Pamukkale, Hiërapolis, Laodikeia

Donderdag

Ik wil zo snel mogelijk weg uit dit vreselijke hotel en deze kille stad, maar ik moet eerst nog even een goed ontbijt nuttigen want de dag is lang vandaag, ik ga naar Denizli. Er is een ontbijtbuffet maar toch lopen er verschillende knipscharen heen en weer te rennen om van alles te brengen, wat in mijn optiek een redelijk nutteloze bezigheid is maar het zal wel iets met hospitality te maken hebben. Ik neem een Turks ontbijt met tomaten en olijven en ei en kaas en er is zelfs café au lait. Ik check nog even mijn berichtjes op de hotel wifi en er zit er ook eentje bij van Mehmet op couchsurfing, die voor de veertigste keer vraagt wanneer ik kom, terwijl ik hem ook al veertig keer heb verteld dat ik niet kom. Omdat ik totaal het punt voorbij ben dat ik ‘basic overnachten’ nog bij het avontuur vind horen. Ik vind het slaapgebrek maar ook het feit dat ik ’s avonds gewoon alleen wil zijn en wil kunnen schrijven en vroeg naar bed (proberen te) gaan prima redenen om een fijne slaapplaats uit te zoeken. Meaning: het fijnste hotel van de stad. Maar dat zeg ik er natuurlijk niet bij tegen Mehmet. Ik negeer het berichtje voor nu maar even.

Als mijn autosleutel uiteindelijk is gevonden, wordt mijn auto voorgereden en ik ben op weg. Toch wil ik voordat ik de stad uit rijd, zien of ik nog een mooie foto kan maken van zo’n straatje met de berg. De hele wijk die direct aan de berg vastligt is eigenlijk helemaal zo oud. Ik aarzel niet om de eerste de beste straat vanaf de hoofdstraat in te rijden. Ik wil er ook niet te veel tijd aan spenderen. Maar ik heb meteen geluk en parkeer mijn auto op een klein pleintje voor de moskee. Voor de zekerheid zet ik in Google maps een vlaggetje waar hij staat zodat ik snel de weg terug kan vinden. Het ene schilderachtige straatje na het andere komt om de hoek kijken en hier en daar neem ik foto’s. Voor een deur zitten twee oude dametjes te praten en nieuwsgierig naar me te kijken. Eentje roept iets naar me. Ik versta het niet meteen en dan herhaalt ze het nog een paar keer. Of ik een actrice ben. Ik loop naar ze toe en knoop een klein gesprekje aan. Nee, ik ben gewoon toerist. Waarom maak je foto’s van die oude rommel? Daar staat de moskee, die is toch veel mooier? Ik zeg ze dat ik die oude huizen juist mooi vind, ze hebben geschiedenis, en er is zoveel kleur, de huizen zijn van een verschoten geel, roze, blauw, groen. Het dametje met de hoofddoek, trouwens niet onder de kin geknoopt maar achter in haar nek, heet Remsiye en de andere zonder hoofddoek heet Hamire, als ik het goed heb verstaan. ‘Selfie, selfie’, roept Remsiye schaterend, en ze wijst op de plek tussen hen in. Hamire spreekt zelfs een beetje Engels. Ik vind het allemaal prachtig en ik hurk tussen hen in en maak een selfie van ons drieen. Ik had hem graag naar ze opgestuurd maar dan ga je weer moeilijk lopen doen met adressen en geen email enzo en daar heb ik dan weer even geen zin in of tijd voor. Ik ga op weg naar Denizli.

Het is zo’n 220 km rijden, google zegt 2u40 maar dat vermenigvuldig ik voor het gemak maar met twee. In Denizli wil ik eerst naar Pamukkale en Hiërapolis dat er aan vast moet liggen, dan naar het hotel, en dan eind van de dag nog naar Laodikeia. Maar het loopt allemaal anders.

