Aangezien Gülfidan vandeweek een keer heeft afgezegd heb ik nog een les van haar tegoed en die is vandaag om 12:00 uur. Lekker handig zo midden op de dag, ik heb nu al geen zin meer. Maar ik hou mezelf maar voor dat dit is waar ik hier voor kwam, dus we gaan het wel doen. Zoals bij alle andere lessen praten we de helft van de tijd over andere dingen in het Engels. Zo vertelt ze me over haar baan als lerares Spaans. En over of het beter is om in Spanje te gaan wonen. Ze denkt van niet, omdat ze er daar nooit helemaal bij zal horen, omdat er ‘moslim’ in haar paspoort staat. Ze denkt dat ze in Spanje voor wat betreft officiële aangelegenheden, anders zal worden behandeld, terwijl ze niet eens een ‘echte’ moslima is. Ik zeg haar dat dat volgens mij wel mee zal vallen, in Spanje ziet iedereen er Mediterraans uit zoals zij, en bovendien is de diversiteit van mensen kwa uiterlijk veel groter dan hier. Ik kan me niet voorstellen dat behandeling vanwege het feit dat ze in haar paspoort aangemerkt staat als moslim, of zelfs als ze moslim zou zijn, anders zou zijn. Volgens mij is de kans dat zij geaccepteerd wordt in spanje groter dan de kans dat ik geaccepteerd word in Turkije.
Ik geniet weer van de boottocht naar de andere kant en neem me voor op de terugweg een foto te maken van de Mavi Marmara die daar ligt.
Tegen 15:00 kom ik aan bij Istanbul Modern en ik weet niet wat ik had verwacht, maar de moderne kunst voelt als een frisse bries door mijn geest, excersize for the brain. Ik had graag aan iemand willen vragen welke nu het meest (of minst) vrij is in Turkije, de kunst of journalisme, en wat betekent dat dan voor de positie van de kunst? Maar er is niemand aan wie ik het durf te vragen, niettemin kom ik een uur later verfrist naar buiten. Ik verplicht mezelf nu ook naar galerie SALT Galata te gaan, die toch wel bekend staat als een van de belangrijkere galeries in dit deel van de stad. Ik besluit uit de tram te stappen bij Karaköy en Tersane Caddesi in te lopen en ik zie vrijwel direct dat ik hier helemaal niet wil zijn, en mijn moeder waarschijnlijk ook niet. Het moet vlakbij zijn, ik hoef alleen maar één straat naar rechts en dan is het daar al. Alleenalle straten naar rechts die ik zie zijn naargeestige van mens en zonlicht verlaten stegen waar de krotten vooroverhellen en alleen al daarom wil ik dit keer het risico echt niet nemen en hoop ik dat de volgende straat beter is. Ze worden echter alleen maar erger en zo langzamerhand loop ik steeds verder weg van mijn doel en is het ook al bijna half vijf, dus pak ik toch maar zo’n straatje en schuifel daar met rap tempo doorheen, denkend, ‘dit nooit weer’. Ik kom uit op de Dickensiaanse Bankalar Caddesi, en vind snel de galerie. Het was het alleen helaas allemaal niet waard, alleen de vaste tentoonstelling over de eerste Istanbulse bank (mede opgericht door Queen Victoria) is open, de kunstgalerie is gesloten. Okee, you win some, you loose some.
Ik heb nog één target voor vandaag en dat is eten bij Can Oba, een prijswinnende eigenwijze kok die in Eminönü een restaurantje moet hebben, nogal achterafjes, dus geheel naar mijn smaak. Het is een kantine-achtig tentje en terwijl ik een foto maak van een of andere award die aan de muur hangt, komt de ober die op Suares lijkt aanzetten met een trofee die moet bewijzen dat ik hier in 2016 ècht aan het goeie adres ben. Ik laat hem bepalen wat ik moet nemen en ik krijg vis met rood fruit en een toetje van een andere wereld in een uitgeholde grapefruit (greyfurt, ja je leest het goed, greyfurt in het Turks). Ik weet echt niet wat hier in zit maar het is verrukkelijk, en grappig en verrassend en zelfs na die vis met fruit laat ik hier geen druppel van staan. Dan vind ik het verder wel weer welletjes geweest en ga ik naar huis om in mijn bedje te kruipen.

