom wat dichterbij en zeg, “Pardon, bu benim”, dat is van mij, ‘that’s mine’ zeg ik er nog achteraan. “O, right”, zegt ze glimlachend. “You can use it if you like”, zeg ik, “I just swam with a turtle”. “Ooo really”, zegt ze, “Where did you find it?” “I didnt’t find it”, zeg ik, “It found me”. We hebben een kort gesprekje en ze vertelt dat ze uit Australië komt, al vijf jaar in Turkije werkt, “there’s a whole bunch of us, we’re mostly working but sometimes they let us go swimming or kayaking”. Na wat uitwisselingen van onze reiservaringen in Turkije gaan we ieder ons weegs en realiseer ik me dat ze op dat gigantische jacht werkt, ik totaal vergat te vragen wat ik wilde weten, wie dat nou eigenlijk was, en met hoeveel mensen ze daar werken. En wat voor leven dat nou echt is.

Hoeveel mensen er op het vluchtelingentransport terug naar Ölüdeniz gaan, zie ik tien minuten later, ik schrik me dood want ze vertrekken nu en ik moet nog mee. Het zijn er nu twee keer zoveel, sommige mensen moeten zelfs staan. Dag Butterfly Valley, ik heb weer een hoop gezien, eigenlijk alles behalve vlinders.

We varen weg uit de lagune en ik zie het strand van Ölüdeniz met de paragliders erboven. Ik wil er niet over nadenken dat dit de laatste dag is. Morgen begint de bayramı en zal het hier tien keer zo druk zijn. Nu, eind van de middag is het op het strand wel rustig. Ik twijfel of ik nog iets zal eten hier op het strand, maar ik moet nog zoveel pakken, en eigenlijk ben ik er klaar mee. Ik moet er maar niet teveel bij stilstaan, als ik de vertrekpaniek toelaat ben ik hier nog tot middernacht om niks te hoeven missen. Ik gedachten loop ik de dingen even na, alles gegeten wat ik wilde eten? Kalamari, börek, pide, kuzu, balık ekmek? Check. Alles gezien, gevoeld, gedaan? Okee dan hop met de geit.

Woensdag ofzo: Help Beach Bar, Stratonikeia


Intussen heb ik ook nog het eiland boven Fethiye rondgereden, genoten van het uitzicht op de stad en daar een heerlijk stijlvol beachclubje ontdekt waar ik heerlijk heb gesnorkeld en een klein fortuin heb uitgegeven aan bedje en parasol, een paar cosmopolitans en pizza, waarna ik lang, bijna tot zonsondergang moest wachten voordat ik in staat was om over de onverharde kronkelige weg terug te rijden. Ook ging ik op een dag naar Stratonikeia, twee en een half uur rijden over die fijne D400, bij Muğla linksaf, ik lijk wel gek. Na die paar dagen hete loomheid was het moeilijk om op tijd uit bed en op gang te komen, maar om een uur of 11 vertrok ik, en toen ik na Fethiye eindelijk de karayol opdraaide, maakte zich ineens weer het roadtrip-gevoel van me meester, met de auto op weg, verder en verder, vrij en blij naar onbekende dingen. Ik was laat, dus besloot deze keer geen lifters mee te nemen wat ik zo tien keer had kunnen doen onderweg. Ik heb het afgelopen half jaar goed bestudeerd waar het zou moeten zijn en ik had google maps bij de hand. De afslag naar Stratonikeia stond 10 meter van te voren aangegeven, een ondenkbare afslag vanaf de snelweg rechtsreeks het met stenen bezaaide zandpad op in een haakse bocht, waar ik dus bijna uitvloog. Maar goed, ik was er eindelijk, en ooo jeeeeee, wat is dit?! Het weggetje werd almaar onbegaanbaarder en met grotere stenen die in de weg lagen maar ik zag een ingestort huisje waarvan de muren duidelijk half waren opgetrokken uit marmeren blokken en stukken pilaar, en toen nog eens en nog een, ooooo jongens, ik heb de jackpot! Na nog een paar bochten zie ik een verzameling marmeren en granieten bouwstenen, met daarachter een grote ronde poort, waarvan de bovenkant is verdwenen, maar de zijkanten nog overeind staan. Hier zet ik mijn auto neer, pak mijn camera, tas en water, en loop er heen, zinderend van geluk. Als ik de poort heb bereikt zie ik daar achter de hoofdprijs liggen: een paar pilaren met daartussen een groot plein van witte marmeren blokken, met daarnaast lange rij rechte blokken waar de voeten van de pilaren op hebben staan. Ik ben weer eens de enige, er is weer niemand, de hitte schuurt in mijn keel en de krekels en de bijen zijn bijna het enige geluid. Ik kijk mijn ogen uit en besteed hier op het plein al een dik half uur, overal dezelfde mysterieuze tekens als ik al op andere plaatsen heb gezien, en scheefliggende blokken op de grond die het waterleidingsysteem blootleggen, en roestkleurige aardenwerk buizen die hier en daar de grond uit steken. Ik vind een stuk keramiek met vingerafdrukken erop en leg mijn eigen vinger er even in. Ik loop aan het einde van het plein het bos in, her en der staan kleine ingestorte huisjes, zonder uitzondering gebouwd met delen van de griekse en romeinse overblijfselen, die hier ook overal in het rond liggen. Ik loop terug en verken de rest van het terrein rondom het plein en de poort, en ik weet eerlijk gezegd niet goed naar welke tijd ik sta te kijken, delen van de grijs-roze oude muren bevatten stukken wit marmeren pilaar. Door de hele geschiedenis heen hebben mensen de resten van voorgaande beschavingen gebruikt om hun eigen beschaving op te bouwen, het doet een beetje pijn, maar het is toch een organisch gegeven. Deze plek is echter nog maar nauwelijks aangeraakt door de sloopgrage handen van de overheidsdienst der restaurantie- en vernachelwerken. Een paar pilaren zijn overeind gezet, er liggen wat stenen op een hoopje, maar that’s it, ooooo jeeeee ik kan mijn geluk niet op.

Ik loop over alle muren, alle bankjes, door gangetjes en huizen, huis zijnde een overblijfsel van een muurtje van ergens tussen de nul en de één meter hoog. Ik bestudeer alle half in de grond liggende pilaren waarvan sommige echt prachtige decoraties hebben met trossen druiven en schapenkoppen, vissen en andere niet meer te herkennen dingen. Onvoorstelbaar dat dit er allemaal nog zo ligt. Ik moet ook vreselijk naar de wc, en ook al wil ik deze schitterende plaats niet ontheiligen, ik zie het organische er ook wel weer van in om gewoon één van die huizen hier in te gaan en daar een geschikt plekje voor uit te zoeken, naar de plee gaan is au fond ook van alle tijden en de riolering is hier verder per slot van rekening goed geregeld. Als ik opsta trap ik bijna op een uitgedroogde granaatappel, ik kijk omhoog en zie dat ik heb zitten wateren onder een granaatappelboom, die nu in bloei staat, en ik heb nog nooit een granaatappelboom gezien, wat ben ik toch weer een verschrikkelijke bofferd, met al dit prachtigs om me heen. Ik ben inmiddels al een dik uur verder en loop richting de poort om met de auto naar de andere kant van het terrein te rijden. Nog één muurtje klim ik op en zie met een kreet dat ik bijna het mooiste had gemist, er ligt hier een halfrond bad met een mozaiekvloer, met hartjes en cirkels en vierkante figuren, en ook een swastika. Ik loop er watertandend helemaal omheen en zie bovenop de muur een waterleiding uitkomen, de stenen van de muur zijn uitgehold en er zit een gaatje in, hier liep het water door om het bad te vullen. De muur is bekleed met tegels in verschillende vage verbleekte kleuren. Sommige liggen los op de grond, eentje til ik er op en bekijk hem aan alle kanten, ze hebben met een soort grof cement tegen de muur gezeten. Ook hier ben ik weer zeker een half uur kwijt met alles te bestuderen en foto’s te maken.

Ik kom bijna om van de dorst en de hitte en ik loop naar mijn auto. Daarachter is nog een soort iglo, ik had hem eerst helemaal niet gezien, omdat hij in een diepe kuil staat, het is de enige kuil hier, dus er liggen vast nog veel meer van die iglo’s onder de grond. Hij ziet er verbazend simpel uit verder. Er gaat en klein trapje naar beneden en je kan er zelfs in. Tegen de muren staan stenen kisten met scheefliggende marmeren platen, ik pieker er niet over om erin te kijken, ze zijn waarschijnlijk toch leeggeroofd in de loop der tijden, maar ook al neem ik niets mee, ik ga niet in iemands graf zitten poeren.

Met de auto rijd ik naar de andere kant. Ik wil alleen nog het amfitheater zien en dan weer snel naar huis. Op Google Maps had ik het amfitheater gezien, het leek me niet al te groot. Ik moest omrijden naar de provinciale weg en langs de kant van de weg stoppen, er was geen parkeerplaats. Ik stapte uit en liep de berm in die omhoog liep, ik zag alleen een soort geitenpaadje en volgde het. Bovenaan aangekomen keek ik neer op een bescheiden terrein dat bezaaid lag met blokken marmer, sommigen rommelig in het rond, anderen een beetje geordend naast elkaar. In het midden een stralend witte rechthoekige marmeren vloer van een tempel, een paar halve pilaren overeind, met daarachter een granieten weg. Deze kleine tempel en het amfitheater dateren uit de Romeinse tijd, rond het jaar 200, maar de stad zelf is al van ongeveer 400 v.C.. Als ik aan het eind van de straat kom verschijnt onder me een reusachtig amfitheater, een van de mooiste die ik heb gezien, de treden zijn verzakt en gebroken, er zitten grote gaten in. Het uitzicht over het gebied is overweldigend mooi en groen, ik vertrek zometeen al, maar ik denk dat ik hier wel een goed deel van de dag zou kunnen doorbrengen. Achteraf heb ik spijt dat ik dat niet gedaan heb. In de verte zie ik de noordelijke poort waar ik net was, en tussen daar en hier liggen verspreid over het terrein nog verschillende gebouwen waaronder het gymnasium en bouleuterion (raadsgebouw). Ik overweeg om via de krakkemikkige treden naar beneden te klimmen, maar zie nergens een veilige trede om te beginnen. Het is ook veel te heet, dus in plaats daarvan loop ik maar helemaal over de bovenste rand heen, zover ik kan. 12.000 mensen moeten hier in hebben gekund. Wat moet het druk en gezellig zijn geweest. Die voorstelling vind ik dan wel weer heel mooi, terwijl ik nu juist heel blij ben dat er geen drukte is en ik hier even in pure eenzaamheid kan zijn.

