Follow, follow the sun and which way the wind blows when this day is done
Breathe, breathe in the air Set your intentions Dream with care
Tomorrow is a new day for everyone Brand new moon, brand new sun
So follow, follow the sun the direction of the birds the direction of love
Breathe, breathe in the air cherish this moment cherish this breath
Tomorrow is a new day for everyone brand new moon, brand new sun
When you feel life coming down on you like a heavy weight When you feel this crazy society adding to the strain Take a stroll to the nearest waters edge remember your place Many moons have risen and fallen long, long before you came
So which way is the wind blowing and what does your heart say?
So follow, follow the sun and which way the wind blows when this day is done…
Ik vond gisteren dat ik wel mocht uitslapen dus ik had de wekker om 9:30 gezet, maar ik werd om 7:15 (6:15) al wakker. Enigszins van de schrik bekomen had ik bedacht dat ik dit maar gewoon een relaxte dag moet maken zonder ‘bucketlistgerichte’ activiteiten, aangezien ik al één taak heb vandaag, en dat is de sleutel ophalen van het appartement van Uğur (spreek uit: Oe-oer) in Cihangir, Beyoğlu. Ik moet daar om 14:00 zijn. Eigenlijk had ik nu dus de wijk in willen gaan voor een ontbijtje maar de drukte van gisteren heeft me afgeschrikt, dus ik zet gewoon koffie en smeer een paar crackers met iets van Philadelphia-achtige kaas. Ik nuttig dat ontbijt afwisselend op de ene en de andere bank en aan het tafeltje bij het raam, omdat ik mijn draai nog niet kan vinden. Al die kamers ook… wel vier, ik ben het niet gewend. De hele ochtend loop ik achter mijn spullen aan, ik vergeet direct waar ik mijn telefoon, iPad, koffie, cracker, slippers heb gelaten en moet dan dus wel vier kamers checken. Het hele ochtendritueel duurt dan ook twee keer zo lang als normaal. Maar de zon schijnt, het is warm, de ramen staan open, de geluiden van Istanbul begeleiden het hele ritueel. Om 11:30 loop ik de deur uit richting iskele (bootstation).
Bij de kiosk haal ik een Istanbul kartı en met handen en voeten vraag ik of de verkoper hem ook op kan laden. Ik weet niet wat er mis is, maar van mijn Turks komt helemaal niets terecht, ik weet niet wàt er uit mijn mond komt, of misschien schijnt mijn truitje teveel door, ik weet het niet, maar niemand verstaat er een jota van. En waar ik voorheen dacht, alle Turken spreken toch Engels, nou, niet dus, op het moment dat je echt iets nodig hebt, spreekt er helemaal niemand Engels. En dan is het dus handig als je zuurgeleerde Turks er een beetje begrijpelijk uit komt, maar die moeite is dus klaarblijkelijk ook voor niks, want twee mannen kijken me aan alsof ze denken: “Dat mens probéért kennelijk iets in het Turks te zeggen, maar wat bedoelt ze in vredesnaam?” Pas als er een derde jonge gast aan te pas komt die meteen als vertaler inspringt, komt het goed. Istanbul kartı in de pocket, ik kan weer tien keer heen en weer met de vapur (spreek uit: wapoer).
Ik stap uit in Karaköy aan de noordkant van de Galatabrug en stap op de tram naar Tophane. Dat is precies aan het eind van Boğazkesen straat (“Strait cutter” straat, genaamd naar het afsnijden van de Bosporus waarmee de ottomanen Constantinopel veroverden in de 15e eeuw, maar letterlijk vertaald ook ‘neksnijder’, wat de straat waar ik nu doorheen loop net even die extra edge geeft). Het appartement van Uğur ligt in een zijstraat hiervan. Ik ben ontzettend vroeg, zodat ik lekker even door deze hippe buurt kan struinen. Dat betekent trouwens wel dat ik deze straat helemaal uit moet lopen, of liever óp moet lopen, want ik heb inmiddels wel door dat je straten hier uitsluitend òp- of àfloopt. Bijna aan het eind ben ik toch redelijk buiten adem en ga ik zitten in een nis op de stoep, die het terras van een boho hipster koffiecafé blijkt te zijn die dan ook arrogant genoeg is dat je er dan ook echt alleen maar koffie kan krijgen. Nou ja, en water en thee. Een meisje voor me bestelt thee, en krijgt die met een instructie van drie minuten en een minizandlopertje erbij. Doe mij maar koffie dan, en water. Even vergeten dat ik geen geld bij me heb. “Geen probleem, betaal later maar,” zegt de hipster ober, terwijl hij een inderdaad goddelijke latte voor me neerzet, “verderop zit wel een pinautomaat.” Dat vertrouwen dat je moet geven in dit land, krijg je ook terug.
