Nu het tijdstip van schrijven is aangebroken merk ik dat ik echt begin te wennen aan deze plaats, want ik moet heel hard nadenken over wat ik woensdag allemaal gedaan heb. Heel erg weinig in elk geval. Zoals gewoonlijk veel te vroeg wakker en nog even blijven liggen. Koffie gezet van instantkoffie met gekookte melk uit de magnetron, want ik heb geen lucifers om het gas aan te steken en ook geen zin om een pannetje vuil te maken. Het wordt de heetste dag van de week en ik weet niet of ik het op het strand wel uit ga houden maar ik ga toch. Als ik de straat uitrij en linksaf wil slaan, staat bij cafe Friar Tuck de ober naar me roepen: ‘When are you coming?’, zoals elke keer als ik langsloop. ‘Maybe tomorrow’, zeg ik. ‘That means never’, zegt hij. Dat klopt.
Ik rij naar beneden door de Atatürk Caddesi, de hoofdstraat van Ölüdeniz want elke hoofdstraat in Turkije heet Atatürk Caddesi, bij de rotonde linksaf en met met een helling van iets tussen de 7-10 graden slalommend naar beneden. Naar een paar bochten zie je vanaf deze hoogte de azuurblauwe zee beneden verschijnen en komt er een grote glimlach op je gezicht en als het goed is hangen er wel een paar paragliders in de lucht. Ik neem een bedje en inderdaad is het bijna niet uit te houden. Beetje lezen, beetje zwemmen, lezen, zwemmen en na een paar uur hou ik het echt niet meer uit. Feyza heeft me verteld dat het strand in Çalış veel fijner is, vanaf de ochtend staat er wind en er zijn restaurantjes cafeetjes aan het strand. Ik besluit dat ik me thuis even ga opfrissen en daar dan misschien nog even ga zwemmen en iets ga eten. Het opfrissen gebeurt in het zwembad want er komt geen water meer uit de kranen in huis. Ik app Yulya (contactpersoon voor de eigenaar) met het probleem en ze zegt dat ze het uit zal zoeken.
Çalış ligt nog iets boven Fethiye dus ik moet ietsje doorrijden en dan een plekje zoeken. Ik zie dat dit inderdaad een heel druk toeristisch gebied is en als je van hordes Engelsen houdt ook inderdaad heel gezellig. Alleen dat doe ik niet, van hordes van wat voor nationaliteit dan ook hou ik niet, daar discrimineer ik echt niet in, en meteen als ik mijn auto uitstap is het al mis, dat soort dingen voel ik meteen. Nou ja, in dit geval hóór ik het meteen want er staat iemand keihard Frank Sinatra te karaokeën. Waar ben ik nu weer beland. Ik heb nu al geen zin meer. Ik kom op een smalle boulevard met daar direct aan het supersmal strand met ook kiezels, maar op de een of andere manier ziet het er wat viezer uit. Het waait hier inderdaad als een dolle, niks van die rustige zee als in Ölüdeniz, ik was even vergeten dat als het waait dat wel lekker fris is maar het water dan ook meteen briesend over de boulevard nevelt. Maakt niet uit, we gaan hier gewoon eten dammit. Als ik vier stappen heb gezet proberen de eerste proppers me al naar binnen te sleuren. Met die proppers of verkopers moet je een beetje leren omgaan en je er vooral niet aan ergeren en serieus, ik erger me aan een hoop dingen, maar dit heb ik inmiddels wel afgeleerd, het heb geen nut. Het is echt heel normaal dat ze darling en my love tegen je zeggen en soms ook schatje, niet aan ergereren, doen ze bij iedereen. Het beste is om gewoon om al doorlopend ‘No thank you’, of ‘Maybe tomorrow’, of ‘Zaten yedim’ (ik heb al gegeten) te zeggen, of als ze vragen ‘Where are you from?’, iets van ‘Mereen’ of ‘Westeros’. Onthou echter dit: hou in elk geval de pas erin. Ik heb het ook afgeleerd om in het Turks te antwoorden want dat geeft maar aanleiding voor een gesprek. (Ja, waarom heb je anders Turks geleerd zou je zeggen, maar met sommige mensen ga je liever een gesprek aan dan andere, ik bedoel, twee dametjes op een pleintje zijn een leuker gesprek dan een ober die je een restaurant in wil trekken.) Eigenlijk heb ik er nogal voordeel van dat ik eruit zie als een toerist, ik heb het gevoel dat het negeren je dan minder wordt kwalijk genomen, of in elk geval jou met nog duizenden andere toeristen gelijkmatig kwalijk wordt genomen zodat het minder erg is. Ik bedenk hier meestal al overdag waar ik wil eten of dat ik misschien wat wil halen of laten bezorgen, dan kan je tenminste doelgericht op je restaurant af lopen. Alleen, Çalış ken ik niet dus ik zoek vooral iets met wifi en behoorlijke tafels en stoelen zodat ik kan schrijven. Ik ga uiteindelijk zitten maar overal aan de muur hangen Engelse voetbalsjaaltjes en ik wil zo snel mogelijk weg.
