Ik moet nog wennen aan alle geluiden, en zeker aan de geluiden van de meltemi die om een uur of twee een onaangekondigd bezoek brengt, en alle houten luiken doet rammelen of opentrekt, de stoelen over terras blaast, de parasol het zwembad in veegt en bovendien de pruimenboom zo heen en weer schudt dat het hele terras onder ligt. Needless to say, ik kan niet slapen. Ik blijf heen en weer lopen naar allerlei luiken om die dicht te trekken en ook het raampje in de badkamer zit los. Ik frommel er een handdoek tussen zodat het in elk geval geen lawaai meer maakt. Om 4:00 ga ik ten einde raad maar pruimen van het terras rapen. Er zitten een paar goeie bij en ik eet ze. Ze zijn heerlijk zoet en zacht zoals ik ze echt al jaren niet heb gegeten. Ik haal een schaaltje uit de keuken en leg de goede pruimen erin. Na een uurtje lijkt de wind wat te gaan liggen en doe ik nog een poging op te gaan slapen.
Ik besluit in elk geval dat dit een luie dag wordt. Ik douche in het zwembad, dat gelukkig verbazend weinig chloor bevat, en pas tegen een uur of 2 ga ik boodschappen doen en een beetje winkelen in het oude gedeelte van Fethiye. Ik neem lekker een mojito, koop een zachte hamamdoek, en duik een sieradenwinkeltje in, barstensvol met echt mooie dingen, aparte dingen, van lokale edelsmeden. Een aardige meneer helpt me en ik koop een zilveren ring met lichtgrijze mozaïekjes en een klein bloedkoraaltje. Hij laat de ring voor me op maat maken, op mijn Nederlandse maat, niet mijn Turkse maat want door de hitte zijn mijn vingers een maat groter. De man is rustig en vriendelijk en kijkt me over mijn bril heen open aan. Hij zijn beleefde manier van aanspreken doet me aan mijn vader denken.
Als ik terugkom besluit ik toch nog even te gaan zwemmen. Sinds een jaar rijd ik weer op dit vertrouwde weggetje, en het idee dat ik hier ben, en straks weer in dat heerlijke water lig, en hier nog een hele week heb, geeft me een intens dankbaar en tevreden gevoel, dat ik ook zo lang mogelijk probeer vast te houden. Ik ga niet naar mijn gebruikelijke parkeerplek (gebruikelijk, nou ja, waar ik de afgelopen paar jaar steeds parkeerde dus), maar onderaan de weg rechtsaf richting de laguna. Ik ben daar nog nooit eerder geweest terwijl dat het plaatje is waar Ölüdeniz bekend van is. Ik heb al bijna meteen spijt want ik moet door een slagboom en wordt beroofd van 25 lira en dan moet ik vervolgens nog een pokke-eind lopen, en in het water ligt de drijflijn al op 10 meter te waarschuwen dat ik daar niet voorbij mag zwemmen, terwijl je er al na drie slagen bent, en dat doe ik dus toch. Maar eerlijk is eerlijk, het is een mooi plekje en vanaf mijn zonnebedje zie ik de zon ondergaan. Door al het slaapgebrek val ik in slaap, want daar lukt slapen natuurlijk wèl.
Op de terugweg naar huis stop ik bij Küçük Ev Kebab om een broodje lamsvlees met sla mee te nemen.
Zondag
Als ik wakker word, check ik vandaag eerst even het nieuws en Twitter. Ik word er niet vrolijk van. Gisteren zijn er in Cihangir (Istanbul) problemen geweest waarbij traangas te pas kwam, de gay pride is geanulleerd, zegmaar verboden, en een alternatief platenzaakje werd aangevallen door een moslimfanaat. Ik stuur een berichtje naar Uğur om te zeggen hoe erg ik het vind. Voor normale mensen is dit een moeilijke en vreemde en onzekere tijd in Turkije. Mensen als Uğur lijden bovendien onder het feit dat Paypal in Turkije niet meer werkt. Buitenlandse bestellingen haken massaal af omdat het grootste deel van bestellingen uit het buitenland met Paypal wordt betaald. Vooral kleine ondernemingen en verkopers op eBay en Etsy en dergelijke lijden daaronder.