Op zoek naar de pinautomaat sta ik ineens op Istiklal straat. Uit nostalgie omdat ik hier twee jaar geleden met Jan liep, loop ik een stukje door. Voor de deur van het Galata Lyceum zijn twee banken opgesteld waar mensen op zitten met bordjes in hun handen. Op de grond ervoor worden nog meer bordjes neergelegd. Het zijn foto’s met namen en data eronder. Het zullen wel geen verjaardagen zijn. Ik loop er langzaam omheen om erachter te komen waar het over gaat zonder dat ik iemand hoef aan te spreken, maar ik kom er niet achter. Iets verderop staan een paar politieagenten te kijken. Terwijl ik de flarden woorden aan elkaar probeer te rijgen, wandel ik langzaam door en als ik weer om me heen kijk zie ik dat ik exact op de plek ben waar kort geleden een aanslag is gepleegd, waar drie toeristen omkwamen. Ik herken het aan het naambordje van een gemeentelijk politiebureau. Je ziet er niets meer van terug. Er kijkt niemand naar om. Ik krijg een heel licht unheimisch gevoel en vraag me soort van verplicht af of ik hier wel veilig ben. Ik draai me om en loop terug. Ik zie nu dat in het straatje achter de politieagenten, niet meer een paar politieagenten staan, maar inmiddels wel veertig of vijftig en er staan ook twee ME-bussen achter. Een seconde ben ik van plan een foto van ze te maken, maar besluit dat ik dat misschien maar beter even niet kan doen. Sterker nog, ik heb ineens het gevoel dat ik gewoon maar beter helemaal heel snel hier weg kan gaan. Ik loop terug naar ‘Coffee Lab’ (wil je iets hipsters starten, dan zet je er gewoon ‘Lab’ achter) en betaal de jongen, die zich ongetwijfeld al afvroeg of ik nog terugkwam. Van de demonstratie merk ik verder niets meer.
Ik eet nog even een hipster broodje in ‘Bite’ dat 45 minuten duurt om te maken, en loop dan naar het apartement van Uğur. Bovenaan de 96 treden staat hij me breed grijnzend op te wachten. Ik krijg een glas water en een rondleiding. Hij zwaait de balkondeuren van de woonkamer open en daar ligt Galata over de heuvels gedrapeerd, met op 500 meter afstand de Galatatoren. Ook hier is het uitzicht sprookjesachtig, wat ben ik een bofferd. Uğur is de perfecte gastheer, ik mag alles gebruiken, overal voor bellen, dan komt hij meteen, en in de koelkast staan twee bakjes sütlaç, die moet ik lekker opeten met honing, ja, hij doet dat niet “because I’m working out, I have to watch my sugar intake”, maar ik ben kennelijk dik genoeg om wel suiker te eten. Ik vermoed dat hij gay is. Hij vertelt dat hij meerdere keren in Amsterdam is geweest, “ofcourse Amsterdam is the Mecca of everything!”, en dan weet ik het bijna wel zeker.
Ik vertrek vlak na hem om even boodschappen te doen bij Carrefour op Sıraselviler caddesi midden in Cihangir, en ik waan me in Parijs. Kleine straatjes, pleintjes met bomen, terrasjes. Voordat ik daar aankom neem ik wat willekeurige zijstraten en opeens sta ik voor het Museum of Innocence. Toch maar gelijk naar binnen ook al is het al eind van de middag. Dat is de beauty van alleen reizen, al die mooie dingentjes meteen kunnen doen. Ik ben ook helemaal in verrukking van het museum. Pamuk maakt een studie van het verbinden van woorden, betekenissen, herinneringen en objecten. Het museum bevat duizenden onschuldige objecten waar je anders niet naar om zou kijken maar in deze context vormen ze een verhaal, en hebben ze betekenis, en relateer je automatisch zijn objecten, en woorden, en betekenissen aan die van jezelf. Het hele museum is daardoor een kunstwerk en een ontroerende persoonlijke beleving in één.