Het is iets van 8 uur als ik inderdaad weg kan en ik hoop dat ik nog op tijd ben om in Ölüdeniz bij zonsondergang een duik te nemen. De zon is om 20:20 helaas al onder maar die duik neem ik toch.
Als ik thuiskomt is er nog steeds geen water en ik app Yulya nog een keer. Vijf minuten later belt Mehmet dat hij over twintig minuten iemand langs stuurt. Moet je in Nederland eens om komen. Twintig minuten later staat er inderdaad een mannetje voor de deur die even gaat controleren of dit het enige huis is dat er last van heeft of dat het de hele straat is. Tien minuten later belt Mehmet me dat heel Ovacık zonder water zit. Op de heetste dag van de week heeft de gemeente zonder verdere opgaaf van reden besloten de kraan letterlijk dicht te draaien. Tuurlijk. Mehmet drukt me op het hart om vannacht om twaalf uur of één uur of twee uur even te checken, waarschijnlijk doet alles het dan wel weer, zo niet dan nemen ze morgen maatregelen richting de gemeente. Ik vind het allemaal prima, maar mijn vuile was zit in de wasmachine, de vuile vaat staat in de afwasmachine, en ik kan niet naar de wc dus. En uit de keuken en de badkamer komt een onheilspellend geluid van een drooglopende pomp ofzo, waar ik zeker niet doorheen ga slapen. Daar gaat mijn nachtrust weer verdomme. Ik tap een lege vijfliter waterfles vol met water uit het zwembad om in elk geval toch naar de wc te kunnen en installeer me met een glas wijn aan de keukentafel om naar Zwitserland-België oftewel İsvriç-Belçika te kijken op TRT3 en te schrijven.
Om twee uur ’s nacht word ik wakker van een reservoir dat volloopt dus volgens mij heeft de gemeente in zijn eeuwige goedheid de kraan weer open gezet.
Donderdag
De tijd van vertrek komt akelig dichtbij. Ik heb nog niets geregeld voor het verblijf als Jan komt, nog niet gepakt, opgeruimd of schoongemaakt en stel de hele tijd alles uit. Ik denk dat het vrijdag een latertje wordt.
In ieder geval snak ik naar het strand en ik ga lekker van deze dag genieten in dit heerlijke dorp, waar het op dit moment zo rustig is. Ik heb daar gemengde gevoelens over. Natuurlijk is het heerlijk rustig overal, er zijn genoeg strandstoeltjes om te kiezen en je kan in alle cafés een fijn plekje uitzoeken. Maar ik weet ook hoe mensen hieronder lijden, verkopers zien hun inkomsten soms met 90% dalen en kunnen het hoofd niet boven water houden. Dus ik ‘geniet’ maar met mate van deze rust. Daarentegen is het een prima excuus om te winkelen en geld uit te geven, je wilt de lokale economie tenslotte en beetje steunen, tenminste, ik wel.
Als het te heet wordt, ga ik naar huis en val in het zwembad om het zout er weer even uit te spoelen en een dutje te doen. Wel wil ik met zonsondergang nog een duik in zee nemen en ik besluit om dan maar even een salade te eten bij Friar Tuck op de hoek, waar ik vanwege zijn naam al met een grote boog omheen zou moeten lopen, maar het zit letterlijk bij mij op de hoek en ik heb geen zin meer om erover na te denken. Als ik het terras op loop kijkt de ober van zijn tafeltje op en zegt: “You came! You said tomorrow and here you are! Where would you like to sit.?”, waarna hij een stoel uittrekt aan de tafel waar híj zit, en er een berg uitgespuugde zonnebloempitschillen op tafel ligt. Prima joh, doen we dat toch. De gebruikelijke vragen volgen, waar komt je vandaan, woon je hier, heb je een Turkse vriend. En dan opmerkingen als: “You look so incredibly Dutch, your face, your eyes, your mouth.” en “What are you doing after” en “What is your facebook”? Ik zeg dat ik nog even met zonsondergang ga zwemmen en dan naar huis ga omdat ik dingen te doen heb. Hij zegt: “I wish I could go with you, I’m telling you, I wish I could go right now.” Nou, der is in elk geval niks mis met zijn arbeidsethos maar allemachtig wat is die gast doorzichtig en vol van zichzelf. Hij zegt: “Maybe at midnight if you want to go for a swim, come by and let me know and we’ll go swimming at night.” Ik zeg: “If I want to I will let you know.” “That means no”, zegt hij. En ja, dat klopt alweer. “You see, I know that European language, I live in Sweden most of the year, and that means no, you just don’t want to be unkind to me.” “Yes exactly”, zeg ik, “Very perceptive of you.” “But why not?”, vraagt hij. “Because I have things to do and my boyfriend would not like that very much”, zeg ik, en ik jou een ontzettende blaaskaak vind, denk ik erachteraan. Hij kijkt me een beetje vermoeid aan. “Did you have to bring up your boyfriend?”, vraagt hij. “And what kind of things?”, want ik ben alleen, dus wat kan ik in vredesnaam voor belangrijks te doen hebben. “I write”, zeg ik, “At night I write, about my month in Turkey.” “Are you gonna write about me now?”, vraagt hij. “I will change your name”, zeg ik grijnzend tegen hem, maar ik heb niet de indruk dat hem dat veel zou uitmaken.
