Het dak van Istanbul


De vapur ruikt naar pijptabak, een geur die me bekend voorkomt en die me ook doet denken aan een gedicht van Jan Prins over (en genaamd) Rotterdam waar me de tranen van in de ogen schieten elke keer als ik het lees. Pijptabak, opa, Willemstad Curacao, Istanbul. Het waait flink en ik heb mijn hoody meegenomen. Gisteren kon ik niet slapen van de buikpijn en van de kou. Om 01:00 stond ik op om Emine’s apartement ondersteboven te keren opzoek naar pijnstillers, onderstussen de hele tijd ‘Sorry, sorry’ zeggend voor het feit dat ik door haar spullen heen ging. Ik vond iets dat Projezik heette, ik googlede het en kon alleen Turkse bijsluiters vinden. Uit de vertaling bleek dat het iets was voor reumatische pijn en menstruatiepijn. Aangezien ik de connectie tussen die twee niet helemaal begreep, nam ik ze maar niet en besloot ik de pijn maar te ondergaan vannacht. Ik greep een extra deken en probeerde te slapen. Om twee uur ging ik de tweede deken halen en toen leek het eindelijk te lukken. Helaas werd ik om 6:45 al weer wakker en schijtchaggerijnig, excusez le mot.

Het feit dat mijn lerares om 14:00 komt, stelt me voor het probleem dat ik vooraf een keuze moet maken in wat ik op een dag ga doen. Als ik naar de overkant wil moet ik dat vroeg doen om op tijd terug te kunnen zijn. Vanochtend was ik duidelijk te moe om iets te doen. Om 7:00 zet ik koffie en ga in bed liggen met Orhan Pamuk in mijn handen. Ik zie pretentieuze pseudointellectuele kunstroutes vanochtend al helemaal niet zitten maar herinner me wat buurman Özgür gisteren vertelde over de oude poort achter de Mısır Çarşı (Egyptische kruidenmarkt). Na de koffie voel ik me iets beter en dit lijkt me wel een overzichtelijk tripje.

Een half uurtje later wandel ik naar beneden richting iskelesi.
Voor het begrip: gisteren zou ik dus die pretentieuze kunstdag doen, weer naar de overkant en Istanbul Modern en een paar galeries die ik had opgezocht, want ik was voorbereid. Maar omdat de bloemetjesgordijnen flinterdun zijn, lag ik om 6:15 al weer met de ogen open in het stralende zonlicht. Ik krijg te weinig slaap. Ik bleef nog een uur liggen. Dan kan ik dat blogje van de dag ervoor wel even afmaken. Ik zet koffie en met elk uur dat verstrijkt stel ik mijn plannen een beetje bij. Omdat het kan. Ik heb rust nodig. En Turkije is in het dagelijks leven bij uitstek een ‘because we can’ land. De hele ochtend ben ik aan het lanterfanten in huis. Ik zit heerlijk koffie te drinken en bij mijn raampje te te schrijven. Ik moet er uiteindelijk toch even uit van mezelf. Ik ‘woon’ vlakbij de leukste straatjes van Moda en ik ben er nog niet eens geweest. Het is warm maar ik zie niemand op straat met een korte broek lopen, waarvan ik er zeven bij me heb terwijl maar twee lange gescheurde spijkerbroeken. Op de trap kom ik de buurman tegen. Die nodigt me spontaan uit voor een borrel. Ik ben er nog steeds niet achter in hoeverre het nou de bedoeling is dat je dit aanneemt, maar vooralsnog bedank ik.