Teruggekomen die 96 treden op zit ik nog lang op het terras te schrijven met een glas wijn. Tegen zonsondergang neem ik de ferry weer terug naar Kadıköy.
Als ik van de boot ben gestapt, loop ik toch maar even achter de meute aan richting het centrum. Mijn afkeer van mensenmassa’s zorgt ervoor dat ik de eerste de beste kebapzaak binnenloop en niet verder durf. Gelukkig betreft het hier Iskender kebapçı, sinds 1967 al in de kebap volgens het servetje, en zelfs de hele familie heet Iskenderoğlu, met die mensen moet je niet sollen, die weten wat ze doen. Alleen is dat geen Engels spreken dus met mijn kennelijk gebrekkig Turks zeg ik dat ik iets wil eten. Weer die verwarde blik, terwijl het me toch redelijk voordehandliggend lijkt wat ik hier kom doen op dit tijdstip van de dag net als de rest van de Kadıköyers. Ja ik weet het jongens, ik ben alleen, het is een beetje gek, maar een mens alleen moet toch ook eten? Als ik dan maar in het Engels vraag of ze een tafeltje voor me hebben wordt er geroepen naar degene in de bediening die wel Engels spreekt, en die wordt er dan bijgehaald. Het komt me over als nogal veel moeite, zeker als blijkt dat op het hele menu maar twee dingen staan, dus de kans op misverstanden over de bestelling is nagenoeg niet aanwezig. Een hele portie, of 1,5 portie kebap, ik vind het allemaal prima, als ik hier maar zo snel mogelijk weg kan. Ik bestel een portie en water (geen alcohol op de kaart) en die worden binnen vijf minuten gebracht (allicht als ze toch de hele dag niks anders maken). De ober zet een bord geschaafd vlees voor me neer en schenkt voor mijn neus er uit de pan een restje heet braadvet overheen. Ik neem een hap brood en vlees en ik sta meteen op scherp: hoe kan dit? Hoe kàn dit zo lekker zijn? Ik zie er werkelijk niets bijzonders aan: tomaatje, groen paprikaatje, brood, vlees en witte kaas. Maar het is goddelijk, en ik had niet eens honger. Dat vlees is echt zo lekker. Het is amper gekruid, maar zacht, en de peper en boter maken alle vleessmaken los. Ik kan ook meteen niet meer ophouden met eten en heb spijt dat ik niet die 1,5 heb genomen. Binnen 10 minuten heb ik mijn bord leeg, eerlijk is eerlijk, ook omdat ik gewoon weg wil. Maar ik zie wel dat hier gewone mensen zitten, geen toeristen, ik hoor alleen maar Turks om me heen en ook al heb ik het gevoel dat ik er totaal niet bijhoor, het is prima, want het is ècht, en gewoon, en ik heb zojuist de kebapsummit van mijn leven bereikt, en dat is een prima verworvenheid voor vandaag.
Op het vliegveld zou iemand moeten staan met een kaartje met mijn naam erop, die zorgt voor mijn mobiele bereikbaarheid deze maand en ook voor mijn transport naar Bakırköy. Als ik met 5000 andere zwetende passagiers de douane ben gepasseerd, mijn 30 kilo bagage heb opgehaald en naar buiten kom, staan daar 40.000 soort van taxichauffeurs met bordjes in hun handen met namen uit alle landen, te schreeuwen dat ze mij wel naar mijn hotel willen brengen. “Which hotel? Which hotel?” Als ik dan zeg dat ik geen hotel heb, met mijn bleke krullenkop dus duidelijk toerist, ontstaat een verwarde blik waarna ik niet meer de moeite waard ben en de zoektocht gaat verder. Na vijf minuten vind ik mijn man, hij zegt niets tegen me, wenkt alleen maar “geef me je telefoon”, wat ik dan ook maar doe. Als rechtgeaarde wantrouwende Hollander moet je je hier wel een beetje aanpassen. En dat begint dus meteen op het vliegveld. Inderdaad heb ik nog geen twee minuten later mobiele wifi en zit ik in een Istanbulse kamikazetaxi en voel ik me zo vrij, zo vrij, razend door dat verkeer tussen die lelijke flatgebouwen, dat de tranen me gutsend over de wangen stromen. “Bakırköye gidiyor muyuz?” vraag ik aan de 14-jarige taxichauffeur, gaan we naar Bakırköy? Ja, daar zijn we inderdaad 10 minuten later en net op tijd voor de denizautobüsü (zeebus) van 17:45 naar Kadıköy, niet 18:00 zoals op werkelijk alle websites staat, want ik heb me voorbereid, maar 17:45. Die had ik dus anders mooi gemist en zo zie je maar dat je je te pletter kan voorbereiden, maar dat heeft hier allemaal helemaal geen nut.