Zondag
Voor het eerst ben ik om 9:30 al de deur uit, want ik heb nog maar twee dagen om al die uitgestelde dingen te doen. Bijvoorbeeld een echt Turks ontbijt eten in een ontbijtcafe, een fenomeen dat wij helemaal niet kennen, maar hier gaan mensen dus gewoon ergens ontbijten. Ik loop op aanwijzing van mijn landlady naar de andere kant van de kleine straatjes waar ik al ben geweest, dit moet een leuke wijk zijn. Ik moet daarvoor wel de drukke Söğütlü Çeşme Caddesi (ik ga niet eens beginnen met uitleggen hoe je dat uispreekt) met de trambaan over. Ik prik maar gewoon iets op Google maps deze keer en laat me daarheen begeleiden. Weer kom ik terecht in van die afzichtelijke straatjes waar alleen maar mannen lopen en voel ik me lichtelijk unheimisch, maar zolang je maar doet of er niks aan de hand is, is er feitelijk ook niks aan de hand, is mijn motto, en tot nu toe that’s working out fine. Ik ben wel al weer lichtelijk geïrriteerd, maar uiteindelijk worden de huizen iets lager, staat de zon er midden in en zie ik een patroon van oude en nieuwe gebouwen door elkaar te herkennen als een buurt waar geleefd wordt, die opgeknapt wordt, en ineens loop ik in een straat als die van een middelgroot Frans dorp en waar om de paar meter ook een hip koffiecafé zit en dan zit ik volgens mij goed. Bij Munch Mill neem ik een klassik kahvaltı en zit ik een klein uurtje te genieten van hier zijn. De echt oude houten huizen van zegmaar voor 1890 staan echt op instorten. Je kan het niet helpen je af te vragen of iemand nog om deze huizen geeft, of iemand er nog de eigenaar van is. Ik stel me voor dat ze van een oude familie zijn, misschien wel twintig keer overgeërfd totdat er een oude teyze (tante) is overgebleven die er zelf ook al niet meer woonde en de verre familie is vergeten dat er nog een oude teyze was met een ottomaans huis, of ze wisten het wel, maar het is in dermate staat van ontbinding dat het een fortuin zou kosten om het op te knappen. Op de meeste van die huizen hangen bordjes ‘girmek tehlikeli ve yasaktır’, naar binnen gaan is gevaarlijk en verboden. Projectontwikkelaars staan te trappelen om er vervolgens een appartementengebouw neer te zetten van vijf verdiepingen. Naast de ottomaanse gebouwen is deze buurt net als de buurt tussen Siraselviler en Istiklal doorspekt met Franse elementen uit de Belle Epoque. Frankrijk is hier het meest aanwezige Europese land, je ziet dat in de gebouwen, de boekhandels vol met franse literatuur en andere franse boeken, en de namen van sommige dingen, waar Jan en ik helemaal dubbel om kunnen liggen: kuaför, şoför, pötibör, apartman, şanjman, sosis. Ik weet helaas te weinig van de geschiedenis van deze tijd waarom er juist uit deze tijd zoveel Franse invloeden zijn. Ik weet alleen dat het na 1920 gruwelijk misging in de relaties met de vrije westerse landen.
Na het ontbijt wil ik de sleutel van Uğur in Cihangir gaan terugbrengen en loop ik de heuvel af richting de iskele. De zijstraten geven me prachtige doorkijkjes, beneden zie ik de Bosporus voorbij stromen, de straatjes geflankeerd door bomen de typische Turkse appartementen met balkonnetjes vanaf de eerste verdieping, en waar af en toe een houten ottomaans exemplaar tussen hangt te verkommeren. Ik kan niet ophouden met foto’s maken.
Als ik met de boot aan de andere kant kom, loop ik direct naar boven die verrekte 96 treden op, dan hebben we dat maar gehad. Ik neem nog even een douche want het is bloedverziekend heet en ik loop nog steeds in een lange, zij het scheurde spijkerbroek, ik begrijp niet hoe die mensen het uithouden, werkelijk niemand loopt in een korte broek. Ik hang mijn kleren even over een stoel voor het open raam en geniet nog even van de douche, van het appartement, ga nog even op het bed liggen, ik geef de planten op het terras nog even water wat ik Uğur had beloofd, drink nog een glas wijn, en dan is het tijd om een kop koffie te halen in het verborgen wijkje hier beneden. Ik zeg je, de informatie die je krijgt van de eigenaren van die Airbnb apartementen is van onschatbare waarde. Als ik de straat van de tramhalte oversteek en weer een paar hoekjes omsla, loop ik ineens in het meest schattige, romantische en gezellige wijkje dat ik tot nu toe heb gezien. De hele straat is overdekt met een dak van groen waar zonnestralen doorheen priemen. Hier en daar ertussen hangen lampionnetjes. Overal zijn cafeetjes en restaurantje die allemaal vol lijken te zitten. Bij ‘LOL coffee roasters’ neem ik een latte met citroencake. Als ik even later achter de wijk langs het water naar de tram loop, staan de straten vol met statige Franse gebouwen, die nu worden verbouwd en waar luxe hotels in gaan komen.