Inmiddels is het een uur of drie en ik val zowat flauw van de hitte en honger en dorst dus ik vertrek. Ik rij veel te hard over de snelweg naar huis. Langs de weg staan stalletjes met fruit. Soms alleen maar één parasol met vier kratjes eronder, soms een paar overdekte kramen naast elkaar. Geen probleem als je hier op de snelweg even parkeert op de rechter rijstrook om wat vers fruit te kopen.

Ik snak inmiddels naar voedsel en een duik in zee, dus ik heb flink het tempo erin. Ik haal een kleine auto in en die toetert even en begint dan met zijn lichten te flitsen. Ik begrijp werkelijk niet wat hij bedoelt, doe voor de zekerheid maar even mijn lichten uit. Ongeveer vierhonderd meter verder zie ik een wegversmalling met een politiepost. Na de auto vóór mij stapt een agent de weg op en gebaart dat ik aan de kant moet. Okeeeejjjjj. Ik heb geen idee wat ik moet doen, uitstappen? Blijven zitten? Ik blijf maar zitten en doe het raam open, het voelt een beetje Amerikaans aan. Hij zegt iets van rijbewijs, en ik moet even denken, ‘Rijbewijs? Rijbewijs? Heb ik dat wel bij me?’, er heeft nog nooit iemand om mijn rijbewijs gevraagd. Ik ben ook nog nooit staande gehouden door de politie trouwens. De agent is onder tussen tegelijkertijd aan de telefoon. “Nerelisiniz?”, vraagt hij, waar komt u vandaan? Hollanda, zeg ik. “Holandalı“, hoor ik hem door de telefoon zeggen, met nog wat dingen die ik niet kan verstaan. Tegen wie? Geen idee. Ze zien er lichtelijk intimiderend uit zo vlak tegen mijn auto aan. De grootste van de twee leunt met zijn hand op mijn naar benedengerolde raampje. Hij hangt zijn telefoon op en kijkt me streng aan. “Your eyes colour, oke”, zegt hij, “You can go”, en er breekt een lach door. Ik brabbel, “Cezaeviye gitmiyormuyum?” in mijn nogal rudimentaire Turks, dus ik ga niet naar de gevangenis? Nee, deze keer niet. We pingpongen nog even wat beleefdheden heen en weer en ik mag weer vertrekken. Geen idee of dat nou over mijn snelheid ging of niet, maar ik rij toch maar ietsje langzamer terug.

Ik rijd rechtstreeks naar het eind van het strand waar ik verwacht alleen te zijn, maar helaas. Maakt niet uit. Ik snorkel wat langs de rotsen en kom op een piepklein strandje terecht van een meter of twee breed waar een rots overheen hangt. Ik hang nog een uurtje op het strand, en eet dan lamsbout bij Hangout met een cosmopolitan of twee. De dag is veel te snel voorbij gegaan en ik wou dat de tijd stilstond.


Ergens begin van de week: snorkelen in de lagune

Ik geloof dat het dinsdag is maar moet even mijn telefoon checken. Ik ben inmiddels volledig de tijd kwijt. Eerlijk gezegd heb ik ook al een paar dagen niet goed gegeten. Tegen een uur of vier ben ik al weer zo lamlendig dat ik geen zin heb om me netjes aan te kleden voor het avondeten en er weer uit te gaan. Gisteren duurde het ook weer erg lang voordat ik mijn bed uit kon komen maar ik had wel een doel: snorkelen in de lagune, waar ik vorig jaar een beetje lafhartig bij zonsondergang op m’n bedje had leggen slapen tot zonsondergang en gezwommen, totaan die verrekte ballenlijn, maar inmiddels heb ik mensen gezien die totaan het eilandje zwommen dat ervoor ligt, met snorkels, dus dat moet ik ook gedaan hebben. Ik rijd de straat uit richting supermarkt Saintsbury’s om te kijken of er tussen de burikini’s ook een snorkel te vinden was, en natuurlijk had ik de keuze tussen duizend verschillende. Ik reed dat heerlijke stukje naar het strand en parkeerde de auto op de parkeerplaats van de lagune. Er stond nog maar één auto, ookal was het een uur of een. Ik zag dat er hier ook waterfietsen en kano’s werden verhuurd en al zou ik niet dood gevonden willen worden in een waterfiets, die kano leek me wel een goed idee. Was het niet, weet ook niet waaròm ik ineens de ingeving had om te gaan kanoën, ik ben namelijk van huis uit helemáál niet van het kanoën, of van wat voor andere campingsport dan ook, ik lig toch doorgaans liever op een zonnebedje, maar om kort te gaan ik kon weer geen nee zeggen tegen de verkoper, en eigenlijk had ik inderdaad wel zin om even de lagune rond te gaan dus oké dan maar, hop met de geit. Ik in die kano. Er was voor het gemak een plastic steigertje in het water gelegd, niettemin bedacht ik me ineens dat mijn hele hebben en houwen in een superabsorberende tas zat die dus ab-so-luut niet nat mocht worden. Huh. Jen gaat in een kano zitten met de tas die ab-so-luut niet nat mag worden. Dat is ongeveer net zo iets als waterskiën met je iPhone los in je hand. Maar goed, niet aan denken Jen, loslaten. Nee nu echt loslaten, en gaan met die kano, anders sla je al om voordat je weg bent. Oh god ik zie het al weer voor me. Anyway, ik weg met die kano. Ja, er is verder eigenlijk helemaal niks te vertellen over die kano, sorry, geen spannende verhalen, het was gewoonweg heerlijk, de lagune was magisch prachtig, behalve de piepkleine kiezelstrandjes die er waren, goddomme waarom ruimen we die zooi niet even òp mensen? Dit is toch het zogenaamde paradijs van Turkije? Je kan geen reclame over Turkije zien of dit plekje zit er in, zonder uitzondering gefilmd vanuit de lucht, door een van de talloze paragliders die hier dagelijks boven het strand cirkelen. Maar die kleine strandjes laten zien dat er op grondniveau kennelijk niemand een zak om geeft. Ik trek de kano op zon klein kiezelstrandje, stap bijna in een glasscherf die ik maar even uit het water haal en gooi hem een beetje aan de kant, samen met een bierfles en een waterflesje. Het is onbegonnen werk om hier in m’n eentje te gaan lopen opzoomeren, maar ik ben er toe in staat. Werkelijk elk idyllische plekje aan deze lagune ligt vol met rotzooi. Gek is dat toch, het stikt overal van de mannetjes voor alles. Al die klotehotels pikken de stranden in maar zorgen geen meter voor het milieu in de directe omgeving. Anyway. Dat terzijde. Toen ik eenmaal een oplossing voor deze wereldproblematiek had bedacht, liet ik de kano, met ja, heel mijn hebben en houwen (ik zal het in het vervolg maar even gaan afkorten), achter op het anderzijds idyllische strandje in de schaduw en dook met mijn snorkel in het heerlijke stille water. Om me heen zie ik maar een paar zwemmers, en ook twee waterfietsen, en daarin reusachtige, bleke, naar ik aanneem Engelsen, die wat verveeld om zich heen keken, alsof dat saffierblauwe water ze helemaal niets doet, ze zouden zo uit Harry Potter kunnen komen. Het ziet er allemaal een beetje potsierlijk uit, die waterfiets, als een minikermisje, op het water lichtelijk overhellend naar de kant van de man, met een rode parasol erop en een klein glijbaantje. Serieus, een klein glijbaantje op een waterfiets, de mensheid is helemaal gek geworden. 

Ik weet niet hoe lang ik daar aan het snorkelen ben geweest, ik raak voortdurend de tijd kwijt. Het is heerlijk, en ook al heeft het niet de onderwaterrijkdom van Curaçao, ik geniet van elk visje dat voorbij komt en duik af en toe even helemaal onder om een school visjes de stuipen op het lijf te jagen, niet opzettelijk natuurlijk, je wilt per slot van rekening in je suprematieve menselijke hooghartigheid vooral gewoon één zijn met de natuur, daarbij totaal voorbijgaand aan het feit dat de natuur helemáál niet één wil zijn met jóu (behalve dan met jou als zijnde lunch), wat blijkt uit het feit dat de natuur je meestal je òf zo snel mogelijk wil doden, òf zo hard mogelijk voor je wegloopt, ik bedoel, dat zou toch een redelijke give-away moeten zijn, maar nee, de natuur is onze verplichte arme vriend, die we als dank voor zijn vriendschap níet direct afslachten, maar indirect, omdat we er dan niet over na hoeven te denken en de schuld van de destructie bij een ander kunnen neerleggen, terwijl we zelf gewoon plastic tandenborstels blijven kopen, en chips en koekjes met plastic verpakkingen, en koelkasten, en autos, en schoenen en goedkope snorkels. Zo.

In ieder geval lig ik met die goedkope plastic snorkel en al in het hartverscheurend blauwe doorzichtige water van de lagune, ik drijf daar minstens een uur rond (denk ik), de zon brandt op mijn rug en benen die ik niet heb ingesmeerd, kan me niet schelen, het water is zo heerlijk, de grond is licht, de visjes wit en groen en blauw en ik zwem naar het midden van de lagune, waar een rots boven het water uit steekt. Een grote school visjes zwemt onder me door. Ik duik naar beneden en zweef er even tussen, het zonlicht schittert door het water en ik heb een intens azuurblauw geluksmomentje. Als ik even later de kano ga terugpeddelen, zie ik een lichtbruine vlek in het water. Zachtjes roei ik een stukje terug en zie de grootste schildpad die ik ooit heb gezien (zijn er au fond niet zo veel), hij lijkt even te aarzelen en hangt stil in het water, ik doe snel mijn snorkel op, buig voorover en steek mijn hoofd in het water, waarmee de kano overhelt en ik overigens bijna het water in kukel met mijn hele hebben en houden, maar de schildpad is recht tegenover me, ik zie hem nu glashelder, hij besluit nu toch maar naar boven te komen voor lucht, waarna hij weer de diepte in zakt en wegzwemt. Ik zie hem niet meer en kan hem dus ook niet achterna. Wat mooie dingen krijg ik toch weer in mijn schoot geworpen van het universum.