Het is maar tien minuten lopen naar het apartement van Emine, ja, tien minuten maar wel berg òp met 30 kilo die aan je arm hangt en dan kan je wel een sleurtas hebben maar dat maakt dus helemaal geen reet uit. Als ik er aankom is Emine gelukkig thuis, en hoef ik alleen nog maar die 8 trappen op naar de top floor. Sinds de vlucht heb ik al niets meer gegeten of gedronken, mijn hoofd barst zowat uit elkaar, maar daar staat Emine elegant en dun en voorkomend en gastvrij in de deuropening. Ik voel me als een slagroomtaart in de zomer die te lang buiten de koelkast heeft gestaan maar ik moet nog even socializen met Emine, die me de ins en outs van het apartement vertelt en ook op haar vriend wacht (die trouwens trainer is bij een zeker niet nader te noemen lokale voetbalclub aan de overkant waar een van onze landsmannen ook speelt). En passant word ik uitgenodigd voor een zeiltocht naar ‘the islands’ want de vriend zeilt en heeft een boot. Niet gelijk alles aannemen Jen, they’re just being polite.
Emine neemt me mee naar de woonkamer en laat me het uitzicht zien, en voor me openbaart zich het meest dromerige uitzicht dat ik ooit heb gezien, beter dan ik durfde te hopen toen ik hier naar toe kwam, helemaal op maat voor mij. Tussen de flatgebouwen, over het straateinde heen, heb ik vierkant uitzicht op de Bosporus en aan de overkant Fatih, als een sieraad langs de hals van de horizon, met als edelstenen de Aya Sofia en de Blauwe Moskee.
Emine vertrekt en ik zet mijn koffer in een kamer, trek hem open en in minder 20 seconden ziet de kamer eruit alsof ik er al twee jaar woon, en Jan weet wat dat betekent. Want die broek die ik aan moet zit natuurlijk ònderin, net als mijn toiletspullen ònderin zitten, alsmede mijn schone ondergoed ook ònderin zit, waarna mijn makeup en bloes en ballerinas vervolgens ònderin zitten. Ik neem een douche en kleed me aan. Ik verdwaal steeds in dit huis. Het ruikt hier naar parfum en wasmiddel. Ik zie alle schoenen bij de deur staan en realiseer me dat ik mijn schoenen uit had moeten trekken bij binnenkomst. Als je je zoiets realiseert, voelt je je bestwel een boerin.
Gedoucht en alles ga ik naar buiten op zoek naar de Migros die hier om de hoek moet zitten. Het is iets van 19:00 uur en het is ster-vens druk op straat. Ik moet even wennen omdat werkelijk iedereen me aankijkt. Ik ben onmiskenbaar buiten het toeristenseizoen de enige kaaskop. Het maakt dat ik me niet op mijn plaats voel. Een beetje eenzaam. De Kadıköy-er voelt aan als de Parijzenaar of de New Yorker. De vrouwen moeten je al helemaal niet en de mannen kijken zo lang naar je als hun vrouw dat toelaat. Die vrouwen zijn in mijn ogen ook allemaal dun, donker en mooi en iets teveel opgemaakt. Ik voel me nu al een walvis. Gelukkig heeft de Migros wijn, nectarines, koffie en ontbijt en via Pizza Moda haast ik me snel naar mijn plekje bij het raam. Ik voel me gelukkig, en vrij, en bevoorrecht, maar moet ook nog een beetje wennen…