Tegen een uur of tien vind ik het welletjes en ik heb ontzettend veel zin om naar het strand te gaan. Het is nog geen tien minuten rijden en langs de kant staat een jongen te liften, waar ik voor stop. Hij moet ook naar Ölüdeniz. Want iedereen die hier staat te liften moet daar naar toe. Een paar honderd meter verder staat een meisje. Nemen we ook mee. Iets verderop nog een jongen, kan er ook nog bij. Allemaal naar Ölüdeniz, zij voor hun werk, ik voor mijn rust. Ik parkeer in het straatje achter Belzekiz Beach waar Ellen en ik drie jaar geleden verbleven. Bijna heel de dag lig ik op het strand en het is goed uit te houden. Het is wel een kiezelstrand en je moet er dus een bepaalde tolerantie voor opbouwen om zonder pijn en ergernis in het water te geraken. Die heb ik dus niet. Maar het water zelf maakt zo veel goed, het is heerlijk van temperatuur en dankzij de kiezels is het glas- en glashelder, en óók een voordeel van kiezels is dat niet heel je hebben en houwen onder het zand zit, je handdoek, je boek, je telefoon, je haar, je tenen, je bikini, je auto, je bed. Je schleppt die zooi allemaal niet mee naar huis, die kiezeltjes blijven waar ze horen, op het strand en niet in mijn bed. Ik vind het heerlijk, ik zeg geen nee tegen het strand op Vlieland, maar doe mij maar kiezels.
Intussen heeft mijn stalker me ook niet met rust gelaten. Ik laat de meeste berichtjes onbeantwoord. Als ik aan het eind van de middag bij Kumsal pide zit te eten stuurt hij me een berichtje, ‘I’m in Ölüdeniz, where are you?’ Met een locatie erbij. Ik zie dat hij 30 meter verderop is. Ik zeg ‘I’m having diner at Kumsal pide’. Ik denk bij mezelf, als ik dan een keer met hem moet eten om ervan af te zijn, dan maar hier en nu en dan kan ik daarna naar huis. Hij zegt ‘Zullen we daarna even wat gaan drinken.’ Ik zeg: ‘Nee, hierna ga ik naar huis om te schrijven’. ‘Hoe laat ben je klaar?’ Vraagt hij weer. Volgens mij hebben we dit allemaal al eens besproken jongen. Toch kan ik het niet over mijn hart verkrijgen om lelijk te doen en te zeggen dat ik hem gewoon echt niet ga ontmoeten. Op de een of andere manier hem ik een beetje medelijden met hem. Tegelijkertijd baal ik ervan dat ik nu hier ben en ik iemand moet gaan lopen ontlopen. Maar voor vanavond is het gelukkig niet aan de orde.
Maandag
Ik vertrek om vandaag naar Kıdrak plajı te gaan, een strandje iets verderop, waar je wel voor moet betalen, maar waar verder niemand is en waar niet honderden strandstoelen staan. Halverwege Ölüdeniz loopt een jongen met een rugzak te zweten in de brandende zon. Ik stop voorbij hem en vraag of hij een lift wil. “No, I’m just looking for the Lykia Yolu”, zegt hij. Het is een Turkse jongen die perfect Engels spreekt, ik schatte hem eerst in als een scandinaviër. Ik geef hem een jaar of twintig en heb medelijden met hem en vraag me af wat hem bezielt om in deze hitte met zware bepakking die trail op te gaan. Maar ik ben ook blij dat ik hem kan helpen, want hij loopt nu helemaal naar beneden, en hij heeft de afslag gemist, anders zou hij helemaal terug omhoog moeten lopen en het is hier akelig steil. Ik heb me vorige jaar de pokke gezocht naar het begin van het pad, bovendien moest daar eerste hulp worden verleend aan mijn bloedende ledematen bij het naastgelegen hotel, dus ik weet precies waar het is. De jongen twijfelt even of deze blonde toerist echt wel weet waar ze het over heeft, want hij had het aan Turkse mensen gevraagd die hier wonen en die zeiden dat hij verder moest lopen. Maar toch stapt hij in en ik vertel hem van mijn zoektocht van vorig jaar en het feit dat ik er 10 km gerend heb. Ik rij een kilometer ofzo terug en sla het weggetje naar het Montana Pine Hotel in. Het Lykia pad staat hier nog helemaal niet aangegeven maar ik rij er zo op af en de jongen slaat een kreet van opwinding en opluchting als hij het gele toegangsbord ziet. “I’m so happy, thank you,” zegt hij. Leuk, weer iemand blij gemaakt vandaag. Voordat ik wegrij zeg ik, “Do you want me to take a picture of you with the sign?”, en dan is zijn dag ook weer compleet, en de mijne ook.
