Dag Turkije


Vandaag is het de laatste dag, vanavond gaan we naar huis. Als je alleen bent heb je veel meer tijd om te schrijven en ik loop dus een paar dagen achter. Maar tegelijk heb ik ook niet zoveel meer te vertellen want we zijn gewoon op vakantie. In Bodrum. We liggen een beetje op het strand. We eten wat. We zwemmen wat. Ik schrijf wat. En er is alleen niet genoeg tijd meer om uit te wijden over alle merkwaardigheden van dit land waar ik maar niet genoeg van kan krijgen. Van de eigenaardigheden van de taal, de manieren, hoe je went aan de ezan, de gebouwen, de namen, de gesprekken die je met mensen aanknoopt maar vooral wat het met je doet, hoe je, hoe ik, erover denk, wat ik erbij voel. Gisteren liepen we ’s avonds naar een restaurant en zag ik een poster van Koray Avcı, waar ik een foto van wilde maken maar ik moest even wachten op een oud mannetje met kromme benen dat voorbij liep. Hij stopte en gaf een grote grijns en zei “Benden çek, benden çek”, maar ik begreep het niet en glimlachte wat beleefdheden naar hem en nam de foto die ik wilde nemen, en toen hij al voorbij was begreep ik pas met vertraging dat hij had gezegd, “maak ook een foto van mij”. Had ik die man maar geknuffeld. Of van Izmir, hoe geweldig die stad is, en de Saat kulesi, het Kordon, de aanslag op Istanbul airport, het grote zwarte portret van Atatürk, de Kemeraltı, dat superhotel met die hemelse douche. En hoe Parijs’ die stad aanvoelt met al die jonge mensen en gezelligheid, terwijl ik helemaal niet van gezelligheid hou, ik word er maar cynisch van. Gek genoeg hou ik in Turkije wèl van gezelligheid.

En Efes, wat een magistrale antieke plaats, en de lifter Melih Gök die we meenamen naar Selçuk en een foto van ons maakte. En van Selçuk, waar de hoosbui losbarstte op het pleintje terwijl we net aan de çöp şiş zaten.

En de prachtige kleine antieke plaats Magnesia die we na de hevige regen op de valreep nog even aanschoten, waar we alweer helemaal alleen liepen, waar zoveel nog begraven ligt, waar ik nog een steenverbinding van ijzer vond die in tact was, waar een overhellende muur tegen je zei dat er echt niet met dat ding te spotten viel, waar ik een hals vond van een aardewerk pot, en er een openbaar schijthuis was (latrine), en een knalblauwe libelle, en schuine watergoten, en de voeten van de dikste pilaren die ik ooit heb gezien.

En de vreselijke stranden van Bodrum, echt, hoe verzin je het, je kan hier niet eens een zeilbootje huren, wat doen al die mensen hier, ik kom hier nooit weer. Misschien alleen met een boot ben ik nog over te halen.

En het kasteel van Bodrum, dat toch ineens een aangename verrassing was, en dat ook een verrassing voor mij had, namelijk een bijzonder vreemde afbeelding van ‘Agio Nicola’, in oosterse lotushouding op een wolk zittend, zóiets geks.

Zoveel details gaan voor m’n gevoel nu verloren, omdat ik geen tijd meer heb, sowieso niet genoeg tijd heb om alles te beschrijven wat ik hier heb gezien en gevoeld en gedacht, maar waarschijnlijk interesseert niemand die details, alleen mijzelf. En zo hoort het waarschijnlijk ook, uiteindelijk hebben we toch allemaal de neiging om ons vooral te interesseren voor wat dichtbij ons is en herkenbaar voor ons is en wat we kunnen relateren aan onszelf. Voor mij is het de hang naar het vreemde en onbekende dat me hiernaartoe heeft getrokken, het had in dat opzicht ook Afrika of Zuid-Amerika kunnen zijn, maar mijn interesse ligt nou een keer hier bij geschiedenis, hoe Europese volkeren zich ontwikkelden omdat ik daar zelf deel van uitmaak, en dan uiteindelijk mijn plaats daarin en op de een of andere manier heb ik het gevoel dat voor mij hier alles begint en alles samenkomt.

Alles ligt gepakt in de auto en we maken deze dag vol en onze portemonnee leeg op het strand van Bitez. De hitte is dik als stroop en je hebt medelijden met de mensen die ons hier lopen te bedienen. Helaas is aan deze rijke, volle maand in dit bijzondere land een einde gekomen.

Plaats een reactie