Vandaag is de laatste volle dag die ik heb en ik voel me een beetje verdrietig. Onbewust heb ik me ertegen verzet want ik heb nog niets geregeld om hier weg te komen, behalve de auto voor de komende weken. Ik moet nog een hotel zoeken in Eskişehir, een taxi regelen naar het Taskimplein, en nog beginnen met mijn spullen te pakken. Ik blijf maar uitstellen.
Ik word zowat wanhopig van het slaapgebrek want weer wakker om 6:15, maar ik presteer het om om 9:30 in een dolmuş te zitten die rechtstreeks van mijn straat naar Bostancı gaat. Ik zit alleen in de dolmuş en heb dus een privétaxi, die me een leuke siteseeing tour geeft door Kadıköy en Fenerbahce. Er loopt een watergang door de wijk waar ook een jachthaven in ligt, en ik heb me laten vertellen dat door een of andere politiek vete, de gemeente weigert een rioolzuiveringsinstallatie aan te leggen, waardoor met name in de warmere maanden, zoals nu, de hele wijk stinkt als een open riool. Inderdaad is dat nu ook het geval het is verschrikkelijk wat een lucht hier hangt, en zelfs in mijn appartement kan ik het ruiken als de wind mijn kant op staat.
Na 20 minuten komen we aan op Bostancı waar ik de boot neem naar Büyükada, een van de prinseneilanden. Ik vergeleek ze eerder met de waddeneilanden van Istanbul, maar die vergelijking gaat eigenlijk totaal niet op, in de verste verte niet. Er zijn wel strandjes, maar echt je wilt er niet dood liggen en wie wil er nu zwemmen in de Zee van Marmara?
De eilanden zijn nogal rots- en heuvelachtig en doen wel een beetje aan Ibiza denken. De mensen ook, die gaan ineens heel bohemien lopen te doen als ze hier aankomen, bloemenkransjes op hun hoofd dragen en zo, geen gezicht. In de weekenden worden de eilanden overspoeld met Arabische toeristen, maar nu op deze maandagochtend is het rustig op de boot en ook als ik afstap zie ik maar weinig mensen lopen. In een zijstraat staan ongeveer 180 koetsjes met tweespan geparkeerd en ruikt het naar paardenmest. Deze karretjes zijn het reguliere openbaar vervoer op het eiland, maar ik breek nog liever een been dan dat ik in zo’n mal ding stap. Ik heb een punt uitgezocht waar ik heen wil lopen, maar als ik kriskras een paar straatjes heb doorgelopen, omhoog uiteraard, lijkt het erop dat ik dat niet ga redden. Aan het eind van de straat staat een phaeton zoals ze hier heten, en de 20-jarige menner vraagt waar ik heen wil. Ik ga maar gelijk overstag, wat heb je tenslotte aan principes, en ik wijs hem op google maps een oud Grieks klooster aan. 35 lira zal dat zijn en ik stap in. Als je denkt dat je dan lekker van het uitzicht kan genieten, nee dus, want die dingen zijn zo ontworpen dat het afdakje van dat malle ding je alle zicht ontneemt. Als je iets wil zien van het eiland moet je achterom kijken. Ondertussen vuurt de bestuurder allerlei vragen op me af: waar kom je vandaan? Ben je alleen? Heb je kinderen? Hoe oud ben je? En wijzend op zijn ringvinger: ben je niet getrouwd? Zo, dat heb je snel gezien, denk ik bij mezelf. Hij schaamt zich kennelijk nergens voor en ik lig helemaal dubbel als ik mijn leeftijd niet wil geven en hij me 29 geeft. Waarschijnlijk expres al tien jaar naar beneden bij gesteld, niet wetende dat hij me daarmee óók al een megacompliment had gegeven. Als hij míj 29 geeft, hoe jong moet híj dan wel niet zijn? Om er vanaf te zijn zeg ik dat ik net zo oud ben als zijn moeder (ouder waarschijnlijk, haha) en dan zijn we ongeveer op de plek waar ik wilde zijn. Hij staat erop om me te ‘helpen uitstappen’ wat erop neerkomt dat hij pontificaal in de weg gaat staan en de kans aangrijpt om me vol in de heupen vast te pakken. Gelukkig laat hij me dan ook wel gaan voordat ik hem op zijn bek sla, en ik loop een klein rondje om het terrein. Het is hier rustig en warm en ik hoor krekels en beneden schittert de Zee van Marmara. Ik hoef hier verder niet lang te blijven en we vertrekken weer naar beneden. Het hele eiland ruikt naar bloemen en de grootste villa’s staan tegen de berghelling geplakt. Ondertussen probeert de chauffeur me ervan te overtuigen dat ik met hem mee moet naar het strand en dan kunnen we samen wel even gaan zwemmen. Dat doen we dus maar even niet. Aan het eind mag ik 60 Lira aftikken, want ja, voor heen èn terug. Ik ga niet in discussie. Het is 12:00 uur en ik besluit hier even iets te eten en dan weer de boot terug te pakken.
De hele kust staat vol met terrassen, honderden tafels staan er gedekt en klaar, maar er zit niemand en ik ga er dus ook niet zitten. Om een hoek vind ik een kantine-achtig zelfservice restaurant waar ik alleen wat lokale bevolking zie eten, dus mijn kostje is gekocht. Ik neem een gevulde paprika en een gevulde aubergine en man man wat is het weer simpel en heerlijk.
De boottocht naar huis is ook weer fijn en ik wil nog even bij het Dolmabahce paleis langs maar ik was vergeten dat het maandag was en alles dus dicht is, dus in plaats daarvan drink ik koffie op het terras aan het water, ook goed. Om een uur of vijf ga ik naar huis. Het is de laatste boottocht over de Bosporus. Ik neem het geluid van het ruisende water en het beeld van de passerende vapurs op deze prachtige plek dringend in me op, ik ga dit ontzettend missen.