Vandaag speelt Turkije tegen Croatië (ik moet het even zeggen, dat is Hırvistan in het Turks, amazing). Ik voel me vreemd, ik ben nog steeds moe en voor het eerst heb ik het gevoel dat als ik hier toch niet permanent kan blijven, ik dan meteen ook wel een beetje klaar ben met Istanbul. Ik sta inmiddels op het drukke kruispunt van Karaköy waar boten en trams samenkomen, aan het begin van de Galatabrug en ik kan maar niet besluiten wat te doen. Dat uitgestelde lijstje vervolmaken en naar de Valens Su Kemeri (watergordel, oftewel aquaduct) gaan, of ergens een biertje gaan drinken waar ik naar snak en de wedstrijd bekijken. Besluiteloos sta ik te dralen bij een bushalte. Ik app Jan maar even om dit reusachtige probleem voor te leggen en die zegt, er komen nog wel meer wedstrijden die je kan bekijken maar dat aquaduct zie je niet zo snel meer. Okee, dan wordt het dat verrekte aquaduct. Ik heb nu al geen zin meer. Ik stap uit de tram op Aksaray en moet dan 10 minuten lopen over die godsgruwelijke Atatürk blv, een troosteloze snelweg waar in de jaren 70 hele antieke wijken voor zijn gesloopt. Zouden daar toen ook zulke protesten tegen zijn geweest?
Aan het einde wacht echter mijn beloning en eindelijk sta ik onder dat megalomane Romeinse bouwwerk dat overal bovenuit steekt en na duizenden jaren nog steeds met een autoritaire blik op de stad neerkijkt. Ervóór ligt een heerlijk koel parkje waar mensen in het gras liggen te lezen, mannen op bankjes zitten te kletsen en kinderen op driewielertjes rondrijden. Tot mijn verbazing zie ik hoog bovenop het aquaduct een vrouw lopen. Het lijkt een toerist te zijn. Ik wist niet dat het mogelijk was op erop te komen dus ik ga op zoek naar een opgang, maar die vind ik niet. Echter de betreffende dame zie ik even later in het parkje in mijn richting lopen. Ze wordt vergezeld door een man en een vrouw. Strooien hoedjes, een gebloemd tuinpak, Engels, schat ik in. Ik vraag haar hoe ze bovenop is gekomen en ze vertelt dat er geen trap is, maar ze verderop aan het eind via de muur en een boom naar boven is geklommen, “so if you like a bit of climb, it’s doable.” “Do you think it’s allowed?” Vraag ik haar, beetje stomme vraag. “Well this is Turkey you know, you can get away with anything” zegt ze lachend. Met enig drama denk ik bij mezelf, mensen zijn hier volgens mij ook voor minder gearresteerd, maar ik besluit het er toch op te wagen en maar te kijken hoe ver ik kom voordat iemand me wegstuurt, of arresteert. Ik moet eerst een rommelige verwaarloosde uithoek van het park over tijgeren en ik heb nu al spijt van mijn beslissing. De operatie afbreken daar is echter geen sprake van dus sta ik een paar seconden later tegen een naar mij overhellende muur te koekeloeren waar half een boom overheen groeit. Ik sla mijn tas om mijn nek en zet mijn ene voet in een gat in de muur, en de andere tussen twee takken van de boom terwijl ik me aan mijn handen omhoog hijs. Op momenten als dit lijkt het alsof een ander deel van mij buiten mezelf treedt en mij met de armen over elkaar geslagen skeptisch gadeslaat terwijl ik deze volkomen belachelijk ogende actie onderneem, die kinderen van een jaar of 8 zou passen maar niet een vrouw van middelbare leeftijd in een witte broek. Als ik halverwege de muur ben herinner ik me ook opeens weer dat ik hoogtevrees heb, wat de kans van slagen van deze missie al helemaal niet groter maakt. Opeens hoor ik stemmen en wat gescharrel boven me en daar staan drie jongens van een meer boomklimachtige leeftijd, en een van hen steekt grijnzend zijn hand naar me uit. Ik geef hem eerst mijn tas (slimme zet Jen) (maar vertrouwen, vertrouwen) en pak dan zijn hand en hij trekt me dat laatste stukje omhoog. De drie ritselen gewiekst naar beneden en ik sta daar, alleen, met