Naar Afyonkarahisar


Woensdag

Ik heb heerlijk geslapen in dit fantstische hotel, helaas maar tot een uur of zeven. Maar er zit geen ontbijt bij dus ik heb een mooi excuus om in dit leuke stadje een ontbijtje te gaan halen. Reizen is eigenlijk niets anders dan een verdringingsreeks van maar een paar vragen: wat wil ik zien, waar eet ik, waar slaap ik en met wie praat ik? Ik vraag aan de receptionist van vandaag waar ik een ontbijtje kan krijgen en verdomd als het niet waar is, ze stuurt me naar een “mall” voorbij de rotonde, ik hoef alleen maar de trambaan te volgen. Wat hèbben die mensen toch met malls? Eerlijk gezegd heb ik geen tijd meer voor avontuur want ik moet vandaag nog naar Çavdarhisar en vervolgens Afyonkarahisar, dus ik volg haar instructies maar. Over de troosteloze rotonde vind ik de al even troosteloze mall, en die is nog dicht, er staat alleen iemand de ramen te lappen. Ik zal hier toch wel ergens een ontbijtje kunnen krijgen? Als ik het de ramenlappende man vraag, kijkt hij me chagrijnig aan (zíjn ontbijt is waarschijnlijk al weer een halve dag geleden) en wijst voorbij het winkelcentrum, daar is een Starbucks. Er komt geen eind aan mijn ellende als ik daar maar naar binnen loop en ik neem me voor nooit meer aan hotelpersoneel ook maar iets te vragen over wat zich buiten het hotel afspeelt, daar zijn ze duidelijk niet voor opgeleid. Als ik terug loop gaan de winkels in de straat met de trambaan net open, en ik loop een winkel binnen en koop een enorme zwabberbroek en een allesverhullend truitje en ik twijfel een seconde over die hoofddoek, maar dat is me op dit moment nog net een brug te ver. Over bruggen gesproken, verder lopend besluit ik toch even een zijstraatje in te slaan wat volgens mij ook naar mijn hotel moet leiden, en aan het eind van het straatje sta ik ineens op een lieflijk bruggetje, omgeven door cafeetjes en patisserietjes, en ontbijtzaakjes. Ik ben op dat moment he-le-maal klaar met Eskişehir en ren terug naar het hotel, smijt mijn spullen in de koffer en vertrek. Ik zal je verder besparen hoe ik dat doolhof ben uitgekomen, terwijl ik gewoon precies zei wat de bellboy me vertelde, “justa go left, then go left and go”, daarbij zijn schouders optrekkend met zijn handen in de lucht, kin naar voren en mondhoeken naar beneden, zo van, het kan echt niet simpeler. Ik geef Eskişehir nog een kans en besluit naar het Şahane park te gaan dat een mooi uitzicht op de stad moet bieden. Ik weet niet of ik helemaal de goeie weg heb, maar ik kom in het oudste wijkje van Eskişehir terecht, met pastelkleurige vooroverhellende vakwerkhuisjes, en ik móet gewoon even uitstappen om rond te lopen en wat foto’s te maken. Voor de vorm ga ik even een piepklein minimarketje in en koop wat water en Pufs, koekjes met een soort negerzoen erop die ik hier per dozijn tegelijk insla. Als ik verder rijd, worden de straten en huisjes alleen maar kleiner en smaller, totdat ze zelfs niet eens meer bestraat zijn en ik ben zo intens aan het genieten van al dit prachtigs, dat ik heel langzaam rijd, en eigenlijk ook steeds méér wil zien. 

Ik realiseer me dat achter deze vervallenheid verhalen van armoede schuilgaan, of misschien ook niet, misschien een gewoon een levensstandaard waar de mensen aan zijn gewend, mensen die volstrekt geen behoefte hebben aan mijn visie op hun wereld. In elk geval weet ik dat ik geen vooroordelen wil hebben, maar er niet aan ontkom, om die tòch te hebben, omdat mijn eigen omstandigheden en verleden mijn hersenen nu eenmaal hebben geprogrammeerd. Nochtans, wat de mensen er zelf ook van moge denken, vind ik het prachtig, eerlijk, rauw, brengt het geschiedenis heel dichtbij. En geschiedenis laat je je dingen afvragen en uiteindelijk begrijpen, daarom vind ik het zo belangrijk, en zo mooi, en wil ik er zo graag dichtbij zijn. 