Het strand is vrijwel leeg, een lang en breed strand, vanaf mijn plek zie ik de eerste uren helemaal niemand. Het water is hier wat kouder, maar zo heerlijk, het strand is omgeven door hoge rotsen, je hoort de krekels, en het water, en verder niets. Het is gewoonweg heerlijk, maar ik lig wel aan te braden en ook onder mijn hamamdoek wordt het op een gegeven moment veel te heet.
Ik besluit naar huis te gaan en rij daarna nog even naar Fethiye. In de koele straatjes drink ik een mojito en nog een keer naar het sieradenwinkeltje, Feyza Gümüş ve Hediyelik (zilver en kadootjes). Er staat deze keer een blonde dame in de winkel, Feyza waarschijnlijk, en we knopen een gesprekje aan. Ze biedt me thee aan en vertelt me honderduit over waar ze vandaan komt. Als ze me vraagt waar in Istanbul ik verbleef, en ik Kadiköy zeg, Moda, slaakt ze een gilletje, want daar komt ze vandaan en ze heeft er een apartement. Het blijkt op loopafstand van mijn appartement te zijn. Ze vertelt me waar ik lekker kan eten in Fethiye, en ik heb het echt naar mijn zin en vind ook nog twee prachtige ringen. Ze zegt dat ze blij is met het gesprekje, want het is een heel slecht seizoen, en ze ziet de hele dag niemand. Als het zo doorgaat moet ze de winkel sluiten, en waarschijnlijk gaat ze dat dit jaar doen. Ze heeft een heel goed idee hoe het komt dat er zo weinig toeristen zijn dit seizoen, en dat komt niet door bomaanslagen. Na een ruim uur neem ik afscheid van haar, een van de ringen wordt nog op maat gemaakt en ga ik vandeweek wel een keer ophalen.
Ondertussen is ook mijn stalker weer wakker geworden en ik besluit hem nog één kans te geven, ik zeg tegen hem waar ik ben, dat ik zo ga eten en dat hij mee kan als hij wil. Wel nodig ik ook Alper uit die inmiddels ook in Ölüdeniz is neergestreken wat hij me op facebook heeft laten weten, zodat ik niet alleen met hem ben. Het antwoord dat ik krijg is of ik wel een uur kan wachten want hij houdt zich aan de oruç, dus hij mag pas eten na 20:35. Het moet toch gloeiende niet gekker worden. Ik loop me al weer mateloos te ergeren, ik heb al weer helemaal geen zin om mijn vrijheid op te geven en nu moet ik ook nog een uur wachten. Ik heb nu al geen zin meer. Ik laat hem naar de loungebar komen waar ik zit, niet zo sensitief van me misschien om iemand die aan de ramadan doet naar een loungebar te laten komen terwijl ik aan een mojito zit, maar het is goed hoor. Ik neem hem mee naar het restaurant dat Feyza heeft aanbevolen, Alper komt gelukkig ook en het is nog best gezellig. Ik ga me vooral vermaken als Alper aan Mehmet vraagt waarom hij wijn aan het drinken is terwijl hij zich aan de oruç houdt. En hem vervolgens uithoort over waarom hij zijn president zo geweldig vindt. Alpers ideeën staan haaks op die van Mehmet. Na het eten wil ik direct naar huis maar kennelijk heeft Mehmet nog een vriend uitgenodigd, pardon?, dus “My friend comes, we have to wait.” Volgens mij maak ik dat zelf wel uit en ik ben er inmiddels helemaal klaar mee dat deze jongeman mijn agenda bepaalt. Maar goed, de vriend komt, we drinken nog een kop koffie en het gesprek is best leuk. De vriend heeft een bedrijf dat schepen bouwt en hij laat me het laatste schip zien. Het is een hypermoderne versie van een gület. Praten over de botelarij is natuurlijk altijd leuk. Wat mij betreft is het nu echt tijd om te gaan en als Mehmet opstaat om te gaan betalen zegt de vriend tegen me “You are very beautiful, you look like Paris Hilton.” Ik verslik me in mijn laatste slok en schiet keihard in de lach. Volgens mij zijn die twee dingen een contradictio in terminis, hij wil me waarschijnlijk een compliment geven maar hij beseft zich niet dat hij me niet bepaald een plezier doet met die vergelijking. Ik zeg met een grijns tegen hem: “You should see me by daylight, I’m really ugly.” Hij lacht en begrijpt de hint tenminste en na de reeks diverse uitnodigingen voor vanalles en nog wat (kom eten in het Chinese restaurant van mijn broer, ga mee varen, we gaan morgen met vrienden uit, ga mee) nemen we afscheid. Ik vraag Mehmet waar hij heen gaat, hij zegt dat hij het niet weet, ik zeg, maar waar moet ik je afzetten dan, want je verwacht toch niet echt dat ik je mee naar huis neem? Ik ben er klaar mee. Hij zegt ‘Zet me maar af in het centrum’, wat ik doe en ik kan eindelijk maar huis.