Ik ben ruim op tijd voor de zonsondergang op het strand en installeer me op mijn handdoek. Niemand zit meer op de stoelen, dat mag niet meer na 18:00, maar verschillende Turkse gezinnen zitten nog op het strand in het zachte avondlicht. Het wordt schemerig en de lucht kleurt oranje en roze boven de bergen. Als ik in het water lig probeer ik aan niets anders te denken dan dit moment. Alsof ik er zoveel mogelijk van wil verzamelen, voor als ik in de toekomst het nog eens nodig heb om het terug te halen. Ik heb ooit eens gelezen dat water ouder is dan de zon. Ons lichaam bestaat voor 60% uit water. Dat betekent dus dat ons eigen lichaam voor 60% ouder is dan de zon. En dat mijn tranen die zich hier vermengen met het zeewater altijd al deel van elkaar hebben uitgemaakt, zelfs nog voordat die nu ondergaande zon bestond, en in elk geval de rest van mijn leven met elkaar verbonden zullen zijn.
Vrijdag
Ik kom het huis maar niet uit. Het is ’s morgens vroeg al bloedverziekend heet, de deuren en ramen blijven dicht, dan is het in huis nog een beetje te doen. Je merkt dat je lijf zich moet aanpassen, je ademt lucht in die warmer is dan je eigen lichaamstemperatuur, ik heb buikpijn, ben licht in mijn hoofd en er staan de hele dag druppeltjes op mijn armen en de rug van mijn handen. Ook zijn er nieuwe buren gearriveerd, dus het is gedaan met de naaktloperij.
Het is maar een uurtje of vier rijden naar het vliegveld van Bodrum dus ik vraag aan Mehmet of ik morgen tot een uur of 15:30 in het huis kan blijven en dat kan. Dat betekent dat ik nog een hele dag heb. Ik moet alleen vandaag nog even naar Feyza om mijn ring op te halen.
Ik breng de laatste volle dag intens genietend op het strand door. Een beetje zwemmen, koffie drinken bij Cloud 9 waar je de paragliders voor je neus ziet landen, beetje winkelen, ik koop nog een tas voor mijn moeder, in de hoop dat ik die voorbij de douane in Nederland gesmokkeld kan krijgen, en weer terug naar mijn strandbedje, meer dan de helft van de strandstoelen is leeg. Richting de baai ligt een gigantisch zwart zeiljacht van wel een meter of dertig voor anker, twee zwarte masten, zwarte zeilen. Er staat weinig wind maar er is wel wat deining zodat in en uit het water lopen op de kiezels aanvoelt alsof je op legoblokjes loopt, maar wat is het water heerlijk, en blauw.
Op tijd ga ik terug om me even om te kleden en de ring te gaan ophalen. Ik besluit de pot honing uit Istanbul aan Feyza te geven. Als ik aankom staat ze net met een paar mensen te praten dus ik wacht even in de winkel. Ze komt binnen en poseert even voor me met haar vingers wijzend naar haar haar. Er zit een streng paars in en het is geknipt. “How do you like it?”, vraagt ze. Ik vind het natuurlijk allemaal hartstikke leuk en ik krijg thee. Ik breng weer zeker een uur met haar door in die winkel, ze moet zich zo onderhand wel gaan afvragen hoe ze van me af komt, dus op het eind geef ik haar de Istanbulse honing en bedank haar voor de gezelligheid en de thee. Wat een fijne mensen.
Ik ga door naar Sezai, het andere restaurant dat ze me had aanbevolen en eet daar heerlijk verschillende kleine visgerechtjes met een glas goddelijke witte wijn, en met mijn ipad naast me. Dit is mijn laatste avond alleen en ik realiseer me hoe makkelijk het alleen eten is geworden. Ik voel me veel minder opgelaten en het is zoveel makkelijker geworden om de blikken te negeren en me op mijn eigen bezigheden te concentreren. Ik ben alleen ja, ik schrijf ja, dit ben ik. Klaar.
Ik ben te laat voor de zonsondergang op het strand, dus ik rij maar gelijk door naar huis, want alles moet nog worden gepakt en er moet nog worden geschreven. Morgen nog een paar uurtjes.