Ik pakte mijn spullen om naar huis te gaan, onderweg haal ik een pide en wat sla, ik was helemaal stuk, waarvan weet ik niet, ik heb alleen maar een beetje liggen dobberen, waarschijnlijk kost het gevecht van je huid tegen de zon toch veel energie. Thuis eet ik maar half de pide, neem een douche, drink een glas wijn in bed met Netflix en slaap als een os. 

Vrijdag, zaterdag, dolce far niente


De tuinman is net vertrokken. Ik zit aan het ontbijt op het terras van het huis dat ik heb gehuurd in Ovacık. Ik heb het gevoel dat ik een beetje wakker word van twee dagen stress. Vrijdag stond in het teken van reizen, een binnenlandse vlucht in Turkije, ook wel eens leuk. Ik ontbijt bij de Starbucks in Moda, mijn haast om weg te komen won het van het verlangen naar een echt goed ontbijt. Ik was klaar en wilde ook geen seconde meer wachten om te vertrekken en zat dus veel te vroeg in de Uber een rit van bijna een uur door de enorme buitensteden van Istanbul. Als ik die troosteloosheid aan me voorbij zie trekken, besef ik me dat ik wel het goede deel van Istanbul heb meegemaakt. Er is verschrikkelijk veel bedrijvigheid, ik zie gloepend nieuwe shiny arabisch aandoende skyscrapers in wijken van vierkante betonnen flats die als pakken vla naast elkaar staan. Ik zeg tegen de chauffeur dat hij de radio wel mag aan doen, maar hij zegt: “We zijn er al bijna”. Mijn score op Uber is nu een 4.78 en twee mensen herinneren me aan Black Mirror, een serie waarin een aflevering gaat over een tijd waarin het leven van mensen bepaald wordt door de score die ze krijgen… op alles. Een nachtmerrieachtig leven waarin elke interactie die je doet direct wordt beoordeeld door degene met wie je contact hebt gehad, vrienden, familie, overheid, winkels, anything. Je persoonlijke score is zo geïntegreerd in de maatschappij dat ook bedrijven kijken of je wel in aanmerking komt voor leningen, een baan, hypotheken, verzekeringen, aan de hand van je persoonlijke score. Dit Uber systeem werkt eigenlijk ook zo.

Mijn koffer is een van de laatsten die van de band komt en als ik de auto ga halen krijg ik ook weer allerlei goedbedoelde adviezen over wat ik allemaal moet gaan doen in Fethiye en waar ik moet gaan eten. Als dezelfde jongeman even later ook op de parkeerplaats staat waar ik de auto dien op te halen ben ik even bang dat hij me mee uit gaat vragen, maar dat blijft gelukkig achterwege. De kleinste auto’s zijn op en ik krijg een gratis upgrade, het maakt me werkelijk geen ene moer uit, ik wil alleen maar in die auto stappen en weg. Ik heb Istanbul nog niet uit mijn hoofd en de vertrouwde weg richting Fethiye komt maar half bij me binnen. Vlak na de parkeerplaats van het vliegveld staat een jongen van een jaar of 18 te liften en ik stop. Waar moet je heen? Dalaman. Dat is mooi, want daar kom ik langs. De jongen zit op de opleiding voor flight attendant en spreekt een beetje Engels. Ik zeg dat ik een klein beetje Turks spreek, en hij zegt, dat is mooi, ik een klein beetje Engels en jij een klein beetje Turks, dan kunnen we elkaar zeker begrijpen. Hij werkt deze zomer in Dalaman om zijn opleiding te betalen. Hij wil graag iets van de wereld zien dus hij wil graag pursor worden. Bij het afscheid schudt hij mijn hand en zegt hij, “Nice to meet you Jenneke, iyi tatiler!” Zo’n beleefde lifter heb ik nog niet eerder in mijn auto gehad, die komt er vast wel.

Ik vervolg mijn weg richting Fethiye en ik word al wat rustiger. Het is hier wel bloedverziekend heet trouwens, 31 graden, maar niet zo vochtig als in Istanbul dus beter te verdragen. Ik weet dat ik langs een Kipa kom als ik richting Ovacık ga, en ben blij als ik hem inderdaad in het zicht krijg, ik sla meteen af om de eerste bare necessities aan boodschappen te doen, wijn, brood, kaas, yoghurt, koffie. Fethiye is een doorsnee toeristische badplaats en langs de hoofdweg door het stadje vind je honderden kleine supermarktjes die ook typische badplaatsproducten verkopen, badhanddoeken, zonnebrillen, opblaasballen, souvernirs, en ik zie dit jaar voor het eerst verschillende paspoppen met burkini staan. De gebouwen zijn laag en alles doet heel mediterraan aan. Sommige gebouwen zijn vervallen, het is stoffig maar redelijk opgeruimd. Toen Ellen en ik hier vier jaar geleden voor het eerst in de taxi reden, dacht ik, “In wàt voor negorij zijn we in vrédesnaam beland?”, zo weinig was ik gewend. Inmiddels ben ik die rommeligheid gaan herkennen en voelt het ook wel lekker aan. Alhoewel deze cultuur nog steeds een raadselachtige mix is van schone dingen en puinhoop, van alles dweilen en alles van je af flikkeren, van een mannetje voor werkelijk àlles, en een leegstaand huis gebruiken als de lokale vuilnisbelt.

Om 18:00 heb ik afgesproken met Murat bij Friar Tucks om de sleutel te krijgen van het huisje dat ik heb gehuurd. Of eigenlijk het huisje dat ik niet heb gehuurd, maar gekregen omdat het huisje dat ik wèl had gehuurd inmiddels was verkocht. Murat is er nog niet dus ik ga zitten en bestel een Efes en ik app hem dat ik achter de Efes zit met een geel T-shirt aan. Tien minuten later komt hij er aan en we bespreken even het wel en wee van het huis en dan volg ik hem erheen, het is letterlijk aan het eind van de straat van het hetzelfde huisje als waar ik met Jan heb gezeten en dat ik nu dus helaas niet kon krijgen. Er is een elektrisch hek met afstandsbediening en ik krijg een rondleiding. Het is een stukje groter dan het andere huisje maar alle gezelligheid ontbreekt. Ik weet het ik mag absoluut niet klagen maar er is vanalles mis mee. Om te beginnen zitten er tralies met neerslachtige kettingen en hangsloten voor de deuren en ramen, en mag ik de tralies van de deuren naar het grote terras aan de voorkant niet openmaken volgens Murat. Right, dus de openslaande deuren en ontbijten op het terras kan ik vergeten. Dat is een redelijke dealbreaker wat mij betreft. Ik zie dat overal het laminaat spleten vertoont en de randjes zijn omhooggekruld, want gedweild. Achter is nòg een terras, met een zwembad, maar het is erg krapjes allemaal. Er passen net vier zonnestoelen op. Onder het afdak past net een plastic tafel met plastic stoelen. Aan de àchterkant is ook de vóórdeur, gek genoeg. Onder de kersenboom door kom je achter het huis terecht, bij zwembad, en de voordeur dus. Boven twee grote slaapkamers, tot zover geen klachten. Maar waarom in vredesnaam zulke grote slaapkamers en vervolgens de wc ìn de douche bouwen? Bathroom Turkish style, grapt Murat erbij. Ik lach als een boer met kiespijn. Gelukkig is er nog een badkamer, die heeft wel een aparte douche, maar je moet weer ergens een stekker in steken om warm water te krijgen en de douchedeuren vallen zowat uit elkaar en het geheel is zó klein dat ik mijn benen niet kan scheren zonder mijn hoofd ergens tegenaan te stoten. Right.

Als Murat weg is, en het zwembad begint over te stromen over het terras en de tuin, ga ik op zoek naar de sleutels van die belachelijke tralies. Alle sleutels liggen in de buurt, alleen zijn alle hangsloten vastgeroest, behalve die van het terras aan de voorkant, daar heb ik dus weer geluk mee.

Ik gooi mijn koffer open op het bed van de ene slaapkamer en installeer me in huis. Ik haal de boodschappen uit de auto en doe helemaal niks meer. Ik neem een glaasje wijn en een stukje brood met kaas en het is alsof een deken van vermoeidheid over me heen valt. Ik doe vervolgens de hele nacht geen oog dicht.

De ochtend erna heb ik een geweldige migraine en probeer die de hele ochtend te onderdrukken. Eind van de ochtend wil ik wat water en ander boodschappen gaan halen, alleen doet plotseling het elektrische hek het niet meer, met mijn auto nog aan de binnenkant opgesloten. Nadat ik naar het supermarktje aan de overkant ben gelopen zit ineens ook het loophek dicht en kan ik het huis niet meer in. Ik moet bellen en tuinman Yusuf moet er aan te pas komen om me te bevrijden. Hij heeft een klein bosje jasmijn in zijn hand dat hij me geeft. Het ruikt heerlijk. Het loophek blijkt gewoon met een palletje aan de zijkant open te gaan, maar het elektrische hek geeft geen krimp. Yusuf gaat in de weer met siliconenspray maar ik hoor een tikje als ik de afstandbediening indruk dus ik denk toch echt dat het een elektronisch probleem is. Zolang mijn auto aan de binnenkant staat, kan het me wat schelen, want ik kan nergens heen.

Ik rommel een beetje rond in het huis, een beetje verloren, ik ben al mijn spullen kwijt want ze hebben nog geen vast plekje en het huis is zo groot. Yusuf heeft inmiddels het hek zelf opengeduwd. Nee, hij kan het helaas niet maken, en gaat met de tuin aan de slag. Ik neem van de gelegenheid gebruik om het terras opnieuw in te richten en hem de spullen naar een andere plek te laten tillen. Hij geeft me kleine rondleiding langs de fruitbomen in de tuin en gaat zitten onder de perzikboom. Ik ga voor een klein gesprekje bij hem zitten. Hij heeft twee dochters en een zoon, de dochter van 25 (çok büyük) werkt hierachter bij het Sun Hotel, de andere zoon en dochter zijn 13 en 10 en zitten op school in Fethiye. De perziken moet ik lekker opeten, hier zegt hij, ze zijn heerlijk, hij geeft me er een en neemt er zelf ook een. Ze zijn inderdaad heerlijk. Als ik wat later, na douche en ontbijt terug kom in de tuin zijn ze allemaal verdwenen.