Dinsdag
In deze verzengende hitte ben ik toch echt van plan om vandaag naar Kadyanda te gaan, het moet op ongeveer 40 minuten rijden liggen en aan de foto’s te zien moet het echt bijna zijn overgenomen door de natuur. Ik vertrek een beetje vroeg want ik wil vanmiddag ook nog even naar de grote dinsdagmarkt in Fethiye.
Ik ga lekker onderweg naar Üzümlü waar ik doorheen moet, en dat blijkt een schattig klein dorpje te zijn met prachtige oude huisjes. Zodra ik erdoorheen ben rijd ik door een groene smalle vallei waar aan weerszijden grote strakke villa’s staan met grote auto’s op de oprit. Kadyanda staat met bruine borden aangegeven, maar ik maak me nog geen zorgen. De weg is smal en slecht geasfalteerd en ik moet straks een klein weggetje linksaf en ik heb het vermoeden dat het er niet beter op gaat worden. Op het moment dat ik linksaf moet is het meteen duidelijk dat die veertig minuten vooral golden voor de verharde weg, maar niet voor het stuk waar ik nu op rijd. Ik moet nog 6 kilometer maar ik moet langzaam om de kuilen en keien heen slalommen, en ondertussen kom ik ook maar steeds hoger en hoger en hoger, wat bezielde die mensen om zo hoog te willen wonen en dan ook nog al die keien naar boven te schleppen om er huizen te bouwen? En tempels, en stadsmuren, en baden, en een forum en een amfitheater, zo blijkt. Op de weg ligt vooral grind en zand en ik voel de wielen af en toe wegglijden. Het is ook zo smal dat ik hardop aan het universum vraag of ik alsjeblieft niet voor iemand hoef uit te wijken want dat gaat niet. Ik kijk niet naar beneden met mijn hoogtevrees, het is al erg genoeg dat ik in de aankomende haarspeldbochten alleen maar lucht zie, en ik zie nu al op tegen de terugweg als ik wel naar beneden móet kijken.