Heel de weg ben ik aan het genieten, het schiet best lekker op, er zijn geen wegwerkzaamheden en zoals heel de tijd al na Istanbul is er hier geen kip op de weg, of eigenlijk dat dan weer juist wel, kippen, en andere boerderijdieren, maar echt maar een enkele andere auto. Je vraagt je af waar ze die fantastische wegen voor hebben aangelegd als toch niemand er gebruik van maakt. Een egotrip van de dienstdoende minister van verkeer? Als ik ongeveer tien kilometer van Denizli verwijderd ben, staat er op de rechter rijstrook een man in de brandende zon met een grote rugzak. Nu neem ik echt niet elke lifter mee, maar voor mensen met een grote rugzak in de brandende zon maak ik een uitzondering, die kan ik echt niet laten verpieteren, dus ik stop. De jongen stapt in en de rugzak blijkt een parachute te zijn, althans die meen ik te herkennen van Ölüdeniz, dus ik vraag ‘Bu paraşüt mü?’ en inderdaad het is een parachute en de jongen is komen vliegen vanaf Pamukkale, ‘so I’m on my way to Pamukkale’, zegt hij. ‘Me too’, zeg ik en hij is blij dat hij zo lucky is. Natuurlijk ontstaat er een gesprekje, zijn naam is Alper en hij is aan het trainen om tandemparachutist in Ölüdeniz te worden, waarvoor je 200 kilometer ofzo vliegafstand moet hebben. ‘I want to buy you some food when we get there’, zegt hij, en alhoewel ik er helemaal niet op zit te wachten dat iemand mijn plannen door de war gooit, wàs ik al van plan om iets te eten bij aankomst, dus okee dan, tegen hem zeg ik natuurlijk ‘yeah yeah great ofcourse!’ want je wil die jongen zijn vrolijke hospitality ook niet meteen de nek om draaien. Ik zeg hem dat ik zin heb in pide, want dat heb ik nog helemaal niet gehad deze twee weken, dus hij weet wel een goede pide zaak. Als we daar zitten vertel ik hem dat ik nog even antwoord moet geven aan iemand van couchsurfing, ook een parachutist by the way. ‘What’s his name? Vraagt Alper, ‘Maybe i know him’. ‘Tuurlijk’, denk ik bij mezelf. ‘Mehmet’, antwoord ik. ‘What does he look like, do you have a picture?’. Ik laat hem het profiel op couchsurfing zien. ‘Aahh, Mehmet C.’, roept Alper. ‘Ill give him a call’. ‘Neeee’, denk ik bij mezelf. ‘Sure’, zeg ik, ‘ask him if he wants some pide.’

Mehmet blijkt een gast van couchsurfing bij zich te hebben, Amy uit China. Eigenlijk is het nogal gezellig aan die tafel met vier van die verschillende mensen die door het toeval bij elkaar zijn gebracht. Daarbij komt dat ik een knalgeel shirt aan heb en amy een knalgele regenjas, dus samen zien we er uit als een paar kuikens. We vallen ook nogal op als twee ‘yellow chicks’. Alper staat erop voor alles te betalen en daar voel ik me niet prettig onder maar ik laat het gaan. Ik ben op een gegeven moment al aan het afscheid nemen als er tussen de Turken nog wat onderhandeld wordt en Mehmet en Amy doodleuk bij mij in de auto stappen want die hebben besloten met mij mee naar Pamukkale te gaan. ‘Neeeeee’, denk ik bij mezelf, ‘neeeee’, maar er is weinig aan te doen. Amy spreekt prima engels, Mehmet verrektes slecht maar hij praat honderduit. Ik doe vrolijk mee maar denk ondertussen alleen maar ‘hoe lang gaat deze grap duren?’ Als ik alleen was geweest was ik in een half uurtje over dat Pamukkale heen gedenderd en daarna heel efficiënt Hiërapolis uitgekamd, maar dat gaat nu niet. Er ontstaat een heel apart jojo-effect als je zo met zijn drieën bent, maakt niet uit of je elkaar kent. Op het moment dat ik ergens heen loop, aarzelen de andere twee of ze met me mee zullen lopen of ergens anders heen gaan, en die aarzeling voel ik en dan begin ik me af te vragen, moet ik nou op ze wachten? Waardoor ik automatisch afrem. Verschrikkelijk, wat irritant. Amy komt ongeveer tot mijn schouder en reist alleen, wat ik al opmerkelijk vind voor een Chinese, en ze praat gezellig mee en heeft een goed stel hersenen bij de hand. Onze gastheer vind het natuurlijk al lastig om zichzelf uit te drukken in het Engels maar ook intellectueel is het gesprek met hem ook niet echt uitdagend. Voortdurend blijft hij me uitnodigen voor vanalles en het is moeilijk om hem uit te leggen dat ik alleen reis, ik reis alleen Mehmet, alleen, dat betekent niet dat ik dus alle tijd van de wereld heb, ik begrijp dat je dat denkt, maar ik moet verder. Als ik vertel dat ik de dag daarna naar Fethiye ga, blijkt hij een huis in Fethiye te hebben en daar deze week heen te gaan. ‘Nee toch’, denk ik bij mezelf, en ik weet niet waarom, want ik ben niets aan deze jongen verplicht.