Zo plotseling als ik erin belandde, zo plotseling ben ik ook weer in een wijk met jaren 80 betonbunkers waarmee half Turkije ook is volgeplempt. Ik ben gelijk bij de ingang van het park beland, waar een afgebladderd wit hek omheen staat. Het doet me meteen denken aan van die verlaten speeltuinen in Tjechië, wàt een oostbloksfeer hangt hier. Er staat ook een Hollands aandoende molen, die herinnerde ik me inderdaad van fotos, maar ernaast staan Don Quichot en Sancho Panza, die nogal lafhartig naar molen Weltevree staan te wijzen. Het geheel doet me nogal potsierlijk aan, ik maak er een foto van maar denk ondertussen, wat ga ik in vredesnaam met een foto hiervan doen? Aan het park vastgeplakt zit een soort lunchroom met bloemetjesbekleding op de stoelen waar ondanks de ramazan toch een Turkse familie en een stelletje zitten te eten, en het ziet er naar uit dat ze hier wel een behoorlijke latte hebben, dus bestel ik er een, “ek shot ile”, met extra scheut koffie. 

Dan wordt het toch echt tijd om onderweg te gaan naar Çavdarhisar en dat is me waarlijk geen ongenoegen. 
Wat is de weg weer prachtig en afwisselend. Hoog, heuvelachtig, groen, rotsachtig en soms minuten lang alleen maar graan. Nergens saai en dor en steppe-achtig zoals ik had verwacht omdat ik veel te lang naar Google maps heb zitten te koekeloeren. Als ik de bergen in de verte zie kan ik niet anders denken dan ‘Hoe zijn mensen hier ooit gekomen? Hebben daar wel eens mensen gelopen? Kan je er lopen? Hoe kom je daar in vredesnaam overheen?’

De wegen zijn fantastisch, de richtingen zijn overal geweldig goed aangegeven, ik weet niet hoe het in de rest van het land is en dan bedoel ik bijvoorbeeld oost van Ankara, maar hier moet je wel heel stom zijn wil je verkeerd rijden. 

Çavdarhisar is alleen een beetje een uithoek en als ik er vlakbij ben houdt het ook een beetje op kwa echt doorgetrokken asfalt zegmaar, maar dat geeft niet, want ik weet dat ik nu na drie uur rijden vlak bij mijn doel ben, Aizonoi, een antieke vindplaats die wat mij betreft zijn weerga niet kent, en waar niemand komt, omdat het veel te afgelegen is. 

Als ik het dorp inrij, weet ik instinctief waar ik heen moet (toch ook wel weer dankzij google maps) en amper ben ik een weggetje ingeslagen of ik zie op een open plekje in het vervallen dorp een zuilencirkel staan. Ik parkeer mijn auto voor wat blijkt een romeinse brug te zijn. Ik word overweldigd door een geluksgevoel alsof iemand me overlaadt met kadootjes terwijl het mijn verjaardag niet is. Gewoon zomaar, iets leuks. 

Er is een klein torentje waar een stenen wenteltrapje in is, en ik ga er naar boven, al pas ik er amper in. Het is maar een meter of drie hoog en vanwege de hoogtevrees durf ik niet voluit op de rand te gaan zitten, maar vanaf de laatste trede heb ik toch een heel schattig uitzicht. 

De Romeinse brug is momenteel niet in gebruik maar is afgezet en wordt zo te zien gerestaureerd, dus ik maak veel foto’s en ben dankbaar dat ik dit nog mag zien voordat hij voor eeuwig wordt vernacheld. Een paar meter verderop staat een nieuw tijdelijk bruggetje en ik rij verder door het dorpje waar de tijd heeft stilgestaan, met huisjes die niet eens van hout zijn maar van een planken en rieten frames met klei. Als ik aan het eind van het kronkelige weggetje boven de krakkemikkige daken ineens een kolossale zuilenrij zie uittorenen, slaat mijn hart een slag over. Ik maak er een foto van maar ik weet dat het niet overkomt. 

Ik rij om het terrein heen naar de ingang en vraag me af waarom mensen hier weg zijn gegaan, ook uit het dorpje. Natuurlijk zijn de antieke steden vooral door aardbevingen verwoest, maar die waren er overal. Eigenlijk is dat ook het enige waar ik een beetje bang voor ben in dit land. Dat ik op de zevende verdieping van een hotel zit en er een aardbeving komt. 

Ik rijd het terrein op en in een portable cabin van 1 vierkante meter zitten maar liefst twee ge-uniformeerd bewakers. Ik weet niet waarom dat nodig is, want er is verder niemand, en er staat toch geen hek om het terrein dus je kan er van alle kanten vrij oplopen. Ik betaal 10 lire, krijg een kaart en mag doorlopen, al had ik dat toch wel kunnen doen. Er is verder niemand. Midden op het terrein staat een enorme tempel, waarvan drie zuilenrijen nog helemaal in tact zijn. Ik kan er zo naartoe lopen. Dat doe ik heel stil en langzaam. Ellen factimet me. Ik neem op. Ze is met Jop bij mijn moeder en het is heerlijk om ze even te zien. Jop gaat lachen als hij me ziet, wat een heerlijk gevoel en iedere keer ben ik een beetje trots. Ik kan mijn moeder en Ellen meteen laten zien waar ik voor sta. 