Het gaat gelukkig goed totdat ik op het parkeerplaatsje aan kom en terwijl ik zwaai naar de twee bewakers op het eind van de weg afrijd, die ophoudt en daarna een abrupte daling maakt van drie meter. Aan de verschrikte gezichten van de twee mannen begrijp ik dat er iets niet klopt en op het laatste moment trap ik op de rem en door het zand schuivend kom ik net op tijd tot stilstand. Als ik uitstap is het verrassend koel. Ik sta inderdaad in een bos. In de schaduw is het heerlijk en op deze hoogte staat er ook een windje. Ik moet 5 lira betalen en de oudste van de twee zegt me dat ik dit pad hier kan volgen en dan kom ik vanzelf weer hier uit. Ik moet zeggen, gezien mijn afkeer van paden gaat deze er heel best mee door, en dat komt omdat het hele terrein verder onaangetast is, alles ligt er nog precies zo bij als het al honderden jaren doet, en het pad bestaat uit niet meer dan wat steentjes die aan weerszijden zijn neergelegd en de grootste oneffenheden zijn weggehaald. Grotendeels loopt het zelfs over de originele trappen, net als in Kayaköy. Het is puur bedoeld om de weg niet kwijt te raken, wat hier makkelijk kan en mij na 10 minuten al bijna overkomt omdat ik van dat pad afloop. Het is verder niet vereffend met zand of grind of tegels. Ik zie verschillende ruimtes met boogvormige daken boven de grond en de bergen dennennaalden uit steken waar donkere ruimtes onder schuilgaan. Onder een boom liggen de twee mannen een dutje te doen en als ik langskom schrikken ze op. ‘Kal, kal’, zeg ik, ‘burada değilim’, blijf blijf, ik ben er niet. Ik moet eerst een heel stuk omhoog lopen, het hele terrein is bezaaid met half onder de grond liggende granieten en lichtstenen blokken. Ik zie nu ook dat het echt wel redelijk gevaarlijk is om van het pad af te gaan, want het stikt van de diepe putten, nou ja, waarschijnlijk loop ik over ingestorte huizen heen, waar soms water in staat en ongetwijfeld zitten er dan slangen. Op de grond liggen overal roestbruine aardewerk scherven van wat ik vermoed dat waterleidingen moeten zijn geweest. Ik passeer tientallen niet te definiëren muren en muurtjes, ruimtes, bogen, putten en vloeren. Vervolgens een imposante ruimte met veel deuropeningen die een bestuurlijk gebouw blijkt te zijn geweest. Ik ben bijna boven en de hitte slaat weer toe, het zweet gutst van mijn gezicht, rug, armen en benen en ik word constant bezocht door reusachtige horzels en vliegen maar ik weet dat er meer is en ik blijf met grote stappen naar boven klimmen. Ik beloof mezelf dat als ik gevonden heb wat ik zocht ik even mag gaan zitten en wat water drinken.
Als ik dan eindelijk het stadion heb bereikt weet ik dat ik op het hoogste punt ben van wat ik wil zien en het is prachtig. Ik zie ineens dat het heel veel lijkt op het stadion van Arykanda waar ik vorig jaar met Jan was. De hele stad heeft net zo’n indeling. Dat doet me vermoeden dat er nog veel en veel meer verborgen gaat onder dit bos. Het stadion heeft maar aan één kant een lage tribune. De stenen van de tribune liggen nog bestwel op zijn plek. Ik blijf even staan om ze te bewonderen. Toch moet er ook nog een amfitheater zijn dus als ik genoeg heb rondgelummeld op de treden van het stadion vind ik het pad weer en begin ik terug te lopen door het bos. Als ik halverwege het pad ben doemt tussen de bomen in de diepte inderdaad het amfitheater op. Het is echt een complete ruïne en je vraagt je af hoe lang het nog duurt voordat het echt onherkenbaar is. Dwars erdoor heen groeien dennenbomen. Ik hoop niet dat iemand ze, nu ze hier toch staan, ooit weghaalt. Uiteindelijk neemt de natuur alles over. Maar op dit moment mag ik het nog zien. Ik moet ontzettend goed op mijn stappen passen want het pad is steil en smal. Ik geniet even van de tribunes van het amfitheater en vraag me af hoe het ooit is ingestort. Is het snel gegaan of langzaam? Waren er mensen, was het overdag of ’s nacht? En wat gebeurde er daarna? Mensen zullen zich eerste wel niet hebben bekommerd om het amfitheater, maar om hun families en hun eigen huizen. Het ziet er niet naar uit dat er ooit een poging is ondernomen om het weer op te bouwen, al moet ik denken aan de put met de mozaïeksteentjes die werden bewaard om de mozaïeken weer te herstellen, zou men de stad stad dan nooit weer hebben willen herbouwen? Of misschien hebben ze dat wel gedaan en toen ze klaar waren kwam er weer een aardbeving overheen misschien. Met al die vragen blijf ik zitten maar met de prachtige beelden ga ik door.
Beneden gekomen zit daar de oudste van de twee bewakers en ik zeg hem hoe prachtig en bijzonder ik het vind, onveranderd, onaangetast, natuurlijk, alleen een heel eenvoudig, natuurlijk pad. Trots vertelt hij me dat hij het zelf heeft aangelegd. Echt heel heel mooi, zeg ik tegen hem. Hij biedt me thee aan, maar ik bedankt vriendelijk en ik wens hem een fijne dag.
