Lagina, Milas, Jan


Zaterdag

Het feit dat ik nog tot vanmiddag 15:30 heb voelt als een enorme luxe. Uiteraard sta ik lekker op tijd op en doe nog wat inpakwerk. Het hoeft allemaal niet zo nauwgezet, maar ik vouw wel de shirtjes en de shorts bij elkaar. Als de nood aan de man is smijt ik alles zo die auto in dus ik maak me niet echt zorgen. Van boven naar beneden ‘clear’ ik elke ruimte, eerst de badkamer, dan achteruit tijgerend de slaapkamer, dan de overloop en zo is het boven ‘all clear’ en hoef ik me alleen nog maar om de benedenverdieping te bekommeren. Maar voordat ik dat doe ga ik nog wel even naar het strand. Ik lig daar om 10:00 uur en ik mag van mezelf tot een uur of 12:00 blijven liggen. Ik zoek een rustig bedje uit in het midden van het strand en laat me in het water zakken. Drijvend in het frisse water zeg ik als een kleuter gedag tegen alles, dag mooi blauw water, dag kiezels, dag bergen, dag paragliders. Er stopt een jongen naast mijn stoel met een rare buff om zijn hoofd die me bekend voorkomt. Hij vraagt of ik een foto van hem wil nemen met Babadağ op de achtergrond. Ja hoor, dat wil ik wel. “I came walking from Fethiye to here and now I’m gonna walk there”, verklaart hij. Hartstikke fijn jongen. Hij vertelt over Kayaköy en dat hij door de bergen wandelt. “Do you know the Lykia Way?” Vraag ik hem. Dat had ik beter niet kunnen doen. “Do you know it?”, vraagt hij. “I ran there, 10k”, vertel ik hem. “You’re a runner?”, vraagt hij. En als ik dat bevestig zegt hij dat hij ultrarunner is en komt zijn hele ultramarathon-cv op tafel (vandaar die rare buff) en wat erger is, hij gaat naast me zitten op mijn zonnebedje. Neeeeee, denk ik, neeeeeee, ga van mijn stoel af. Hij vraagt wat ik hier doe, en ik vertel dat dit mijn laatste uurtje op het strand is en ik dan mijn boyfriend ga halen. “Ooooo”, zegt hij, “Your boyfriend, I’m so disappointed.” Ik kan een grijns niet onderdrukken en zeg “So if you don’t mind…..” alsof daarmee te zeggen dat ik dus dat laatste uurtje nog even met rust gelaten wil worden. “Ofcourse ofcourse”, zegt hij, “I won’t disturb you, but you are really beautiful and I really want to kiss you now.” “Okaaayyyy thank you for your honesty but I really think it’s time for you to leave now”, zeg ik. Als hij gelukkig opstaat, zegt hij, “I saw you, and I had to try, I’m sorry.” “Ok bye bye now, have a nice trip.” Gelukkig vertrekt hij dan ook. Ik ben vandaag voor het laatst alleen dus waarschijnlijk is het nu wel afgelopen met deze grappen. Ik heb me eerlijk gezegd niet echt aan dit soort aandacht gestoord de afgelopen weken. Niemand is echt vervelend tegen me geweest. Als ik duidelijk aangaf dat het genoeg geweest was nam men ook netjes afstand. Het levensmotto van deze jongens is kennelijk ‘gewoon proberen ookal is ze net zo oud als je moeder’, en het is wel begrijpelijk want bij Turkse meisjes komen ze niet ver en westerse vrouwen hanteren natuurlijk in de regel een in hun ogen stuk makkelijkere moraal. Ik vind het vooral opvallend dat Turkse mannen totaal niet bang zijn om een blauwtje te lopen, volgens mij bestaat dat hier niet eens.

Op mijn buik op mijn stoel lig nog even om me heen te kijken. Ik zoek tussen de kiezels een paar mooie kleine steentjes uit om sieraden van te maken, en grijp dan een handje ervan en doe ze in een flesje om mee naar huis te nemen. Ik denk niet dat iemand het merkt als ik wat achterover druk. Dag mooie steentjes, dag stoelen, dag Cloud 9, dag zwemmen met zonsondergang. Het is nu wel klaar, ik wil nu mijn man ophalen.