Het is gelukkig niet zo druk en ondanks de ramazan zie ik mensen gewoon eten op de terrassen. Ik loop direct Güneşli Bahçe (zonnige tuin) straat in omdat ik weet dat het daar stikt van de groentekraampjes en restaurantjes. Ik loop naar het eind en heb ook al gespot waar ik straks even gevulde mosselen en baklava ga halen. Ik struin even bij een tweedehands boekwinkel met veel Franse boeken uit de 18e eeuw, en bij Çiya ga ik naar binnen, ik heb gelezen dat die de lekkerste kebab moet hebben, en nog onder de indruk van gisterenavond denk ik nog helemaal aan niks anders. Ik bestel de Çiya Kebab en Sumac şerbeti, geen idee wat dat is maar daarom juist. Ik krijg in dunne reepjes sesambrood gerold vlees met walnoot, met een tomaatje, pepertje en witte kaas in het midden en weer eet ik dit bord leeg alsof ik een week niet heb gegeten, zo lekker. Ik beloof dat ik niet elke keer ga vertellen wat ik eet, maar dit is pas dag drie of strict genomen in termen van maaltijden dag twee en ik ben nog onder de indruk van al dat andere eten. Tijdens het eten consulteer ik wat vriendinnen over het aannemen van uitnodigingen van Turkse buren, dat wil zeggen buurmannen, en er is een aanzienlijk verschil tussen die twee, en aangezien de meeste zeggen dat ik Turkse mannen niet moet vertrouwen, moet ik dat maar niet doen dan.

Echter ik heb bestwel zin in een biertje en het is nog zo vroeg, en voor de deur van mijn gebouw staat de jonge hipster buurman weer, dus allah, we nemen bij Dimo om de hoek even een biertje, dat wil zeggen ik een biertje en hij een Cola light vanwege ramazan.

Buurman Özgür is puntje bij paaltje nogal verlegen maar binnen 0 seconden gaat het gesprek over politiek en Galatasaray en breekt het ijs. Ook hij waarschuwt me trouwens dat ik Turkse mannen niet moet vertrouwen. Buurman blijkt een 29-jarige hipster behorende tot het geheime genootschap dat spreekt in termen van “wij” tegen “hem”. Ik heb het nu al een paar keer meegemaakt, er is hier hier een apart slag mensen dat ik inmiddels schaar onder het ‘underground resistance’ genootschap, die een bepaalde taal hanteren waaruit je kan afleiden dat ze tot dezelfde sociale groep behoren. Ze kennen elkaar niet, maar hebben het altijd over ‘wij’ (biz) waarmee ze alle mensen bedoelen die tegen tegen ‘hem’ zijn. Gezi Park speelt hierin een grote rol, elke keer komt het weer naar boven in de gesprekken. Als het Gezi wordt genoemd in het gesprek, kan je er gif op innemen dat je aan het praten met met een member of this unmentioned society. Deze mensen hebben duidelijk bepaalde kenmerken met elkaar gemeen: jong, intelligent, houden van kunst, geschiedenis, wetenschap, zijn een beetje ‘quirky’, zijn eigenlijk allemaal een beetje van de hipster society, wat ik eigenlijk allemaal nogal belachelijk en arrogant vind, sorry jonges, ik ben echt te oud voor die hipster fratsen, maar toch. Zo heeft mijn ‘landlady’ bijvoorbeeld een gasmasker en heavy duty bouwbril in de badkamer hangen, hèt symbool van deze naamloze sub-maatschappij: gasmaskers = Gezi park protests. Ze hangen er een beetje artistiekerig bij, maar ze hebben ook iets van baby, I’m ready to go. Zo van, je zal maar even snel een gasmasker nodig hebben, toch? Dan hangen ze voor het grijpen in de badkamer, boven de strijkplank of naast de boodschappentassen en het kattengrit. Wat zo ongelofelijk aansprekend is, is de beheerste overtuiging en de serene passie die deze mensen hebben voor wat er gebeurt in hun land, en hoezeer ze het ermee oneens zijn. Allemaal zijn ze overigens negatief over de toekomst, ze hebben de stellige overtuiging dat things will get worse before they get better. Ze hebben allemaal een je ne sais quoi over zich, een Bob Dylan-achtige weemoed is wel de meest in het oog springende eigenschap, maar tegelijkertijd een sterke overtuiging dat wat er nu gebeurt, niet goed is. Ze zeggen dat het merendeel van de mensen die nu op de huidige partij stemt, dit vooral doet uit angst om hun baan, hun inkomen te verliezen, of gewoon omdat ze niet beter weten. Zelf denk ik dat traditie, manipulatie van de media en intensieve framing (wat je voorheen zou bestempelen als propaganda) een grote rol spelen. Anyway, ik kan er uren over doorgaan.