Ik rij met de auto naar Ölüdeniz. De weg ernaar toe is heerlijk, vanuit de bergen rijd je naar beneden over een bochtige weg die steeds kleine stukjes van het onderaan liggende dorp en het strand onthult. Beneden heerst de bedrijvigheid rondom het toerisme, dat nog niet op gang is, want pas volgend weekend begint de bayram en de vakantie van de Britten, maar toch overal mannetjes met steekwagentjes en snelwandelende obers. Het zijn hier allemaal hotels, restaurants en winkeltjes, niemand woont hier echt en in de winter is het dan ook uitgestorven. Toch doet het dorp-achtig aan, omdat er niet hoger gebouwd mag worden dan drie verdiepingen, dus de zon komt overal.

Al voel ik niet de kinderlijke opwinding van vorig jaar, hier heb ik toch het hele jaar naar uitgekeken, de zee aan mijn voeten, op een bedje liggen lezen, af en toe afkoelen in het glasheldere azuurblauwe water, je drankjes laten brengen, of pide, de hele wereld gaat langs me heen, ik denk er niet eens meer aan, er bestaat alleen maar zee, en aarde, en universum, en ik lig daar tussen met mijn trage gedachten, alsof ik terugga naar de oorsprong van de tijd en er een nieuw begin is en alles onzeker en alles kan nog goedkomen.

Ik was veel minder lyrisch dan vorig jaar, maar misschien kwam het door de vermoeidheid of de migraine, nu ik hier lig is alles in orde, ja, alles is ok, alles daalt neer en komt tot rust. Ik ben de rest van de dag op het strand, het is hier niet zo bloedverziekend heet, af en toe ga ik een kop koffie halen, of iets te eten, mijn hele hebben en houden in mijn tas achterlatend op het strand. Ik heb de tijd niet in de gaten en pas als ik zie dat de zon al bijna ondergaat, pak ik mijn spullen in.

Ik slaap deze nacht als een os.

Donderdag 15 juni, laatste dag Istanbul

Het is de laatste dag en ik ben helemaal van slag. Ik wil niet weg uit het apartement, uit Istanbul, moet ook nog zo ontzettend veel inpakken, en weet van gekkigheid niet wat ik moet doen vandaag. De bouwvakkers in het appartement naast mij, tussen dit appartement en de zee zegmaar, zijn vandaag weer begonnen en zijn bezig een muur op te trekken van gasbetonblokken. Er komt geen balkon, maar een erker, omdat nieuwe balkons bouwen met het oog op eventuele aardbevingen zijn verboden (groter instortingsgevaar? Ik weet het niet). Langzaam maar zeker verdwijnt de Bosporus uit het zicht. Ik vind het oprecht zielig voor de eigenaar. Het begint hard te regenen.

Ik rommel wat in het rond, doe een halfslachtige poging om mijn koffer te organiseren en ga uiteindelijk naar buiten. Probeer wat kadootjes te kopen, maar het lukt niet echt. Ik loop een beetje met mijn ziel onder mijn arm. Afscheid nemen van Istanbul is heel erg moeilijk. Ik ga ergens zitten om koffie te drinken, Pikap heet het, koffie, thee en bloemen. Logisch. Op de stoel naast me ligt een poes te slapen. Aan het tafeltje hiernaast zitten een jongen en meisje te kletsen, het meisje klinkt een beetje schaapachtig. Ik ga straks maar even bij Iskender kebapci eten. Of Çiya. Ik kan maar niet besluiten.

De eigenaar van het appartement vraagt of ik de sleutels langs wil brengen. Alleen met de Uber kan ik niet een detour nemen. Het irriteert me lichtelijk dat hij niet gewoon die sleutels op komt halen. Er volgt een onbegrijpelijke beschrijving van waar de sleutels heen moeten, een puntje op Google Maps, ik vraag om het adres, maar dat krijg ik niet. Ik mag het ook bij zijn market afgeven, just one street below RHS. Geen idee wat dat betekent. Right hand side. Right hand side van wàt? Hij stuurt me een screenshot van twee straten op Google Maps, waar verder niets op staat en waar ik nog niet wijzer van word. Ik begrijp er helemaal niets meer van en waarom komt hij gewoon zelf die sleutel niet ophalen? Ik ga toch niet de halve wijk door schleppen met die koffer. Na veel heen en weer gedelibereer denk ik het zaakje te hebben gevonden waar de sleutel heen moet, of besluit ik eigenlijk gewoon dat daar de sleutel heen gaat, en dan moet hij hem daar maar ophalen. Het is goed hoor.

Na mijn koffie loop ik richting Çiya, maar ik raak de weg kwijt en kom uiteindelijk toch bij Iskender Iskenderoğlu terecht. Ik voel me onrustig en ik eet in recordtijd die heerlijke iskender kebap op, het enige gerecht dat ze hier hebben, met ayran en water. Ik wil eigenlijk alleen nog maar terug naar het appartment, de laatste wijn opdrinken en mijn koffer pakken. Ik ben zo verdrietig, ik wil nu zo snel mogelijk weg.

Als ik thuis kom is ook het raampje in de keuken, het enige kleine raampje dat in dit gedeelte van de kamer nog daglicht doorliet, dichtgemetseld.

O ja, woensdag 14 juni, Kariye, Koç


Had ik al verteld hoe druk en heet het is? Maar wat ik er wel bij moet zeggen is dat er een verschil is tussen de weekenddrukte, als hier de ‘toeristen’ naar toe komen, en de doordeweekse drukte, die maar door lijkt te gaan tot diep in de avonduren en niet alleen bestaat uit mensen die aan het winkelen of consumeren zijn, maar mensen die op weg zijn naar hun werk of aan het werk zijn. Er is een eindeloze stroom mensen, constant in de weer is met steekwagentjes met 10 liter waterflessen, zakken met afval dat van de straten wordt geplukt, handkarren met tweedehands spullen (de ‘eskici‘ [eskiedjie], rommelhandelaar, ze lopen langs de straten met platte handkarren met oude schoenen, een wasmachine, een bergje sieraden, tassen, een typemachine etc etc), theeverkopers met etagères vol met tulpvormige kopjes thee voor de verkopers in de winkels, steekwagentjes met groenten, steekwagentjes met biervaten, lege steekwagentjes, alles vlot vlot begeleid door getoeter naar de deur en weer terug naar de kleine vrachtwagen die het verkeer in de smalle straten staat op te houden.

Ik probeer steeds de Nederlandse versie van de dingen te vinden, of te relateren, maar ik zie in Nederland geen steekwagentjes met 10 liter waterflessen over de stoep rijden. Toen ik in het appartement trok, zei de eigenaar tegen me: “My waterman may come to the door.” Ik dacht bij mezelf, “My waterman? Wat moet dat dan weer zijn?”. Maar klaarblijkelijk laat je hier net als koffie of ontbijt dus ook je water bezorgen, in 10 liter waterflessen, die het mannetje voor je naar boven schleppt en in de keuken neerzet. Hoe je vervolgens dat water eruit krijgt was me een raadsel, want het zijn van die flessen die doorgaans ondersteboven in een waterkoeler zitten, totdat ik ontdekte dat er kraantjes te koop zijn die je er aan de onderkant in kan drukken. Overal zijn ‘mannetjes’ voor. Om je dingen te brengen. En dingen voor je te dragen. Dat doen ze sowieso allemaal, de mannen hier. Ik stond op het vliegveld bovenaan de trap met mijn koffer, staat er ineens een stel naast me, jaar of 25, echt piepjong, vraagt de jongen aan me: “Please let me carry that for you?”, nota bene waar zijn vrouw/vriendin naast staat. Ik was nogal perplex en ik zei (vooral vanwege háár): “No no I’m fine, çok teşekkürler!”, maar aan de verbaasde, ietwat door dat onaangepaste gedrag verstoorde blikken, die onderaan de trap ook nog even achterom werden geworpen, begreep ik dat het echt niet de bedoeling is om dit af te slaan, het is echt hun eer te na om een vrouw dingen te laten dragen. Je bent een man, dat is je taak in het leven. Wat een heerlijk land.

Dus… Om een uur of twaalf zat ik pas in het voormalige Kut café, ja sorry, zo heette het toen ik vorig jaar in deze straat een appartement had, nu heet het helaas anders, alleen ik weet niet wàt. Het was een grunge-achtig ontbijtcafe, nu is het een van de miljoen hipster koffie barretjes die hier in een jaar tijd de grond uit zijn geschoten, waar je een sandwich kan eten, je kan kiezen uit wel twee, of een organische suikervrije haverwafel of een stuk glutenvrije cheesecake, maar daar vind ik het nog te vroeg voor. Het zit hier heerlijk, de gevel is open, in de open raamkozijnen zijn banken gemaakt met kussens en ik krijg een heerlijke cappuccino en een ‘organic’ zuurdesem sandwich met avocado, sla en Turkse witte schapenkaas en ik zit heerlijk bij dat open raam te schrijven en naar buiten te kijken en aangestaard te worden door de voorbij rijdende taxi’s en kleine vrachtwagentjes en ander verkeer. Daardoor is het al tegen tweeën als ik richting de iskele loop, een fijn loopje, richting het water, je voelt de koelte van het water al naar je toe waaien, dan rechtsaf de trambaan volgen en over de kade naar de veerboot lopen. Elke bestemming aan de overkant heeft een eigen gebouwtje en een eigen ingang, ik heb op de Trafi-app gezien dat ik naar Eminönü moet en daar bus 336E nemen. Ik haat de bus en word in Nederland liever niet dood in de bus gevonden, maar het moet maar even. Het gaat allemaal feilloos met mijn Istanbul kartı, waar nog 44 lire op staat van de 50 die ik aan het begin van de week erop heb laten zetten. Wat misschien komt doordat ik de Uber heb ontdekt en o jeeeeee wat is dat heerlijk. Voor 5€ in een 8 persoons taxi rechtstreeks volledig geclimatiseerd naar de andere kant van de stad worden gebracht. Niet afrekenen, niet moeilijk doen met adressen geven, je weet van te voren al wat je betaalt (bijna niks), gewoon instappen en uitstappen, that’s it. Ik bedoel, what can I say, ik Uber mezelf drie slagen in de rondte. Na elke rit kan je de chauffeur een beoordeling geven, 1 tot 5 sterren, is hij gezellig, is de temperatuur goed, rijdt hij veilig doch snel, dat soort dingen. Ik geef eigenlijk altijd een vijf. Alleen ontdekte ik dat chauffeurs hun klanten óók een cijfer kunnen geven, en dat ik een 4,6 had. Dit bracht me toch enigszins van mijn stuk: ik had iets van drie ritten gehad en mijn gemiddelde was een 4,6? Wat had ik in vredesnaam verkeerd gedaan, en bij wie? In elk geval ben ik vastbesloten om mijn rating omhoog te halen, dus volgende keer toch maar die gordel vast en zelf gezellig een praatje aanknopen met de bestuurder.