Gelukkig is Pamukkale verschrikkelijk, dus ik vind het niet zo erg dat ik het niet kan zien vanuit mijn eigen pure solitaire blik, alleen ik wil inmiddels allang weg, en dat stel blijft maar dralen. Mehmet jojoot tussen Amy en mij heen en weer als een soort kuikenhoeder die het nest bij elkaar probeert te houden. Ik ben me over de witte namaakbassins al terug aan het bewegen. Het is zo heet en ik draag nog steeds een lange broek. Een paar mannen zitten in het stromende lauwe bronwater, wat moet dat heerlijk zijn en ik overweeg een korte broek uit de auto te halen en er ook in te gaan zitten, en als ik alleen was geweest had ik het misschien gedaan, maar ik heb volstrekt geen zin om miss wet t-shirt te spelen waar mijn stalker bij is.

Ik erger me groen en geel aan het gedraal en weggaan kan niet want ik heb die twee mee naar boven genomen dus ik zet ze ook weer beneden af, maar het liefst had ik het nu op een drafje gezet. Ondertussen laat Amy, gekleed in haar gele regenjas met hoedje, ik snap niet hoe ze het uithoudt, zich in alle klassieke Facebook poses fotograferen en stort Mehmet allerlei oninteressante wetenswaardigheden over Pamukkale over me uit. Het is natuurlijk bronwater (niet, want dat ruikt niet naar chloor). Hier komen veel toeristen. De Grieken hebben er een stad op gebouw. Ik begin nu toch maar langzaam terug te lopen. Mehmet en Amy volgen me alsof ze toch aan dat elastiek zitten. In een van de basins staat een blond meisje in een bikini te poseren tegen de muur. Als mijn zus dit zou zien, zouden we elkaar aankijken en zeggen ‘voor de catalogus’ (en dan hebben we het dus niet over de Wehkamp). Mehmet echter vindt het allemaal prachtig en loopt als een dolle hond om me heen te springen en te vragen of ik het allemaal wel gezien heb terwijl van opgewondenheid nauwelijks uit zijn woorden komt waar hij ook nog zo hard bij grinnikt dat hij bijna in ademnood komt. Ik vind de situatie zo gênant dat ik door loop en de andere kant op kijk en niet reageer op Mehmet’s dierlijke pret. Wat is dit voor een gast? En belangrijker: hoe kom ik er zo snel mogelijk van af?

Ik heb er al helemaal geen reet zin meer in om Hiërapolis op te gaan. Het terrein is enorm en het moet spectaculair zijn maar ik zie al wel weer overal bordjes staan die je vertellen waar je naar staat te kijken en paden en paaltjes met lint ertussen dus voor mij hoeft het al niet meer in deze bloedverziekende hitte. Mehmet wijst op het romeins bad wat we toch gezien moeten hebben, ik ga er maar weer bij naar binnen, hopend op koelte, waarna ik in een ruimte kom die het midden houdt tussen de orchideehoeve en een restaurant in een dierentuin, er zit een soort zwembad in met planten erom heen en er staan plastic stoeltjes van de cafés en er zijn winkeltjes met souvenirs. Ik besterf het zowat. Amy maakt duizenden foto’s en alles duurt allemaal weer veels te lang.