Ook nu is het gesprek met Özgür doorspekt met politiek en ‘wij’-termen. (Sorry mam, het gaat toch weer over politiek.) Op het moment dat er mensen naast ons komen zitten, gaat ons stemvolume omlaag. Ik ben me er ineens van bewust dat ik moet letten op wat ik zeg, en tegelijkertijd komt het me een beetje overdreven over. Maar ik zie dat Özgür ook zo reageert, dus ik pas mijn tone of voice onmiddellijk aan. Daarentegen hebben we het ook over de wetenswaardigheden van Galatasaray en de awkward ET-baby van Wesley en Yolanthe, en reizen in het algemeen en Fethiye en de Lykia Yolu in het bijzonder. Na het bier lopen we naar Kemal Usta Waffles op het einde van Moda Caddesi voor een zondige wafel met bergen fruit en siroop en andere overdadige shit en ik vraag hem waarom hij geen alcohol drinkt met de ramazan maar evengoed wel zo’n wafel eet. Ik zie het verschil niet, qua zondigheid.

Özgür weet me verder te vertellen dat er vlak achter de Egyptische Markt in Fatih een antieke houten deur is die toegang geeft tot een geheim.
En dat is waar ik vandaag heen ga. Op Google maps heeft hij me laten zien waar het is, dus het is een piece of cake om vanaf de vapur de weg te vinden naar Çakmakçılar straat. De antieke houten deur staat open en is behangen met truitjes en tshirts, zoals deze hele buurt behangen is met alles dat men wil verkopen. Özgür heeft me verteld dat ik gewoon naar binnen moet gaan, er is daar een mannetje, die moet je 1 lira betalen en dan doet hij binnen een deur voor je open. Ik loop door de houten deur een soort courtyard op. Aan de rechter kant zie ik een donkere stenen trap. Automatisch ga ik er naar toe en loop de trap op. Ik weet niet wat me beweegt, het is een donkere stenen trap waar verder niemand te zien is. Ik loop naar boven en kom in een donkere stenen galerij met een rond plafond, als de galerij van een klooster. Een paar mensen zijn aan het werk in de ruimtes aan de zijkant, verder is er niemand. Alles is zo oud, dat ik wel moet doorlopen. Ik wil zoveel mogelijk van deze verborgen schat zien voordat iemand me wegstuurt. Ik heb het gevoel dat ik gewoon moet doorgaan tot iemand me tegenhoudt. Aan het eind van de gang gebeurt dat ook, er staat ineens een mannetje voor me dat iets tegen me zegt in het Turks waar ik alleen het woord ‘kapalı’ van oppik, ‘gesloten’. ‘Kapalı mı?’, vraag ik met een teleurgestelde blik. Gelukkig zegt het mannetje meteen dat voor 5 lira hij me er wel in wil laten. Dat aanbod beantwoord ik met een dankbare knik en hij gaat me voor, die donkere gang in en ik volg hem. Na een paar bochten en trapjes komen we bij een zware houten deur van een paar honderd jaar oud, hij opent deze en laat mij binnen, duidelijk niet van plan om mee te gaan. Hij wijst de trap op, dat ik naar boven moet gaan en hij trekt aan een palletje van het slot om te laten zien hoe ik het van binnen open moet maken. Daarna doet hij de deur achter me dicht en draait die op slot. “Okeeejjjjj”, denk ik, “Dan zal ik maar naar boven gaan he?” Ik volg de uitgesleten stenen trap naar boven, het wordt steeds lichter en plotseling sta ik bovenop het dak van een eeuwenoude markt, tussen de kleine koepeldaken, met uitzicht over de wijk Fatih, de Suleymaniye moskee, de Gouden Hoorn, Galatabrug, Galatatoren, de wijk Beyoğlu. Niemand is hier, alleen ik. Ik loop voorzichtig rond op de eeuwenoude koepels en kijk om me heen, geniet van het uitzicht, luister naar de geluiden die uit de stad omhoogkomen. De oude baksteentjes komen hier en daar onder de lagen cement vandaan. Hier ligt bitumen, daar tegels, verderop zijn de gaten met cement gedicht. Het waait en ik ga een paar minuten op een van de koepels zitten. Hier geen verkoopwaar of schreeuwende verkopers, dit is de achterkant van de markt, de achterkant van Istanbuls drukke straatleven. Wat ongelofelijk dat ik dit nou weer mag meemaken.