Ik bezoek vandaag het Kariye of Chora museum, een Griekse kerk uit de vijfde eeuw. Als ik uitstap bij de goede halte blijkt dat ik óók bij de antieke stadsmuur loop die ik toch al wilde bezoeken, dus die kan ik gelijk afstrepen. Ik loop door een nogal onuitnodigend wijkje, aan niets is te merken dat hier, onder weer zo’n afzichtelijk busstationsafdak, een van de mooiste oudste bouwwerken van Istanbul staat, een byzantijns-christelijke kerk, met de prachtigste mozaïeken overal in de muren en de plafonds, ze zijn echt van een bijzondere schoonheid en ook al is het al 15:30 en wil ik ook nog naar het Koç Muzesi aan de overkant van de Gouden Hoorn, ik neem er echt even de tijd voor. De kleuren zijn prachtig, het is binnen ook uitzonderlijk koel en stil en heerlijk, het bladgoud van het mozaïek schittert door de kleine ruimtes heen. Een man komt naar me toe en vraagt in het Engels: “Do you speak French?”. “Oui, un petit peut, qu’est-ce que vous voulez savoir?”, zeg ik. “O no”, zegt hij, I provide French tours for this museum, I thought you may speak French”, zegt hij. “Well, do you speak any Dutch?”, vraag ik grijnzend aan hem, maar helaas, en hij verdwijnt weer. Na deze Kafkaesque situatie vervolg ik mijn weg en word een paar minuten later weer aangesproken. Of ik een tour in het Engels wil. Kennelijk staat er ergens een legertje tourguides om de hoek te wachten in bijna alle talen om je door de 70 vierkant meter van het kerkje te begeleiden. Ik bedank hartelijk, maar ik heb hier echt maar 10 minuten de tijd, dus dat gaat niet lukken. In de hoofdruimte staan een Amerikaanse man en vrouw zich te vergapen aan alle cultuur die ze thuis moeten ontberen en, net als ik, naar de schitterende koepelplafonds te staren. De man draait zich naar me toe en zegt glimlachend: “There should be something here to lie on, don’t you think?” “Well, there is”, zeg ik, wijzend op de vloer. Zijn vrouw schiet in de lach. We knopen een kort gesprekje aan over hoe mooi het allemaal is en ik spreek en passant nog even mijn twijfel uit over de rigoreuze Turkse restauratiemethodes van antieke overblijfselen, maar ze kijken me schaapachtig aan en hebben geen idee waar ik het over heb. O, heerlijk, Amerikaanse first-timers, ik sta te springen om mijn tanden erin te zetten, maar ze worden al weggekaapt door de Engels sprekende gids die tussen de coulissen uit is gesprongen, en bovendien moet ik weg.

De Uber is er binnen 6 minuten, net genoeg om een flesje water te kopen, en ik kijk nog even om me heen voordat ik besluit om het nog even níet aan mijn lippen te zetten want Fatih en ramazan. Ik moet zeggen, ik merk helemaal niets van de ramazan, in alle wijken behalve Fatih lopen mensen openlijk op straat te eten en drinken, en Kadikoy, nou ja, daar zijn mensen überhaupt van God los.

De Uber-chauffeur kletst deze keer weer honderduit en herhaalt alles wat hij zegt twee keer, een keer normaal en een keer speciaal voor mij langzaam, omdat hij begrepen heeft dat ik een paar woorden Turks spreek en graag wil oefenen. Hij vraagt of ik al in Kadiköy ben geweest, want dat is zo gezellig en hij woont er, dus we hebben meteen een band, de Uber-chauffeur en ik. Ook is hij edelsmid geweest, en hij wil nu nog een jaartje werken, en dan verhuizen naar Marmaris of naar Bodrum. Het was een leuk gesprekje en ik word overladen met complimenten over mijn Turks, afijn, ik weet eigenlijk niet of dat wel telt als een compliment, dat hij het gewoon leuk vond dat ik een beetje Turks probeerde te spreken. Ik geef hem 5 sterren en mijn score staat nu op 4,72. Ik moet daar echt mee ophouden.

Het Koç museum is erg leuk, maar geen verrassingen daar. Ik heb maar steeds het gevoel dat ik in het huis van een enorme opschepper loop. Al die auto’s, zelfs de auto uit Harry Potter staat er, wat moet je met al die rommel. Auto’s, boten, treinen, vliegtuigen, speelgoed, poppenhuizen, het museum staat er als een verzameling van objecten van de Turkse cultuur, maar eerlijk gezegd zie ik er weinig Turks in terug.

Ik laat me naar de iskele rijden door een Uber en neem de heerlijke frisse boot terug naar Kadikoy. Ik eet Italiaans, mosselen en pasta met seafood, en een klein flesje prosecco, dat met veel misbaar aan mijn tafel wordt opengemaakt.

Morgen is de laatste avond hier. Dat vier ik alvast een klein beetje. Maar liefst ga ik hier helemaal nog niet weg.

Ik weet niet wat voor dag het is. 


Nee, toch weer om 6:00 wakker. Lig maar even te Netflixen, kleed me dan aan om een Ontbijtje en een kop koffie te gaan halen. Ik voel me nogal wrakkig en lusteloos. Ik mis mijn groentensapjes. De hele dag heb ik kleine overwinninkjes en kleine faalmomenten. Zo stopte er gisteren een auto, en een vrouw vroeg me waar hier ergens een parkeerplaats was. M’n eerste reactie was te denken ‘Hallo, zie je niet dat ik hier niet thuishoor?’ Nee dus! Hoera! En niet alleen begreep ik wat ze zei, ik kon haar ook precies vertellen waar ze heen moest (oké, het was maar 50 meter verderop aan de linkerkant, want tegenover mijn appartement, maar goed). Ik hoef bijna niet meer op de kassa te kijken als ik moet afrekenen. Sommige obers laten me even de rekening zien en dan zeg ik het even hardop om op te scheppen. Waarna er een verraste reactie volgt en er meteen een onbegrijpelijke conversatie volgt waardoor ik meteen weer voor paal sta. Maar geeft niet, ik trek even een ontwapenende geitachtige lach uit de kast en klaar. Ik herken precies hoe ik Frans leerde, op de een of andere manier weet je elk jaar meer, ookal kom je er het hele jaar niet. Het is trouwens óók een mentale toestand, die taalkennis kunnen aanboren op het moment dat je het nodig hebt. Ik kan het niet goed uitleggen, het is net alsof je in je hoofd iets open moet zetten, een blokkering moet opheffen, zodat die woorden die je geleerd hebt en die heus wel allemaal in je hoofd zitten, vrije doorgang hebben en vrijelijk in de juiste volgorde naar buiten kunnen stromen. Soms lukt het helemáál niet, dan kijkt het alsof dat deel van mijn hersenen met andere dingen bezig is, met voor paal staan bijvoorbeeld, of met het peilen van de blik van de persoon die tegenover me staat. En soms lukt het heeeeel goed, als de conversatie niet te ingewikkeld is, met taxichauffeurs bijvoorbeeld.

Gelukkig word ik hier ook een stuk minder aangestaard. Het kan me inmiddels ook iets minder schelen.