De auto heeft onder de bomen gestaan en is dus niet heter geworden dan hij al was, niettemin gutst het zweet me over de rug en ik ben blij als de airco aan kan. Nu moet ik die vreselijk weg af en naar beneden is nog erger dan naar boven want ik moet de hele tijd remmen, en ik voel de wielen onder me wegslippen. Godzijdank geen enkele tegenligger, ik ben toch zo’n bofkont, en na een half uur met 10km per uur bereik ik eindelijk weer een geasfalteerde weg.
Thuis spring ik lekker even in het zwembad en doe ik een piepklein dutje om maar niet weer meteen die hitte in te hoeven. Maar die markt zal vandaag vanwege de ramadan eerder zijn afgelopen en ik wil er toch even heen. Elke keer als ik hier ben moet ik even langs het mannetje met de houten lepels. Hij staat daar op het pad langs het kanaal, die paar jaren dat ik er kom bijna op dezelfde plek. Hij heeft geen stalletje maar legt zijn spullen zoals zoveel mensen, neer op twee omgekeerde dozen. Sommigen verkopen op deze manier net wat er uit hun tuin komt, peterselie en wortels, olijfolie in plastic waterflesjes van verschillende afmetingen, armbandjes van kralen, en deze man maakt dus lepels van hout. En ik moet ze kopen, elk jaar weer. Hij zal ergens in de zeventig zijn en hij staat altijd wel met een ander mannetje te kletsen. En als je meer dan een ding koopt, knijpt hij zijn ogen dicht om de rekensom te doen. En degene die met hem staat te praten is dan meestal eerder klaar met die rekensom, waarna er een soort grappige woordenwisseling ontstaat. Ik zoek ook deze keer weer een grote opscheplepel uit. Daarna pak ik nog twee spatels, altijd handig. Het mannetje dat erbij staat slaat nieuwsgierig die dame in dat witte jurkje gade en pakt van de omgekeerde doos een stamper op en biedt me die aan. Tegelijk zeggen we ‘sarımsak için’, voor knoflook. Die neem ik ook maar mee. Het mannetje zelf laat me een houten mes zien. Ik heb geen idee wat ik daarmee zou moeten snijden, maar natuurlijk wil ik dat ook hebben. Ik moet 18 lira, ongeveer 6 euro betalen voor vijf dingen. Het mannetje is volgens mij prima tevreden, en dus ben ik dat ook. Vervolgens loop ik door naar de tassen, want principes heb ik toch niet en elke keer als ik hier ben geweest denk ik, ik had die tas moeten kopen. Ik koop een witte en een blauwe voor veel te veel geld, maar het was zo warm, en ik wou eigenlijk alleen maar weg dus die deal moest snel worden gemaakt. Ik ga me meteen uit de voeten maken. Wel herinner ik me dat ik de koningsgraven nog nooit heb gezien en dat besluit ik dan toch nog maar even te doen.
Als ik daar aan kom is het hek dicht, er hangt een hangslot aan. ‘Kapalı mı?’ vraag ik aan een mannetje dat een meter verderop op een stoel zit te roken. Ja, gesloten. Als ik me omdraai om weg te gaan, verrek als het niet waar is, komt good cop ineens kijken. Kom maar, kom maar, gebaart hij, je mag nog wel even naar binnen. Het is acht uur geweest en langzaam loop ik naar boven. Er gaat een betonnen trap zonder leuning rechtstreeks naar het imposante voornaamste graf dat uitgehouwen uit de rotsen uitkijkt over Fethiye. Drie schildpadden kom ik onderweg tegen die me nieuwsgierig aankijken. Als ik tussen de kolommen van het graf even ga zitten en over Fethiye uitkijk dat nu baadt in het roze oranje licht van de ondergaande zon, krijg ik weer even dat geluksvoel: ik mag hier maar toch weer mooi zijn, helemaal alleen, op dit uur van de dag, in dit licht.
Onderaan de rots eet ik een heerlijke Anatolische köfte in het restaurant dat hetzelfde prachtige uitzicht heeft. Op de rekening staat geschreven: “I hope to see you again” met een smiley erbij. Thuis ga ik nog schrijven en kijk ik de wedstrijd Turkije-Tsjechië die eindigt in 2-0. Hier geen toeterende turken door de straat. Alles is rustig, en ik ook, want het was een mooie dag.