Dinsdag
Om 5:15 lig ik al weer naar het plafond te staren. Vier uur geslapen en ik moet vandaag nog ruim 300km rijden, dat is 6 uur rijden in dit land. Om 9:30 besluit ik nog een laatste ontbijtje te eten in Moda. Ik ben de hele ochtend verdrietig en als ik de laatste keer naar ‘huis’ loop, lopen de tranen over mijn wangen. Ik weet niet wat me zo aangrijpt, ik wil gewoon niet weg, ook al heb ik nog drie weken te gaan in dit heerlijke land. En ik ben natuurlijk gewoon een jankerd, laten we daar geen doekjes om winden. Het enige waar ik nog tegenop zie is niet zozeer rijden door Istanbul, maar die 30 kilo zware tassen van de vierde verdieping naar beneden te zeulen. Ik prop de laatste dingen er in en stofzuig het huis nog even. Een taxi vinden is op deze plek een makkie, ik sta al klaar met de app Bitaksi in mijn hand maar dat is helemaal niet nodig want ik sta nog niet op de stoep of er stopt er al een voor me. De hele weg naar Taksim keuvelen we in het Turks en een hij een beetje Engels. Hij vertelt me dat hij twee jaar lang een Belgische vriendin heeft gehad die hij heeft leren kennen in Bodrum, die ook in Istanbul is komen wonen en werken maar geen woord Turks sprak, lang niet zoals ik (glunder). “Iltifat için çok teşekkürler”, zeg ik, bedankt voor het compliment. Geen compliment, zegt hij, gewoon een feit.
Ondertussen rijden we over die gigantische brug die Azië met Europa verbindt en word ik getrakteerd op een schitterend uitzicht over de Bospurus. Bijna een uur later moet ik 50 lire betalen (ongeveer 17 €) en sta ik voor de Avis om mijn Nissan Micra op te halen en kom ik er niet meer onderuit om me zelf in dat hysterische Istanbulse verkeer te gaan begeven. Maar zoals ik al zei, zolang je doet alsof er niks aan de hand is, is er eigenlijk ook niks aan de hand, en je moet ergens beginnen en met autorijden is dat met gas geven, dus ik hou de instructies van de Avis-meneer voor de eerste drie stoplichten in gedachte en geef gas. Links, rechtdoor, links, en daarna zien we wel weer. En ach, ik zie mensen om me heen heel relaxt met hun telefoons in hun hand met vijf breed over de driebaanswegen rijden, die maken zich verder ook niet druk, dus dat hoef ik ook niet te doen. Na het derde stoplicht heb ik geen idee meer maar zie ik “çevreyolu” staan, ik schat in dat dat rondweg betekent dus ik volg het maar. Na een tijdje staat er Ankara op en die richting moet ik voorlopig wel even uit.
En het verkeer, daar moet je je gewoon een beetje op aanpassen. Ik wil echt niet lullig doen over het Turkse verkeer en er van die clichégrappen over gaan maken, maar het is wèl zo dat de Turken verrektes efficiënt gebruik maken van het wegennet. Op een driebaansweg kunnen bèst 6 autos naast elkaar rijden, zo kunnen er per slot van rekening toch twee keer zoveel òp, en als je met 2 miljoen mensen tegelijk naar huis moet is dat toch verrektes handig. En zolang je dat begrijpt, is er weinig aan de hand. Waar je verder voor moet oppassen, zijn de mensen die midden op de snelweg water staan te verkopen, of zakdoekjes, en verder de gehele rechter rijbaan is echt beter te vermijden. Waar je je in Nederland beter verdekt kan opstellen aan de rechterkant, is dat hier echt niet het geval, vanwege de korte invoegstroken en allerlei obstakels die zich daar zonder aankondiging ophouden, stalletje met meloenen, vrouw en kind die over willen steken, paard en wagen, dat soort dingen.
Het gaat me allemaal prima af in dit leuke makkelijke autootje met zonder schakelbak. Het kost me bijna twee uur om echt de stad helemaal uit te komen en ik vind makkelijk de weg naar Eskişehir. Het landschap is prachtig rotsachtig en groen en wordt later glooiend met graan, in de verte steken krijtachtige bergen de lucht in.
In Eskişehir ben ik echter een uur aan het zoeken naar het hotel, het is een compleet doolhof van piepkleine eenrichtingverkeerstraatjes en ten einde raad bel ik uiteindelijk het hotel, en moet ik door een bellboy gered worden die bij me instapt en me naar het hotel loodst. Ik slaap vanavond in het Porsuk Boutique hotel, zoek het vooral even op, op booking, want wat een geweldig sfeervol Agatha Christie hotel, wat een heerlijke kamer met badjassen en slippertjes en een regendouche. Ook mijn 30 kilo bagage wordt voor me naar boven geschleppt, heerlijk. En wat een leuke stad, echt gezellig met dat kanaaltje erdoorheen en al die kleine bruggetjes. Straks even een kop koffie halen. Eerst even skypen met Ellen, kleine Jop slaapt in haar armen, moe van de koorts.
Met al die leuke straatjes moet ik toch ergens wel een decent kop koffie kunnen krijgen, maar als ik het vraag bij de receptie, zegt hij: ‘There is a Starbucks about 1km from here.’ Dat gebeurt wel vaker, die mensen denken dat je Starbucks wilt en niet de lekkere lokale zaakjes, heel vreemd. Evengoed vind ik na enige zoek- en sluipwerk het keileuke Varuna Gezgin cafe, en blijf daar twee artistieke Turkse biertjes lang zitten schrijven tot het tijd is naar huis te gaan.