Het is al een uur of twaalf voordat ik een Uber pak naar Üsküdar, waar ik eerst de joodse begraafplaats wil bezoeken en dan een beetje door het oude deel wil winkelen waar ik in 2014 ook met Jan ben geweest. Het is ruim 20 minuten rijden en ik word aan de kust afgezet, precies voor de ingang. De kustlijn is prachtig, ik ga op de kade heel even op een bankje onder een boom zitten om me te orienteren. Twee jongens springen in het heldere turkoise water van de Bosporus en klimmen over gladde stenen weer naar boven. Ik loop richting ingang begraafplaats. Blijkt alleen de ingang van de verkeerde begraafplaats, en de joodse begraafplaats is 23 minuten lopen, naar boven. Maar ik heb wel zin in een wandeling dus ik zet de pas er in. Die gaat er ook heel snel weer uít, want het is weg van het water natuurlijk veel te heet om snel naar boven te lopen. De taxi’s die voorbij rijden toeteren even, voor het geval ik ze nodig heb. Ik weet niet of ik dit kronkelende weggetje waar je steeds niet meer ziet wat er achter de volgende bocht is, zo leuk vind: rechts vooral hoge muren met camera’s en woningen erachter, en links hekwerken met prikkeldraad en wachttorens. Wat ìs dit. Achter me wordt het uitzicht over de Bosporus wel steeds mooier. Het water is knallichtblauw (niet zonder reden, blijkt een dag later, want er is een plankton explosie) en de zon schittert erop. Langzaam loop ik naar boven en het wordt steeds heter. Ik heb het eindelijk gevonden en zoek naar de ingang, die blijkt om de hoek te zijn, er is een groot hek met camera’s en een bordje waarop staat ‘bezoekuren zaterdag-donderdag 9:00-18:00 en vrijdag 9:00-13:00. Maar het hek is dicht. Ik loop iets rechtdoor naar een of andere politiepost waar twee gewapende mannen staan, ik vind het toch steeds zo’n raar idee, wat ben ik toch wapenvrij opgegroeid, en het ontgaat me ook niet dat het een beetje buiten het normale is dat ik hier als hoogblonde toerist in een islamistisch land naar de ingang van de joodse begraafplaats vraag aan twee zwaar bewapende mensen van de beveiliging van de rijkste onderneming van Turkije, ben ik inmiddels achter, de familie Koç, waarvan ik morgen het museum ga bezoeken. De mannen vinden het duidelijk ook niet grappig en worden waarschijnlijk opgeleid om boos te kijken, “Heb je wel op de bel gedrukt”, snauwt er een naar me. Nou, excuse me for living. Ik had die grote rode knop wel gezien maar hij zag er zo intimiderend noodstopperig uit dat ik er niet op durfde te drukken. Ik loop terug en druk erop, in de verte zie ik een mannetje aan komen lopen, het lijkt op een tuinman ofzo, ik weet niet wat ik verwacht had, hij maakt er niet echt haast mee. Bij het hek aangekomen vraagt hij wat ik wil. Ik zeg, ik wil graag de begraafplaats bezoeken. Zomaar bezoeken? Ik twijfel even of ik een lulverhaal zal ophangen over dat ik schrijver ben en helemaal uit Holland hier naar toe gekomen ben om deze begraafplaats te bezoeken (wat alles bij elkaar nog bijna zo is ook, ik schrijf me tenslotte helemaal een ongeluk elke dag en deze begraafplaats staat al een jaar op mijn lijstje om te bezoeken), maar ik krijg natuurlijk op dat ene moment niets anders uit mijn keel dan ‘Eeuuuhh, ja?’. Het mannetje schudt meewarig zijn hoofd, wat een naïviteit om te denken dat je hier zomaar naar binnen mag, sorry mevrouw, maar dàt gaat niet, hier zomaar rondlopen op de begraafplaats. Dit had ik nou echt totaal even niet verwacht, hekwerk en beveiliging, okee, maar mij en mijn goede bedoelingen wordt keihard de toegang geweigerd. Ik vraag nog even iets lafs als Echt niet? Maar nee, het mannetje gaat mij geen toegang te geven, ookal zie ik iets in zijn blik van twijfel, dat hij het eigenlijk ook niet goed weet, of hij die vreemde vrouw met die broek met olifanten en dat legerjasje er nou in moet laten of niet. Ik heb het vermoeden dat hij gewoon de baas wil spelen. Nou, ik hoop dat hij tevreden is dat hij de begraafplaats heeft behoed voor mijn voetstappen, geknakte stukjes onkruid en blootstelling van de heilige stenen aan mijn vernietigende ongelovige blik. Ik loop met mijn onverzadigde goede bedoelingen onder mijn arm weg maar ik ben zo verschrikkelijk teleurgesteld dat ik even oprecht heel verdrietig ben, ik voel me afgewezen en vreemd genoeg een soort onwaardig. Als ik het even later aan de Uber-chauffeur vertel, zeg hij: “Istanbul is a mix of many cultures, there all kinds of neighborhoods, jewish, islamic, greek, armenian, syrian, but they are all racist. They stay in their neighborhoods and they don’t accept anybody, everyone here is just racist people.” Daar knapte ik weer een beetje van op. “So, probably I won’t be accepted in any neighborhood”, zei ik. “It’s different”, zegt hij, “You’re blond, you’re from the west.” “Yeah, they all hate me.”, zeg ik lachend. Maar ik meen het wel.

Bij de grote moskee in Üsküdar stap ik uit. Ik herken deze straat. Jan en ik deden hier twee en een half jaar geleden een ‘food tour’, waar ik om de een of andere onvoorstelbare reden helemaal niets heb gekocht als aandenken, wat was er mis met mij? Ik weet het niet. Maar dat onrecht moet onmiddellijk worden rechtgezet. Als ik me goed weet te herinneren zit hier ergens een honingwinkeltje. Ja, het zit er nog! Het is wel veranderd, maar het is hetzelfde winkeltje. Ze hebben maar een paar soorten honing en ik koop een paar verschillende kleine potjes en betaal een vermogen. Ik slenter een paar uur rond in dit gedeelte van de stad, ik herinner het me als heel conservatief, maar ik zie bijna geen hoofddoeken. “Zitten die allemaal binnen?”, vraagt mijn moeder op de app, “Aan het aanrecht?” Er wordt heel druk gewinkeld, op pleintjes onder bomen gezeten en çay gedronken. Na een tijdje ben ik echt heel moe en Uber terug naar het apartement. Ik trek mijn kleren uit, stop ze in de was en knoop een doek om me heen. Ik hang op de bank en ben echt van plan om er nog uit te gaan om te gaan eten, maar ik stort helemaal in op de bank en weer komt het er niet van.

Maandag 12 juni, Kedi, Arnavutköy

Terwijl ik om 7:30, er lijkt elke dag een half uurtje bij te komen, da’s mooi, naar het plafond lig te staren besluit ik dat de volgorde van de dag gaat zijn, dat ik eerst ergens ga ontbijten, dan om 11:30 naar Kedi ga in de bioscoop, die trouwens Rexx heet, en heel obscure associaties bij me oproept, en dan de boot neem naar de overkant. Ik kijk even uit het raam hoe de mensen erbij lopen en ik zie allemaal jassen dus mijn groene jasje mag mee. 

Ik ben al helemaal gewend aan het apartement, al had ik een paar dingen toch anders gedaan, ik had bijvoorbeeld gordijnen opgehangen, op zijn minst vitrage, maar nee eigenlijk vitrage èn dikke lichtdichte gordijnen, maar ik heb me er maar overheen gezet en loop evengoed in mijn blote kont door het huis, Mert zal er een paar vrienden bij hebben waarschijnlijk, als ik straks vertrek. Alleen in de slaapkamer hangen gordijen, dat wil zeggen vitrage, en een gordijn dat de helft van het raam bedekt en dat zo dun is als een douchegordijn, totaal geen licht filtert en dus verder geen enkele functie heeft. De slaapkamer kijkt uit op de achterkant van drie zijden met de slaapkamers van andere appartementgebouwen, allemaal maximaal 4 of 5 verdiepingen hoog, meestal hebben ze zo’n Frans halletje als je binnenkomt, en een gietijzeren trapleuning. Verder had ik, voor de gezelligheid, toch wat lampjes neergezet, Mert. Er zijn alleen plafondlampen, de enige lampen in huis die géén plafondlampen zijn, zijn het lampje in de afzuigkap, die in de koelkast en een los leeslampje naast het bed. Beetje makkelijk om een Indiase doek om de plafondlamp te knopen en het dan een ‘arty apartment’ te noemen, Mert. Mert is van huis uit fotograaf, en het hele appartement hangt dan ook vol met het bewijs daarvan, voornamelijk onderwaterfoto’s van zijn vriendin. Ik ben niet heel erg onder de indruk, maar hij schijnt ervan te kunnen leven. Wat het huis verder nog ‘arty’ moet maken is de uitstalling van souvenirs van verre bohemien reizen: hooghartige Keniase kettingen, Nepalese vlaggetjes en Australische didgeridoos (waarom víjf, Mert, waaròm?). Ik heb helemaal niets op met dit soort souvenirs die maar een beetje zelfingenomen niks staan te doen in je interieur waar ze totaal niet in passen. Ik hou wel van dingen die je kan gebruiken, shirtjes, theedoeken, tassen, bekers. Ik zie geen gasmaskers en bouwbrillen in de badkamer hangen (zie mijn belevenissen van 5 juni 2016), maar zo’n type is het wel. Verder is hij uitermate vriendelijk en gastvrij, ik mag alles gebruiken, overal voor bellen, alleen het telefoonnummer klopt niet, maar hij reageert gelukkig wel op airbnb. 

Als ik langzaam gedoucht en aangekleed ben ga ik op zoek naar een ontbijtcafe en neem een simpele menemen (roerei met tomaat en paprika) met wat brood en twee koppen koffie. De film begint om 11:30, en ik ben niet eens alleen, op deze maandag ochtend zitten alleen een paar locals in de bios. De film die ik ga zien is Kedi, zoals ik al zei, een heerlijke docu over de katten in Istanbul, en de mensen, en de straten, en na tien minuten lopen me de tranen al weer over de wangen maar het kan me niet schelen want het is toch donker. Het is echt onvoorstelbaar hoe mensen hier met de katten omgaan, ik heb er al eerder over uitgeweid dus ik zal het nu niet doen, maar Nederlandse mannen zie ik absoluut niet zo voor de katten op straat zorgen, al moet ik zeggen dat wij ook niet zoveel straatkatten hebben, want ze worden meestal meteen opgeruimd/opgenomen in een asiel. Ruim anderhalf uur geniet ik van heerlijke beelden van Istanbul, heerlijke muziek en na de film wil ik eigenlijk het liefst een grote zak kattenkorrels in mijn zakken leegschudden en al kattenvoerend door de straten lopen. 

Na de film ga ik op een terrasje zitten en koffie drinken. Het is al twee uur maar ik ga nog naar Arnavutköy aan de andere kant, waar ik me vanaf Beşiktaş naar toe weet te Uberen. Het is weer de eerste keer dat ik in de vapur naar de overkant zit. Voor 7 lira ofzo, nog geen 2 €, krijg je de indrukwekkendste vaartocht die je maar kan bedenken, de Bosporus schittert in het zonlicht, de Aya Sophia en de blauwe moskee staan aan op de heuvels vanuit het verleden op je neer te kijken, om je heen varen tientallen vapurs en motors kriskras door elkaar heen, meeuwen vliegen erachteraan, vrachtschepen gaan traag voor en achterlangs richting de Zwarte Zee. Allemaal alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Istanbul is eigenlijk een verzameling grote dorpen die allemaal heel verschillend van aard zijn. Het hippe Kadıköy aan de Aziatische kant is totaal verschillend van het daar vlak naast gelegen superconservatieve Üsküdar. Is weer heel anders dan het drukke, toeristische maar ‘goedkope’ Eminönü. En Arnavutköy waar ik nu ben, ziet er uit als een dorpje waar de welgestelden uit Istanbul een tweede huis hadden (hebben) om uit te rusten in het weekend en in de zomer. Vroeger lag het letterlijk aan het water, nu ligt er een lelijke asfaltweg tussen de huizen en de Bosporus, maar naast mij, waar ik zit, op een oud voormalig terras of de oude kade zie je nog de rotsachtige bodem en helder zeewater dat constant in beweging is. De overkant ziet er ontzettend groen uit met de huizen van de gelukkigen der aarde verscholen tussen de bomen of aan de waterkant. Op de top van de heuvel aan de overkant staat ook de vreselijke gigantische nieuwe moskee die er vorig jaar nog niet stond en die meen ik ‘geschonken’ is door Erdoğan, hij lijkt op een wrat met geldingsdrang met die zes protserige minaretten. Maar laat ik niet lelijk doen. 