Thuis ben ik al snel klaar en kan ik de laatste uurtjes in het zwembad doorbrengen waarvan het water bijna warm is. Dag zwembad, dag pruimenboom. Om stipt 15:30 ga ik op weg. Dag Atatürk Caddesi, dag Fethiye. Ik ga op weg en ben na ongeveer anderhalf uur al in de buurt van Muğla. Het reizen gaat weer supervoorspoedig. Aangezien ik zo vroeg ben kan ik makkelijk nog wel even een paar antieke plaatsen bezoeken. De eerste die ik zoek is letterlijk van de aardbodem verdwenen. Waar bij Eskihisar iets op de kaart stond, is nu een enorme steengroeve [NB later bleek dat ik gewoon een kilometertje door had moeten rijden naar Stratonikea…]. Balend om de verloren tijd draai ik de weg weer op en zie na tien minuten een bruin bordje Lagina 8 km staan. Ik had Lagina wel op de kaart zien staan maar dacht dat het te ver was, maar die 8 km kan er wel vanaf, dus zonder te aarzelen sla ik af. Na ongeveer 7 kilometer moet ik een grindpaadje opdraaien dat al snel in een met keien vergeven zandpad verandert. Dit gaat helemaal goed komen. Na een aantal bochten en een oud krom boerinnetje draai ik ineens een klein open plaatsje op met een enorme oude olijfboom in het midden en op de achtergrond zie ik witte contouren, stenen, muren, halve pilaren. Er is een dichte slagboom. Er is een ‘gişe’ (loketje) waar niemand meer is en het is inmiddels al een uur of zeven, de zon staat laag en werpt een prachtig warm licht op de schatten die hier liggen. Ik zet mijn auto onder de olijfboom en loop, alweer moederziel alleen, in het warme avondlicht het hobbelige terrein op. De krekels trekken zich niets van mij aan. Krekel is trouwens ‘ağustos böceği’, augustus insekt, omdat ze in augustus het hardst zouden zingen. Een stuk roze marmer ligt voor mijn voeten. Ik raap het op, draai het een paar keer door mijn vingers heen en leg het even verderop bovenop een blok graniet. Het terrein is niet zo groot, maar ik zie de structuur ervan door de chaos van omgevallen muren heen. Een straat, een plein, een tempel, dikke ronde muren van platte stenen en cement van wat op een kleine kerk lijkt. Het is geen woonplaats, blijkt als ik even later een informatiebord lees, maar een tempelcomplex voor Hecate. Als eerste kom ik op een ronde opening waar een paar zuilen omheen staan en een grote marmeren toegangspoort. Dit is de meest opvallende structuur van het terrein. Groot is het niet, maar omdat de zuilen in het rond staan en vanwege de hoge toegangspoort maakt het indruk. Er zijn verschillende trapjes naar beneden die naar een vierkante ruimte leiden, nou ja, ruimte is een groot woord, maar er liggen nog gebroken marmeren vloeren die een idee geven van een ruimte. In de vloeren zie ik tekens staan waarvan ik niet weet wat ze betekenen. Cirkels, vierkanten, kruisen met takjes eraan. Overal in de plaatsen waar ik geweest ben zie ik ze. De trappen hebben een deuk en zijn in zijn geheel verzakt. Ook hier steken overal resten van de roodbruine aardewerk waterleidingen boven de grond uit.

Langs de straat liggen hogere stoepen waar voeten van zuilen staan. Verderop staan een paar bomen die in hun groei hele blokken marmer mee naar boven hebben genomen, hun wortels om andere blokken hebben heengeslagen.

Af en toe sta ik even stil om om me heen te kijken, te genieten en me een voorstelling te maken van de dagelijkse bezoeken aan deze plek van aanbidding. Ondanks de hitte moet het in deze plaatsen overal fris zijn geweest, want er was overal stromend water, er waren goten en riolen en waterbassins.

Een groot deel van wat ik nu zie is enige tijd geleden uitgegraven, maar er wordt hier al een tijdje niet meer gewerkt en je ziet zo dat er nog veel meer onder de aarde verborgen moet liggen.

Na een uurtje ben ik redelijk voldaan en stap ik weer in de auto. Halverwege het knobbelige weggetje zie ik naast de weg nog een vreemde structuur liggen. Het lijkt een groot diep bad bad te zijn met een paar smalle pilaren erin. Er loopt een gootje naar toe en vanonder de stenen vandaan komt een stroompje fris water. Ik heb nog nooit zoiets gezien, het doet me denken aan een doopbad. Ik ben helemaal blij met deze kleine verrassing.

Ik ga nu doorrijden naar Milas, vlakbij het vliegveld, om iets te eten. Ik ben nog steeds veel te vroeg en okee dan, onderneem nog één poging voor een kleine andere antieke vindplaats, maar die is tevergeefs, want de plek op de kaart blijkt nu midden in een stuwmeer te liggen. Inmiddels is het trouwens ook te donker om echt nog iets te kunnen zien, dus ik rij drie keer het troosteloze Milas rond op zoek naar een autentiek restaurantje, dat ik uiteindelijk naast de snelweg vind. Turkije blijft me wat dat betreft verrassen. Als ik stop naast het restaurant Bacakcılar dat bestwel goed bezocht wordt, terwijl het nog geen tijd is voor de iftar, wacht een parkeerhulp op me om in te helpen met inparkeren (waarschijnlijk wilde hij het zelf doen), en krijg ik binnen een mooi tafeltje. Ik bestel een onduidelijk goddelijk lekker soepje, een piraz (bonensalade), een huisgemaakte ayran met schuim en iskender kebap en zit zo verschrikkelijk lekker te eten dat ik het niet eens erg vind dat er weer geen alcohol op de kaart staat terwijl we nog geen 20km van gomorra af zitten. Ook nog kemal paşa bestel ik als toetje en met water en kersensap erbij moet ik 40 lira betalen, ik schaam me er bijna voor.

Ik stap in mijn auto en rij naar het vliegveld. Ik ben zo gewend aan dit verkeer, met rechts inhalende mensen die dan voor je neus linksaf gaan, gewend aan het eten, de hitte, de geluiden, de geuren en ik ben benieuw hoe Jan het straks gaat ervaren. Nog een uurtje tot hij komt. Het is inmiddels helemaal donker en op de flighttracker kan ik zien dat hij geland is, en na drie weken heb ik hem eindelijk weer in mijn armen.