Als ik ze opgehangen heb, loop ik het hele terrein over. Ik kan zomaar die groteske tempel in, wat een machtig gevoel. Om me heen zie ik door het gras heen grote granieten blokken steken, resten van poorten, muren en galerijen, waar ooit mensen woonden, liepen, ooit gevallen, nooit meer opgebouwd.

Aan de andere kant van de weg ligt een lange straat met aan weerszijden resten van pilaren, en een amfitheater, alles ingestort en overwoekerd. Ik loop om alles heen, klim overal op, ook als ik me afvraag of het wel verstandig is want het ligt misschien al honderden jaren zo, maar eens komt de dag dat het spul nog verder verzakt en die 70 kilo pardon 59 kilo van mij zouden maar net eens de druppel kunnen zijn. 

Deze plaats is er echt een naar mijn hart, ik ben helemaal alleen, er zijn geen restauraties gaande behalve de oude brug verderop, waar mensen ook gewoon overheen moeten, het staat niet vol met bordjes met uitleg, paaltjes met lint waar je niet achter mag. De bouwwerken zelf zijn ook niet van topkwaliteit, het is graniet, geen marmer, en ik zie nergens inscripties of ingewikkelde beeldhouwwerken of friezen of iets dergelijks. Misschien niet zo’n heel rijk stadje dan, maar genoeg centrumfunctie om zo’n kolossaal amfitheater te hebben en zo’n tempel. 


Ik spendeer hier tenminste twee uur, Jan had allàng onder een boom naar zijn telefoon zitten koekeloeren, en dan vind ik het ook welletjes en ik vertrek naar Afyonkarahisar.
Ik hoef je niet te vertellen dat het ramadan is, en ik kom net op tijd in het deprimerende hotel aan om vanuit mijn raam op het plein voor het hotel te zien hoe er zich een rij vormt voor de neergezette tafels bestemd voor de iftar. Vooralsnog staat de rij stil, totdat ik zie dat de zon bijna achter de bergrug verdwijnt en alles langzaam in beweging komt. Ik ben hier in een zwartekousengebied, alleen maar hoofddoekjes, geen toeristen. Ik wilde hiernaar toe vanwege de berg. Midden in de stad staan een paar reusachtige bergen omhoog te priemen en op een daarvan staat een fort. Ik hoef daar niet op, maar wil graag de wijkjes zien die eromheen liggen en dus al eeuwenlang gedomineerd worden door dat fort. 

Het is echter al te laat om dat vanavond te doen en als ik nog iets wil eten moet dat snel gebeuren. Ik neem een snelle douche en ga naar buiten. Wàt een deprimerende stad is dit. Bovendien is de zon net onder dus er mag gegeten worden dus behalve Jenneke is heel Afyon op zoek naar een tafeltje en zit alles dus vol. De meest akelige, tl-verlichte snackbarretjes probeer ik maar de helft van de keren zitten die dan ook nog eens vol met alleen maar grijze mannen die me saggerijnig aankijken zodat ik me snel uit de voeten maak. Eindelijk vind ik een kebab-zaak van drie verdiepingen waar ze nog plek hebben, maar ik mag zelf geen tafeltje uitkiezen, een beetje rustig achterin waar ik onopvallend kan schrijven, nee, gaat u hier maar zitten, maar ik wil graag een beetje-, nee, gaat u hier maar zitten, in het midden van de zaak onder deze tl-buis waar iedereen uitgebreid naar u kan staren. Ik zie overigens meteen dat hier niet gezellig gegeten wordt, nee, hier wordt voedsel afgewerkt. Het lijkt me dat de iftar helemaal niet iets is om gezellig over te doen, je hebt de hele dag keihonger, je bent moe want vóór zonsopgang moet dat ontbijt ook al weggewerkt zijn, dus die maaltijd na zonsondergang is niet meer dan eindelijk voedsel krijgen, zo snel mogelijk zoveel mogelijk naar binnen werken en gaan slapen.

Het behoeft verder ook geen toelichting dat er in een omtrek van honderden kilometers geen alcohol te vinden is, in heel Afyon kan je dat sowieso vergeten, tijdens de ramadan al helemáál, zelfs niet in de minibar van het sneue hotel. Mijn humeur wordt er eerlijk gezegd niet beter op. Gelukkig kan ik nog wel een fijne latte krijgen en nog even Facetimen met Ellen en mijn schetige neefje. Ik vertrek daarna maar snel weer naar mijn wannabe business hotel met vouwen in de vloerbedekking, ik werp nog een blik op de mammoetberg en ik slaap gelukkig prima. 

Plaats een reactie