Als ik opsta om terug te gaan staat er aan de andere zijde van de courtyard op een plat dak een mannetje naar me te zwaaien. Hij gebaart dat ik om moet lopen. Ik begrijp niet zo goed waarheen dus ik zwaai maar gedag. Als ik beneden aankom, staat hij op me te wachten, en wenkt dat ik mee moet komen, en vraag me niet waarom, maar ik doe het maar. Het mannetje is een kop kleiner dan ik en snelwandelt met korte pasjes richting een hoek van de courtyard, steeds achteromkijkend of ik nog volg. We gaan een nog donkerdere gang in, en slalommen nog meer stenen trapjes op die soms zo donker zijn dat ik niet eens kan zien waar ik mijn voeten zet. Totdat we aankomen op het platte dak vanwaar hij zojuist naar me stond te zwaaien. Inderdaad, ook hier een briljant uitzicht over deze wereldstad. Trots staat hij te zwaaien naar alles dat je vanaf hier kan zien. Aan de overkant van het dak is nog weer een kleine deur. Hij zegt ‘Ik ga nu thee halen’, dus ik neem aan dat ik ben uitgenodigd voor de thee. Er is eigenlijk niet eens sprake van dat ik dat zou afwijzen, dus ik ga maar naar binnen. Ik kom in een piepklein huiskamertje en mag op de bank gaan zitten. De tv staat uiteraard aan. Ik krijg thee en die drink ik met suiker. Het mannetje heet Murat, en ik heet voor het gemak maar even Jen. Murat praat honderduit en ik versta er maar flarden van. Ik vraag hem naar de bomaanslag gisteren, hier in de buurt. Hij wijst naar de televisie en zegt dat er net twee uur geleden nog een PKK-aanslag is geweest in Mardin. Ik vraag of hij hier een winkel heeft. Hij zegt, dit is mijn winkel. De thee is inmiddels op, en ik sta op om weg te gaan. Ik had hem niet helemaal begrepen en vraag waar zijn winkel dan is. Hij steekt zijn arm uit naar de kleine ruimte ernaast. Die blijkt vol te staan met grote pannen en wokken die tegen de muren staan opgestapeld, en op een tafel staan een gietijzeren kooktoestel en verschillende potten verf. Nu begrijp ik de verschillende gekleurde bergjes wol die in de kamer lagen: deze man verft stoffen. In theatrale gebaren laat hij zien hoe hij dat doet: water koken (hij steekt zelfs het gastoestel even voor me aan), verf erbij, wol erin, roeren. Ergens ander in de gang beneden worden dan de stoffen gemaakt. Ik maak geen foto’s, op de een of andere manier voelt dat oneerbiedig aan, maar ik heb er nu wel spijt van.

Bij het weggaan gaan we ons te buiten aan beleefdheden en wijst hij me de weg terug. Het is aardedonker en ik moet met mijn iphone bijschijnen om niet op mijn bakkes te gaan. Gonzend van geluk neem ik de vapur naar huis.

Galerij boven de markt in Fatih