Godzijdank komt er een eind aan de ellende en we lopen naar de auto. Ik heb inmiddels barstende koppijn. Laodikeia kan ik nu wel vergeten, ik wil alleen nog maar zo snel mogelijk naar mijn hotel. In de auto vraag ik waar ik Mehmet en Amy af moeten zetten. ‘We will go to the mountain and eat something’, zegt Mehmet. ‘No no, I’m going to the hotel now, I’m dropping you off.’ antwoord ik. ‘Tomorrow I have an exam at two o’clock but after that we can go have a drink or something’, zegt hij. ‘No I can’t, I’m leaving at 8’, zeg ik. Wat denkt die jongen wel niet?  Heeft ie het nu nog niet begrepen? Ik kan alleen maar denken, je hebt al een dagdeel en drie expedities voor me verknald, het is nu verdomme wel eens klaar. Bovendien verdraag ik het niet om nog een minuut langer dan nodig naar het gewauwel over zijn politieke opvattingen te luisteren, er is werkelijk geen zalf aan te strijken. Journalisten moeten de gevangenis in ja, omdat ze eerst allemaal aardige dingen over de regering zeiden, en nu niet meer. Zelfs voor mij, echt waar, ik ben er helemaal klaar mee.

Het kost me inmiddels ook volstrekt geen moeite meer om te zeggen dat ik geen zin meer heb om ergens heen te gaan, ik alleen wil zijn en ik wil schrijven. Hoezo alleen zijn? Hoezo schrijven? Wat moet je schrijven dan? Hoe laat ben je klaar?

Het kost me daarentegen nog bestwel veel moeite om hem en Amy en een vriend die ineens ook door mij opgehaald moest worden aan de andere kant van de stad, mijn auto uit te krijgen, maar eindelijk ben ik dan in mijn hotel. De bellboy schleppt mijn 30 kilo naar mijn kamer en ik bedankt hem met 5 lire, ik had even niet anders. Ik neem twee Turkse aspirines, een glas zelf meegebrachte wijn (ook hier geen alcohol in de minibar), de kamer is knisperend wit, nieuw, koel, betegeld (niet van die gore onduidelijke vloerbedekking), de badkamer van glanzend marmer met een douche waar wel tien mensen onder kunnen, en werkelijk waar, ik heb het nog nooit meegemaakt, zelfs de afstandbediening van de tv is schoon en durf ik zomaar aan te raken zonder huishoudfolie eromheen. Bij wijze van spreken.

Het enige verlangen dat ik nog heb is een kop fijne koffie. Als ik buiten kom, blijkt dat ik dat kan vergeten. Ik zie alleen twee zaakjes met tl-buizen en döner en je kan als regel aannnemen dat als er één van de twee aanwezig is, je er geen fijne koffie kan krijgen. Ik keer rechtstreek om om naar het hotel te gaan en zie in mijn ooghoek iemand naar me kijken. Ik steek direct de straat over recht naar het hotel en de persoon doet hetzelfde. Ik probeer nog af te buigen maar hij versnelt zijn pas en staat ineens voor me. Het blijkt de bellboy te zijn. ‘Kan ik je ergens mee helpen?’, vraagt hij met een vriendelijk jongensachtig gezicht. ‘Ja, ik zoek eigenlijk een zaakje waar ik een goede kop koffie kan krijgen’, zeg ik tegen hem. ‘Dat weet ik wel’, zegt hij, ‘Kijk, daar verderop bij dat gele licht? Daar is een shopping mall, daar kan je wel een kop koffie vinden.’ Verdomme. Hij steekt zijn hand naar me uit. Daarin ligt een zachte bal, ik kan niet goed thuisbrengen wat het is. Hij duwt hem nog iets naar me toe, ‘Voor jou’. Ik pak de bal verbaasd uit zijn hand, het is een soort stressbal, en voelt eerlijk gezegd aan als een borst. ‘Wat is het?’, vraag ik. ‘Een ballon met water’, zegt hij, ‘Als je die tegen iemand aangooit spat hij uit elkaar’. Soms maakt een kleine absurditeit je dag weer goed. Die fijne kop koffie heb ik nooit gevonden.

Plaats een reactie