mijn tas, op deze moloch van een romeinse landmark. Hij is ongeveer 6 meter breed schat ik. Hij loopt langzaam omhoog en in de verte zie ik treden. Het verbaast me dat er hier bovenop gewone lelijke grijze keukentegels liggen van een jaar of veertig oud, geen antieke baksteentjes ofzo. Moed verzamelend begin ik ernaar toe te lopen, aangestoken door de opmerking van de Engelse vrouw over de “extraordinary view”. Ik loop nu hoog boven het park. Sommige mensen kijken omhoog. Het begint me steeds zwaarder te vallen. Ik zie dat de trap in de verte ook echt niet meer is dan dat, een smalle trap van ongeveer twintig treden, zonder armleuning. Plotseling krijg ik het Spaans benauwd. In geen duizend jaar ga ik die trap op, dus waarom zou ik er dan heen lopen? Ik kijk om me heen, het uitzicht is overweldigend mooi, maar niet mooier dan vanaf het dak van de Mısır Çarşı, en ik heb ook nog het probleem op te lossen van hoe hier vanaf te geraken. En dan die tegeltjes…. het valt me toch een beetje tegen, allemaal. En feitelijk sta ik hier, dus missie geslaagd, dus ik mag wel terug van mezelf.
Naar beneden blijkt gelukkig een stuk makkelijk dan omhoog, zij het dat ik mijn witte broek nu van voor tot achteren door het stof en gruis en mos heb gehaald.
Ik herinner me ook dat hierachter nog een aardig wijkje moet zijn en ookal heb ik volstrekt nergens meer zin in behalve een ijskoud glas Efes, ik besluit toch nog maar even een stukje door te lopen en dan linksaf te slaan. Weer loop ik langs die godsgruwelijke Atatürk boulevard, alles is grijs en beton en donker, weer geen vrouwen op straat te zien en ik loop hier in mijn witte gescheurde spijkerbroek onder de moddervlekken. En er ìs geen straat naar links, en al was die er wèl, dan vind ik daar nòg geen ijskoude Efes, want dit is de streng gelovige wijk Fatih. Mezelf vervloekend loop ik te mompelen, ‘En nú ben ik er klaar mee. Ik ga nú verdomme een taxi nemen.’ Maar verderop zie ik allemaal mensen linksaf slaan, en ja, dan moet je wel. Ik loop maar achter ze aan. Alleen gaan zij dan ineens weer rechtsaf en mijn richtinggevoel zegt duidelijk dat ik door moet lopen, dus daar luister ik danook naar, en plotseling hoor ik geroezemoes en ruik ik kruiden en vlees en dan loop ik ineens in een ketsdruk straatje met vlees- en kruidenwinkels die overspoeld worden door mensen die praten en schreeuwen en druk gebaren door elkaar. Ik loop ineens in een andere wereld onder dit bladerendak en voor het eerst heb ik echt het gevoel dat ik in het oosten ben (ookal ben ik aan de Europese kant). Ik weet niet hoe laat het is (behalve hoog tijd voor een biertje) maar ik neem aan dat er inkopen wordt gedaan voor de iftar, de ramadanmaaltijd. Rijen en rijen koeien en schapen hangen in de open winkels waar het vlees vers van afgesneden wordt. Terwijl ik erlangs loop ruik ik kruiden, bloed, honing, brood, noten. Ik kom op een bescheiden pleintje met aan de ene kant winkels en aan de andere kant cafes, met hier en daar een televisie waar de wedstrijd op te zien is en waar alleen maar mannen zitten. Het is stervensdruk maar om de een of andere reden stoort deze drukte me helemaal niet. Ik voel me meer lichtelijk ontroerd dat ik dit mag zien, deze voorbereidingen op de maaltijd van de dag, in deze tijd, op deze plek, met deze mensen, die hier gewoon wonen alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Misschien komt het omdat er niemand op me let, of begin ik eraan te wennen? Ik weet het niet. Ik loop een paar rondjes om het groene marktplein heen dat aan een kant begrensd wordt door het aquaduct waar ik net op heb gestaan. Koop een pot honing bij de honingwinkel, goed idee Jen, ga lekker met nog meer zware dingen zeulen. Ik heb genoeg gezien en gevoeld en ga terug met de boot van 18:00.