Ik eet rustig een quinoa salade met een glas witte wijn die me meteen naar het hoofd stijgt en ik moet die heuvel nog op en ik heb nog één brandende vraag: is er nou wel of geen getij op de Bosporus? 

Na de heilzame quinoa salade voel ik me heerlijk uitgerust en vol goede moed om de heuvelachtige straatjes van dit schilderachtige plaatsje in te lopen. De huizen zijn bijna allemaal van hout, sommigen zien eruit als nieuw en anderen storten bijna in elkaar. Het doet allemaal heel eilandachtig aan. Ik loop heel langzaam en maak veel foto’s. Ik vind weer een heerlijk hipster koffiecafé in de overtreffende trap, hier vervallen plafonds van beton waarvan de wapening bloot ligt, een prachtige oude tegelvloer, koperen retrolampen en de jongen achter de bar heeft zich al een tijdje niet geschoren en het haar half wit geverfd. 

Ik vind echt dat ik eigenlijk al weer genoeg gedaan heb vandaag, ik schrik me trouwens dood, het is al 18:30 en ik ga een Uber zoeken. 

Het is stervens druk op de vapur en ik merk hoe moe ik ben. Ik heb geen zin meer om te eten en loop meteen naar huis. Even facetimen met Jan en Ellen, even Netflixen nog en dan lekker slapen.

Zondag 11 juni, boekenfeest in Haydarpaşa


Gisteren werd ik op klassieke wijze wakker met een knallende hoofdpijn en ik zou het dus even rustig aan doen. Het iftar brood van de avond ervoor kon nog prima doorgaan voor ontbijt, en met een kop koffie uit een zakje Nescafe ging ik op bed liggen Netflixen. Tegen een uur of één verlaat ik het pand met een shopping target: iets van een jasje of vest waarmee ik een beetje in de crowd kan blenden met dit weer. Nou ja okee, dat is misschien op voorhand al een mission impossible, maar met een beetje regen ziet iedereen er hier uit alsof het herfst is, en ik loop dus al een week in alleen maar T-shirtjes, ziet er gewoon een beetje raar uit. Ik doe echt mijn best maar kom uiteindelijk gewoon bij de Mango uit, letterlijk het eerste legergroene jasje dat ik tegenkom, wordt het. Ik heb even om me heen gekeken wat de vrouwen hier zoal dragen en de boodschap is duidelijk dress down. Vorig jaar schreef ik al dat Moda hipster city ohne Ende is, dat lijkt zich dit jaar verder te hebben bestendigd. De vrouwen dragen allemaal hoge (en dan bedoel ik echt jaren 80 hoge) te korte zwarte broeken en spijkerbroeken, en een simpel T-shirtje erop met vooral niet te veel opsmuk maar wel graag een statement printje, alhoewel niet te opvallend, of met Bob Marley, James Dean of Che Guevara, en de mouwtjes zijn ook nog opgerold. Eenvoudige gymschoentjes deronder zonder uitzondering, en zware oogmakeup die ze helemaal niet nodig hebben want ze zijn toch al zo mooi, en deprimerende levenloze donkerroze, ketsmatte lippenstift. Aan die flauwekul gaan we dus allemaal niet meedoen, ik ben geen 20 meer, maar dat olijfgroene jasje met die afhangende schouders past prima bij het straatbeeld, dus dat gaat mee, en ook nog een vormeloos blauw-wit gestreept truitje en een te korte spijkerbroek met rafels, en klaar. Het lijkt wel of de mannen zich nu óók collectief hebben aangesloten bij de trend, en hun baard hebben laten staan, en dan begrijp je natuurlijk dat ik niet de isis-baard bedoel, maar de hipsterbaard, ongeveer bij de helft vergezeld van lang haar al dan niet in een Indiaas knotje ketsbovenop het hoofd en de andere helft van knetterstrak á la Turque geknipte kop met kuifje. Ze dragen allemaal te korte zwarte broeken en een fijngestreept tikkie strak Gaultier truitje en een John Lennon zonnebrilletje. Het doet allemaal een beetje jaren 50-70 Parijs aan. Echt, het is gewoon een beetje intimiderend. 
Volgens mij ben ik nu ook in de buurt van de stier, het bekende beeld van Isidore Bonheur uit 1864. Dit beeld werd door de Duitsers gestolen uit Frankrijk in 1870 toen de Duitsers de Lorraine van Frankrijk inpikten, en door keizer Wilhelm II geschonken aan generaal Enver Paşa in 1917. Beetje zuur als je bedenkt dat het beeld de overwinning van Napoleon op Pruisen moest uitbeelden. Na het verlies van de oorlog (de Turken hebben werkelijk een feilloos talent for picking the wrong side) zwierf het beeld een beetje rond in Istanbul, maar werd uiteindelijk door dit stadsdeel Kadiköy aangeworven en hier neergezet. Het plein waar het staat, staat bekend als het protestplein van dit stadsdeel. 

Okee, rundvee ook gezien, maar wat mijn blik trekt is een poster van de grote boekenmarkt in het Haydarpaşa station, op een kwartiertje lopen van hier. Wat moet je met Turkse boeken, zou je zeggen, maar een van mijn shopping targets is een historische atlas van Turkije, dus ik begin er maar heen te lopen. Het is wel een beetje druk op straat. Eerst denk ik dat dat komt omdat het spitsuur is bij de iskele, de haven, maar dan blijkt dat iedereen dezelfde kant op loopt als ik. Tegen de tijd dat ik bij Haydarpaşa aankom is het aansluiten geblazen. Ontzettend veel jonge mensen trouwens, studenten, scholieren en hipsters. Het doet me ontzettend goed, ik denk dat in Nederland de gemiddelde leeftijd van de bezoekers van een boekenbeurs tien jaar hoger ligt, als het niet meer is. Ongewild denk ik ook nog even aan het feit dat de omstandigheden zich prima lenen voor een bomaanslag. Jonge goddelozen en al die goddeloze boeken, de drukte is niet te overzien, je zou een prima slag kunnen slaan als het ware. En dat is nog vóórdat ik zie dat iedereen gecheckt wordt als op een vliegveld, ik moet eerst door een metaaldetector lopen, tas op de band, word dan gefouilleerd (inclusief tas), en krijg dan nog een handscanner over me heen. Komt misschien ook doordat er tientallen beroemde schrijvers aanwezig zijn die zitten te signeren, dat is natuurlijk vragen om security measures. Ik ken ze natuurlijk niet dus loop ze straal voorbij, maar er staan rijen en rijen mensen te wachten voor een handtekening in hun boek en een selfie. De boekenmarkt is uitgestald over de perrons van het voormalige treinstation Haydarpaşa, tussen de perrons staan wagons waarin je kan zitten en thee drinken. Het is gigantisch en ook al is 99,9% van de boeken in het Turks, ik pluis elke kraam na en vind het heerlijk. Ik koop een boek over de geschiedenis van Ayvalık, een notitieboek met oude foto’s en het dagboek van Anne Frank in het Turks, misschien geef ik dat wel aan Mert, de eigenaar van het apartement. Ik zie ook een exemplaar van Mein Kampf liggen, vertaald en wel (Kavgam), achteloos tussen een biografie van Atatürk en iets over Ghandi. Verschillende vertaalde Nederlandse schrijvers kom ik tegen, Mulisch, Tess Gerritsen, psycholoog Douwe Draaisma, Verloren grond van Murat Işik dat ik zo prachtig vond. Ik loop hier zeker twee uur te dwalen, nagestaard, soms vriendelijk aangesproken in de kraampjes, waar maar opvallend weinig mensen Engels blijken te spreken. Ik ben inmiddels ketskapot, ga naar huis lopen, eet het restant van het iftarbrood, en ga schrijven. Daar ga ik veel te lang mee door, ook met wijn drinken trouwens, en het is 2:00 voordat ik het licht uit doe.

Dat wreekt zich vanochtend natuurlijk genadeloos. Om 7:00 ben ik al weer wakker met weer een dijk van een hoofdpijn. Dit wordt dus echt een luie dag. Ik doe de hele dag bijna niets, alleen in mijn onderbroek door het huis schuifelen en Netflixen. Ik ben zelfs zo lui dat ik koffie bestel. Ja mensen, dit is Istanbul, hier bestel je gewoon een latte en een capuccino, en die worden gewoon thuisgebracht, door het arrogante ‘Coffee Manifesto’ van twee straten verderop, degelijk verpakt, in een hipster papieren tasje met de tekst ‘Ask stupid questions’ en met een zakje koekjes erbij. O mensen, wat een geluk. 

Het is een stralende dag, geen regen, de gisteren gekochte jas is volstrekt overbodig, het is warm maar vanaf de op 100 meter afstand stromende Bosporus komt een verkoelend windje en dat wringt zich ook door mijn openstaande ramen, samen met het geluid van de mensen en de auto’s en het antieke trammetje dat hier door de straat rijdt (er is maar 1 circulaire lijn, gelukkig). Het airbnb appartement leent zich hier uitstekend voor, beetje op bed liggen, douchen, naar de keuken lopen om iets te eten te halen en weer verder in bed Netflixen. Ik ga er even uit voor een boodschapje, en begin van de avond voor pide om mee te nemen (paket olsun). Het is hartstikke druk op straat en de iftar is nog niet eens begonnen. Ik vergeet zelfs wat voor dag het is totdat ik weer ga schrijven en de datum erboven moet zetten. Morgen wil ik naar Arnavutköy, verder noordelijk aan de overkant, wat een schattig dorpje binnen de stad moet zijn, en ik wil ook naar de bioscoop, want de documentaire Kedi, over de katten van Istanbul, is net deze week uitgekomen. Of het ervan komt weet ik niet. Vanavond in elk geval op tijd naar bed. 

Vrijdag 9 juni, Bursa, Istanbul. 