Boten zijn een onlosmakelijk onderdeel van reizen met het ov in Istanbul. Als ik een tip mag geven als je naar Istanbul gaat: koop bij een krantenkiosk in de buurt van een iskele een Istanbul kaart (Istanbul kartı), laad hem op voor 50 lire en je kan er de hele week mee. Elk ritje kost je 2 lire, kort of lang, metro, vapur, funiculer, maakt niet uit. Het reizen met de ferries is ook ongelofelijk makkelijk, het kan echt niet misgaan, tenzij je niet kan lezen. Als je naar Eminönü wilt stap je naar binnen waar Eminönü boven de deur staat en that’s it. Er is wel wat verschil tussen een ‘vapur’ (groot) en een ‘motor’ (klein)(maar nog steeds heel groot, ik zie eigenlijk het verschil niet), die laatste brengen je onder de Galatabrug door aan de kant van de Gouden Hoorn, de eerste aan de kant van de Bosporus. Scheelt 2 minuten lopen. De tram kan ook niet makkelijker: er is maar een lijn. First-timers in Istanbul raad ik aan om in de buurt van een tramstation te verblijven, die rijdt langs alle dingen die je een eerste keer wilt zien en alle aansluitpunten voor het ov. Mijn appartement in Cihangir was op 5 minuten lopen van tramstation Tophane, ideaal. Metro en bussen heb ik niet gebruikt, aan bussen heb ik een hekel en waarom de metro gebruiken als je zoveel lol hebt in trams en dolmuşes en boten? De app die ik gebruik is Trafi, iets anders heb je werkelijk niet nodig, vul in waar je bent (evt toegang tot locatie geven) en waar je heen wilt en welke vervoermiddelen je wil gebruiken (geen bus, geen metro dus) en hij geeft precies aan waar je over x minuten kan vertrekken. De dolmuş betaal je trouwens niet met de Istanbul kartı, maar contant. 3 lire per rit, maakt niet uit waar naar toe.
Inmiddels ben ik godzijdank weer thuis en kan ik even lekker douchen en facetimen met Jan voordat ik even ga eten. Het is niet zozeer dat ik wil eten als wel intussen een moord kan begaan voor dat biertje dus ik wil er nog even uit. Ik vind een visrestaurant náást wat blijkt het beste visrestaurant van Kadıköy te zijn (jammer) maar tanrı’ya şükür, godzijdank, er is bier. Aan tafel schrijf ik verder terwijl ik eet. De ober vraagt me af en toe iets en ik antwoord in het Turks. Hij vraagt of ik alleen ben, en complimenteert me met mijn Turks. Hij vraagt me of hij me moet helpen met het snijden van vis, maar ik vertel hem dat mijn vader en opa vissers waren en ik dat prima zelf kan. Wat een aardige behulpzame man.
Hoe behulpzaam blijkt ook een half uurtje later als ik nog even een boodschap doe bij de Migros en hij ineens voor mijn neus staat. Kan ik je helpen? Wat zoek je? Het Turkse woord voor pedaalemmerzakken springt me niet direct voor de geest, dus ik zeg onbeholpen ‘temizlemek için bir şey’, iets om schoon te maken. Hij springt voor me uit door de paden en als ik heb gepakt wat ik nodig heb, blijft hij nog steeds voor me staan te dralen. Hij zegt iets, vraagt iets, ik snap het niet meteen, totdat hij een drinkgebaar maakt en ik ‘bira, kahve’ versta. Shit, hij vraagt me midden in de Migros uit. Dit lijkt me toch echt geen beleefdheidsaanbod en het lijkt toch echt wel de bedoeling dat ik dit aanneem, maar toch bedank ik maar beleefd en zeg dat ik naar huis ga. Binnen 0,5 seconden is hij verdwenen en ik vind het een beetje sneu voor hem en best wel moedig, om zomaar zo’n Hollandse midden in de Migros mee uit te vragen.
Ik ben inmiddels best wel moe en die Efes helpt ook niet echt voor de frisheid van geest, dus ik ben blij dat ik even later weer thuis ben en mijn bedje in kan kruipen, mijn micro-ontdekkingszucht weer even verzadigd.