Even de algemene stemming sinds ik hier ben. Behalve het aankomen en de stress van het vliegveld, auto halen en in het donker rijden, voelt het alsof alles op zijn plaats valt. Alle Turkse impressies vallen onmiddellijk weer in hun neuropatroon in mijn hersenen. Ik ben weer een beetje thuis. Het lyrische geluksgevoel dat ik vorig jaar had heb ik nu (nog) niet. Gek hoe het ‘feest van herkenning’ en de drang tot verandering en vernieuwing steeds beide aanwezig zijn. Hoe heerlijk is het om weer nieuwe plaatsen te ontdekken, en hoe eveneens heerlijk is het om steeds meer taal te herkennen en kunnen spreken, en om sommige dingen toch weer hetzelfde te willen doen, zoals een cafeetje met lekkere koffie uitzoeken en daar dan heeeeel lang achter een kop lekkere latte te zitten schrijven, met oosterse muziek met veel violen om je heen en af en toe de ezan
Daarnaast ontgaat me de politiek situatie niet, of eigenlijk lieg ik dat, hij ontgaat me wèl, in de zin dat ik er hier helemaal nog niets van heb gemerkt, in de zin dat mensen lelijk tegen me doen omdat ik een Hollander ben, of van de internationale spanningen, Qatar, interne spanningen, etc. Een cynicus zou kunnen zeggen: natuurlijk merk je er niets van, je bent een toerist, je geeft hier je geld uit, stop maar lekker je hoofd in het zand terwijl 150 onschuldige journalisten zonder vorm van proces zitten opgesloten. Weet wèl dat ik me heel goed bewust ben van de situatie, de situatie met de vrijheid van meningsuiting in dit land, de situatie met de Koerden en de PKK en Syrië en de YPG, de situatie met Qatar en hoe Turkije zich hierin beweegt, de situatie met de economie en de pogingen van de Turkse overheid om de val van de koers tegen te gaan. Ik volg ook twitter nauwgezet, en constateer dat ik van sommige accounts die ik volg alleen maar zie staan: “Huppeldepup’s account has been withheld in: Turkey”. Ik kan hun tweets dus echt niet lezen, en inderdaad, als ik iets probeer op te zoeken op Wikipedia (ook de Nederlandse Wikipedia), krijg ik de melding “server onvindbaar”. De hotelsite Booking kan ik gewoon benaderen, maar ik kan in elk land hotels vinden, behalve in Turkije. Vooral de blokkering van Wikipedia vind ik zorgwekkend. Een kenmerk van dictatoriale regimes is het onthouden van kennis aan het volk. Vrije toegang tot kennis is niet gewenst voor een totalitair regime, je wilt controle hebben over wat de jongere generatie wordt geleerd en hoe zij worden gevormd, ik zie beelden voor me van nieuwe, aangepaste, politiek correcte schoolboeken, boekverbrandingen, blokkering van internet sites. Drie dingen die nu echt hier gebeuren. En ik vrees dat als dit niet snel verandert, het te laat is. Want de generatie die hiermee opgroeit, zal het ook weer verder brengen. 

Ik sluit mijn ogen echt niet voor deze dingen. Ik ben ook, juist, ontzettend dankbaar dat ik hier nu mag zijn. Ik ben ook, juist, ontzettend verdrietig dat ik daarom niet naar Hasankeyf, Diyarbakır, Mardin en Midyat kan gaan deze keer. Ik kan niet uitleggen wat dat met me doet. Maar er is ook nog een ander Turkije. Wij zien alleen maar de ellende die in de krant staat, maar wat een leuke, lieve, intelligente, bohemien, avantgarde, intellectuele en creatieve mensen zijn er nog meer! Na de vijf jaar dat ik hier kom, kan ik me bijna niet voorstellen er géén deel van uit te willen maken. Wat een eetcultuur, wat een gezelligheid, wat een behulpzaamheid, wat een laisser faire, wat een je ne sais quoi, wat een bcbg, wat een betrokkenheid, wat een beschaving, wat een intelligentsia, wat een olijfolie, wat een wijn, wat een zonneschijn, wat een zee, wat een rüzgar, wat een poëtische Weltschmerz, wat een gepassioneerde levensvreugde, wat een leven! 

Okee, alles goed en wel, maar over vrijdag is niet zoveel te vertellen. Ik stond vroeg op want een lange reisdag voor de boeg. Ik zou over Bursa (ruim drie uur rijden) naar Istanbul rijden (nog twee uur rijden), de auto naar het vliegveld brengen en inleveren en me in het appartement in Kadiköy installeren. 

Na het fantastische exuberante ontbijt van hotel Erol om 8:00 uur, smeet ik alles in de auto, liet een bedankbriefje, een bak baklava en een pak van huis meegenomen stroopwafels achter en reed ik eerst nog naar de andere kant van het eiland, gewoon om het even gezien te hebben, het was maar tien minuten rijden. Ik ontdekte nog een verborgen strandje voor de volgende keer, en reed daarna ook nog even naar het centrum om wat water en eten voor onderweg te halen. Ik parkeerde in een met doeken overdekte en door oude stenen gebouwen geflankeerde binnenplaats van een authentieke olijfoliefabriek, boven de ingang van de binnenplaats stond nog het verbleekte bord ‘Sabuncugil’, een historische olijfolienaam. (Het achtervoegsel ‘gil’ is trouwens in het geheel niet Turks, maar ik weet niet wat het betekent. ‘Sabun’ is zeep, en ‘sabuncu’ zou zeepmaker moeten zijn, en zeep wordt ook van olijfolie gemaakt.) In gedachten zei ik dag tegen deze olijvenplaats, ik ben hier veel te kort geweest, en ik hoop hier nog eens terug te komen. 

Drie uur zou ik moeten rijden naar Bursa. De eerste paar uur zag ik uitgestrekte olijfgaarden, kilometers en kilometers lang. Ik zag een beetje op tegen deze reis. En ik zal er ook niet te veel woorden aan verspillen. Een grote stad als Bursa zie je al tientallen kilometers van te voren aankomen door lelijke banlieus, voorsteden, die echt lelijke Turkse vierkante uit de grond gestampte betonnen wijken. Het lijkt wel Rusland. De drukte op de weg neemt toe naar gelang het aantal rijbanen ook toeneemt. Gek genoeg neemt het aantal rijbanen naar gelang je de stad nadert weer àf, zodat heel dat godganselijke verkeer zich weer in die twee à drie rijbanen probeert te proppen, afijn stress ohne Ende. Inmiddels was de zon óók verdwenen en had plaatsgemaakt door miezerige regen en 19 graden, en ik had dus geen trui of jas of vest bij me. 

Maar ik moest zonodig Bursa zien en één of ander historische markt en één of andere han, dus ik dacht oké dan hop met de geit. Ik had al geen meter zin meer, maar allah. Niet dat ik nog een keus had, want zat inmiddels muurvast in het verkeer. 

Na anderhalf uur als een dwaas door dat verkeer heen ploeteren kwam ik zowaar op een plek die de parkeerplaats bleek te zijn die ik op Google Earth meende te zien. Sleutel weer inleveren en ik moest inmiddels zo ontzettend naar de wc dat ik eerst maar naar het stadsmuseum ben gegaan (museum = schone wc’s). Vreselijk museum trouwens; er was genoeg te zien, daar niet van, maar stel jezelf de vraag: “Wáár zijn de vrouwen???” En dan blijkt dat er ook in de overheidsmusea totaal geen aandacht is voor de vrouwen in de samenleving en dan is het wat mij betreft snel over met de pret. 

Na het museum voeg ik me in mijn doorwaaibloesje kleumend in het winkelende publiek van de historische binnenstad, het is een prachtig gezicht, laat ik dat vooropstellen, dat Middeleeuwse centrum met die overdekte markt en alles, en dat pleintje met al die winkeltjes, maar wat me toch het meestel opvalt is het religieuze contrast met Ayvalık. Waar er in Ayvalık in de verste verte geen hoofddoek te bekennen is, is hier letterlijk negen van de tien vrouwen gesluierd, waarvan ook een paar echt in een volledige zwarte niqaab. Voor me lopen een jongen een meisje met zo’n niqaab, de jongen ziet er sportief en modern uit en loopt grapjes met haar te maken, ze horen duidelijk bij elkaar. Zij lacht en leunt naar hem toe terwijl hij haar duwtjes geeft en kennelijk grapjes maakt, alsof die hele niqaab niet bestaat. Het maakt me boos, ik denk aan de ene kant, wat een belachelijk idee dat jij je zo moet laten beperken in je bewegingsvrijheid terwijl dat volgens de koran helemaal niet hoeft, en tegelijkertijd denk ik, maar zij hebben kennelijk net zo veel lol als elk ander stel, dus wat is er dan verkeerd aan? Ik moet mezelf die vraag stellen, terwijl ik tegelijkertijd vind dat die sluier echt verkeerd is, als je begrijpt wat ik bedoel. 

Ik besteed niet teveel tijd in Bursa, want ik voel me hier gewoon echt niet thuis. Op de een of andere manier gaat er van die jonge streng religieuze mensen toch een bepaald oordeel uit, meer nog dan van de oudere generatie. Die jonkies zijn vaak zo overtuigd van hun gelijk, of van hun recht op hun overtuiging, dat er toch al niet mee te praten valt, en op de een of andere manier pik ik dat op in hun blikken. Ik hoop dat ik het mis heb, maar dat is mijn gevoel, en dat zorgt er ook voor dat ik hier nu gewoon zo snel mogelijk weg wil.

De reis naar Istanbul verloopt buitengewoon voorspoedig, het is alsof de stad me naar zich toe trekt, alsof ze weet dat ik hier wil zijn en zegt ‘kom maar hier, hier kan je wel van het leven genieten’. De Uber is er binnen een minuut. De stad is zo groot, de reis naar het appartement duurt nog een uur en ik slaap een beetje in de taxi. Mert, de eigenaar van het appartement ontvangt me allerhartelijkst. Ik ben één van de laatsten die van het uitzicht kunnen genieten, opzij is de Bosporus te zien, maar naast hem worden appartementen gebouwd. “It’s construction mayhem right now in Istabul”, zegt hij. Ik zeg: “Turkey probably needs it”, waarop hij meewarig zijn hoofd schudt, hoe kàn ik dat zeggen, “Turkey needs more green!”. Het ‘probleempje in de badkamer’ is inmiddels opgelost en ik gooi mijn spullen aan de kant, neem een douche en geef me over aan Istanbul.